Dinsdag 20/08/2019

Interview

Techgoeroe Peter Hinssen: "Laat uw kinderen filosofie studeren. Daar ligt de toekomst"

Technologie-ondernemer en auteur Peter Hinssen. Beeld Bob Van Mol

"Het lukt me maar niet om thuis de wifi aan de praat te krijgen." Het is niet meteen het antwoord dat je denkt te gaan krijgen van een techondernemer als Peter Hinssen (48). Of hoe een gesprek met ‘Mister Disruption’, want zo wordt hij vaak genoemd, verrassende wendingen kan nemen.

Hij heeft net een oude kloosterkapel gekocht en zit zichtbaar te popelen als hij erover vertelt. De kapel, in het idyllische dorpje Mater, hartje Vlaamse Ardennen, moet dienen om zijn uitgebreide Apple-verzameling in onder te brengen. Die kan thuis namelijk niet meer binnen.

Alles begon met de Lisa, een voorloper van de Mac. Hij ziet zichzelf nog staan, als 14-jarig ­manneke in de computerwinkel op de Gentse Koren­markt, waar mannen in maatpak hem en zijn vader buitenkeken omdat ze meenden dat die zo’n Lisa niet konden betalen. “Ik dacht toen: wacht maar tot ik groot ben. Dan koop ik een Lisa. Dat heb ik ook gedaan. Meer dan één zelfs. En ook andere Apples. Ik was volledig gefascineerd geraakt door allerlei aspecten, zeker door het design. En ondertussen is het compleet uit de hand gelopen.”

En dus is zo’n kloosterkapel handig. “Ik kwam er binnen en dacht: dit klopt.
Tech is the new ­religion.” (lacht) Wat hij met de biechtstoel gaat doen, weet hij nog niet. Maar de glinstering in zijn ogen laat vermoeden dat hij wel een paar opties ziet.

U bent een alom gerespecteerde techondernemer, voor velen ook een goeroe, maar ­volgens uw dochter Aida (19) slaagt u er niet in om bij u thuis de wifi te doen werken…

(schaterlacht) “Ik beken. Ik heb al van alles geprobeerd, maar het lukt me niet, neen. We wonen in een oud huis, een boerderij die helemaal gerestaureerd is. We zijn daar twintig jaar geleden aan begonnen en waren toen gecharmeerd door het idee om zonder radiatoren te werken. Er is enkel vloer-, muur- en plafondverwarming. Onze muren en plafonds zitten vol leidingen en alles is volledig geïsoleerd, waardoor het een totale ramp is om er een wifisignaal door te krijgen. Dus wat ik ook probeer, het lukt niet.”

Maar u hebt er wél een goeie uitleg voor.

“Vertel dat eens aan mijn kinderen. Wat ik ook probeer, hun verdict is telkens weer: het trekt nog op niets.” (lacht)

Uw kinderen zijn wel streng, zo lijkt het. Uw dochter had het ook nog over sms-misverstanden tussen jullie.

“Weet je wat het is? Ik weet nooit hoe ik haar kan bereiken. Bij mijn dochter is dat heel grappig. Ze reageert instantly als haar vrienden iets op Messenger zetten. Maar op mijn berichten reageert ze dus niet. Waar ik haar het meest mee kan irriteren, is bellen naar de vaste lijn thuis. Die lijn wordt enkel gebruikt in noodgevallen of door de grootouders. Als mijn dochter dan de telefoon hoort, neemt ze meteen op. Dan krijgt ze mij aan de lijn en wordt ze kolerig. (grinnikt) Maar ja, ze neemt haar gsm nooit op.”

Dat is typisch voor tieners. Ze hebben alle mogelijke communicatiemiddelen en toch zijn ze moeilijk te bereiken.

“Ja, dat is in enkele jaren tijd heel erg veranderd. Het ergste is e-mail. Soms stuur ik Aida iets door per mail. Vervolgens moet ik haar appen om te zeggen dat ze naar haar mail moet kijken. Als ze dan haar mailbox opent, zitten daar ­honderden ongelezen mails van de voorbije maanden in. Het enige wat een beetje werkt, is WhatsApp. Dat accepteren zowel mijn kinderen als mijn ouders.

“Je ziet hoe snel het evolueert. Aida gebruikt nog Messenger, maar onze zoon van 14 jaar gaat voor Snapchat. En de nog jongere kinderen gebruiken voornamelijk Musically.

Bij oudere mensen had je nog die van voor de mail en die van na de mail. Daar zat wel een periode van twee decennia tussen. Maar tussen 11 en 19 jaar heb je nu al drie generaties messaging-apps. Als die generaties later op het werkveld komen, zullen ze niet meer op de klassieke manier met e-mail omgaan.”

Gaan we dan niet grandioos naast elkaar communiceren?

“Dat gaan we inderdaad beter moeten regelen. We mogen er niet langer van uitgaan dat je één systeem kunt opleggen. We hebben al de generatie gehad van bring your own device. In plaats van hen op te leggen welk toestel ze moeten gebruiken, mogen ze zelf kiezen. We moeten nu gaan naar use your own service. En als voorwaarde stellen dat ze met iedereen moeten kunnen communiceren. Dat wordt de nachtmerrie voor een IT-manager van de ouwe stempel.

“E-mail zal sowieso op de achtergrond raken. Want de jongere generatie kan nauwelijks nog gewoon typen. Omdat ze het niet meer doen. Ik kan dat zelf ook niet meer. Ik heb nochtans ooit nog echt leren typen met tien vingers. Ik heb mijn jeugd in de States doorgebracht en heb daar op highschool leren typen. Heel goed zelfs. Ik was 14 jaar en typen was de laatste les van de dag. Onze lerares was in bijberoep danseres in een rollerdisco. Ze had haar pakje al aan tijdens de typles. Ik kan je verzekeren dat wij pubers helemaal niet naar onze handen keken tijdens het typen.”
(lacht)

Beeld Bob Van Mol

Hebt u uw hele jeugd in de Verenigde Staten doorgebracht?

“Ik ben in België geboren, maar was nog klein toen we naar de VS vertrokken. Mijn vader heeft een atypisch parcours afgelegd. Het lukte hem niet om na zijn middelbaar te gaan studeren. Hij is wel na mijn geboorte burgerlijk ingenieur gaan studeren. Mijn moeder, die bediende was bij de Kredietbank, zorgde voor het inkomen en bekostigde ook zijn studie. Toen hij afgestudeerd was, kreeg hij van Esso de vraag of hij niet in de VS wilde gaan werken. En zo zijn we vertrokken. Eerst enkele jaren in Baton Rouge, Louisiana. En vanaf mijn 11de naar Californië.

“Op mijn 15de kreeg mijn vader een opdracht in Saudi-Arabië. Voor mij was dat een ramp. Ik was gewend aan de vrijheid en beach culture van Zuid-Californië. En dan word je daar plots in een gesloten compound gezet in Dhahraan. Mijn moeder mocht er niet met de auto rijden, dus zaten we te wachten tot vader thuiskwam om ergens naar toe te kunnen. Ik kon daar echt niet aarden. En dus werd ik naar mijn grootouders in Eeklo gestuurd.”

Van Californië naar Eeklo. Van een cultuurschok gesproken.

“Zeker. Ik ben opgegroeid met zomers weer. Wij droegen in de VS geen kousen, wel een korte broek, sneakers en een rugzak. Nu is dat normaal, toen niet. In het Sint-Vincentiuscollege van Eeklo keken ze dan ook raar op toen ze me zagen. Dat kenden ze duidelijk nog niet.” ­(grinnikt)

“Ik was nogal op mezelf. In Eeklo is dat nog erger geworden. Ik had mijn eigen wereld en trok me van de rest weinig aan. Er waren veel dingen waarover ik niet kon meebabbelen. Televisieprogramma’s bijvoorbeeld. Of muziek. Ik was toen al heel veel met technologie bezig.”

Wat heeft u, achteraf bekeken, het meest gevormd? Uw tijd in de VS of het college in Eeklo?

“Het was vooral interessant om de verschillen tussen beide mee te maken. In de VS word je als kind enorm gestimuleerd om uit te blinken. Om een buitenbeentje te zijn. Ik zat na school nog op een math club. In België wordt dat als nerdy of freaky gezien. Hier ga je als jong manneke voetballen, of naar de Chiro. In de VS was een wiskundeclub cool. We werden aangemoedigd om met competities mee te doen en er werd voortdurend gedifferentieerd op school. Ik was goed in wiskunde, dus volgde ik les bij jongens die twee jaar ouder waren. Voor Engels zat ik, als niet-native speaker, dan weer in een klas met kinderen die jonger waren.

“Hier in Europa streven we altijd naar gemiddelden. We houden niet van outliers. Terwijl ze die in de VS net kweken, omdat die buitengewone dingen kunnen.”

Door te streven naar outliers, dreigen wel veel jongeren uit de boot te vallen.

“Ja, maar de samenleving accepteert dat ook. Kijk naar San Francisco. Fantastische stad, maar in Market Street, de hoofdstraat, moet je over de daklozen heen stappen. Het contrast is groot. Je ziet daar de grootste concentratie van rijkdom in de wereld, maar tegelijk heeft de stad zo veel mensen die geen eten hebben of een dak boven hun hoofd.

“In Europa vinden we dat niet acceptabel en willen we net iedereen aan boord houden. We mogen niet te arm of te rijk zijn, niet te dom of te slim. Dat is een duidelijk cultuurverschil met de VS.”

Maar willen we dan naar dat systeem van de VS, waar je wel outliers en dus knappe koppen krijgt, maar waar velen uit de boot vallen?

“Ik zeg alleen maar dat je met outliers grenzen kunt verleggen. Ik geef nu al een paar jaar les op het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Boston. Daar trekken ze de slimste koppen ter wereld aan. Als je dan ziet wat daar allemaal ontwikkeld wordt! Maar die slimsten zijn vaak social basketcases (geïsoleerde weirdo’s, red.)

“In België kan zo’n uitblinker meepraten over politiek en economie, heeft hij een stukje literatuur gelezen, spreekt hij een mondje Frans en is hij redelijk ça va in wiskunde.”

Nog eens: wat is er dan zo mis met iedereen aan boord te houden?

“Je hebt die outliers nodig om dingen in beweging te brengen. Als we in Europa geen outliers hebben, riskeren we de boot te missen. Dat is ook aan het gebeuren. We hebben geen eigen zoekmachine in Europa, geen groot eigen e-commerceplatform, geen eigen sociaal netwerk. We hebben die trein grandioos gemist, omdat we onze jongeren nog altijd op een heel traditionele manier aan het opleiden zijn.

“Er zijn nu twee grote technologiepolen: China en Silicon Valley. En Europa zou weleens het slagveld kunnen worden tussen die twee. Een voorbeeld? Een paar maanden geleden kondigde Carrefour massale ontslagen aan. Tegelijk gingen ze ook een partnerschap aan met het Chinese technologiebedrijf Tencent. Het bedrijf zet dus de eigen mensen op straat en gaat met de Chinezen samenwerken om hun producten bij de klanten te krijgen.

“Wat we nu zien, is het gevolg van een politieke keuze die we in Europa gemaakt hebben. Je merkt dat er zowel in Amerika als in China een duidelijke link bestaat tussen militaire strategie en grote technologische ontwikkelingen. De Amerikanen waarschuwen ons dat we geen Huawei mogen kopen, omdat dat bedrijf een spin-off is van het Chinese leger. Tencent deelt dan weer data met de Chinese overheid. Maar omgekeerd spelen de Amerikanen met hun Darpa (Defense Advanced Research Projects Agency, CG/FE) ook een grote rol. Het internet, dat was een Darpa-project. De Google driverless car ook. Net als de gsm.”

“Ik ben een paar keer op bezoek geweest bij Palantir, een softwarebedrijf gespecialiseerd in het verwerken van big data. Dat wordt door zowel NSA, FBI en CIA gebruikt. En door ongeveer elke Europese bank voor fraudebeveiliging. En wie is de grootste investeerder van Palantir? De investeringsarm van de CIA. Er is dus evengoed een link tussen het Amerikaanse leger en de overheid en technologie als er een is bij de Chinezen.

“Wij hebben dat niet, omdat we in Europa geen coherente militaire strategie hebben. Wij hebben na het trauma van de Tweede Wereldoorlog zeventig jaar lang gefocust op: ‘Laten we vooral geen ruzie meer maken. Want er zou weleens iemand boos kunnen worden.’ En daar dragen we nu de gevolgen van.”

Domste van de hoop

Na het Sint-Vincentiuscollege in Eeklo wilde Peter Hinssen burgerlijk ingenieur studeren, net als zijn vader. Hij begon met steile ambities, maar het bleek niet zijn ding. Het aanleren en volgen van regeltjes, zonder enige creativiteit, voelde voor hem verstikkend. Hij biste zijn eerste jaar en slaagde er zelfs in vierde zit te hebben. Ook alle andere jaren raakte hij er maar met de hakken over de sloot in tweede zit door.

In het laatste jaar werd hij bij de proclamatie als allerlaatste afgeroepen. “Ik was echt de domste van de hoop”, grinnikt hij. “Toen ik jaren later door mijn vroegere faculteit gevraagd werd om een presentatie te geven aan de laatstejaars, vertelde ik hen dat verhaal over als laatste afgeroepen te worden. Een prof kwam me nadien op de receptie vertellen dat ook de spreker van het jaar daarvoor, een van de Netlog-jongens, iets gelijkaardigs vertelde. Er zat dus een patroon in. En het zegt ook veel over de manier waarop burgelijk ingenieurs opgeleid worden, natuurlijk.”

Die ‘domste van de hoop’ nam wel al snel revanche. U werd een van de meest ­gerespecteerde techondernemers van ons land en daarbuiten.

“Met dank aan de opkomst van het internet. Dat was in 1995. Een paar vrienden van mij aan de unief, die overigens aan het trissen waren, zeiden me: 'Je moet eens komen kijken. Dat world wide web is fenomenaal. Je kunt hier zien hoe het weer in Chicago is.' Ik weet nog dat ik dacht: zo dom, waarom zou ik dat in godsnaam moeten zien?

Beeld Bob Van Mol

“Mijn frank viel wel al snel. Ik had meteen door dat dit de wereld zou veranderen en heb me daarop gestort. Ik gaf mijn job bij Alcatel op en begon met start-ups. Dat was dag en nacht werken, maar ook een superleuke periode. Niemand wist iets af over dat internet. Dus ik was eenoog in het land der blinden. Ik heb toen iedereen aangeworven die op mijn kot gezeten had en zo goed als iedereen uit mijn practicumgroep. We sprongen op alles en waren behoorlijk naïef, achteraf gezien. Toen Swift, dat alle betaalverkeer regelt, vroeg om eventjes een server set-up te doen, een firewall te bouwen en een intranet op te zetten, zeiden wij: ‘Oké, doen we wel even’. Ook al hadden we dat nog nooit gedaan. Maar we dachten er niet veel over na en deden het gewoon.”

U had een aantal start-ups en ging met één ervan naar de beurs. Waar hebt u die ondernemers-skills geleerd?

(lacht) “Nergens. Ik had wel twee vennoten die Vlerick School gedaan hadden. Die wisten tenminste het verschil tussen btw en belasting. Maar het liep niet altijd goed, hoor. En na mijn derde start-up, waarmee we ook naar de beurs gingen, heeft mijn familie ook gezegd: ‘Nu moet je kiezen. Je bent daar zo intens mee bezig.’ Het was een periode waarin mijn familie geen prioriteit had, hoe vreselijk dat ook klinkt.

“Mijn dochter was toen boos. Als je als vader op geen van de vijf schoolactiviteiten van je dochter aanwezig bent, dan kan ik me voorstellen dat zo’n kind zegt: ‘
What the fuck dat mijn vader een beursgenoteerd bedrijf heeft’.”

U leidt nu voornamelijk een leven als ­toekomstvoorspeller. U geeft heel veel ­lezingen, waarin u mensen oproept om klaar te zijn voor de toekomst. Hoe bent u eigenlijk visionair geworden?

“Als je op een podium staat, dan nemen mensen gewoon aan dat je weet waarover je spreekt.”

En dat is niet noodzakelijk zo?

“Telkens als iemand mij visionair noemt, verslikt mijn dochter zich in haar koffie. (lacht)

“Nee serieus. Ik ben helemaal van in het begin over dat internet gaan praten en volgde alles heel intens op. Ik investeer veel in start-ups en zit vaak in Silicon Valley. Zo zie en hoor ik veel. Wat ik oppik, breng ik in een verhaal en zo wordt er naar mij geluisterd. Ik ben eigenlijk een soort medium.

“Ik doe niets liever dan op een podium staan en daarover vertellen. Maar mijn vrouw lacht zich soms krom. Ik word soms voor dingen gevraagd waarvan zij zegt: wat weet jij daar nu in godsnaam over?”

Zoals?

“Onlangs werd ik gevraagd om met een select clubje na te denken over ‘het ziekenhuis van de toekomst’. Het Gentse UZ gaat zijn campus verbouwen en ze willen daar een echt state-of-the-artziekenhuis zetten dat een aantal decennia moet meegaan. Mijn vrouw is dierenarts en mijn zus huisarts, die kennen dat medische wereldje dus wél. Die lachten zich kreupel en zeiden meteen: ‘Wat kun jij daar nu voor zinnigs over vertellen?’ Het grapje bij ons thuis is: ‘Zeg dat ze de muren roze moeten verven. Ze zullen het nog doen ook.’ Ja, roze muren zijn een begrip geworden bij ons thuis.”

Nu zijn we wel heel erg benieuwd naar wat u daar dan gezegd hebt, in dat selecte clubje.

“Dat er een hele evolutie bezig is in de gezondheidszorg. En dat technologie een steeds grotere rol zal spelen. Nu laten we een dokter luisteren naar onze hartslag. Stel dat je vijf keer per jaar naar de dokter gaat en die luistert gedurende een minuut naar je hart, wat eigenlijk al veel is. En stel dat je 100 hartslagen per minuut hebt, wat ook al veel is. Dan hoort die dokter bij jou dus 500 hartslagen per jaar. Terwijl we in een leven zo’n 7 miljard hartslagen hebben. Het zal niet lang meer duren voordat we een toestelletje hebben waarmee we die allemaal kunnen bijhouden en ergens in de cloud steken. En dan analyseren, patronen herkennen, variaties en ritme zien, waardoor we gewoon twee weken op voorhand zullen kunnen zeggen: pas op, u krijgt een hartaanval.

“Als je dan, zoals het UZ Gent, een ziekenhuis gaat zetten dat 35 jaar moet meegaan, dan moet je weten dat de gezondheidszorg zoals we die nu kennen meer zal evolueren dan ooit tevoren.”

Dat weet u door u vele trips naar Silicon Valley?

“Ja, ik ga er vaak naar start-ups die met gezondheidszorg bezig zijn. Onlangs nog ben ik met de mensen van farmabedrijf Roche bij (geneticus) Andrew Hessel langs geweest. Hij heeft een 3D-printer gemaakt voor DNA. En hij is gefascineerd door kanker. Hij is begonnen met muizen en doet nu vooral honden.

“Wat doet Andrew? Er komt een hond binnen met kanker. Hij neemt een biopsie van die kankercel en ontleedt de cel, waardoor hij de genetische code krijgt. En dan begint hij die te hacken. Hij schrijft een genetische code om die tumor aan te vallen en print die in een virus. Een virus is een USB-stick voor een cel. Je stopt die terug in het lichaam en binnen de twee weken is de tumor verdreven.

“Die mannen van Roche werden lijkbleek. Want het bedrijf verdient nu miljarden aan ­chemokuren, die gewoon chemische clusterbommen zijn. En die Andrew zegt: ‘Neen, we gaan dat gewoon hacken. Peanuts.’ Zover zijn we dus al. En zulke dingen vertel ik dan hier. Aan het UZ bijvoorbeeld.”

Dus kon u er wel degelijk iets interessants over zeggen. Uw vrouw had dus ongelijk.

“Dat is nu net het leuke aan mijn job. De afwisseling, waardoor ik over alles wel iets weet zonder specialist te zijn. Ik zat onlangs in San Francisco met een bedrijf dat Europees marktleider is in het maken van puzzelboeken. Ze ­hebben een algoritme waarmee ze puzzels snel kunnen genereren. En ze willen nog een stap verder gaan. Ze denken na over de correlatie tussen puzzelen en hersenactiviteit.

“We waren in Silicon Valley te gast bij een topneurowetenschapper. Die was zijn hele leven al met één ding bezig: hoe kun je technologie gebruiken om je brein beter te ontwikkelen? Hij krijgt binnenkort de nodige licenties om een videogame op de markt te brengen voor jongeren met ADHD. Er zijn veel mensen die zeggen: ‘ADHD, dat komt door al die videogames.’ Wel, die mens heeft net een game ontwikkeld waardoor de ADHD minder wordt. Dus binnenkort, als je met je kleine naar de dokter gaat en die zegt, het is ADHD, dan kom je niet meer naar huis met pilletjes, maar met een videogame die hij kan spelen. Ongelooflijk toch?

“Ik ben dus zeker geen expert op het vlak van neuroscience, maar als ik de dingen die ik hoor kan overbrengen, dan merk ik dat mensen dat interessant vinden.”

Komen die mensen niet met almaar grotere verwachtingen bij u?

“Ik ben geen consultant die probeert uit een bedrijf te halen wat erin zit. Ik wil niet die ­verantwoordelijkheid hebben. Wat ik wel doe, is mensen inspireren door wat ik hoor, zie en weet over te brengen.”

Dan is het nogal vrijblijvend, toch? Ziet u daar het effect van?

“Soms wel en soms ook niet. Bij een aantal bedrijven wel. Er zijn inderdaad een boel bedrijven waarbij ik aan corporate entertainment doe. Je komt binnen, je doet een show en they go back to their old business. Vroeger was ik daar ­ontgoocheld over en nu denk ik: you can’t win them all.

“Sommige bedrijven menen het wel serieus. Twee weken geleden ben ik gaan spreken voor de ondernemingsraad van KLM. Dat bedrijf is echt aan het nadenken. En dan zit je tegenover een purser, een cabinepersoneelslid en een ­steward. En ga je met hen nadenken over: hoe gaan we ons voorbereiden op een wereld die verandert?”

Wat zegt u die mensen dan?

“Die zijn terecht bang om hun job te verliezen. Laten we eerlijk zijn, er zijn een heleboel jobs die op de helling staan omdat technologie een heel groot verschil zal maken. Maar je kunt dat op twee manieren interpreteren. Je kunt zeggen: neen, dat doen we niet, hakken in het zand en we gaan dat tegenhouden. Of je kunt zeggen: we gaan kijken hoe we mensen kunnen re-skillen, re-trainen, op een andere manier motiveren om de verandering te maken.

“KLM kijkt vooruit. Neem nu de piloten. Die zitten acht uur in een cockpit en doen eigenlijk niet veel. Het vliegtuig stijgt automatisch op, vliegt en landt automatisch. Ze zitten daar met twee, voor het geval ze allebei slechte kip ­gegeten zouden hebben. Voor die piloten moet er dus een andere oplossing worden gevonden. Want zo’n vliegtuig kan perfect zonder piloten vliegen.”

Is het niet net een geruststelling dat ze er ­zitten? We hebben het hier over een toestel waar technische defecten aan kunnen zijn. U hebt zelf een heel groot geloof in techno­logie. Maar het gebeurt ook vaak dat een gewone laptop al niet helemaal doet wat hij moet doen. Is uw geloof wel terecht?

“Als uw laptop niet naar behoren werkt, dan is dat omdat de technologie ervan nog niet in orde is. Dat is wel een voorwaarde. Maar het is ook maar de vraag wat het onveiligst is: vertrouwen op een toestel of vertrouwen op mensen die supergefrustreerd zijn omdat ze een lange en zware opleiding achter de rug hebben en dan acht uur moeten zitten nietsdoen.

“Neem een vrachtwagenchauffeur die acht uur aan een stuk moet rijden. Het enige spannende dat die man beleeft, is dat ze met 81 km per uur iemand kunnen inhalen die 79 km per uur rijdt. Dat is psychologische terreur. Ik zou me veiliger voelen als er een algoritme met die vrachtwagen rijdt dan iemand die zich al zeven uur stierlijk verveeld heeft, met WhatsApp bezig is of ondertussen naar video’s zit te kijken.

“We moeten mensen meer inzetten op hun creatieve skills en uit die meaningless jobs halen. Kijk naar sociale secretariaten, banken en verzekeringskantoren, maar ook de overheid. Daar zitten zo veel mensen die zo veel nuttiger dingen zouden kunnen doen dan wat ze nu doen, als je minstens een deel van het werk automatiseert.”

Die mensen zijn er nu wel zeker van dat ze aan het eind van de rit een maandloon hebben. Dat ze hun kinderen naar school kunnen sturen. Dat ze op vakantie kunnen. Misschien is het niet zo erg dat ze zo’n meaningless job doen?

“Kan zijn. Maar als je kijkt naar het aantal burn-outs, depressies, zelfmoorden, mensen die snakken naar hun pensioen, dan ben ik toch niet overtuigd.

“We zijn verkeerd bezig. Kinderen die vandaag geboren worden, die zijn gesjareld. Die gaan nooit op pensioen kunnen, zullen 100 jaar worden en gaan zich voortdurend moeten kunnen aanpassen aan een snel veranderende wereld. Dus het minste wat we kunnen doen, is hen daarop voorbereiden.”

Hoe kunnen we dat doen? We weten zelfs niet eens hoe het zal evolueren.

“Hier komen we tot de kern. Dat is de theorie van de ‘unknown unknowns’. We weten wat we weten. Soms weten we wat we niet weten. Maar er zijn steeds meer dingen waarvan we niet weten dat we ze niet weten. En dat zal alleen maar voor meer onzekerheid zorgen. Dat wil zeggen dat we in de maatschappij vooral mensen moeten opleiden, vormen, kweken om om te kunnen met onzekerheid. Terwijl we onszelf nu net in slaap aan het sussen zijn. Kies voor een opleiding boekhouden, dan vind je wel werk. Maar zo werkt het niet langer. Want net die ‘veilige richtingen’ dreigen overbodig te worden.”

Wat moeten onze kinderen volgens u dan wél kiezen?

“Dat is een heel goeie vraag. We hebben meer creatieve mensen nodig. En we kunnen ons profileren op domeinen die nog open liggen. We hebben de boot van het pure techgedeelte dan wel gemist, maar we maken in Europa nog kans op het vlak van biotech en vooral ook landbouw. De evoluties in de landbouw zullen wellicht de grootste zijn die we ooit zullen meemaken. Denk maar aan kweekvlees of het vervangen van dierlijke proteïnen door plant-based proteïnen. Tot daar aan toe dat we geen eigen Google hebben, maar het zou wel erg zijn mochten we in Europa de next generation Monsanto’s missen.

“Waar we ook een rol in kunnen spelen, is het nadenken over de maatschappelijke gevolgen van al die technologische evoluties. Ik ben ervan overtuigd dat we technologie niet kunnen tegenhouden. Bij de ontdekking van het vuur dachten we ook: man man, dat is wel heel gevaarlijk. Beter niet aan beginnen, want ons hutje zou wel eens in de fik kunnen vliegen. We moeten ervan uitgaan dat we de komende tien, twintig jaar zowat alles zullen zien veranderen. Dus kunnen we maar beter nadenken over hoe we daarmee om moeten gaan.”

Moeten we onze kinderen dan stimuleren om filosofie te studeren?

(knikt heftig) “We hebben inderdaad een groot tekort aan filosofen. Dus ja, doe maar. In een evoluerende wereld kunnen nadenken over maatschappelijke gevolgen, zal heel belangrijk zijn. Neem nu de combinatie ethiek en artificiële intelligentie. Wetenschappers zitten op een aantal pistes waarvan de consequenties groot zijn en morele dilemma’s zich opwerpen. Maar die wetenschappers zelf, die zijn vooral gefocust op het wetenschappelijke. Een beetje zoals natuurkundige Richard Feynman die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan een atoombom aan het werken was. Die vond het ook vooral ­spannend om die atomen gesplitst te krijgen. Daar moeten we toch een tegenwicht voor kunnen bieden.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden