Zondag 18/04/2021

6 vragenLente

Valt de lente steeds vroeger? En andere vragen bij het begin van het levendigste seizoen

null Beeld Photo News
Beeld Photo News

De lente mag dan officieel elk jaar beginnen op 20 maart, het bloeiseizoen lijkt steeds vroeger te vallen. Is dat ook zo, en wat betekent dat voor mens en natuur? Zes vragen over het levendigste seizoen.

Het is wellicht nog wat vroeg voor een eerste glaasje rosé in de tuin, maar een lichtpuntje is het wel, zaterdagmorgen om 11.37 uur exact. Het officiële begin van de lente. Het feestje van de maartequinox, het moment waarop de zon loodrecht boven de evenaar staat, of – voor wie op het feestje indruk wil maken – door een van de snijpunten van de ecliptica en hemelequator gaat en dag en nacht even lang zijn.

Er is iets met de lente. Met de klimaatverandering (of eigenlijk: de opwarming van de aarde) lijken winters hun scherpe kantjes te verliezen en voorjaren niet alleen warmer en droger te worden, maar bloeiseizoenen ook steeds vroeger te beginnen. Dat heeft gevolgen voor mens en natuur; hoewel we ons nog midden tussen de schuivende panelen bevinden, komen die gevolgen stukje bij beetje in kaart van de wetenschap. Enkele prangende vragen over het levendigste seizoen van het jaar.

Wat is het startschot voor de lente?

De seizoensindeling zoals wij die kennen is maar een constructie. Een officieel startschot is er niet, een scheidsrechter ontbreekt. Allereerst was er altijd al verschil tussen de astronomische lente en de meteorologische. Die laatste begint al op 1 maart, drie weken eerder dan de ‘officiële’ lente, en eindigt op 31 mei. Dat is het gevolg van een afspraak tussen internationale weerorganisaties in 1780. Toen besloot de Societas Meteorologica Palatina steeds drie opeenvolgende maanden als één seizoen te beschouwen.

Andere culturen kennen andere indelingen met andere data. De voorchristelijke Keltische kalender verdeelde het jaar in acht perioden. Imbolc heet daar het lichtfeest dat de lente inluidt, en dat werd gevierd op 31 januari. De oude Japanse maankalender deelt het jaar op in 24 ‘sekki’ (zonnedelen) en 72 microseizoenen. De lente (‘Risshun’) begint dan op 4 februari.

Wie een beetje zonnige natuur heeft, kan de winter in december al uitzwaaien. Na de kortste dag van het jaar, op 21 december, gaat de zon vanzelf weer schijnen. Langzaam lengen de dagen. Waar zwartkijkers opzien tegen ellenlange duisternis en grauwe grijsheid, zien natuurliefhebbers de natuur al weer ontluiken. De vogelaar hoort de bosuil in de nacht. Eind januari misschien een eerste grutto, de volgende maand de triolenzang van de heggemus, en voor je het weet tjiftjaft de tjiftjaf al over plantsoen of achtertuin.

Wordt het steeds vroeger lente?

Nee. En ja. Aan de seizoenen en de loop der planeten is niets veranderd. Aan de gemiddelde temperaturen wel: het wordt gemiddeld steeds warmer. Winters worden milder, ook voorjaar en zomer worden warmer. Daardoor doen de typische voorjaarsverschijnselen zich ook steeds eerder voor. Neem het sneeuwklokje, die ranke lentebode met dat gebogen witte kopje: de eerste bloei deed zich voor rond 25 januari, bijna drie weken vroeger dan gemiddeld over de afgelopen driehonderd jaar, zo concludeert het fenologisch waarnemingsnetwerk De Natuurkalender op basis van zesduizend waarnemingen uit die periode.

Dat fenomeen is niet iets van de laatste paar jaar. De gemiddelde jaartemperatuur neemt al ruim honderd jaar toe, voor de lentetemperatuur deed de ‘temperatuursprong’ zich vooral eind jaren tachtig voor. De jongste jaren lijkt de curve ietsje af te zwakken en gaat de opwarming minder hard, maar de trend blijft dezelfde.

Het KNMI - de Nederlandse tegenhanger van het KMI - schetste in 2018 ‘de nieuwe lente’ op het noordelijk halfrond: “Bijna overal zien we de temperatuur eerder in het jaar de 10 graden Celsius bereiken. Gemiddeld is dit moment ongeveer twee weken opgeschoven, wat minder in Noord-Amerika en wat meer in westelijk Europa.” Dat komt overeen met de laatst gemeten nachtvorst: die nacht lag begin vorige eeuw rond 22 mei, tussen 1981 en 2010 eindigde de winterse periode gemiddeld al op 8 mei, nog vóór de IJsheiligen.

Wat zeer van deze tijd is: de extremen en grilligheden nemen toe. Dit jaar is daarvan al een uitgelezen voorbeeld. In februari en maart hebben we in enkele weken tijd al een heel jaar beleefd: van (een week) fikse vorst tot (een week later) zomerse warmte, een lentestorm en alle gradaties daartussen. In februari sneuvelde in Ukkel drie dagen op rij het temperatuurdagrecord. Op zondag 21 februari werd het 17,9 graden, op 22 februari 16,6 graden, en een dag later 16,5 graden. Dit vroege voorjaar is een record: niet eerder telde de meteorologische winter zoveel zachte dagen van boven de 15 graden.

null Beeld REUTERS
Beeld REUTERS

Wat betekent dit voor mensen?

Het energieke, opgewekte lentegevoel heeft alles te maken met de langere dagen. Wie voldoende buiten komt, schept meer zonlicht, waardoor het lichaam meer serotonine en dopamine aanmaakt. Dat zijn zogeheten ‘gelukshormonen’ die vrolijk stemmen en energie geven.

Toch is het niet alle dagen feest met een ‘vroeger’ voorjaar: hooikoortspatiënten hebben eerder en langer last van pollen (stuifmeel) van bomen, grassen en kruiden die door de hogere temperaturen vroeger in bloei komen. Tot de klachten horen onder meer niezen, jeuk, benauwdheid, tranende ogen, een ‘loopneus’, keelpijn en hoofdpijn. Vooral de warme week na de korte vorst in februari had een ‘explosie’ aan vroege bloei tot gevolg.

Vorige week publiceerde het wetenschappelijk tijdschrift PNAS een studie over 31 landen die erop lijkt te duiden dat hogere pollenconcentraties sneller tot coronabesmetting kunnen leiden. Niet alleen bij hooikoortspatiënten, maar bij iedereen met een verzwakte afweer door blootstelling aan rondzwevend stuifmeel. De besmettingscijfers liepen vorig jaar vier dagen nadat pollenconcentraties waren toegenomen ook op. Wel moet nog worden onderzocht of het verband tussen coronabesmettingen en pollenconcentraties wel oorzakelijk is. Als dat zo is, verhoogt een vroeg voorjaar de besmettingskans. Eerder is al aangetoond dat blootstelling aan pollen het afweersysteem voor andere virusinfecties in de luchtwegen, zoals verkoudheid, verzwakt.

Kan de natuur de nieuwe lente aan?

Dat moet nog blijken. De kansen verschillen erg per soort, lijkt het. Het warmere voorjaar laat zoogdieren koud, denkt de Nederlandse Zoogdiervereniging. Daar is althans geen studie bekend die wijst op gedragsverandering door vroegere voorjaarstemperaturen, laat een woordvoerder weten.

Andere dieren en planten ontwikkelen bij hogere temperaturen wel eerder activiteit. Sommige blijven door een vroegere start ook langer actief, wat vragen oproept over de energie die dat vergt. De kernvraag is of de aanpassingen die ze mogelijk moeten doen synchroon lopen met de snelle veranderingen in het klimaat. Lang niet altijd: in 2019 concludeerden zeven onderzoekers dat broedvogels, dagvlinders, nachtvlinders en planten sinds 1990 gemiddeld tien keer zo langzaam reageren op de klimaatveranderingen. Enkel libellen lijken de snelheid te kunnen bijhouden.

Het probleem blijkt uit het voorbeeld van de koolmees: die is gemiddeld een week eerder gaan broeden, maar na het uitkomen van de eieren zijn nog niet voldoende rupsen beschikbaar om de jongen te voeden. Gevolg: ze krijgen minder jongen.

Standvogels, de overwinteraars die niet wegtrekken, zijn in het voordeel bij minder strenge winters: “Bij warmer weer kan zo’n vogel meteen anticiperen en gaan broeden. Trekvogels moeten eerst die lange tocht maken.”

null Beeld REUTERS
Beeld REUTERS

Vliegen vlinders vroeger?

Voor vlinders is het vroege voorjaar ook al gemengd nieuws. Hoe complex en fragiel ecosystemen in elkaar steken, blijkt onder meer uit een passage uit het biologisch tijdschrift De levende Natuur uit 2018: ‘Een hogere luchttemperatuur betekent niet dat dieren en planten dat ook zo ervaren. Warmteminnende soorten dagvlinders gaan achteruit in aantal, ondanks dat het klimaat opwarmt, omdat door de tegelijkertijd toegenomen stikstofdepositie de planten in het voorjaar ook eerder en sneller gaan groeien. Door een hogere en dichtere vegetatie is er minder kale bodem en meer beschaduwing aanwezig, wat voor de rupsen leidt tot een koeler in plaats van warmer microklimaat.’

Niettemin: voor het oranjetipje gaat de vlag uit. De vlinder is niet alleen gemiddeld anderhalf tot twee weken eerder gaan vliegen dan dertig jaar geleden, hij doet het ook nog eens veel beter. De grote vos – de vlindersoort, wel te verstaan – is op de warme februaridagen op honderden plekken gezien. “Dat is echt bijzonder”, zegt Kars Veling van de Vlinderstichting.

Warmere lentes leiden volgens hem tot nieuwkomers: het staartblauwtje is sinds een jaar of tien een geziene gast op de rode klaver. “Elk jaar komt hij tientallen kilometers noordelijker voor”, zegt Veling. Ook het kaasjeskruiddikkopje zit in de lift. Maar door de droogte (die ook samenhangt met klimaatverandering) legt onder meer de kleine heivlinder het loodje. “Vooral boreale soorten gaan het door warmte en droogte moeilijk krijgen”, aldus Veling.

Is een vroeger voorjaar nu goed of slecht voor de natuur?

Dat is dus nog niet helemaal duidelijk. Nu alles in beweging lijkt, is voor elke soort de vraag of die in de pas kan blijven met het tempo van verandering. “Elke soort heeft zijn eigen ritmiek en kritische momenten”, zegt Arnold van Vliet, bioloog aan de Wageningen Universiteit en drijvende kracht achter Natuurkalender.nl. Als voorbeeld noemt hij de eikenprocessierups. “Die lijkt prima overweg te kunnen met lagere temperaturen in de winter, maar hij profiteert vooral van hogere temperaturen in het voorjaar.”

Veel hangt volgens Van Vliet niet alleen af van een vroeger of warmer begin van het voorjaar, maar ook van het vervolg van dat seizoen. “Dit jaar was het extreem met een week winter en een week zomer in één maand. Die grilligheid maakt het misschien lastiger voor de natuur. Als na een periode van vroege warmte de vorst terugkeert, zullen geactiveerde vlinders en insecten wellicht alsnog schade oplopen.”

De hazelaar en de els waren er dit seizoen extreem vroeg bij, volgens Van Vliet. “In het weekend waarin de sneeuwval en felle vorst hun intrede deden, stonden de eerste zwarte elzen al in bloei. De vorst legde die bloei even stil, maar de katjes van de els waren nog niet ver genoeg geopend om te kunnen bevriezen.”

Vrolijk stemt dit alles Van Vliet niet: “Nu al reageren de meeste soortgroepen tien keer te langzaam op de waargenomen klimaatverandering. Voor tientallen procenten soorten zal het aan het eind van deze eeuw te warm zijn. Dat is verontrustend en in combinatie met alle andere bedreigingen dus slecht nieuws voor de natuur.”

Een nieuwe lente, een somber geluid.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234