Maandag 16/12/2019

Interview Wim Van den Broeck

Onderwijspsycholoog Wim Van den Broeck: ‘We hebben onze kinderen iets te narcistisch gemaakt’

Wim van den Broeck: ‘Kinderen krijgen al jong een stempel: de ene is rekenknap, de andere is muziekknap. Ik ben daar bijzonder kritisch over’ Beeld Illias Teirlinck

Naar aanleiding van het nieuwe schooljaar publiceren we dit stuk opnieuw.

Waarom is het niveau van ons onderwijs gezakt? Welke fouten hebben we gemaakt? En hoe moet het nu verder? Psycholoog Wim Van den Broeck heeft er een uitgesproken en onderbouwde mening over. ‘Onderwijs moet de leefwereld van het kind openbreken.’

“Het is een mythe”, zegt Wim Van den Broeck (61). “En iedereen blijft ze maar herhalen, zelfs Lieven Boeve, topman van het katholiek onderwijs, deze week nog in Terzake: dat het welbevinden van kinderen een noodzakelijke voorwaarde is om goed te kunnen leren. En dat is niet juist, dat is in strijd met een kern­inzicht uit de psychologie: de cognitieve behoefte staat op zich, los van welbevinden. Natuurlijk wil iedereen, ook ik, dat kinderen zich goed voelen in de klas. Maar het idee dat welzijn nodig is om te kunnen leren, klopt niet. Al ben ik straks de enige die zich daartegen verzet, ik zal het blijven doen.”

Wim Van den Broeck is hoogleraar onderwijs- en ontwikke­lings­psychologie aan de VUB, met een extra specialisatie: de methodologie van wetenschappelijk onderzoek – die hem buitengewoon goed van pas komt als hij zich een weg baant door de berg aan hele en halve waarheden die over ons onderwijs worden verspreid. Weinig Vlaamse experts zijn beter geschikt om onze serie ‘Code rood in de klas’ – die de hele week in De Morgen liep naar aanleiding van het nieuws over de daling van de Vlaamse onderwijskwaliteit – af te sluiten met zijn visie op de stand van zaken. Die visie is, kort gezegd, erg streng.

“Maar stop me niet in een hokje”, benadrukt hij. “Dit is geen kwestie van progressief of conservatief. En ik hou mij ook vér weg van partij­politiek, omdat ik mijn onafhankelijke positie enorm koester. Ik ga binnenkort, samen met onder meer collega’s Wouter Duyck en Pedro De Bruyckere, wel spreken op het N-VA-congres over onderwijs, maar ik wil niet in een kamp worden gestopt. Ik ga in op de uitnodiging van elke partij. Omdat het zo belangrijk is. Ik ga akkoord met het plan om een parlementaire onderzoekscommissie op te richten, om te onderzoeken hoe ons onderwijs in de problemen is gekomen.”

Dat de huidige onderwijsmethodes een soort ‘pret­pedagogie’ zijn, zoals N-VA-voorzitter Bart De Wever deze week zei, vindt Van den Broeck een boutade. “Het is zeker niet zo dat elke leerkracht de lessen alleen maar zo leuk mogelijk probeert te maken. Maar het past wel bij het idee dat een leerkracht moet entertainen, en zo goed mogelijk moet aansluiten bij de leefwereld van een kind. Wat ik in feite al geruime tijd aanklaag, is dat het onderwijs­ethos grotendeels is vervangen door een zorg­ethos. Zorg is belangrijk, maar het mag het onderwijzen niet ondermijnen.”

BIO

• geboren in 1957 te Wilrijk

• hoogleraar psychologie aan de VUB

• doet onder meer onderzoek naar leer­stoor­nissen en lees­ontwikkeling

• schreef Handboek dyslexie­onderzoek (uitgeverij Acco, 2016)  

Voelt u zich een roepende in de woestijn?

Wim Van den Broeck: “Ja, daar herken ik mij voor een deel in. Niet dat ik helemaal alleen sta. Zeker niet als je ook buiten Vlaanderen kijkt. Maar ik vind dat een academicus de vervelende vragen moet stellen. En ideologisch onafhankelijk moet zijn.”

Wat zag u al lang fout gaan?

“Laat ik eerst uitleggen dat de pedagogie altijd een slingerbeweging heeft gekend, sinds de achttiende eeuw al. Aan de ene kant is er de nadruk op de spontaniteit van het kind, op het zelf­ontdekkende, zelf­sturende vermogen. Aan de andere kant is er de neiging om alles in regels te gieten en sterk te formaliseren, tot die wat strakkere structuur begint te knellen en de slinger weer de andere kant op slaat. Natuurlijk is de klassieke visie nooit helemaal weg geweest. Onderwijs is cultuur­overdracht, dat idee is altijd aanwezig.”

‘Zelfs als ze met een lege brooddoos naar school komen, wat we uiteraard moeten vermijden, zullen kinderen leergierig zijn.’ Beeld Illias Teirlinck

Is dat progressief versus conservatief?

“Nee, ik hou dus niet van die tegenstelling. Ik ben het eens met filosofe Hannah Arendt: het onderwijs is conservatief én progressief. We vinden het belangrijk om waardevolle kennis en cultuur over te dragen en te conserveren. Maar we verwachten ook dat onze kinderen de wereld straks gaan vernieuwen. Ik ben ook zeker geen conservatief die zegt dat vroeger alles beter was. Dat is niet mijn stelling. Maar ik vind het wel een grote fout dat men het onderwijs voortdurend heeft vernieuwd door structuren en leervormen te veranderen. Dat is niet nodig, want kinder­hersenen zijn nog altijd hetzelfde als vroeger.”

Maak dat eens concreet.

“Wat de laatste jaren snel veld heeft gewonnen, is het idee dat onderwijs de catering van individuele leerbehoeften is. Dat is weer de kind­gerichte dimensie die helemaal terug is. Men wil differentiëren en personaliseren. Elk kind heeft, zo is de redenering, een eigen leerbehoefte, en daar wil men zo goed mogelijk op inspelen.”

Wat is een eigen leer­behoefte? Iedereen moet toch leren rekenen en schrijven?

“Precies. Daarom vraag ik altijd aan mijn studenten of ze ooit bijvoorbeeld de behoefte hebben gehad om te leren rekenen. (lacht) Nee, natuurlijk. Dat is ons aangebracht, aangeleerd. We hebben wel een sterke cognitieve behoefte, mensen willen dingen leren. En iedereen heeft eigen interesses, waar je op kunt inspelen. Maar wat je vandaag ziet, is dat leerkrachten twee botsende visies met elkaar moeten verzoenen: de klassieke cultuuroverdracht en de individuele behoeften van ieder kind.”

En is dat onmogelijk?

“Voor leerkrachten is dat niet eenvoudig. Maar die aanpak wordt sterk gepropageerd, bijna iedereen denkt dat dat de beste van alle werelden is. Kinderen krijgen zo al heel jong een stempel: de ene is reken­knap, de andere is muziek­knap, enzovoort. Ieder kind zijn eigen talent. Ik ben daar bijzonder kritisch over, want het is wetenschappelijk niet onderbouwd om kinderen zo vroeg al een label te geven. Maar het klinkt wel fantastisch, natuurlijk, ook voor ouders: al die aandacht, speciaal voor mijn kind!”

Veel kinderen hebben ook een stoornis.

“Die diagnoses zijn enorm toegenomen. En het zijn vooral kinderen uit de middenklasse die zo’n diagnose krijgen, van dyscalculie tot dyslexie. Ouders kopen zo als het ware extra zorg voor hun kind. Dat versterkt de sociale ongelijkheid. Daar hamer ik al jaren op. Die zorg wordt bovendien vaak op de privé­markt ingekocht. Zo besteden scholen een kerntaak uit aan de privé. Terwijl scholen vroeger een goed systeem hadden voor leerlingen die op een vak wat achterbleven: de taak­klassen. Maar nu wil men alles individualiseren in de klas.”

Hoe is die individualisering ontstaan?

“Het ideologische kader heeft altijd bestaan. Maar op het moment dat de samenstelling van de klassen veranderde, toen de diversiteit haar intrede deed, werd het moeilijker om het klassieke model te blijven handhaven. Zeker in het taal­onderwijs was dat niet meer mogelijk. Dat was niet de oorzaak van de huidige trend, maar wel de katalysator ervan. Toen vatte het idee post dat differentiatie de oplossing is voor elk probleem.”

Wanneer zag u dat veranderen?

“We hebben weinig gegevens, de eerste zogenoemde PISA-studie (Programme for International Student Assessment, een internationaal vergelijkend onderzoek, red.) dateert van 2003. We kunnen dus niet verder terug­kijken. Maar op grond van normerings­toetsen denk ik dat het in de jaren 80 is begonnen. De impact op de resultaten zie je pas later, natuurlijk. In 2003 waren wij nog bij de wereldtop. Ik denk dan ook dat wij voor die veranderingen echt dé wereldtop waren. Wij hebben een van de allerbeste onderwijssystemen ter wereld gehad.”

En de toegenomen diversiteit heeft dat verknoeid, is het dat wat u zegt?

“Nee, ik weet dat dit een bijzonder gevoelig onderwerp is. Maar het klassieke onderwijs is makkelijker toe te passen in een homogene klas. Als kinderen in het eerste leerjaar binnenkomen met een slechte kennis van het Nederlands, verandert er iets. Voor mij is het duidelijk dat zowel rechts als links grote fouten heeft gemaakt. Zeggen dat die mensen niet welkom waren, is natuurlijk compleet fout. Maar elke ongelijkheid willen compenseren met een doelgroepenbeleid is ook fout.”

Hoe bedoelt u?

“Er bestaan drempels in de samenleving, dat is zo, en die hebben onder meer te maken met discriminatie. Maar je mag mensen niet de boodschap geven dat ze die drempels toch nooit zullen kunnen nemen. Dan ga je uit van het idee dat het sukkelaars zijn. In het onderwijs is dat nefast. Dat heeft geleid tot een vorm van paternalisme die mensen uit lagere sociale klassen nog verder naar beneden heeft geduwd. Een school die stevig inzet op basis­leerstof kan kans­arme leerlingen wél goede resultaten doen behalen.”

‘Op het moment dat de diversiteit haar intrede deed, werd het moeilijker om het klassieke model te handhaven.’ Beeld Illias Teirlinck

Onze landgenoot Dirk Van Damme, onderwijs­topman bij de OESO, zei vorig jaar in De Morgen dat we te naïef zijn geweest over integratie, en dat scholen vanaf 2005 de boodschap hebben gekregen om de lat niet te hoog te leggen.

“Daar ben ik het helemaal mee eens. De democratisering van arbeiders­kinderen in de jaren 60 en 70 is zeer goed gelukt omdat ouders wisten hoe belangrijk onderwijs is. Dat besef is in bepaalde groepen in de samenleving onvoldoende aanwezig. Daar moeten we op ingrijpen. We moeten onze hand uitsteken naar die mensen en hen ervan overtuigen om mee te doen. En hun kinderen moeten we ervan overtuigen dat ze het wél kunnen.”

Wat vindt u van het gebruik van de thuistaal in de klas?

“Het is goed dat de thuistaal wordt gewaardeerd, en zeker niet belachelijk wordt gemaakt. Maar men overschat het effect van het gebruik van de thuistaal. Alsof die kinderen bijna spelenderwijs Nederlands zouden leren. Dat is niet zo. Er is een groot verschil tussen het leren van een eerste en een tweede taal. De eerste taal leren is een primair proces. Een kind moet niet naar school om zijn moedertaal te leren. Een tweede taal leren kost grote inspanningen, dus daar moeten scholen veel tijd aan besteden.”

Uit de nieuwe gegevens die De Morgen maandag publiceerde, bleek dat het niveau van ons onderwijs is gezakt. Is het een nivellering, waarbij de besten wat zwakker werden, of zijn ook de zwakkeren nóg zwakker geworden?

“Dat laatste. Het is een algemene daling. Iedereen is gezakt.”

Hoe zit het met de groeiende ongelijkheid? Wordt de sociaal-economische kloof tussen leerlingen in Vlaanderen niet versterkt door het onderwijs?

“Dat debat is nu wel voorbij, heb ik de indruk. Het klopt dat er grote verschillen zijn qua prestatie tussen sterke en zwakkere leerlingen. Maar het klopt niet dat de sociaal-economische kloof daardoor wordt uitvergroot. Wouter Duyck, collega aan de UGent, en ikzelf zijn onafhankelijk van elkaar tot dezelfde conclusie gekomen. Dat debat ging over het zogeheten early of late tracking, vroege of late studie­keuze. De bewering was dat vroege selectie de kloof vergroot, maar dat is nooit overtuigend aangetoond, ook niet in internationaal onderzoek.”

Vandaar het idee van de brede eerste graad, die er nu niet zal komen.

“Daar hebben verschillende sociologen de voorbije jaren hard voor gepleit, om op die manier de studiekeuze zo lang mogelijk uit te stellen. Maar dat plan gaat grotendeels niet door. Ik denk dat dat goed is. Het zogenoemde VSO (Vernieuwd Secundair Onderwijs, onderwijs­hervorming in de jaren 70 en 80, red.), dat op hetzelfde idee steunde, is ook mislukt en afgevoerd.”

Wat moeten we nu doen?

“In het basis­onderwijs is dat duidelijk. De modellen zijn bekend: directe instructie, het klassieke onderwijs is de kern en werkt nog altijd het beste. Dit kan aangevuld worden met verstandige manieren van groeperen. Ook in concentratie­scholen, trouwens: allemaal veel oefenen, de leertijd optrekken, dát moeten we doen. Vandaag gebeurt het omgekeerde: de tijd dat een leerling cognitief bezig is in de klas, is almaar ingekort. Er zijn te veel andere maatschappelijke taken in het onderwijs terechtgekomen.”

Zoals daar zijn?

“Gezond eten, verkeers­opvoeding, burger­schaps­vorming, enzovoort. Ik heb daar allemaal niets op tegen, maar het neemt nu belangrijke tijd weg die in de klas beter gebruikt kan worden. Gevolg: het oefenen wordt afgewenteld naar thuis, en dat is wéér in het nadeel van de sociaal zwakkere kinderen. Kinderen van beter gesitueerde ouders zullen daar minder onder lijden, die worden thuis meer geholpen. Er moet opnieuw meer tijd voor oefening komen in de klas. Ook al omdat gemeenschapsvorming erg belangrijk is.”

Wat bedoelt u daarmee?

“Het is een van mijn stokpaardjes: een school dient ook om kinderen te socialiseren. En dat doe je onder meer door een gedeelde cultuur op te bouwen, zodat je als het ware in dezelfde wereld leeft. Kinderen maken graag deel uit van een groep. Al die individuele leer­trajecten zijn niet noodzakelijk positief in dat opzicht. Kinderen die een aparte behandeling krijgen, voelen zich een buitenbeentje. En dat is niet alleen niet leuk, soms is het ook nefast: er worden te snel compensaties ingevoerd in de klas.”

Wat voor compensaties?

“Neem een kind dat problemen heeft met lezen. Dat mag voorlees­software gebruiken. De vraag is of dat gezond is. Een kind met dyslexie kan wel degelijk leren lezen, maar heeft alleen meer tijd nodig. Méér instructie, méér oefening, dus. En wat is het gevolg van die voorlees­software? Minder instructie, minder oefening. Hetzelfde geldt voor kinderen met dyscalculie die een reken­machine mogen gebruiken. Het wordt mij niet door alle collega’s in dank afgenomen, maar ik waarschuw daar al lang voor.”

‘Je mag mensen niet de boodschap geven dat ze die drempels toch nooit zullen nemen. Dan ga je ervan uit dat het sukkelaars zijn.’ Beeld Illias Teirlinck

Klopt het dat er een kloof gaapt tussen wetenschappelijk onderzoek en werkveld? Dat men in de klas doet wat wetenschappers afraden en omgekeerd?

“Ook daarover heb ik een uitgesproken opvatting, die heel moeilijk ligt. Onder vier ogen zullen veel collega’s mijn mening delen, maar in het openbaar zelden. Hoe komt het dat onderbouwde wetenschappelijke inzichten soms niet doordringen? Dat heeft voor een deel met ideologie te maken: omdat die inzichten niet in het ideologische kraam passen van politici en mensen in het werkveld. Maar het heeft ook met de wetenschappers zelf te maken. Universiteiten doen te weinig aan zelfkritiek.”

Welke kritiek hebt u dan?

“Het kernprobleem is dat het kaf onvoldoende van het koren wordt gescheiden. In de natuurwetenschappen stelt dat probleem zich niet zo, maar in de menswetenschappen des te meer. Ik ben een methodoloog en verbaas er mij vaak over wie er allemaal wordt bevorderd. Men zal mij een nestbevuiler noemen, maar het is zo: wij leiden mensen niet op om onderzoeker te worden. In de VS duurt het een jaar voor je kunt publiceren, hier moet je daar zo snel mogelijk mee beginnen, vaak zonder de nodige bagage.”

Worden zo onderwijs­mythes, over dat welzijn bijvoorbeeld, in stand gehouden?

“Dat speelt zeker een rol. Zelfs als ze met een lege brooddoos naar school komen – wat we uiteraard koste wat het kost moeten vermijden, want dat is vreselijk – dan nog zullen kinderen leergierig zijn en in staat om dingen te leren. Dat is bekend in de psychologie: zelfs in extreme omstandigheden, bijvoorbeeld in concentratiekampen, bleven mensen nadenken en leren. Mozart schreef zijn klarinetconcert, waar ik telkens de tranen van in de ogen krijg, enkele weken voor zijn dood, toen hij ziek was en uitgehongerd.”

Akkoord, maar om dat nu in te voeren als onderwijs­methode?

(lacht) “Natuurlijk niet. Wat ik bedoel is dat je kinderen best mag uitdagen. Leren heeft altijd te maken met het onverwachte, het nieuwe. Iets leren, dat moet altijd een beetje schuren. Dus je zit nooit in een compleet gelukzalige toestand van totaal welbevinden als je iets nieuws leert. Niet dat je je slecht moet voelen, maar het staat leren niet in de weg.”

Dus dat leerstof moet aansluiten bij de leefwereld van het kind, is ook zo’n cliché dat bij het grof huisvuil mag?

“Dat is sterk uitgedrukt, maar het is zeker zo dat het onderwijs niet moet aansluiten bij de leefwereld van het kind. Je kunt dat wel­eens doen, en je mag af en toe verwijzen naar iets dat de kinderen kennen. Maar onderwijs moet de leefwereld van het kind openbreken. De blik moet naar buiten gericht worden, niet naar binnen. En dat hebben we voor een stuk gedaan, we hebben onze kinderen iets te narcistisch gemaakt. Dat noem ik de therapeutisering van het onderwijs.”

Is het toch niet goed om kinderen te leren omgaan met emoties, door bijvoorbeeld mindfulness aan te bieden?

“Als optie tijdens de middagpauze kan dat geen kwaad. Ook schaken en sport kunnen een optie zijn, of yoga of wat dan ook. Maar er wordt op een te simplistische manier met emoties gewerkt in de klas, volgens mij. Terwijl we toch ook kunst en literatuur hebben om kinderen te laten kennismaken met veel complexere emoties en gevoelens. Maar ook dat kalft langzamerhand af. Dat heeft onder meer te maken met de switch van kennis naar informatie en vaardigheden.”

Vergt de 21ste eeuw geen vaardigheden die het 20ste-eeuwse onderwijs niet bood?

“Ik weet dat zo nog niet. De Britse socioloog Frank Furedi heeft daar een goed boek over geschreven, Why Education Is Not Educating – waarom het onderwijs niet onderwijst. In de jaren 90 is de vernieuwingsdrift ontstaan: ineens had iedereen het idee dat we hopeloos achterliepen, en dat we moesten hollen om bij te benen. Maar zo hebben we een passieve houding gecreëerd: de mens die alle trends moet volgen. Terwijl dat niet het doel van het onderwijs is.”

‘Ik vraag altijd aan mijn studenten of ze ooit de behoefte hebben gehad om te leren rekenen. Nee, natuurlijk. Dat is ons aangebracht, aangeleerd.’ Beeld Illias Teirlinck

Is het ook niet zo dat we de snelheid waarmee alles verandert, graag overdrijven, zoals Furedi ook zegt?

“Ik denk dat ook. De snelheid waarmee de wereld veranderde bij de industriële revolutie was wellicht ingrijpender. Er is een digitale revolutie, maar het belang van fundamentele geletterdheid en gecijferdheid is nog altijd even groot. Ik ga niet mee in dat idee dat de 21ste eeuw alles verandert. Uiteraard mag er een evolutie zijn, en moet het onderwijs rekening houden met de arbeids­markt – kinderen moeten later hun boterham kunnen verdienen. Maar algemene vorming is even belangrijk als honderd jaar geleden.”

Wat zegt u tegen leerlingen die zich afvragen waarom ze dingen moeten leren waar ze later niets meer mee kunnen doen?

“Dat kennis cumulatief is. We weten uit onderzoek dat je iets wat je echt geleerd hebt, met enige aandacht dus, niet echt vergeet. Het brein werkt met impliciete kennis. Kennis is duurzaam, om eens een mode­woord te gebruiken. Dat is het verschil met informatie: die is vluchtig. Iets kunnen opzoeken op het internet is een vaardigheid. Maar wat schiet je daarmee op zonder kennis? Ik vind sneller relevante informatie over mijn vakgebied dan studenten, omdat ik meer wéét. Ik kan rommel van kwaliteit onderscheiden.”

Wat vindt u ervan dat leerlingen niet meer met elkaar vergeleken worden?

“Dat is de consequentie van de individualisering. Als het individu de norm is, waarom zou je dan nog vergelijken met iemand anders? Achterblijven bij de anderen bestaat niet meer als het individu de norm is. Dat idee heeft de niveau­daling mee bewerkstelligd.”

U schrijft ergens dat niet de leerling, maar de leerstof altijd centraal moet staan.

“Absoluut. De leerstof, of de wereld, zeg maar.”

Is zitten­blijven goed of slecht?

“Ik denk, tegen de algemene tendens in, dat het eerder positief is om een leerling zijn of haar jaar te laten overdoen. Ik ben volop bezig met een nieuwe analyse en zal weldra de resultaten bekend­maken. Maar ik vermoed dat veel elementen die verguisd zijn bij de laatste onderwijsvernieuwingen, eigenlijk positief zijn. Ook huiswerk, bijvoorbeeld.”

Is huiswerk geen ongelijk­maker? Kansrijke kinderen worden thuis geholpen, kans­arme kinderen veel minder.

“Wel, dan moeten we ervoor zorgen dat ook ouders van kans­arme kinderen dichter bij de school en het schoolwerk worden betrokken. Dat kost werk, maar die inspanning moeten we doen. De brug slaan met de ouders is erg belangrijk.”

Hoe staat het met het zogenoemde M-decreet, waardoor leerlingen met beperkingen niet langer naar het buitengewoon onderwijs zouden moeten?

“Dat M-decreet is de vertaling van artikel 23 van het VN-verdrag. De Verenigde Naties stellen heel duidelijk dat ieder kind met een beperking naar die school mag gaan waar het kind zou naartoe gaan als het die beperking niet zou hebben. Als je dat helemaal consequent toepast, komt dat neer op de afschaffing van het bijzonder onderwijs. Maar volgens mij is er geen enkele politieke partij die zover wil gaan.”

Wat denkt u?

“Ik heb een kritische evaluatie over het M-decreet geschreven die Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) heeft gelezen. In het gesprek dat ik er met haar over had, was ze het met mij eens. Mijn voorstel is om dat pragmatisch te bekijken en niet te spreken over ‘verplichte inclusie’, maar over ‘het recht op inclusie’. Ouders en school moeten samen kijken wat het beste is voor het kind. En dat moet geval per geval worden beoordeeld. Het moet mogelijk zijn om het eens te raken.”

Hebben ouders niet steeds meer eisen?

“Dat is zo. Er zijn veel ouders die maatregelen als het ware afdwingen bij de school. En leerkrachten gaan daar te vlotjes in mee. Zelfs zonder diagnose of wat dan ook. Neem nu de koptelefoons om het geluid weg te filteren: in veel klassen staat er een bak vol met die spullen. Voor kinderen die lichte concentratie­problemen hebben.”

En dat vindt u niet goed?

“Nee, ik denk dat het niet goed is als je daar te snel naar grijpt. Natuurlijk zijn er kinderen met aandachts­problemen, en is het niet erg om uitzonderlijk zo’n koptelefoon te gebruiken. Maar het aandachtssysteem is ook iets wat je moet trainen: je moet léren om jezelf te concentreren. Ik wil niet radicaal tegen zijn, maar toch moeten we ons afvragen of we niet te ver gaan met bepaalde vormen van zorg. Ik heb twee studenten met ADHD die zich afvragen wat er zou gebeurd zijn als ze hadden geleerd om zich aan te passen.”

In plaats van pillen te nemen.

“In plaats van pillen te nemen. Men weet trouwens nog altijd niet goed wat de effecten van die pillen op lange termijn zijn.”

Hoe gaat u als prof om met speciale verzoeken?

“Bij mij krijgt iedere student evenveel tijd voor het examen. En ik zeg altijd van tevoren dat het zeker tijd genoeg zal zijn, zodat niemand zich zenuwachtig hoeft te maken. Op die manier hoef je geen onderscheid te maken tussen de studenten en is ook iedereen tevreden.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234