Zaterdag 19/10/2019

Wetenschapsfraude

Wie gelooft die wetenschappers nog?

Beeld Eleni Debo

Het plagiaat van de Leuvense prof Marc Hooghe, het geknoei met kankerstudies van kinderneuro-oncoloog Stefaan Van Gool... Het zijn volgens experts trieste illustraties van een veel breder en dieper geworteld probleem.

Als je wetenschapsethicus Gustaaf Cornelis (Vrije Universiteit Brussel) mag geloven, dan gonst het in de wandelgangen van universiteiten en onderzoekscentra over wetenschapsfraude. Ontevreden doctoraatstudenten die vertellen hoe hun supervisor opeens een auteur op een paper schrapt, omdat die een goede vriend in de plaats wil zetten. Data die zodanig worden gemanipuleerd dat ze in het kraam van de onderzoekers passen. Artsen die het niet zo nauw nemen met de ‘informed consent’ van proefpersonen bij klinische studies.

“Voorbeelden genoeg”, zegt Cornelis. “Naar mijn gevoel is het probleem de voorbije jaren toegenomen. Toch zeker als ik hoor hoe vaak er over gesproken en geklaagd wordt. Officieel blijft het heel erg stil als het over wetenschapsfraude gaat. Af en toe komt er eens een zaak bovendrijven, en dan staan universiteiten klaar om die als uitzonderingen te bestempelen. In werkelijkheid gebeurt het veel meer. Daar ben ik zeker van.”

Hoe vaak het precies gebeurt, is onmogelijk te achterhalen. Zeker niet in België. Er is de Vlaamse Commissie voor Wetenschappelijke Integriteit (VCWI) die zich als ‘tweede adviesorgaan’ buigt over dergelijke zaken, maar of hun werking het reële probleem weerspiegelt, is twijfelachtig. Voor 2016 werkte de Commissie vier adviezen uit. Een jaar eerder was er sprake van amper twee klachten, waarvan uiteindelijk maar één werd behandeld.

“Die cijfers zijn maar het topje van de ijsberg”, zegt Cornelis. “Niemand weet exact hoe vaak er gesjoemeld wordt. Maar het is schering en inslag.” Cornelis verwijst daarbij naar een enquête van het wetenschapstijdschrift EOS uit 2012 over fraude en publicatiedruk bij wetenschappers van de geneeskundefaculteiten van alle Vlaamse universiteiten.

315 wetenschappers vulden de enquête in. Een beperkt aantal, maar het blijft de eerste – en voorlopig enige – kwantitatieve bevraging over wetenschapsfraude in Vlaanderen. De resultaten waren bovendien ontluisterend. Een op de twaalf gaf uiteindelijk toe af en toe data te verzinnen of te ‘masseren’ om een hypothese te doen kloppen.

Bijna de helft (47 procent) zag de voorbij drie jaar in zijn directe omgeving collega’s data manipuleren of verzinnen. Plagiaat? Een op de drie medische wetenschappers zag het volgens die enquête op de werkvloer gebeuren. De cijfers staan in schril contrast met de dossiers die de VCWI elk jaar behandelt.

Transparantie

Niet alleen in België zou er een onderrapportage van wetenschapsfraude zijn. De BBC deed zelf onderzoek naar hoe vaak het in Groot-Brittannië voorkomt. Officieel waren er daar tussen 2012 en 2015 dertig klachten. Maar de Britse omroep wist andere data te bemachtigen dankzij de Freedom of Information Act. In totaal kwamen voor dezelfde periode honderden aantijgingen bovendrijven, bij amper 23 universiteiten. 

“In België bestaat zo’n Freedom of Information Act niet”, zegt Ruben Mersch, filosoof en auteur van het boek Oogklepdenken. Waarom we allemaal idioten zijn (2013). “Hier is er absoluut geen juridische mogelijkheid om manu militari onderzoeksresultaten op te vragen. In welke mate onderzoeksgegevens achtergehouden of gemanipuleerd worden? We weten het gewoon niet. En de betrokkenen zijn er uiteraard niet bij gebaat om het openbaar te maken.” Niet alleen wetenschappers staan niet te springen om hun eigen fouten in de verf te zetten. Ook de onderzoeksinstellingen waarvoor ze werken, worstelen daarmee.

Denk maar aan de zaak-Stefaan Van Gool, die deze week bekend raakte. Twee jaar geleden al verliet hij het UZ Leuven nadat duidelijk was geworden dat hij niet alle regels had gevolgd bij klinische kankerstudies. Een jaar later vertrok hij ook bij de KU Leuven. Maar geen van beide instellingen maakte dit nieuws openbaar. Integendeel zelfs. Er werd een vertrouwelijkheidsclausule onderhandeld en geen van de partijen wil hierover nog commentaar leveren. UZ Leuven en KU Leuven benadrukken dat alle morele en juridische regels zijn gevolgd. 

Mersch en Cornelis hebben daar zo hun vragen bij. “Universiteiten doen er alles aan om hun imago schoon te houden”, zegt de wetenschapsethicus. “Dus proberen ze zulke zaken in der minne te regelen. Laakbaar, vind ik dat. Hier zou eigenlijk absolute transparantie moeten heersen.”

Ook Mersch ziet hoe onderzoeksinstellingen de stinkende potjes liever gedekt houden. “Zeker als het gaat over wetenschappers die veel fondsen binnenhalen. De kip met de gouden eieren slacht je niet zomaar.” Ook de samenwerking met privépartners doet de transparantie volgens hem geen goed. “Zijn er geen commerciële belangen in het spel, dan is de openheid iets groter. Maar werken ze samen met privépartners, dan worden er niet zelden clausules ondertekend waarin staat dat resultaten niet zomaar vrijgegeven mogen worden. Dan kan de sponsor echt een soort veto stellen.”

Klachten

Vraag is of er op dit moment voldoende procedures van kracht zijn om wetenschapsfraude te vermijden en te detecteren. Onderzoekers die hun studie in een gerenommeerd tijdschrift willen zien verschijnen, moeten dat laten ‘peer reviewen’. Andere wetenschappers buigen zich dan over de kwaliteit van het werk.

“Die peer review dient evenwel niet om fraude te detecteren”, zegt Cornelis. “En diegene die het moeten doen, zijn net wetenschappers die zélf werk willen publiceren. Ze zijn overbevraagd, waardoor het systeem zo lek is als een zeef. Vriendjespolitiek speelt evengoed een rol. Er heerst een cultuur van ons kent ons.”

De tijdschriften garanderen volgens beide mannen evenmin kwaliteit. Zo blijft de focus nog steeds liggen op positieve resultaten. Wie met negatieve bevindingen komt aanzetten, haalt meestal het blad niet. Mersch: “Helemaal onafhankelijk zijn die tijdschriften overigens ook niet. Zo zien we soms hoe medische tijdschriften bepaalde industrieën te vriend willen houden. Staat er een artikel in die hun product aanprijst, dan bestellen ze meteen 10.000 extra exemplaren om uit te delen aan dokters. Vaktijdschriften zien die inkomsten niet graag verdwijnen.”

Een andere manier om onregelmatigheden te detecteren is via klachten. Daar ziet Cornelis alvast positieve evoluties. Doctoraatstudenten die zien hoe proffen het niet al te nauw nemen met de wetenschappelijke spelregels, durven steeds vaker aan de alarmbel trekken. “Ze zijn mondiger geworden. Bovendien zijn er voor hen verschillende manieren – denk maar aan ombudsdiensten – om hun grieven kenbaar te maken.”

Bij de zaak-Marc Hooghe bijvoorbeeld waren het medewerkers van het Centrum voor Politicologie van de KU Leuven die naar de Commissie met klachten stapten. Een van de betrokkenen zag haar eigen werk plots opduiken in een academische paper van de prof, terwijl een andere paper werd gepubliceerd met de naam van Hooghe terwijl een medeauteur ontbrak.

Publicatiedruk

Willen we het probleem echt aanpakken, dan moet er volgens de Brusselse wetenschapsethicus vooral op preventief vlak veel meer gebeuren. “De publicatiedruk is zodanig groot dat het merendeel van die studies eigenlijk de wetenschappelijke lat niet haalt. Universiteiten zouden daar het verschil kunnen maken en inzetten op minder maar kwalitatiever onderzoek.”

In een reactie benadrukken zowel de KU Leuven als de Universiteit Gent dat er voldoende procedures en richtlijnen zijn om fraude uit te bannen of aan te kaarten. Beide universiteiten bieden opleidingen aan rond wetenschappelijk integriteit aan doctoraatstudenten.

“Wij voeren een onderzoeksbeleid dat vooral gericht is op preventie en bewustmaking bij onderzoekers en we hebben een transparante procedure voor het behandelen van inbreuken tegen wetenschappelijke integriteit”, zegt vicerector Liliane Schoofs (KU Leuven). “Maar het is niet zo dat de Commissie Wetenschappelijke Integriteit de onderzochte dossiers in de media kan verspreiden. Onze procedure berust op vertrouwen. Jonge doctoraatstudenten die onregelmatigheden willen melden, moeten dat in alle vertrouwelijkheid kunnen doen. Die mensen hebben nog een hele carrière in het vooruitzicht en willen niet dat hun naam overal verschijnt.” 

Verder benadrukt Schoofs dat van zodra de commissie een uitspraak doet, meteen ook de betrokken financier zoals de European Research Council daarvan op de hoogte wordt gebracht.

Of de officiële cijfers over wetenschappelijke fraude geen grove onderschatting zijn, betwist Schoofs. “Die enquête van EOS, dát was pure sensatie. De auteurs van dat artikel hebben zich zelf niet aan de wetenschappelijke standaarden gehouden.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234