Maandag 24/06/2019

Depressie

Wat na depressie? We weten het niet

Patrick Colemont overwon een depressie. Beeld Thomas Legreve

Wetenschappers klagen de blinde vlek aan in het onderzoek naar depressie. Om te begrijpen hoe mensen die ziekte kunnen overwinnen, moeten we ons volgens hen net focussen op diegenen die het daadwerkelijk deden. “De geneeskunde concentreert zich te vaak op wat ziek is.”

Op zijn vijftigste duwde het leven Patrick Colemont (57) in een depressie. Stress en deadlines speelden hem parten. Dus gingen de rolluiken dicht, werden vrienden en familie vermeden en plooide hij op zichzelf terug. “De totale lusteloosheid regeerde. Op zo’n moment beschouw ik het zinloze van het leven.”

Het was niet de eerste keer dat de ‘big black dog’ – zoals de Britse premier Winston Churchill het ooit treffend omschreef – bij hem langskwam. Maar het was wel de laatste keer. “Uiteindelijk heb ik de knop kunnen omdraaien. ‘Waar sta ik nu in het leven’, vroeg ik me af. En ik besefte: ik kan levenslang thuis op invaliditeit blijven zitten, of ik doe iets met deze ervaring en probeer daar mijn deskundigheid van te maken.”

Al klinkt ‘knop omdraaien’ te makkelijk. “Van een depressie genees je nooit volledig. Je herstelt wel”, zegt Colemont. “Ik moet voortdurend de juiste balans zoeken, attent zijn voor de signalen en er ook naar handelen. Het zal een eeuwig gevecht blijven, maar voorlopig slaag ik erin. Focussen op wat ik kan in plaats van niet kan, helpt me op koers te blijven. Ik heb mijn kwetsbaarheid leren aanvaarden.”

Colemonts verhaal is uiteraard niet uitzonderlijk. Maar terwijl we weten dat een op de zeven in zijn leven vroeg of laat te maken krijgt met een zware depressie, is het veel moeilijker om cijfers te vinden over herstel. Hoeveel mensen slagen erin opnieuw een kwalitatief leven uit te bouwen? Wie kan weer aan het werk of bouwt een sociaal netwerk uit? En hoe weten ze de balans te bewaren?

Het is deze blinde vlek die wetenschappers aanklagen in een nieuwe paper die werd gepubliceerd in Perspectives on Psychological Science. “Wie de diagnose depressie krijgt, wil voornamelijk weten wat de kans is dat zijn of haar leven weer normaal of zo optimaal mogelijk wordt”, zegt Jonathan Rottenborg, professor psychologie (Universiteit van Zuid-Florida) in The New York Times. “Je zou denken dat we een antwoord hebben op die vraag. Ik vind het beschamend dat het niet zo is.”

Lees ook het standpunt van hoofdredacteur Bart Eeckhout: Door het stilzwijgen over de herstelmogelijkheden van een depressie worden kansen gemist

Aardbeving

Samen met zijn collega’s wijst hij erop dat de wetenschap al die jaren een potentieel erg interessante groep over het hoofd ziet: diegenen die ooit een of andere vorm van depressie hadden, maar daar min of meer van zijn hersteld.

“Zo weten we bijvoorbeeld dat heel veel patiënten met een bipolaire stoornis – een ernstige, chronische aandoening – het erg goed doen na een behandeling, en vaak in creatieve jobs belanden”, zegt Sheri Johnson, directeur van het manieprogramma aan Berkeley (Universiteit Californië). “Maar we kunnen dus niet voorspellen wie. Het is dus erg belangrijk om dit soort informatie te hebben en om meer te weten over de groep. Stel je voor dat artsen je een zicht kunnen geven op de mogelijkheden die bestaan.”

Een depressie is een stemmingsstoornis die volgens de website Geestelijk Gezond Vlaanderen een op vijf vrouwen en een op tien mannen treft. Het is de meest voorkomende psychiatrische ziekte en het treft zowel jong als oud. Het gaat om wie minstens twee weken last heeft van een resem symptomen, zoals neerslachtigheid, verdriet, gebrek aan eetlust, slaapproblemen, lage energie. 

De ene depressie is de andere niet. Zo onderscheiden artsen ‘milde’ tot ‘ernstige’ varianten. Een ander groot onderscheid is dat tussen een unipolaire en een bipolaire stoornis. In het eerste geval is de patiënt louter depressief, bij een bipolaire stoornis worden die depressieve periodes afgewisseld met periodes van manische euforie. 

