Vrijdag 22/10/2021

InterviewRobert Vermeiren

Kinder- en jeugdpsychiater Robert Vermeiren: ‘Deze crisis heeft de maatschappij gedwongen de waarheid onder ogen te zien’

null Beeld VPRO
Beeld VPRO

‘De komende decennia zullen we spreken over de covidgeneratie’, zegt hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie Robert Vermeiren (53). De geboren Gentenaar is al decennia het boegbeeld van de Nederlandse kinderpsychiatrie en zal als derde gast aanschuiven in Zomergasten. Tijdens de tweede lockdown schreef hij een brandbrief, door alle Nederlandse hoogleraren kinderpsychiatrie ondertekend: ‘De jeugdzorg kan de overrompeling van jongeren die vastliepen niet meer aan. Als we niet snel iets doen, zullen de gevolgen niet te overzien zijn.’ In België is het niet anders, zegt hij.

Robert Vermeiren: “Ik sprak onlangs nog met Sofie Crommen, voorzitter van de Vlaamse Vereniging voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie. ‘Er was al veel te weinig plaats in de centra’, zegt ze, ‘en door de coronacrisis zijn de wachtlijsten nu zo lang dat het bijna geen zin meer heeft er nog een kind op te zetten.’”

Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) heeft 20 miljoen euro vrijgemaakt voor psychologische en psychiatrische bijstand aan jongeren. Dat volstaat totaal niet om de jeugdzorg weer op de rails te krijgen.

Vermeiren: “Aan de basis van wat is misgelopen, ligt een foute inschatting: mensen hebben de neiging om jonge mensen als intrinsiek gelukkig te zien. Ze kunnen zich niet voorstellen dat er méér met hen aan de hand kan zijn dan iets wat je met een beetje aandacht wel kunt oplossen. Door covid staan de kranten opeens vol met berichten over problemen bij jongeren, en dat is nieuw. Deze crisis heeft de maatschappij gedwongen de waarheid onder ogen te zien.”

Komt er straks echt een covidgeneratie?

Vermeiren: “Als we niet tussenbeide komen wel, ja. Jongeren zijn kwetsbaar én veerkrachtig. Maar die veerkracht moet een kans krijgen, en daarvoor zullen we iets moeten ondernemen.”

Wat bedoelt u precies?

Vermeiren: “De puberteit is uniek: in geen enkele andere periode van hun leven kunnen mensen zo ontzettend veel kennis en ervaring verzamelen, zijn ze zo krachtig. Maar juist daarom zijn we in die periode ook zo kwetsbaar. Pubers zijn impulsief: het hersendeel dat de impulsen regelt, is bij hen nog niet volgroeid. Normaal zorgt die impulsiviteit ervoor dat je veel leert, maar als je omgeving niet optimaal is en je in het nauw wordt gedreven, kun je gefrustreerd raken in je ontwikkeling en in de problemen komen.”

Pubers zijn, zegt u, in de greep van onzekerheid, waardoor ze ongezonde vormen van controle zoeken.

Vermeiren: “De puberteit is sowieso een periode met veel onzekerheid. Tot hun 10de, 12de zijn kinderen nog geworteld in hun gezin. Daarna beginnen ze zich los te maken. ‘Rot op!’ zeggen ze almaar vaker tegen hun ouders. ‘Ik wil jullie niet meer!’ Maar een doorleefde eigen wereld hebben ze op dat moment eigenlijk nog niet. Hun vriendschappen wisselen nog sterk. Ze zijn aan het aftasten, doen nog veel domme dingen, kwetsen anderen, worden gekwetst. Hun kwetsbaarheid wordt nog groter op momenten dat ze van milieu veranderen: van de lagere school naar de middelbare school, van de middelbare school naar de universiteit – en nieuwe banden moeten smeden.

“De puberteit van jongens en meisjes verloopt ook anders, lichamelijk en emotioneel. Jongens ontwikkelen dan vaak bravoureachtig gedrag: ‘Woeha! Wij kunnen alles!’ Ook al zit daar natuurlijk een klein hartje achter. Vooral meisjes worden heel onzeker. Ze twijfelen over alles: doe ik het wel goed op school? Zie ik er wel goed uit? Ze schamen zich voor hun veranderende lichaam, zeker als ze één van de eersten zijn bij wie die veranderingen zich manifesteren. Dat proberen ze te compenseren door controle over hun leven te zoeken. Dwangmatig gedrag is een manier om angst kwijt te raken. Wie kwetsbaarder is, kan daarin doorschieten en bijvoorbeeld een eetstoornis ontwikkelen.”

Anorexia ontstaat in de eerste plaats uit een hang naar controle.

Vermeiren: “Vaak wel. Dat hebben we tijdens de coronaperiode sterk gemerkt in Curium (het academische centrum voor kinderen met ernstige psychische problemen in Oegstgeest, waar Vermeiren afdelingshoofd is, red.). De toename van het aantal meisjes met eetstoornissen was enorm en duidelijk gelinkt aan de lockdown. Een deel van hen worstelt met wat we orthorexia noemen, waarbij je obsessief bezig bent met gezond eten. Dat is een direct gevolg van de pandemie. In de eerste golf hadden we al gemerkt dat steeds meer meisjes dat begonnen te doen en ook veel gingen diëten en sporten. Tijdens de tweede golf is dat bij velen doorgeslagen. Het is belangrijk om dat te keren voordat ze erin vast komen te zitten en hun hele familie meetrekken.”

Nood aan een gesprek?

Praten helpt, dat kan bij Tele-Onthaal: bel 106 of ga naar de website tele-onthaal.be.

Wie met vragen zit over zelfdoding, kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het gratis nummer 1813 en op de website zelfmoord1813.be.

Welke andere manieren zochten jongeren om grip te krijgen op hun leven?

Vermeiren: “Automutilatie, bijvoorbeeld. Het klinkt misschien gek, maar ook jezelf snijden geeft een gevoel van controle. Het is een pathologisch mechanisme waarbij je fysieke pijn in de plaats stelt van emotionele pijn: dan ben je tenminste dáárvan af, van het gevoel de speelbal te zijn van dat virus en die maatregelen. En zo hebben veel jonge mensen een eigen controlemechanisme. Anderen gaan gedragsproblemen vertonen, en roepen tegen de wereld: ‘Fuck you! Ik ga zuipen en doen wat niet mag!’”

GEPIMPTE INFLUENCERS

De tweede golf was de nekslag, zegt u.

Vermeiren: “Ja. In de eerste golf hadden we nog een aantal jongeren die het béter deden. Ik behandel een meisje dat veel suïcidepogingen achter de rug heeft. Al jaren zat ze vast in een tunnel van suïcidegedachten. Er waren wel sprankeltjes van vooruitgang, maar het was de eerste lockdown die het licht bracht. Eerst was ze ontdaan, want de zorg viel voor een groot deel weg en ze moest het allemaal op eigen kracht doen. Maar na een aantal weken was ze aan het toepassen wat ze in de behandeling had geleerd. Ze merkte: ik kan dit! Ze heeft haar leven echt weer opgepakt, het is zo mooi om te zien. Ze is natuurlijk nog kwetsbaar, haar suïcidegedachten zitten er nog, maar veel dagen is ze hoopvol. Ze is zelfs aan een nieuwe opleiding begonnen.

“Dat was eigenlijk een belangrijke boodschap aan ons, behandelaars. Op een bepaald moment moeten wij meer doen dan mensen stimuleren om op eigen benen te staan. We moeten hen ook echt losdúwen.”

Sommigen kinderen met autisme deden het in de eerste golf ook beter. Thuis konden ze zich, zonder de afleiding van een drukke klas en complexe sociale interacties, beter op hun schoolwerk concentreren.

Vermeiren: “Bij die eerste golf voelde ik bij veel jongeren ook nog de adrenaline: ‘We gaan het hier even doen! Wir schaffen das!’ Ze dachten: deze zomer zal alles wel weer normaal zijn. Maar zo is het niet gelopen, en vanaf september 2020 zijn de aanmeldingen ontzettend beginnen te stijgen. Sinds november en december ligt onze acute afdeling vol en is er in heel Nederland geregeld geen bed meer beschikbaar. Jongeren hebben toen elk perspectief verloren. Zij hebben immers een veel korter tijdsbesef. Voor hen is ‘volgend jaar’ een eeuwigheid. Voor hen bestaat de toekomst niet, ze moeten nú die vrienden hebben. Ze moeten nú een lief vinden.”

‘Als ik vandaag een tiener was geweest, had ik gegarandeerd het label ADHD gekregen. Mijn grote verdriet en mijn suïcide­gedachten zouden misschien niet gezien zijn.’ Beeld Erik Smits
‘Als ik vandaag een tiener was geweest, had ik gegarandeerd het label ADHD gekregen. Mijn grote verdriet en mijn suïcide­gedachten zouden misschien niet gezien zijn.’Beeld Erik Smits

De problemen zijn ook hardnekkiger, zegt u.

Vermeiren: “Ja, maar dat zagen we eigenlijk al vóór de crisis. Almaar meer jongeren tussen 12 en 20 kampen met problemen. Bij meisjes zien we vaker complexe problemen: eetstoornissen, zelfbeschadiging, depressies, suïcidaal gedrag. Problemen die veranderen wanneer ze ouder worden: ze vervallen van het ene gedrag in het andere en raken niet uit die vicieuze cirkel. Je ziet die ontwikkeling wereldwijd.”

Psychoanalyticus Paul Verhaeghe klaagt aan dat baby’s tegenwoordig van Kind en Gezin een rapport krijgen waarin ze geëvalueerd worden. En psychiater Dirk De Wachter vergelijkt onze tijdgeest met een speedboot genaamd TINA of There Is No Alternative: vooraan staan de champagnedrinkers, achteraan vallen mensen in drommen van de boot.

Vermeiren: “Ik ben het met hen allebei eens. Het grote probleem is die ontzettende druk om te excelleren. Die is de laatste vijftig jaar verweven geraakt met het wezen van de maatschappij. Ook de hele overheid ademt uit: jij moet meedoen aan de bv Nederland of België. Daarvoor moeten jongeren optimaal bijgespijkerd worden, optimaal hun capaciteiten gebruiken. Je ziet dat zij die druk internaliseren. Hoe hard ze ook roepen: ‘Fuck you, volwassenen!’, in hun hart willen ze een deel zijn van de maatschappij, willen ze erbij horen.

“Dat geïnternaliseerde ‘erbij willen horen’ valt vooral sterk op bij meisjes met anorexia. Dat ligt zeker niet louter aan hun ouders. Er wordt te vaak gezegd: ‘De ouders verwachten te veel.’ Natuurlijk hebben zij verwachtingen, en dat mag ook. Wat vooral gebeurt, is dat jongeren zien hoe hun ouders zélf aan de verwachtingen van de maatschappij proberen te beantwoorden, en bang zijn om te falen. Ik moet ook absoluut met vlag en wimpel slagen, gaan ze dan denken, anders hoor ik er niet bij. De druk wordt zo hoog dat ze onderuitgaan en uitvallen.

“Als je niet aan de ratrace wilt deelnemen, lijk je alleen maar te kunnen zeggen: ‘Dan doe ik nérgens meer aan mee. Ik scheid me van de maatschappij af.’ En dat is ook niet goed. Het is hoog tijd dat we ons als maatschappij afvragen waar we mee bezig zijn.”

Die maatschappelijke druk om te excelleren is zich al decennia aan het opstapelen.

Vermeiren: “Ja, maar de problemen die dat veroorzaakt bij jongeren nemen vooral de laatste tien jaar toe. En daar spelen de sociale media een belangrijke rol in.

“Ik ben niet tegen sociale media. Die zijn trouwens niet meer uit te bannen, ze maken deel uit van ons leven. We moeten wel nadenken over hoe wij, en vooral jongeren, ermee omgaan. En dan heb ik het niet over het aantal uur dat ze ermee bezig zijn, dat vind ik niet zo’n belangrijke graadmeter. Ik zie thuis hoe mooi mijn kinderen het contact met hun vrienden onderhouden via sociale media. Het probleem is dat de must om te excelleren ook met die media verweven is geraakt. Ik heb het nu, bijvoorbeeld, over al die bijgespijkerde en gepimpte influencers. Wat als je die dagelijks ziet, terwijl jij je met je rare nieuwe lichaam geen raad weet? Of met die jeugdpuist, die iedereen kan zien en die voor jou het einde van de wereld is?

“Vorige week las ik in de krant dat ze in Noorwegen een wet hebben aangenomen die influencers verplicht om een waarschuwingslabel toe te voegen als ze op gesponsorde beelden hun lichaam of huid hebben gemanipuleerd. Dan denk je toch: dit is waanzin.

“Er zijn ook almaar meer influencers die bewustzijn willen helpen creëren voor mentale problemen. Op zich een mooi idee, maar bij de manier waarop sommigen dat doen, vraag ik me af: doen ze dit niet óók vanuit een hang naar exposure? Bijna om te tonen: kijk, ik ben de ideale patiënt! Dat vind ik toch risky.

“Ik heb net weer een bijeenkomst gehad met één van mijn focusgroepen – ik heb veel contact met jongeren, om te weten wat bij hen leeft. Weet je wat op de sociale media nu weer de ronde doet over de coronavaccins? Dat je er jarenlang onvruchtbaar van wordt, bijvoorbeeld. En van het Pfizer-vaccin zouden je borsten gaan groeien. Je snapt wat dat teweegbrengt. Geheid dat sommige meisjes dan gaan denken: ah, dat is de oplossing! En anderen: o nee, geen Pfizer!”

‘Aan de basis van wat in de jeugdzorg is misgelopen, ligt een foute inschatting: mensen hebben de neiging om jonge mensen als intrinsiek gelukkig te zien.’ Beeld Erik Smits
‘Aan de basis van wat in de jeugdzorg is misgelopen, ligt een foute inschatting: mensen hebben de neiging om jonge mensen als intrinsiek gelukkig te zien.’Beeld Erik Smits

IK EN MIJN TUNNEL

U hebt geneeskunde gestudeerd aan de Universiteit Gent en wist al snel dat u zich in de kinderpsychiatrie wilde specialiseren. Dat u kwetsbare jongeren wilde helpen, heeft te maken met uw eigen geschiedenis.

Vermeiren: “Wellicht wel. Er was ook absoluut veel liefde in het gezin waar ik ben opgegroeid – daarom ben ik uiteindelijk op mijn pootjes terechtgekomen, denk ik. Maar ik heb een moeilijke periode gekend. Na de scheiding van mijn ouders heb ik een tijd bij mijn grootouders gewoond, en daarna ben ik naar een internaat gegaan. Ik was erg op mezelf aangewezen. Ik woonde bij mijn vader en zag mijn moeder niet zo vaak. Ze zag me ontzettend graag, maar zij had ook haar geschiedenis. Ze had haar vader verloren op haar 11de, een gebeurtenis die een enorme impact op haar had. Daardoor is ze, denk ik, te vroeg getrouwd.

“Mijn vader was heel anders dan mijn moeder. Hij werkte heel veel, was enorm consciëntieus, ook met zijn portemonnee (lacht). Hij was de oudste in zijn gezin, echt een naoorlogs kind – mijn grootmoeder zei altijd dat ze haar huis nog met zelfgespaarde centiempjes had gebouwd. Zij was ook erg zuinig, de hele familie was dat. Ik denk dat zelfs ik daar iets van heb meegekregen.

“Ik heb lang aan mezelf getwijfeld. Ik voelde me geregeld eenzaam en worstelde ook een tijd met suïcidegedachten.”

Maar daar hebt u toen nooit over gesproken.

Vermeiren: “Nee. Ik wilde een goede zoon zijn, geen zwakke. Ook ik wilde voldoen aan de verwachtingen – of wat ik dácht dat de verwachtingen waren. En in die tijd, de jaren tachtig, was het not done om daarover te praten.”

U bent aan de Universiteit Antwerpen gepromoveerd op onderzoek naar het verband tussen jeugdcriminaliteit en psychische problemen. Uw interesse daarvoor had te maken met uw eigen jeugd op straat.

Vermeiren: “Ja. Ik heb me vaak afgevraagd: waarom ben ik niet afgegleden en anderen wel? Ik heb veel op straat rondgehangen, bracht veel tijd door in de McDonald’s, de Quick, op café. Ik was betrokken en activistisch: eerst nog keurig als lid van Greenpeace, maar rond mijn 15de ben ik met anarchistische milieus in contact gekomen.”

Dat is wel héél jong.

Vermeiren: “Ja, maar op één of andere manier ben ik altijd aan de rand blijven staan, waardoor ik nooit echt in de problemen ben gekomen. Daarin speelde zeker mee dat ik een goede familie had, en een vader die het wel druk had maar toch betrokken was, duidelijke grenzen trok, verwachtingen stelde aan mijn schoolwerk en op het juiste moment ingreep. Hij ging bijvoorbeeld mee in de antirakettenbetogingen en nam me op sleeptouw naar de vredesbeweging Pax Christi, weg van de anarchisten.

“Tijdens het onderzoek voor mijn proefschrift heb ik een jongen ontmoet met een IQ van 140. Hij woonde niet, zoals ik vroeger, in een mooi pand maar in een huis zonder verwarming waar de armoede van de muren droop. Die armoede heeft hem in de criminaliteit gedreven. Stelen en dealen is in zo’n situatie het enige wat je kunt doen als je kleren wilt hebben die ergens op lijken. Als je erbij wilt horen als puber.”

Hebt u er helemaal op eigen kracht voor gezorgd dat u nooit toegaf aan uw suïcidegedachten?

Vermeiren: “Ik had gelukkig ook veel leuke momenten. Als ik activistisch bezig was en het gevoel had dat ik iets kon veranderen, iets kon betekenen. Alleen als ik in mijn eentje op mijn kamer zat, kon ik me zo eenzaam en wanhopig voelen dat ik in een donkere tunnel terechtkwam. Dan zag ik de leuke kanten van mijn leven niet meer. Ik bleef niet permanent in die tunnel zitten, zoals sommige van mijn patiënten. Maar ik kan me nu wel goed voorstellen hoe vreselijk dat voelt.

“Ik heb een vriend gehad, Rik, die helaas wél vast is komen te zitten en een einde aan zijn leven heeft gemaakt. Hij zat twee jaar lager dan ik aan de universiteit. We zaten samen in de faculteitsraad. Rik was een voorbeeld voor mij. Hij was opmerkelijk slim, heel actief aan de faculteit en daarbuiten. Hij kon alles. Bij hem heb ik gezien hoe fnuikend het kan zijn om verwachtingen te internaliseren, om het gevoel te hebben dat je móét excelleren. Zijn ouders legden hem dat absoluut niet op, en toch sloeg de somberheid toe. Zijn dood heeft me enorm geraakt.

“Voor mijn gevoel was zijn daad heel pardoes. Hij had op het laatst wel hulp gezocht, zo bleek. Ik wist dat niet. Ik had niet gezien dat er iets mis was. Ik bewonderde hem misschien te zeer. Nu denk ik: heb ik, door hem zo op handen te dragen, niet bijgedragen aan zijn gevoel te moeten excelleren?”

VRAAG IN EEN LAATJE

Bent u, in deze tijd waarin almaar meer mensen het leven niet meer zien zitten, een voorstander van euthanasie om psychische redenen?

Vermeiren: “Dat blijft een moeilijke kwestie. Ik vind het goed dat een wet euthanasie mogelijk maakt, vooral omdat ze mensen uitnodigt om er uitgebreid over in gesprek te gaan. Daardoor haal je hen uit hun isolement en kun je tot alternatieven komen. Je wordt niet aangezet om zélf een uitweg te zoeken, wat vaak tot mislukkingen leidt, met alle vreselijke gevolgen van dien.

null Beeld Erik Smits
Beeld Erik Smits

“Omdat ik weet hoe het voelt om in die tunnel van suïcidegedachten te zitten, kan ik me ook voorstellen dat het leven ondraaglijk wordt als je alles geprobeerd hebt om eruit te raken maar nog altijd geen licht ziet. Dan is het goed dat de maatschappij je de mogelijkheid biedt om afscheid te nemen op een waardige manier, waarbij ook je omgeving betrokken wordt.”

Zelfs bij minderjarigen? In principe kan iemand van 12 al een verzoek tot levensbeëindiging indienen.

Vermeiren: “Misschien, in uitzonderlijke gevallen. Maar ik kan eigenlijk geen uitzonderingen bedenken. Ik vind dat we, tenzij het gaat om uitzichtloos lichamelijk lijden, levensbeëindiging pas mogen toestaan als we iemands ontwikkeling voldoende kansen hebben gegeven. We weten dat, zodra de voorste hersenen tot wasdom zijn gekomen, jonge mensen stabieler worden en minder impulsief gaan denken.

“Neem het meisje over wie ik het net had. Vier jaar heeft ze heel diep gezeten, haar armen staan vol met littekens, dieper en dieper heeft ze zich gesneden. Nu zegt ze, gelukkig: ‘Er zijn dagen dat ik echt geniet van het leven.’

“Ik vind wel dat we jongeren uit moeten leggen waarom we hen op dat moment nog niet willen helpen met hun gewenste einde. Dat we moeten zeggen: ‘We leggen je vraag in een laatje, omdat we eerst willen zien wat er gebeurt als je helemaal ontwikkeld bent.’”

En zo komen we weer uit bij hoe belangrijk genoeg hulp en genoeg bedden in de jeugdzorg zijn. Ook het 14-jarige meisje dat zichzelf in mei van het leven beroofde na een groepsverkrachting in Gent, had kort voor de feiten psychologische hulp gezocht. Ze kon niet opgenomen worden wegens geen plaats.

Vermeiren: “Ja, er vallen slachtoffers door het gebrek aan gepaste hulp. Daar moeten we dringend over nadenken. We kunnen zoveel voor jongeren betekenen. Ze zijn zo veerkrachtig. Die put waarin ze zitten, daar kunnen ze ook weer uitkomen. Het probleem is ook dat voor jongeren met complexe problemen vaak geen plaats is omdat almaar meer jongeren met een milde problematiek bij ons aankloppen. Jongeren die worstelen omdat ze denken te moeten excelleren, bijvoorbeeld: wij worden geacht hen op te lappen, eventueel met medicijnen, zodat ze weer meekunnen in de klas.

“Daarom moeten wij als behandelaars beter worden in herkennen: met wie zal het op termijn slecht gaan, met wie niet? Wie heeft last van de faalangst die bij de puberteit hoort, en bij wie kan dat uitlopen in een manifeste eetstoornis?”

NIET FIKSEN

Zulke problemen kún je natuurlijk niet zien aankomen als je net van de schoolbanken komt. Een groot probleem in België is dat afgestudeerde psychologen met weinig ervaring zich meteen vestigen als therapeut.

Vermeiren: “Dat is ook in Nederland een groot probleem sinds de decentralisatie, die de jeugdzorg in handen van de gemeenten heeft gelegd. De zorg dichter bij de mensen brengen, was een mooi idee. Maar die operatie heeft niet alleen veel geld gekost, door de aanpak van de gemeenten hebben ervaren professionals er ook de brui aan gegeven. Nu moeten jonge, bevlogen maar onervaren krachten kinderen helpen die je echt niet op de rails krijgt met een los gesprek aan de keukentafel. Psychiaters moeten tijdens hun opleiding vijf jaar meelopen met ervaren collega’s: ook andere hulpverleners zouden dat moeten doen. Je leert het vak door te doen, en door on the job gecoacht te worden.

“Wat ook voor veel ellende zorgt – zeker in Nederland, maar naar ik hoor ook in België – zijn de zorgverzekeraars. Voor hen moet de diagnostiek kort zijn. Op basis van een kort gesprek en een paar vragenlijsten moet je een label op een kind plakken, zodat het snel behandeld kan worden. Dat is zo fnuikend. Als ik in die omstandigheden een tiener was geweest, had ik gegarandeerd het label ADHD gekregen. Op de lagere school stond al op elk rapport: ‘Hij let niet op’, ‘Zijn hoofd zit overal’, ‘Een wonder dat hij erdoor is geraakt’. Ook op de middelbare school was ik nogal druk en impulsief, en ik had behoorlijke concentratieproblemen. Vandaag zou ik misschien wel bij iemand terechtgekomen zijn die mijn ADHD-gedrag zou hebben gefikst met pillen of een cognitieve gedragstechniek. Daardoor zouden mijn grote verdriet, mijn eenzaamheid en mijn suïcidegedachten misschien niet gezien zijn. Van die aanpak moeten we af. We moeten terug naar het individu, luisteren naar zijn verhaal, kijken naar zijn context. We moeten af van het idee dat we iedereen kunnen fiksen. We moeten er niet naar streven iemands kwetsbaarheid weg te gommen, zeker als die prominent op de voorgrond staat. We moeten een manier vinden om mensen mét hun kwetsbaarheid een zinvol, vreugdevol leven te laten opbouwen. De maatschappij, je werkgever en je omgeving moeten je dat gunnen. Iedereen heeft daar een rol in.

“Studenten die ADHD hebben, sociaal bijzonder zijn of een eetstoornis hebben, kunnen evengoed bij mij promoveren. We moeten die kwetsbaarheden wel bespreken, omdat ze bij het leven horen en we er rekening mee moeten houden als ze opspelen. Ik weet dat in sommige kwetsbaarheden ook een kracht zit. Dat iemand juist zo consciëntieus is omdat hij een pietje precies is, bijvoorbeeld, ook al bestaat het gevaar dat hij daarin doorslaat.

“In Curium zetten we nu de eerste stappen om jongeren die wij behandeld hebben als ervaringsdeskundigen te betrekken. Zo willen we bijvoorbeeld andere jongeren bereiken die na de zoveelste behandelaar zijn gaan denken: ‘Rot op, allemaal. Het zal toch nooit nog wat worden.’ Wij zijn ze dan kwijt. Met die ervaringsdeskundigen, die opgeleid zijn om met hen om te gaan, maken ze vaak wél contact. Het lijkt te werken. De beste ervaringsdeskundigen zijn bovendien vaak zelf onze moeilijkste patiënten geweest, wat wel bijzonder is.

“Dat is eigenlijk het belangrijkste dat ik wil vertellen in Zomergasten: dat we kwetsbaarheid weer veel meer moeten gaan zien als een onderdeel van het leven. Iedereen heeft die: ik, jij, en onze leidinggevenden en ministers ook. Niet dat die laatsten daar overal mee te koop moeten gaan lopen, maar het zou zo goed zijn als we ook die kant, misschien eerst in onze eigen omgeving, wat openlijker zouden durven te bespreken. En als we ons, in het verlengde daarvan, in de maatschappij minder ongenaakbaar zouden tonen. Ik ben ervan overtuigd: dan zullen er veel minder mensen voor de deuren van de psychiatrie staan te wachten.”

Zomergasten, NPO 2, zondag 1 augustus, 20.25 uur

Wie met vragen zit over zelfdoding, kan terecht bij de Zelfmoordlijn op het gratis nummer 1813 en op de website zelfmoord1813.be.

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234