Zondag 05/04/2020
Réginald Moreels: ‘Ik ben in Beni begonnen in een klein protestants centrum, waar ik opereerde in een slaapkamer. Nu werk ik in een algemeen ziekenhuis maar quel bordel, quoi.’

Interview

Réginald Moreels, topdokter in Oost-Congo: ‘Als je het op het vliegtuig al in je broek doet, ga je beter niet’

Réginald Moreels: ‘Ik ben in Beni begonnen in een klein protestants centrum, waar ik opereerde in een slaapkamer. Nu werk ik in een algemeen ziekenhuis maar quel bordel, quoi.’ Beeld Thomas Sweertvaegher

Oud-minister Réginald Moreels blijkt allerminst op pensioen: op 70-jarige leeftijd verbaast hij in Topdokters met zijn niet-aflatende inzet als enige chirurg in een onderkomen ziekenhuis in Oost-Congo. ‘Die concentratie, die stress. Ik ben geen dertig meer, hè.’

Het valt op: een interview met Réginald Moreels begint doorgaans met een melding dat hij ‘net terug is van’, en dan volgt een verafgelegen streek, veelal geteisterd door oorlog, een humanitaire ramp of extreme armoede. Deze keer is de bekende chirurg net terug van Oeganda, waar hij met een aantal artsen op missie was.

Maar tegenwoordig pendelt Moreels vooral tussen Oostende en de Oost-Congolese stad Beni. Hij is er de enige chirurg in een gebied van 1,5 miljoen inwoners en hij doet er aan verregaande plantrekkerij in een primitief ziekenhuis, zo zien we nu in Topdokters. “Zelfs mijn eigen echtgenote wist niet dat het zo erg is. Nu, Oost-Congo is natuurlijk Mosul niet, al heb je in zo’n oorlogsgebied vaak wel een ongelooflijke logistieke ondersteuning. In Beni ben ik moederziel alleen.”

Zijn verschijning in Topdokters levert de arts, die ook in eigen land nog kwetsbare mensen als daklozen en sans-papiers behandelt voor Dokters van de Wereld, heel wat bewondering op. Het regent loftuitingen op sociale media. “Er zijn nu toch een aantal artsen die overwegen om eens mee te gaan, maar het enthousiasme om naar Beni te reizen blijft, om het eufemistisch te stellen, gematigd.”

Begin maart vertrok hij al voor de zeventiende keer naar die ooit zo welvarende stad vlak bij de grens met Oeganda. De regio, die al jaren wordt geteisterd door rebellengroepen, is rijk aan goud, kobalt en coltan, materialen die in onze smartphones en computers zitten. “Dat maakt dat de conflicten aanhouden”, zegt Moreels. Bovendien heeft de streek de afgelopen jaren ook nog eens een ebola-epidemie over zich heen gekregen. “Ik heb de internationale gezondheidswerkers zien komen en gaan.”

U opereert er in het lokale ziekenhuis?

“Ik ben begonnen in een klein protestants centrum, waar ik opereerde in een slaapkamer. Nu werk ik in een algemeen ziekenhuis maar quel bordel, quoi. Ze doen hun best, maar de middelen zijn beperkt, de directie verandert voortdurend en het gezondheidssysteem is compleet ontwricht omdat veel personeel is gaan werken in de ebolaklinieken, want dat betaalt veel beter. Ik kan maar op twee, drie vaste medewerkers rekenen.”

Zijn die medewerkers enigszins opgeleid?

“Er wordt in elk Afrikaans ziekenhuis geopereerd. Een keizersnede gebeurt daar, bij wijze van spreken, aan de lopende band in een of andere achterkeuken. Ook urgenties zullen ze opereren. Maar er is geen systematische kwaliteitschirurgie met de nodige maatregelen voor en na de operatie. On travaille à l’artisanal, soms met goede resultaten. Ik geef toe dat ik van hen, zeker bij keizersnedes, wat praktische details kan leren.”

U begint er vaak blind aan een operatie: u kunt een patiënt niet even onder de scanner leggen om te zien wat er precies aan de hand is.

“Ik ben nog opgeleid met de stethoscoop en met de vingers. Ik tracht zoveel mogelijk uit die observaties te halen. Als de patiënt mankt aan het rechterbeen, kan ik zeggen: die heeft allicht een acute appendicitis, want dan heb je spierpijn aan de rechterkant. Als iemand zwaar ziek is, dan is hij bleek, vermagerd, wat tengerder. Klachten over buik- maar vooral rugpijn neigen naar een pancreasprobleem. Ik heb een aantal diagnoses in mijn hoofd voor ik iemand opensnijd, maar ik weet niet wat ik zal aantreffen.

“Er zijn ook ingrepen die ik voor het eerst heb uitgevoerd in Congo: door het jodiumtekort in het zout zijn er veel schildklierproblemen, en ik opereer er veel prostaten. Daar moet je nachten over nadenken, voorbereiden. En dan begin je er aan, zeer voorzichtig. Maar ik moet zeggen, tot op heden zijn de resultaten heel goed.”

Zonder apparatuur hebt u nochtans weinig ruimte om fouten te maken.

“Mensen begrijpen dat niet, als er iemand sterft op de operatietafel. Je moet het serieus kunnen uitleggen, of je hebt een probleem met de familie. Dan kun je maar beter verhuizen.

“Je moet ginds ook heel precies opereren omdat de postoperatieve opvolging zo gebrekkig is. Neem nu een prostaatoperatie: nadien wordt altijd een sonde aangelegd met continue spoeling. Als die ’s nachts verstopt geraakt, is dat een catastrofe. Een nabloeding ’s nachts, idem. Daarom moet je op het eind van een operatie zorgen dat je het bloeden zo volledig mogelijk stelpt.”

In Topdokters zien we hoe een toestel dat twee liter bloed uit een vrouw met een gescheurde milt moet zuigen, het plots begeeft.

“Dan ben ik kalm, ijzig kalm. Hoe meer complicaties, hoe kalmer ik word.”

En toch was u voor die ingreep zeer nerveus.

“Die patiënt lag daar al 24 uur. Ze hadden me wel gebeld, maar de weg naar het ziekenhuis was te onveilig om er naartoe te gaan. Toen ik haar zag, wist ik dat het echt dringend was, maar het was een zondagmiddag met weinig personeel. En met alle tegenslag van de wereld gaat die pot dan stuk en valt de elektriciteit ook nog uit.”

Een doorsneewerkdag in Beni?

“Nee, die namiddag werkten alle wetten van Murphy mee. (lacht) Ik was alleszins blij dat ze er achteraf zo goed uitzag. Een kleine week nadien was ze naar huis.”

Welke ingrepen doet u niet?

“Wat ik niet kan, doe ik niet: grote beenderoperaties, zware kaakoperaties of gespleten verhemelten. Soms leer ik hier een techniek om ze daar uit te voeren. Zo heb ik nu een afspraak staan met een jongeman met een aneurysma (een afwijking in een bloedvat, LB) in de nek door een steekwonde. Ik heb met hem afgesproken dat ik hem de volgende keer zal opereren: ik bereid me hier voor en mijn dochter – zelf een thoracaal (borstkas) en vasculair (bloedvaten) chirurg ­– geeft me het nodige materiaal mee. Ik zal met de nodige stress zitten, maar ik weet perfect hoe ik het ga aanpakken.”

Moreels aan het werk in Congo. ‘Het doet deugd dat ik soms een aanmoediging krijg, maar ik heb niet het gevoel dat ik een ongelooflijke typ ben.’Beeld VIER

U behoort tot de laatste generatie die gespecialiseerd is in oorlogschirurgie.

“De jonge mensen die de cursussen nog volgen, zijn eerder zeldzaam. Ze hebben allemaal hun eigen praktijk, het is niet zo evident om die voor een paar weken achter te laten. Ik denk ook dat ze plankenvrees hebben. Als je gespecialiseerd bent in kijkoperaties, is het daar natuurlijk niet zo evident. Het is beter als ze tijdens een zending begeleid worden door een meer ervaren arts.”

Wat is er zo specifiek aan oorlogschirurgie?

“De wondoorzaken zijn er anders: messen, kogels, granaatscherven. Je krijgt daarvoor van het leger een cursus ballistiek, zodat je weet welke kogels welke kwetsuren veroorzaken. Er is een hoger infectierisico en je moet goed kunnen reanimeren, maar vooral: je krijgt te maken met meervoudige wonden, en dan moet je goed weten waar je moet beginnen.

“In Mosul in Irak, waar ik vier jaar geleden nog enorm veel heb bijgeleerd, waren dat vooral gemengde abdominale (buik-) en borstkaswonden. Je moet dan weten dat je eerst een drain in de borstholte moet steken zodat het bloed weg kan, voor je de buik opensnijdt. Zo ontstaat er ruimte voor de longen om tijdens de anesthesie weer volledig uit te zetten. Die sequenties moet je kennen.

“Ik heb trouwens nooit begrepen waarom ze ons niet hebben opgeroepen na de terroristische aanslagen in Maalbeek en Zaventem, om de ziekenhuizen advies te geven over de behandeling van wonden die ze hier nog nooit gezien hadden.”

Over welk karakter moet een goede oorlogschirurg beschikken?

“Je bént geen goede oorlogschirurg, je wórdt dat. (glimlacht) Je moet toch een beetje een idealist en een avonturier zijn. Je moet bereid zijn risico’s te lopen en je angst kunnen bedwingen. Als je het al in het vliegtuig in je broek doet, dan ga je beter niet. Maar de beloning is – althans, dat is mijn motivatie – dat de impact van mijn beroep daar veel groter is dan hier.”

U moet wel veel gruwel aankunnen.

“Er zijn zaken, mevrouw, waar ik (valt stil) ... die ik nooit zal vergeten. Die hier (wijst naar zijn hoofd) in de soft- en hardware zitten. Bepaalde wonden, de mensen die ik opereer. In de traumachirurgie is er niet alleen veel bloed, maar zijn er ook veel tranen en miserie. Mensen die afscheid nemen, die in paniek zijn voor hun kleintje of hun moeder. In december nog heb ik in Beni veel mensen gezien wier keel was overgesneden. En dan de familie die daaromheen zit, dat is pijnlijk.”

Hoe blijft u dat verdragen?

“Het motiveert mij nog meer om te werken in gebieden waar mensen behoefte hebben aan iemand die hun ellende zo goed of zo kwaad mogelijk kan oplossen. Maar ik heb een realistischer beeld van de mens moeten aanvaarden en ik heb mijn momenten van moeheid en energieverlies. En iedereen weet dat ik een eetstoornis heb gehad, door wat ze nu ‘posttraumatische stress’ noemen. Ik noem het nu eerder een ‘posttraumatiserende ervaring’. De stress is weg, maar ik mijmer of droom wel over bepaalde situaties.

“Het is ook niet altijd miserie: die dame met haar buikoperatie was heel gelukkig met de ingreep, dat doet me ongelooflijk goed.”

De Iraakse gifgasaanval op de Koerdische stad Halabja in maart 1988 heeft, zo zei u ooit, de grootste indruk nagelaten. U was een van de weinige getuigen van dat drama. Wat hebt u daar gezien?

“Ik was toen voorzitter van Artsen Zonder Grenzen en had gehoord dat er zware aanval met gifgas was geweest. Met mijn Nederlandse collega en een toxicoloog ben ik toen clandestien naar die stad vertrokken, met de hulp van het Iraanse leger, dat ons met een helikopter de grens heeft overgevlogen.

“We werden gedropt in een stad die dood was. Dood in 90 seconden, zo lang duurt het. Een kind dat aan het spelen was en naast zijn bal lag. Een vrouw die aan het koken was en op haar kookpotten was gevallen. Een chauffeur die op zijn stuur lag omdat hij met het raam open reed en zo het gas binnen kreeg. Een busje waaruit mensen probeerden te vluchten, waardoor er dertig lijken op elkaar lagen want iedereen die uitstapte werd vergast en viel op de persoon voor hem. Dat zijn zaken... Ik heb eens met mijn echtgenote Pompeji gezien, wel, dáár heb ik een modern Pompeji gezien.”

Hoelang na de aanval was u daar?

“72 uur. En het gaat u misschien choqueren, maar het waren de mooiste lijken die ik ooit gezien heb. Hun nagels waren nog roze, hun neus ook. Dat is een typisch symptoom van sarin, of zenuwgas: het bloed stopt zo snel met circuleren dat het zuurstofrijke bloed overal in het lichaam blijft.”

Wat kon u daar nog doen?

“Niet veel. We zijn daar vier uur gebleven. Hebben rondgelopen, lijken onderzocht, stalen genomen, dode vogels in plastieken zakken gestoken om later te onderzoeken.

“Er is die dag in maart in een paar minuten tijd een moord gebeurd op 7.000 mensen. Halabja is het Auschwitz van de Koerden. Wij hebben dat wereldkundig gemaakt, daarover getuigd op conferenties, gezegd dat het om een misdaad tegen de mensheid ging. Er was maar één regeringsleider die enigszins reageerde, en dat was François Mitterrand. De rest was onverschillig.

“Toen de helikopter ons met draaiende motoren weer kwam halen in Halabja, klonk er een bomalarm, net toen we instapten. Die helikopter vloog weg en mijn collega en ik zijn uit de helikopter gevallen. Gelukkig was het niet opnieuw een gasaanval.

“Dat was een moeilijke dag.”

Van oorlogsjournalisten wordt soms gezegd dat het adrenalinejunkies zijn. Zeggen ze dat ook van oorlogschirurgen?

“Nee, dat zijn geen cascadeurs of stuntmannen of helden. Oorlogsjournalisten kruipen door het puin voor een goed beeld, wij zitten liever op een paar kilometer van het front, zodat we de patiënten deftig kunnen verzorgen. In de jaren zeventig en tachtig zaten we wel nog tussen de bommen, maar ideaal is dat toch niet. Soms bouwen we wel een ondergronds ziekenhuis. In Syrië zijn we begonnen in een grot. Toen ik er aankwam, hadden ze een oude kippenboerderij getransformeerd tot een hospitaal- en operatietent.” (glimlacht)

‘Ik heb nooit begrepen waarom ze ons na de aanslagen in Maalbeek en Zaventem niet om advies hebben gevraagd. Zulke wonden hadden dokters in België nog nooit gezien.’ Beeld Thomas Sweertvaegher

U vertelt het allemaal bijna achteloos.

“Het is een beetje atypisch, zeker? Nu, ik wil dat allemaal nog wel doen, maar tegenwoordig ben ik pompaf na twee, drie weken. Die concentratie, die stress. Ik ben geen dertig meer, hè.”

Hoe houdt u het fysiek vol?

“Door de ontmoetingen met mensen. Door mij niet al te dik te voeden, dat ziet u. (lacht) Ik heb een eetprobleem gehad en ik ben vegetariër, ik denk dat mijn gestel zich daaraan heeft aangepast. Ik voel mij uiterst goed, maar in Topdokters zie je me wel hinken. Dat is het gevolg van een ongeluk bij het joggen in 1998. Een domme knieschijffractuur, dag en nacht doet het zeer. En ik heb een kromme rug omdat de operatietafels niet zijn aangepast aan mijn lengte. Na een dag opereren heb ik het nu soms wel lastig. Maar ik kan zonder problemen urenlang doorgaan, omdat ik zo geconcentreerd ben.”

U bent inmiddels zeventig, het zou gepermitteerd zijn om het rustiger aan te doen. Waarom blijft u maar doorwerken?

“Ik weet het niet. Er bestaat geen altruïsme-gen, maar ik denk dat het door mijn opvoeding komt. Mijn vader, die heel jong gestorven is, was ook heel sociaal. En de jezuïeten hebben mij dienstbaarheid bijgebracht. Tijdens mijn specialisatie in Parijs ontdekte ik Artsen Zonder Grenzen. Toen ik hoorde dat ze ook in België wilden beginnen, ben ik mij als eerste gaan aanmelden. Ik heb in mijn tijd in Oostende ook veel sociale organisaties opgestart, zoals Medios, tegenwoordig een kleding- en meubelbank.

“Wie mij als kind kende, vond mij een schuchter jongetje, dus niemand begrijpt hoe het zo ver is kunnen komen. (lacht) Ik ben wel nogal voluntaristisch, dat zit in mijn karakter. Ik haak nooit af, zo sta ik in het leven en ik denk dat ik die houding voor een stuk aan mijn kinderen heb doorgegeven.

“Mijn zoon heeft trouwens een bedrijf in Oost-Congo. Hij pendelt nog vaker dan ik tussen Oostende en Beni. Hij heeft een cacao- en koffiebedrijf samen met Dominique Persoone, de chocolatier. Eerder had hij daar een kinineplantage, die draait nu heel goed.”

Wat vond uw vrouw daar eigenlijk van, dat u altijd weg was?

“Het is niet eenvoudig, de vrouw van Moreels zijn. Mijn vrouw is zelf sociaal verpleegster, en ik ben haar en de kinderen heel dankbaar dat ze me altijd die vrijheid hebben gegeven om op zending te vertrekken. Het is onmogelijk als je samen bent met iemand die daar moeite mee heeft.”

Zou u ongelukkig geweest zijn als ze u gevraagd had om dat niet te doen?

“Dan was ik toch vertrokken.” (lacht)

Het is sterker dan uzelf?

“Ik weet het niet. Maar ik ben nu twee dagen terug en ik kijk alweer naar de lucht. Pas op, ik ben blij dat ik terug ben, hoor. Je kunt geen wereldburger zijn als je geen duidelijke wortels hebt. En ik vertrek vaak met tranen in de ogen. Ik denk dat je altijd op zending moet vertrekken met enige heimwee naar huis. Iemand die vertrekt omdat hij het hier beu is of problemen heeft, kan ginds niet sereen helpen.

“Maar de drang om terug te gaan is sterk, zeker nu ik een doel heb: ik wil in Beni een gezondheidscentrum bouwen. Het wordt een plek om kwaliteitschirurgen en verloskundigen op te leiden, en eventueel om complexe operaties uit te voeren. Als gewezen minister weet ik ook dat veel projecten als een pudding in elkaar zakken als de externe financiering wegvalt. Daarom wil ik er ook een commerciële apotheek bouwen waarvan de winsten in het centrum geïnvesteerd worden. Ik weet niet of ik het ga kunnen realiseren, maar alle giften zullen tot de laatste frank gebruikt worden, want de noden zijn enorm.”

Bent u nooit bang om in zo’n afgelegen gebied een ernstige ziekte op te lopen of een ongeluk te krijgen?

“Ik heb mij laten vaccineren tegen ebola, maar waar ik het bangst voor ben is hiv en hepatitis C. Ik zie veel patiënten met die ziektes en een ongeluk met een naald is zo gebeurd.

“Ik denk er niet te veel aan, maar als er iets ernstig gebeurt, dan is het wellicht gedaan. Ik ben er de man niet naar om te vragen om duizenden euro’s te besteden aan een helikopter om mij te evacueren. Als het nodig is, zal ik daar aan een collega vragen om mij te opereren, ook al is hij geen chirurg. Maar het is een goede vraag, want dat is wellicht het grootste risico. Ik ga daar eens over nadenken.” (lacht)

Still uit 'Topdokters'.Beeld VIER

We hadden met Réginald Moreels afgesproken in de Gentse Lunchgarden. Zijn idee: hij vindt het er rustig zitten en het is vlak bij het UZ Gent, waar hij met een bevriende arts heeft afgesproken.

Hij vraagt de fotograaf om een lift naar het ziekenhuis. “Ah, u bent met de motor? Hebt u plaats achterop?”

Fotograaf: “Ik heb geen helm mee.”

Moreels: “Ah, moet ge daar een helm voor hebben? In Congo niet, hoor.”

Kunnen we het nog even hebben over uw tijd als minister van Ontwikkelingssamenwerking, eind jaren negentig?

“Dehaene II. Goede herinneringen aan. Schoon departement en een uitmuntende eerste minister, die boven de partijen stond. Een regering met sterke mensen ook: Di Rupo, Vande Lanotte, Maystadt, Stefaan De Clerck. Ik was daar – dat is mijn karakter – de rebel. Ik vond dat de kloof tussen rijk en arm toenam. Er zijn natuurlijk vooruitgangsoptimisten à la Maarten Boudry die zeggen dat de wereld is verbeterd. Dat kun je inderdaad lezen in de statistieken, dat weet ik ook wel, maar het blijft een kloof. (klopt op tafel) En die kloof wordt groter. Daarover blijf ik verontwaardigd.”

Hebt u als minister iets kunnen betekenen?

“Ik heb heel dat departement hervormd, onder andere door toedoen van De Morgen. Elke dag stond er in de krant wel een verhaal over een of ander schandaal in de ontwikkelingssamenwerking. Ik ben met de grond gelijkgemaakt, maar dat heeft me wel geholpen om de modernisering van een bureaucratisch en corrupt departement door te duwen. Ik heb verder ook een wet gemaakt – de enige tot nu toe – over internationale samenwerking. Daar zijn de fundamenten van ons beleid vastgelegd.

“En ik heb de samenwerking met het Tropisch Instituut, de ngo’s en de universiteiten verbeterd, zodat ze niet meer projectje per projectje een aanvraag moesten indienen.”

Inmiddels liggen de budgetten voor ontwikkelingssamenwerking fors lager.

“‘Moreels krijgt de budgetten niet omhoog’: die kritiek kreeg ik toen al van de organisatie 11.11.11.. Maar ik had mijn handen vol aan dat departement.

“Vandaag zie ik toch dat minister Alexander De Croo (Open Vld) ontwikkelingssamenwerking ernstig neemt. Hij kijkt wat meer naar de privésector, maar goed, dat is een keuze. Ik zie het departement alleszins niet wegkwijnen.”

Volgt u de politieke actualiteit nog?

“Ja, en ik vind het tamelijk zielig. Politici zouden een cursus conflictmanagement moeten volgen. De eerste regel in zo’n cursus is: probeer u te verplaatsen in het hoofd van de ander. Ik heb genoeg conflicten gezien tussen vijandige groepen die in dialoog zijn opgelost. Maar de Walen kun je toch geen vijanden noemen? Ze zijn onze minst vreemde buren. En het is ongepast dat onze bevolking moet blijven wachten op politici die heus wel weten wat het inhoudt om verantwoordelijkheid op te nemen. De thema’s die er echt toe doen – klimaat, migratie, sociale zekerheid en staatsschuld – moeten we mondiaal beschouwen, in plaats van zo te navelstaren. Ja, daar kan ik me behoorlijk over opwinden.”

Wat voor mensbeeld houdt u aan al die jaren over?

“Ik heb ooit een boekje geschreven met als titel Is de mens slecht?. Mijn hypothese is dat in de mens een slechte natuur zit, maar dat die zijn leven zinvol maakt door te proberen goed te worden. Als we allemaal geboren waren als engeltjes, had het leven volgens mij geen zin. Dan surften we gewoon op die goedheid.”

U liet zich eens ontvallen dat u het soms beu bent om steeds weer als weldoener beschouwd te worden.

“Ook nu krijg ik weer veel reacties van mensen die veel respect hebben voor mijn werk. En ik moet eerlijk zijn: het is een lastige job en ik word op geen enkele manier logistiek ondersteund. Dus het doet mij deugd dat ik af en toe een aanmoediging krijg, dat ontken ik niet. Maar dat geeft mij niet het idee dat ik een ongelooflijke typ ben. Wat ik kan betekenen voor mensen, is toch maar een kleine druppel op een gloeiende plaat?”

Meer info over het gezondheidscentrum dat Réginald Moreels bouwt in Beni, vindt u op unichir.africa

Topdokters, nog op 16 en 23 maart (slot) om 20.35 uur op VIER.

BIO • geboren in Gent op 4 december 1949 • mede­oprichter van de Belgische tak van Artsen zonder Grenzen, voorzitter van 1986 tot 1994 • chirurg, actief in conflict­gebieden • zetelde van 1995 tot 2001 in de Senaat voor CVP/CD&V • was van 1995 tot 1999 staatssecretaris en in 1999 minister van Ontwikkelingssamenwerking in de regering Dehaene II • verliet in 2000 de CD&V, sloot zich in 2002 aan bij de VLD • terug naar CD&V in 2004 • werd in 2006 adviseur bij de FOD Volksgezondheid • vertrok begin maart voor de 17de keer naar Oost-Congo • behandelt in België daklozen en sans-papiers voor Dokters van de Wereld • is dit jaar een van de dokters in het VIER-programma Topdokters

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234