Dat was bij Patrick Colemont ook het geval. “Tot mijn 32ste heb ik een vrij gezond, onbezorgd leven gehad. Ik had een fijne job, een goeie relatie, veel contact met familie. Totdat een vijftal ingrijpende gebeurtenissen hebben geleid tot een burn-out.” 

In korte tijd verloor hij zijn vader, ging hij door een scheiding, verhuisde hij van Nederland naar België, begon een nieuwe job en knoopte hij een nieuwe relatie aan. “Stressfactoren die in een jaar tijd te veel van mij vroegen. Het veroorzaakte bij mij een mentale aardbeving, waarbij de fundamenten van mijn psychisch functioneren volledig door elkaar werden geschud.”

Naschokken

Na de aardbeving kwamen de naschokken. Wat initieel een burn-out was evolueerde tot een bipolaire stoornis, ook bekend als manisch-depressiviteit. “Ik had periodes waarin het heel goed met mij ging. Tenminste, dat vond ik zelf. Tijdens zulke hypomane periodes had ik tonnen energie en bruiste ik van de creativiteit. Maar daarna kwamen de zware depressieve periodes. Soms kwam ik drie dagen mijn bed niet uit. Mijn konijn eten geven? Dat was al lastig. Alle taken die ik in een actieve periode naar mij toe trok, kon ik op zo'n moment niet meer aan. Zoiets wens je je ergste vijand niet toe.”

Op zijn 34ste kwamen de stemmingsschommelingen. Sindsdien heeft hij met zijn aandoening moeten leren leven. “Er zijn die jaren erna heel veel ups en downs gevolgd. Maar sinds zeven jaar kan ik het onder controle houden en slaag ik erin om met die kwetsbaarheid te leven.”

Vier aspecten spelen daarbij volgens hem een cruciale rol. Zo heeft hij de – voor hem – juiste psychiater gevonden die hij zeswekelijks bezoekt en slikt hij een uitgekiende mix met onder meer antidepressiva. “Ook zelfzorg is cruciaal. Wat zijn de signalen van een up- of downperiode? En wat kan ik doen om dat tegen te gaan? Als de depressie sluimert, merk ik hoe ik zaken begin uit te stellen, hoe ik niet meer buiten kom of afspraken niet meer respecteer. In mijn geval probeer ik dan net het tegenovergestelde te doen. Geen zin om te sporten? Toch gaan, want hierdoor krijg ik opnieuw een impuls om me uit de dreigende donkerte te trekken.”

Colemont heeft geleerd om het kantelmoment voor te zijn. “Dat zit soms in kleine dingen. Op dit moment bijvoorbeeld is er boekenbeurs. In een hypomane periode zou ik meteen naar daar gaan en voor 200 euro boeken kopen. Voel ik die neiging, dan beperk ik me bewust tot één à twee boeken. Of ik koop er helemaal geen. Bij een aandienende depressie heb ik daar de fut niet voor, maar dan verplicht ik mezelf toch tot een bezoekje bij de plaatselijke boekhandel.”

Wat hem ook vaste grond geeft, is het contact met lotgenoten. “Maandelijks kom ik samen met de leden van de patiëntenvereniging Ups & Downs. Zo’n groep brengt je weer in aanraking met je eigen gevoel en het helpt om naar anderen te luisteren.” Wat mee verklaart waarom de handelsingenieur die in een vorig leven ‘innovatie-adviseur’ was, vandaag parttime aan de slag is bij OPGanG (Open Patiëntenkoepel Geestelijke Gezondheid) en het Vlaams Patiëntenplatform. 

Positieve

Wie naar zijn verhaal luistert, zou kunnen denken dat het eenvoudig is om die balans te vinden. Maar dat is het natuurlijk niet. Je ‘depressie voor zijn’ is een werk van lange adem en vergt ongelofelijk veel zelfkennis en kracht. Bovendien, zo benadrukt de man, is het een zoektocht van jaren geweest.

Dat komt ook omdat binnen de hulpverlening nog te weinig oog is voor die herstelbeweging. “De geneeskunde kijkt vooral naar wat ziek is”, erkent professor psychiatrie Koen Demyttenaere (KU Leuven). “En dus ook naar een vermindering van de negatieve symptomen.”

Alleen is depressie meer dan dat. “Er zijn twee hoofdsymptomen: de depressieve grondstemming met het zich neerslachtig en somber voelen, en anderzijds ook een gebrek aan plezier en het niet meer kunnen genieten. Te lang werd gedacht dat als je het negatieve omlaag haalt, dat het positieve wel zal stijgen.” Met andere woorden: het idee leefde dat als patiënten zich minder somber voelen, hun eetlust terugkrijgen of hun slaappatroon herstellen, ze ook hun joie de vivre terugvinden. 

“Maar dat klopt dus niet”, benadrukt Demyttenaere. “Dat heeft met andere hersenstimuli of neurotransmitters te maken. Terwijl patiënten net heel erg verlangen naar de terugkeer van het positieve. Ter illustratie: in klassieke psychiatrische handboeken gaat het nogal vaak over ‘respons’ en ‘remissie’. Bij een respons is 50 procent van de depressieve symptomen verdwenen, bij remissie zijn die grotendeels verdwenen. Remissie staat voor het ‘verdwijnen van het negatieve’. Terwijl: herstel – in het Engels ‘recovery’ – staat voor de ‘terugkeer van het goede’.”

Ook antidepressiva en klassieke psychotherapie zijn volgens hem te zeer gericht op het wegnemen van de negatieve aspecten. “De laatste vijf à tien jaar is daar dankzij ‘de herstelbeweging’ verandering in gekomen”, zegt de prof. “Want als je het patiënten vraagt, dan willen ze vooral weer een betekenisvol leven leiden, desnoods nog met symptomen.”

Hoopvol

Al betekent dat niet dat er een pasklaar antwoord is voor iedereen. Wat bij de een werkt, haalt niks uit bij de ander. “Herstel is een uniek proces”, beaamt Colemont. “Zo ontmoette ik een dame die langdurig depressieve klachten vertoonde, maar bij wie een bezoek aan de psychiater niks uithaalde. Op aanraden van een vriend kocht ze een huisdier, een chihuahua. Sindsdien gaat het een pak beter met haar. Ze verzorgt dat dier, gaat ermee wandelen, heeft permanent gezelschap. Zo zie je maar: een chihuahua kan de beste psychiater vervangen”, glimlacht hij. “Het is voor iedereen anders.”

Die complexiteit verklaart mee waarom het onderzoek meer focust op de ziekte dan op herstel. “Symptomen kun je meten op groepsniveau”, zegt de Demyttenaere. “Je kunt tellen of er bij komen, dan wel verdwijnen. Maar de vraag ‘wat is een betekenisvol leven?’ is enorm complex om op groepsniveau te onderzoeken.”

Ook het financiële plaatje speelt een rol. Het is eenvoudiger, maar ook goedkoper om pakweg bij een honderdtal patiënten het effect van medicatie of psychotherapie te meten, dan om mensen met een depressie tien jaar lang te volgen en na te gaan in welke mate hun leven aan kwaliteit wint. 

Toch zijn de evoluties binnen de geestelijke gezondheidszorg hoopvol. Was ‘herstel’ tien jaar geleden nog een term die in de sector nauwelijks werd gebruikt, dan is er nu sprake van een herstelbeweging, is er onderzoek naar de wijze waarop geestelijke gezondheidszorg herstel stimuleert en organiseren patiënten zich in lotgenotengroepen om ervaringen te delen. “Er zijn maar weinig voorzieningen vandaag de dag die dit niet kennen”, benadrukt professor Chantal Van Audenhove (KU Leuven, LUCAS). “Bovendien zijn ze zich in toenemende mate bewust van de nood om ervaringsdeskundigen in te zetten in de zorg. In de VS en de VK bestaat dit al langer en is er ook wetenschappelijke kennis verzameld die het begrip ‘herstel’ duidelijker omschrijft. Niet enkel voor depressie trouwens, ook voor een heleboel andere psychische ziekten.” 

Binnen het onderzoek is de shift dus ook merkbaar, al gaat het traag. Zo zit er bijvoorbeeld een Amerikaanse studie aan te komen in het tijdschrift Clinical Psychological Science, waarin een grote groep lange tijd werd gevolgd en waarbij er nadrukkelijk werd gefocust op hun levenskwaliteit. 

Misschien kunnen studies zoals deze ons iets meer leren over de positieve aspecten van een depressie. Demyttenaere: “Heel vaak hoor ik van patiënten die tot herstel zijn gekomen dat die depressie hen ook heel wat heeft geleerd. Dat het een soort groeicrisis was, waardoor ze aan zelfontwikkeling hebben gewonnen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden