Zaterdag 20/07/2019

Cyberoorlog

Holslag: "Bedriegen doen alle spelers, maar EU betreedt strijdperk kreupel"

Beeld Foto Forbes Conrad / Getty

De Europeanen doen het niet zo slecht als het gaat om innovatie in de ict-sector, zegt Jonathan Holslag. Toch verliezen we de slag van de beter georganiseerde Amerikanen en Chinezen.

Er was ooit een tijd dat het bouwen van een rijk enorme landstrijdkrachten vereiste. In de vijftiende eeuw maakte Europa daar een eind aan. Dankzij onze kanonnen en karvelen hadden we genoeg aan enkele strategische forten en strafexpedities. Later perfectioneerden de Britten de kunst van indirect imperialisme, door lokale heersers om te kopen en de wereldzeeën te domineren. De Verenigde Staten zouden dat aanvullen met structurele macht, de kunst om via internationale regelgeving en organisaties te heersen.

Rijken zijn geen westerse inventie. Hadden we de Arabieren wat meer tijd gegeven, dan zouden zij misschien grotere delen van Afrika gekoloniseerd hebben en de Chinezen een omvangrijker stuk van Azië. Maar het Westen was sneller en sterker. Vandaag breekt in de kunst van het domineren een nieuw tijdperk aan, die wordt namelijk virtueel. Macht hoeft niet langer tastbaar te zijn om andere samenlevingen in ongelijke economische partnerschappen gevangen te houden. Maar de gevolgen zijn wél tastbaar en Europa lijkt zich steeds meer in het kamp van de verliezers te bevinden.

Kijken we alleen al naar de economische impact, dan gaf Europa in 2013 ongeveer evenveel uit aan buitenlandse ict-bedrijven als aan buitenlandse olieleveranciers. Aan de ene kant is er de grote afhankelijkheid van Amerikaanse software. Ingevoerde Amerikaanse software, licenties en chips kosten Europa jaarlijks 20 miljard euro, maar op basis van jaarrapporten schat ik dat de Amerikaanse ict-giganten in 2013 rondom 160 miljard euro aan investeringsinkomsten ophaalden in Europa. Dat is fenomenaal.

Beeld Foto Valentina Vos

Start-ups

Aan de andere kant worden we meer afhankelijk van hardware, vooral uit Azië. Europa voert nu jaarlijks voor goed 360 miljard euro aan hardware in. Het idee dat we dit zouden compenseren met geavanceerde chips klopt niet. Ons tekort op de handelsbalans loopt op. Samsung is wellicht het bekendste Aziatische merk, maar vooral Chinese bedrijven zoals Huawei, ZTE en Lenovo zijn aan een opmars bezig.

De totale factuur - import uit vooral Azië en inkomsten van Amerikaanse investeerders - liep vorig jaar op tot zo'n 650 miljard euro. De tragedie is dat Europa het op het vlak van innovatie zelf eigenlijk helemaal niet slecht doet. We registreren nog steeds veel meer ict-patenten dan China en de kloof met de VS is zelfs wat geslonken. We hebben een groot aantal baanbrekende start-ups, maar zij slagen er niet in om tot een nieuw Apple uit te groeien, omdat bedrijven als Apple hen vaak in een vroeg stadium opkopen. Dat is de keerzijde van een wereldmarkt gedomineerd door een oligopolie.

Het blijft in China en de VS ook veel gemakkelijker voor bedrijven om het kapitaal op te halen dat nodig is om uit te breiden. Zoals Wall Street de Amerikaanse ict-sector aandrijft, zo vinden bedrijven als Huawei genereuze steun rondom Fuxingmennei Street in Peking, waar de grote Chinese staatsbanken zijn gevestigd. Zij spenderen jaarlijks tientallen miljarden dollars aan krediet om de productiecapaciteit op te voeren en om buitenlandse klanten te winnen voor 'made in China'-producten. Onlangs nog kreeg het Spaanse Telefónica een kredietlijn van 1,2 miljard dollar voor een bestelling bij Huawei, Megafon 1 miljard dollar en zo gaat het maar door. En natuurlijk wordt Huawei heel snel meer concurrerend, omdat er door dit financiële platwalsen in Europa nauwelijks concurrentie overblijft.

