Zondag 17/11/2019

Natuur

Soms wel maanden wachten: voor de natuurfilmer is geduld een schone zaak

Een cameraman voor natuurfilms komt soms oog in oog te staan met levensgevaarlijke dieren. Beeld Gavin Thurston / Netflix

Van kapotte onderzeeërs tot brandende luchtballonnen: natuurfilms draaien is niet voor watjes. Maar volgens cameraman Gavin Thurston is één ding het zwaarst: het eindeloze wachten.

Op 30 april 2015 zit Gavin Thurston in een duikboot. Het is een kleine driepersoonsonderzeeër met een doorzichtige koepel, zeer geschikt voor het maken van filmopnamen. Thurston is een ervaren, in natuurfilms gespecialiseerde cameraman en vandaag hoopt hij yetikrabben te zien, een pas ontdekte diersoort die op de bodem van de oceaan leeft.

Thurston bevindt zich op 997 meter onder het oppervlak van de Stille oceaan, ergens voor de westkust van Costa Rica, wanneer de duikboot ineens niet meer reageert. Na zes uur op de zeebodem is het tijd om naar boven te gaan, maar het systeem weigert en er is geen contact mogelijk met de moederboot.

Daar zit Thurston dan, in het aardedonker, met een tweekoppige bemanning die uit alle macht probeert kalm te blijven. Hij rekent uit dat als ze echt vastzitten het minimaal drie dagen duurt voor de dichtstbijzijnde duikboot hen kan komen redden.

Wie het een beetje benauwd krijgt bij zo’n vooruitzicht, kan maar beter geen natuurfilmer worden, blijkt uit het boek dat Thurston schreef over zijn carrière. In het vorige maand verschenen Journeys in the Wild: The Secret Life of a Cameraman is het duikbootavontuur lang niet het griezeligste. De boot raakt uiteindelijk weer aan de praat en de Yetikrabben zijn vastgelegd. ‘Een goede filmdag’, besluit Thurston.

Al meer dan dertig jaar filmt Thurston als freelancecameraman wilde dieren, meestal in opdracht van de BBC, waar hij veel samenwerkt met Sir David Attenborough. Hij won verschillende (gedeelde) Emmy’s en Bafta’s, de belangrijkste Amerikaanse en Britse televisieprijzen, voor populaire films en series als Blue Planet II, Life, Nature en Planet Earth II.

Vijfhonderd natuurfilms per jaar

Wat maakt een natuurfilm goed genoeg om vertoond te worden op het Wildlife Film Festival?

Ieder jaar worden ongeveer vijfhonderd natuurdocumentaires gemaakt. Het Wildlife Film Festival Rotterdam dat voor de vijfde keer plaatsvindt, selecteert er zo’n veertig.

Het is een brede selectie, zegt festivaldirecteur Raymond Lagerwaard, van grote en dure producties van de BBC of National Geographic tot kleine, onafhankelijke films. “Zolang het geen amateurproducties zijn, maakt alles een kans.”

De natuurfilm heeft een flinke ontwikkeling doorgemaakt, zegt Lagerwaard, vooral vanwege technologische vernieuwingen. “Denk ­alleen al aan ­drones, een interessant fenomeen in dit genre, omdat ze op plekken kunnen filmen waar niemand ooit kon komen. Of neem nachtopnamen. Vroeger had je enorme lampen nodig om nachtdieren te filmen, tegenwoordig zijn de camera’s zo gevoelig dat het zonder extra belichting kan.”

Ook de 4K-filmcamera, met nog scherper beeld, heeft het genre een boost gegeven, zegt Lagerwaard. “Je ziet nu haarscherpe close-ups, zoals we ze vroeger nooit voor mogelijk hadden gehouden. De kwaliteit is zoveel beter geworden – en dat is voor ­natuurfilms nog veel ­belangrijker dan voor speelfilms. Het heeft duidelijk effect op de populariteit van het genre, naast het toegenomen bewustzijn over allerlei milieuvraagstukken.”

Het Wildlife Film Festival zit dan ook in de lift: jaarlijks stijgt het aantal bezoekers met 25 procent. Ook het aantal Nederlandse natuurdocumentaires neemt toe, al is dat volgens Lagerwaard nog geen reden tot gejuich. “We hebben het dan over zo’n vijf films per jaar, waar het er eerder twee of drie waren. Als je kijkt naar de productie in Engeland, Duitsland of de Verenigde Staten, is dat bijna niks.”

De reden? Te bescheiden budgetten en een grote terughoudendheid bij de organisaties die natuurfilms zouden kunnen financieren, zoals omroepen en de natuur­beweging. Lagerwaard: “Natuurfilms zijn lastig om te ­maken, ze kosten veel tijd, dat is een risicovolle investering. Je moet de films ook aan het buitenland kunnen verkopen. Kijk naar de BBC: zij geven miljoenen uit aan natuurseries zoals die van David Attenborough, maar ze verdienen dat vijfvoudig terug.”

Wildlife Film Festival Rotterdam, 30/10 t/m 3/11, Cinerama Rotterdam.

Het levert een schat aan verhalen op, maar het aardige aan Thurstons memoires is dat hij zichzelf helemaal niet als held afschildert. Een adrenalinejunkie is hij niet; gevaar gaat hij liever uit de weg. Voordat hij zich naar duizend meter diepte laat zakken, vraagt hij zich af of hij geen paniekaanval zal krijgen. Wanneer hij in een vliegtuigje stapt, hoopt hij dat de piloot ervaren is en als hij in de jungle bivakkeert, laat hij zich goed voorlichten over de risico’s. Een flink deel van Journeys in the Wild gaat over angst.

Logisch, want Thurston is heel wat keren aan de dood ontsnapt. Meestal ligt dat niet aan de dieren die hij voor zijn camera krijgt. In India wordt hij bijna gekidnapt door een gevaarlijke bandiet; in Soedan, waar een staakt-het-vuren niet wordt nagevolgd, komt hij terecht in de burgeroorlog. In 1999 crasht hij met een vliegtuig in Gabon en in 2004 gaat het in hetzelfde land opnieuw mis: een luchtballon waarmee hij over het oerwoud zweeft, vliegt bijna in brand.

De ervaring met de luchtballon is illustratief voor zijn werk. Thurston heeft opdracht gekregen een mooie zonsopgang te filmen, boven de bomen. Al vijf dagen staat hij voor dag en dauw op, maar het blijft bewolkt. Op de zesde dag, zijn laatste kans, is het eindelijk mooi weer. Wanneer achter hem vlammen uit een gastank slaan terwijl hij op twintig meter hoogte in een mandje zweeft, denkt Thurston: “Als we niet doodgaan, zou dit weleens dé opname kunnen zijn.”

Gavin Thurston

De natuur zorgt uiteraard ook voor problemen. Er zijn gevaarlijke ontmoetingen met hyena’s, een python en drie neushoorns, en er is die keer dat een mannetjesgorilla recht op de schuilplek afkomt waar Thurston zit te filmen. Hij komt er met een enorme klap op zijn rug van af. Verspreid door het boek staan handige tips. Zo legt Thurston uit dat je boze gorilla’s nooit moet aankijken en je het best meteen door je knieën zakt.

De meeste dieren zullen overigens niet snel aanvallen. Ze gaan ervandoor zodra ze een mens bespeuren, wat het filmen aanzienlijk bemoeilijkt. Let dus altijd op de windrichting, zodat de beesten je niet kunnen ruiken, legt Thurston uit. Ook goed om te weten: vogels kunnen niet tellen. Bij het filmen van adelaars, die wegvliegen als ze mensen zien, is het dus handig om minimaal met z’n tweeën te zijn. Zodra er iemand uit de hut vertrekt, denkt de vogel dat de kust veilig is.

Thurston werkt vaak met een team, maar soms is hij dagenlang alleen. Mooi is de beschrijving van een nacht in het Qinlin-gebergte in China. Zijn tentje staat op een smalle richel naast een diepe afgrond en de hele nacht ligt hij wakker van een luid geknaag. ’s Ochtends blijkt het van een bamboe kauwende reuzenpanda te komen, het dier waarnaar hij op zoek was. De panda heeft een jong dat zich telkens uit een boom laat vallen. Geen wonder dat panda’s bijna uitgestorven zijn, verzucht Thurston.

Termieten laten zich nog veel lastiger filmen. Ze zijn ’s nachts actief en zodra ze iets verdachts horen of zien, verdwijnen ze onder de grond. Voor de filmcrew betekent dat nachtenlang doorwerken voor opnamen van een paar seconden. Ondertussen wordt iedereen lek geprikt door alle minder schuwe insecten in de jungle. Anti-insectenmiddel smeren is geen optie als je een termietenkolonie zoekt.

Galapagos: Hope for the Future

Gordeldieren, gehoornde spinstaartadders, varkens, orang-oetans, leeuwenwelpjes en witte beren behoren tot de hoofdrolspelers van de nieuwe natuurdocumentaires die te zien zijn op Het Wildlife Film Festival. Openingsfilm is de Nederlandse documentaire Galapagos: Hope for the Future (vanaf volgende week ook in de bioscoop) van Evert van den Bos. Niet alleen de diersoorten op de Galapagos-eilanden staan centraal in deze film, maar ook de onderzoekers die de dierenpopulatie gezond proberen te houden.

De populaire achter-de-schermenfilmpjes die veel natuurdocumentaires begeleiden, lieten het al vaker zien, maar bij het lezen van Thurstons geestige memoires dringt pas goed door hoeveel werk er in een paar minuten film sluipt. Ook wordt duidelijk hoe de taken zijn verdeeld. Over David Attenborough schrijft Thurston niets dan goeds, maar de hooggewaardeerde televisiemaker komt uiteraard pas langs om teksten in te spreken als Thurston al maanden in de jungle heeft gezeten. Het is duidelijk: de presentator is niet de ware held van de natuurdocumentaire, ook niet de regisseur of de producent: het is de cameraman.

Van alle ontberingen die Thurston beschrijft, maakt het eindeloze wachten het meest indruk. Uren, dagen, weken, maanden brengt hij door in boomhutten of provisorische tentjes, net zolang tot een dier zich eindelijk aan het script houdt. Soms is alles voor niks. Dan is de tijd om en kwam er geen beest langs. Zo bezien is het niet verwonderlijk dat Thurston de dag dat hij in de defecte duikboot vastzat op de oceaanbodem met een tevreden gevoel afsloot. De yetikrabben stonden er toch maar mooi op.

Gavin Thurston: Journeys in the Wild: The Secret Life of a Cameraman. Orion Books; 448 pagina’s; € 20.

De beste natuurfilmscènes aller tijden

Schuilende pinguïns in March of the Penguins (Luc Jacquet, 2005)

De filmcrew transformeerde zelf haast tot een verzameling pinguïns, terwijl de camera’s uren draaiden om het honderdtal keizerspinguïns vast te leggen dat op een open sneeuwvlakte van Antarctica elkáár gebruikt ter beschutting tegen de snijdende winterstorm. “Je leert echt begrijpen wat het betekent om dag in dag uit op Antarctica te leven”, zei regisseur Luc Jacquet.

Wilde koninks in De nieuwe wildernis (Mark Verkerk en Ruben Smit, 2013)

“Binnen de filmwereld geldt het als een doodzonde om iets on-Nederlands goed te noemen”, schreef de Volkskrant destijds over de majestueuze natuurdocumentaire over de Nederlandse Oostvaardersplassen, “maar de luchtbeelden van de dravende Konikpaarden zijn precies dat: on-Nederlands, en prachtig”.

Slakkenseks in Microcosmos (Claude Nuridsany en Marie Pérennou, 1996)

Twee jaar bouwden de makers aan hun eigen mini-camera’s, een decennium voor de eerste GoPro op de markt verscheen. Het resultaat was destijds niets minder dan revolutionair: seksende slakken (en vele andere beestjes van bescheiden omvang) gefilmd alsof we door een vergrootglas kijken.

Trekvogels in The Travelling Birds (Jacques Perrin, Jacques Cluzaud en Michel Debats, 2001)

Gefilmd vanuit bootjes, lichtgewicht vliegtuigjes en luchtballonnen geeft de opvolger van Microcosmos de kijker het gevoel te vliegen, mee op reis met groepen trekvogels, de hele wereld over.

De camera-imiterende liervogel in The Life of Birds (David Attenborough, 1998)

Winnaar van een Britse publiekspoll waarmee de onmogelijke zoektocht naar de meest tot de verbeelding sprekende scène uit het oeuvre van David Attenborough werd voltooid: de meesterimitator van het dierenrijk, de liervogel, doet daarin onder meer het geluid van een camerasluiter na en maakt het huwelijk tussen natuur en natuurdocumentairemaker compleet.

Berend Jan Bockting

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234