Vrijhandel

Net als in rijken uit het verleden volgt ook nu de vlag de handel. De Amerikaanse overheid steunt de regulering van de internationale markt op een manier die de bedrijfswereld zo veel mogelijk bevoordeelt. Dat betekent in de eerste plaats dat er zo weinig mogelijk regels en beperkingen zijn. Een recente resolutie van het Congres stelde het als volgt: 'Het is het beleid van de VS om een wereldwijd internet te promoten waarmee overheden zich zo weinig mogelijk bemoeien en een multistakeholdermodel te handhaven dat het internet reguleert.' Met andere woorden, bedrijven horen internet te domineren en laat de meeste van die bedrijven nu net Amerikaans zijn.

Vrijhandel is steeds in het voordeel van de sterksten en daarom is Washington onvermoeibaar in het bepleiten van een vrijere trans-Atlantische ict-markt. Officieel luidt het natuurlijk dat Europa en de Verenigde Staten samen de toon kunnen zetten, vooral als het ooit komt tot een vrijhandelsverdrag, maar binnen dat verdrag zouden Amerikaanse bedrijven het meeste profiteren van gezamenlijke technologische standaarden, soepele wetten op het gebied van databescherming en de uitbreiding van lage tarieven op zogenoemde consumentenelektronica als hybride televisie en slimme brillen.

Teruggefloten

China ijvert eveneens voor openheid. Toen de Europese Commissie besloot te onderzoeken of er door de enorme kredietlijnen van de telecomreuzen Huawei en ZTE sprake was van concurrentievervalsing, klaagde Peking over protectionisme. Het was economische machtspolitiek op haar best toen Peking Duitsland voor de keuze stelde: een klein contract voor Nokia-Siemens of een klacht tegen vermeende dumping door Duitse producenten van polysilicone. Frankrijk kon kiezen tussen een klein contract voor Alcatel of een handelsoorlog tegen Franse wijnproducenten. In een mum van tijd werd de Europese Commissie door Parijs en Berlijn teruggefloten, waarna ook het onderzoek tegen Huawei en ZTE werd stopgezet.

Het blijft de vraag of Europa hoegenaamd zijn belangen nog kan verdedigen in onderhandelingen met Peking of Washington. Nadat Edward Snowden onthulde dat de Amerikaanse NSA in staat was om alle Europese leiders te bespioneren en nieuwe spionage tegen de Europese instellingen werd ontdekt, stelde een vertegenwoordiger van de Commissie: 'Het is moeilijk een eerlijk akkoord te bereiken als je tegenpartij steeds weet wat je volgende stappen zijn.' Met andere woorden: de landen met de sterkste cyberspionage zijn het beste in staat om de zwakke plekken in de verdediging van de anderen te vinden.

NSA

De cybersfeer is een van de belangrijkste strijdperken van de machtspolitiek van de 21ste eeuw geworden en het heeft Europa veel tijd gekost om die nieuwe realiteit onder ogen te zien. De NSA heeft een vermoedelijk jaarlijks budget van 11 miljard dollar. GCHQ, de Britse tegenhanger en trouwe medewerker van de NSA, moet het met 2 miljard dollar doen, de Franse DGSE en ANSSI samen met 900 miljoen dollar, en de Duitse BSI met 110 miljoen dollar. Dat niemand in Europa er ook maar aan denkt om de krachten te bundelen, is natuurlijk een groot voordeel voor de andere mogendheden.

Spioneren en bedriegen doen alle hoofdrolspelers, maar Europa betreedt het internationale strijdperk kreupel. Het is erg moeilijk om de politieke gevolgen in te schatten, maar ze moeten enorm zijn. Er zijn ook grote gevolgen op het vlak van veiligheid. Een gefragmenteerd Europa zal het moeilijk blijven hebben om zich te verdedigen tegen cyberaanvallen. In de aanloop tot de annexatie van de Krim werden Europese en Oekraïense doelwitten aangevallen door een agressieve Russische variant van de Amerikaanse Stuxnet computerworm. In het verleden werden Franse en Britse gevechtsvliegtuigen aan de grond gehouden na de verstoring van software.

Cyber wordt dus ook erg belangrijk in conventionele oorlogvoering. Neem de nieuwe F-35, het gevechtsvliegtuig dat ook Nederland kocht. Onlangs ontving ik een interessant rapport waarin een Amerikaanse generaal beschreef hoe de F-35 in staat zal zijn om zijn radar als cyberwapen te gebruiken. 'Het straalt energie uit in digitale nulletjes en eentjes en die straal kan men richten op een bepaald doel', legde hij uit. 'De radio's en radars van een vijand werken op computers en dus kun je signalen op hen afsturen om hen te hacken. Als die computers dan ook nog eens met elkaar in verbinding staan, kun je een virus verspreiden door hun hele netwerk.'

Verslaafd

Dit mag dan spannend lijken voor landen die het tuig hebben aangeschaft, het toont ook opnieuw hoe verslaafd we zijn geworden aan buitenlandse knowhow in de nieuwe vormen van oorlogvoering. We hebben nog steeds hoogtechnologische bedrijven, maar met defensiebudgetten die worden teruggedrongen, staan die bedrijven voor de keuze tussen bankroet en het delen van hun technologie met veeleisende klanten elders. Aan de afhankelijkheid van militaire technologie hangt een prijs, namelijk dat we minder sterk staan bij onderhandelingen op strategisch en economisch vlak.

Hoe komt het toch dat Europa de krachten maar niet bundelt? Om te beginnen zijn er een aantal politici die als het aankomt op vrijhandel heiliger willen zijn dan de paus. Zij denken dat regels moeten worden nageleefd, zelfs als de rest van de wereld de boel belazert. Het heeft ook te maken met een bijna wanhopige poging zich vast te klampen aan het leiderschap van grootmachten in plaats van zelf de leiding te nemen. Noem het gerust een vorm van afhankelijke persoonlijkheidsstoornis bij politici.

Grote ict-leveranciers moedigen dat natuurlijk aan via enorme sommen aan lobbyisten. Zelf nam ik deel aan diverse projecten over Europese cyberveiligheid, gesponsord door Amerikaanse softwarereuzen. Nu zijn ook Chinese bedrijven hun offensief gestart: van Ajax tot mijn eigen universiteit. Ik neem ze dat niet kwalijk. Wij zouden zelf beter moeten weten.

Investeringsfonds

Waarom richten we bijvoorbeeld geen investeringsfonds op zodat we onze start-ups kunnen ondersteunen? Waarom geven we de Europese Commissie geen steviger mandaat om de nieuwe monopolisten van de microchip aan te pakken? Waarom richten we geen Europese NSA op? Dan zijn we meteen ook van de spionage-argwaan tussen de lidstaten af. Waarom slaan we de handen niet in elkaar om onze kwetsbare infrastructuur beter te beschermen? En vooral: waarom stellen we ons niet kritischer op tegen de digitale hypes die men elders op ons loslaat, hypes als de cloud of de nieuwste iPhone? Het probleem zit niet zozeer in de technologie, maar in ons onvermogen om er kritisch mee om te gaan.

Europa reageert een beetje zoals de Amerikaanse inboorlingen reageerden toen de Europese veroveraars hen in de vijftiende eeuw verlokten met spiegeltjes en belletjes. Maar nu zijn de rollen omgekeerd.

De Vlaamse politicoloog en Chinakenner Jonathan Holslag (1981) behandelt in Vonk acht grote thema's voor de toekomst. Eerder dit jaar publiceerde hij De kracht van het paradijs - Hoe Europa kan overleven in de Aziatische eeuw. Aan de Vrije Universiteit Brussel doceert hij internationale politiek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden