Vrijdag 26/04/2019

Het Grote Klimaatdebat

Hoe extreemgroen nostalgie koestert naar een wereld zonder industrie en technologie

Beeld Sven Franzen

Spijbelende tieners hebben het klimaatdebat helemaal doen losbarsten. De Morgen gaat een week lang met wetenschappers op zoek naar concrete oplossingen. Maar eerst zet senior writer Joël De Ceulaer de kwestie nog eens op scherp. “De mens helpt de wereld om zeep: dát is dus het beeld waarmee we onze kinderen opzadelen.”

Het waren de boontjes uit Kenia die Wouter Van Besien dwongen om kleur te bekennen. In februari 2013 had ik het genoegen om de toenmalige Groen-voorzitter uitgebreid te mogen interviewen over zijn ideologie. Welk mens- en wereldbeeld ligt er ten grondslag aan het ecologische denken van zijn partij? Daar wilde ik achterkomen. En dus stelde ik hem een van mijn favoriete vragen uit die tijd: over de boontjes uit Kenia.

Het is een bekend dilemma. De supermarkt ligt vol met boontjes uit Kenia. De vraag is of we die moeten boycotten of net in groten getale moeten kopen. Als we ze boycotten, dan bewijzen we het klimaat een dienst – bij het overvliegen van die boontjes wordt immers behoorlijk wat CO2 uitgestoten. Maar als we er zoveel mogelijk van kopen, bewijzen we de Kenianen een dienst – de bonenteelt zorgt daar voor werkgelegenheid, economische groei en welvaart. Die verscheurende keuze maakt de vraag zo boeiend.

Het grote klimaatdebat

Dat er een probleem is met de opwarming van de aarde, weet onderhand iedereen. Maar hoe lossen we het op? Het is een vraag die klimaatspijbelaars en -betogers voortdurend voor de voeten gegooid krijgen. Daarom start De Morgen vandaag met een ambitieuze klimaatreeks. Vanaf maandag 4 februari ondervragen we wetenschappers uit diverse disciplines over concrete, realiseerbare oplossingen voor de klimaatkwestie. Want dit debat is te belangrijk om het aan politici alleen over te laten. 

Voor Van Besien was het uiteraard eenvoudig: nee, wij kunnen maar beter geen boontjes uit Kenia kopen. Qua uitstoot is dat volkomen onverantwoord. Oké, reageerde ik, beeld u dan even in dat vliegtuigen voortaan geen CO2 meer uit­stoten, maar integendeel de CO2 uit de atmosfeer halen, of in elk geval helemaal CO2-neutraal zijn: mogen we dan wél boontjes uit Kenia kopen? Van Besien hoefde niet lang na te denken. Nee, zei hij, dan is dat nog altijd niet geoorloofd: “Als alle vliegtuigen morgen op zonne-energie vliegen, dan wil ik nog geen boontjes uit Kenia en bloemen uit Chili. Ik vind dat neokoloniaal. Mensen uit het Zuiden moeten hun gronden gebruiken voor hun eigen voedselvoorziening.”

Dat antwoord zegt iets wezenlijks over het klimaatdebat. Voor ecologisten gaat dat niet alleen over de verdwijning van fossiele brandstoffen, maar over een totale omwenteling van het geglobaliseerde, kapitalistische systeem. Groen wil niet dat we andere brandstof gaan gebruiken, of toch niet alleen, Groen wil dat we anders gaan leven – de partij heette vroeger niet voor niets Agalev. Kleinschaliger, zelfbedruipender, in nauwere harmonie met de natuur. De Kenianen eten hun eigen boontjes op, wij halen onze pastinaak bij de boer om de hoek. De korte keten. Veel beter voor mens en milieu.

Of is het toch niet zo simpel? Zijn er misschien ook ecologisten die wél boontjes uit Kenia eten? Een paar maanden na dat interview met Wouter Van Besien had ik, samen met een collega, de kans om dezelfde vragen te stellen aan Olivier Deleuze, die toen voorzitter van Ecolo was, maar die jaren voor de Verenigde Naties in Kenia had gewerkt, en dus wist dat export de Kenianen welvaart brengt en dat die daar “heel tevreden” over zijn.

Beeld Sven Franzen

Toen we bleven doorvragen – hoe zit het: kopen of niet, die boontjes? – begon hij luid te kreunen: “Aaaaaaarrgghhhh”, lachte hij. “Dát is mijn antwoord. Wat een moeilijke keuze. Ik begrijp dat andere mensen boontjes uit Kenia kopen omdat ze de mensen daar willen steunen, maar als ik moet kiezen tussen boontjes uit Kenia en boontjes uit Mechelen, kies ik die van Mechelen.” Lees: hij twijfelde fameus, maar als voorzitter van Ecolo moest hij finaal terugvallen op de klassieke debatfiche. De boontjesdebatfiche.

Schuld en boete

Het groene wereldbeeld is de voorbije decennia erg diep doorgedrongen in de publieke opinie. Het laat zich, ruw geformuleerd, ongeveer als volgt samenvatten: ooit heerste er harmonie tussen mens en natuur. Er was letterlijk en figuurlijk geen vuiltje aan de lucht. Met de komst van wetenschap, technologie en industrie is dat evenwicht verstoord. En nu is de mens de planeet in sneltempo aan het vernietigen: de biodiversiteit, de lucht, de bodem, de atmosfeer – alles gaat naar de haaien. Dat is een van de krachtige beelden van deze tijd, waar weinig mensen immuun voor zijn. Iemand met een slecht karakter zou nu schrijven: zoals extreemrechts nostalgie koestert naar een Vlaanderen zonder migratie, zo heeft extreemgroen nostalgie naar een wereld zonder industrie en technologie.

Ik zat onlangs in de zaal bij de eindejaarsshow van een dansschool in het Gentse, waar kinderen en tieners de ouders en grootouders toonden wat ze het voorbije jaar allemaal hadden geleerd. De rode draad doorheen die show was de impact van mens op planeet. Ik zat er verbijsterd naar te kijken: het verhaal dat die kinderen met hun mooie dansjes kwamen vertellen, leek op dat van het paradijs en de zondeval. De mooie, ontroerende en hemelse sfeer die aanvankelijk op aarde heerste, werd bruut verwoest door de mens, die alleen maar onheil, ellende en helse catastrofes heeft veroorzaakt.

Het was wijlen Michael Crichton, de auteur van Jurassic Park, die het ecologische denken als eerste echt vergeleek met een religie. De verhaalstructuur is dezelfde: ooit leefden we in een paradijs, toen beten we van de appel van kennis en technologie, en nu moeten wij daarvoor de prijs betalen. Het is een verhaal van schuld en boete, inclusief de handel in aflaten – wie geen boontjes uit Kenia eet en met de fiets naar het werk gaat, kan toch nog in de hemel geraken.

De mens helpt de wereld om zeep: dát, zat ik tijdens die kinderdansshow in Gent aldoor te denken, is dus het beeld waarmee we onze kinderen opzadelen. Het mag een wonder heten dat ze niet al veel langer massaal spijbelen om te gaan betogen – straks klauteren zelfs kleuters over de muur van de speelplaats, om mee naar Brussel te kunnen trekken met Anuna De Wever en haar medestanders. Save the planet! Stop het gepamper!

Kalkoen met kerstmis

Haaks op de diepgroene ideologie staat het wereldbeeld van wat we gemakshalve maar even de ‘vooruitgangsoptimisten’ zullen noemen. Die proberen zoveel mogelijk vormen van doemdenken te ontzenuwen, door erop te hameren dat het geglobaliseerde systeem van technologie, industrie en handel helemaal niet omver moet worden geworpen, maar moet worden gekoesterd, omdat het de mensheid al veel heeft opgeleverd. Boeken zoals Feitenkennis van wijlen Hans Rosling tot Verlichting nu van Steven Pinker presenteren statistiek na statistiek waaruit blijkt dat de wereld er op heel wat parameters veel beter aan toe is dan vijftig, honderd, laat staan duizend jaar geleden.

Afgezien van het klimaatprobleem, waarvan iedereen de urgentie stilaan wel begrijpt, is ook het milieu erop vooruitgegaan. Milieuproblemen van de eerste generatie, die vooral met vervuiling te maken hadden, zijn er, bij ons althans, minder dan vroeger. Ik kan daar persoonlijk van getuigen, aangezien ik ben opgegroeid in de Olense fabriekswijk van wat nu Umicore heet. In de jaren zestig en zeventig, toen ik nog een jongen was, kon het daar soms zo stinken dat we niet buiten durfden te komen. Toen hoorde dat erbij, vandaag zou het de frontpagina’s halen. In de beek waarin ik met mijn vrienden speelde, werd radioactief afval geloosd, ook daar tilde toen niemand aan – nu kun je zelfs niet meer in de buurt van die beek komen, hij is metersdiep afgegraven en stevig omheind.

Ook andere statistieken tonen vooruitgang. Die door velen zo verguisde globale markt heeft, 
bijvoorbeeld in China, de voorbije decennia honderden miljoenen mensen uit de armoede gehaald. De impact daarvan wordt door anti­globalisten onderschat: honderden miljoenen Chinese boeren die vroeger verhongerden, werken nu in de stad. Ook met de globale cijfers van pakweg kindersterfte en armoede gaat het de goede kant op.

In dat wereldbeeld is de mens geen parasiet die best van de aardbodem zou verdwijnen, maar een intelligente en creatieve diersoort die in staat is om zijn eigen lot en dat van de planeet in de goede richting te duwen. Als dat tot nu toe is gelukt, aldus de redenering, waarom zou dat in de toekomst dan anders moeten zijn? Het empirisch bewijsmateriaal is groot genoeg om te geloven in een montere toekomst. Het klopt helemaal niet dat de aarde vroeger een paradijs was voor de mens, want de pest en de pokken horen ook bij die natuur – aldus de redenering aan deze kant van het spectrum –, maar de mens is wel in staat om er ooit misschien een paradijs van te maken.

Ook dat wereldbeeld heeft een zwakke flank. De kalkoen die bij kerst geserveerd wordt, denkt tot de vooravond van 24 december ook dat alles al bijna 12 maanden voorspoedig verloopt en dat de toekomst hem of haar toelacht. Tot hij pardoes geslacht wordt. Het is niet omdat de catastrofe uitblijft, dat ze niet kan komen. Dat geldt ook voor de toekomst van onze samenleving: als de klimaatverandering op hol slaat, kan de hakbijl vallen.

Beeld Sven Franzen

Probleem of oplossing

Het is die botsing van wereldbeelden die het klimaatdebat zo emotioneel maakt. Het gaat niet alleen om feiten en cijfers, het gaat om morele overtuigingen die diep in ons verankerd liggen en onverzoenbaar lijken. Is het systeem van markt, handel, wetenschap en technologie het probleem, of is het integendeel de oplossing voor ons probleem? Is de mens een bron van onheil voor die onschuldige natuur, of is de mens in staat om zichzelf keer op keer te overtreffen, met intelligentie en creativiteit? Moeten we die globalisering afbouwen en terug naar het kleinschalige gemeenschapsleven, of moeten we de kracht van die globalisering aanwenden om ook de rest van de wereld welvarend te maken?

En wie is er nu eigenlijk neokoloniaal? Het bedrijf dat werkgelegenheid en economische groei naar Kenia brengt, of Wouter Van Besien die vindt dat ze daar hun eigen boontjes maar moeten doppen? Als wij rijk zijn geworden door handel te drijven, waarom mogen andere landen dat dan niet, om ook rijk te worden?

Het is de grote, zeer lovenswaardige verdienste van Anuna De Wever en haar spijbelaars dat ze het debat eindelijk hebben opengegooid. Want tot dusver zat het muurvast. De groenen vinden de vooruitgangsdenkers gevaarlijke leerling-tovenaars die de urgentie van het probleem ontkennen. En de vooruitgangsdenkers vinden de groenen gevaarlijke alarmisten die blind blijven voor rationele oplossingen. Voor de bijdrage die kernenergie kan leveren, bijvoorbeeld – als klimaatvriendelijke energie. Of voor de bijdrage die ggo’s, genetisch gemodificeerde gewassen, kunnen leveren – met gewassen die beter bestand zijn tegen klimaatverandering, of een grotere oogst garanderen. Oplossingen die voor klassieke groene denkers onbespreekbaar zijn: zowel met kernenergie als met ggo’s zet de mens de natuur naar zijn hand, en dat past uiteraard niet in het morele schema van iemand die de vermeende harmonie tussen mens en natuur net wil herstellen.

Om maar te zeggen: zoals de meeste politieke debatten is het klimaatdebat tot dusver grotendeels een tribaal gevecht, waarin iedereen de veilige beschutting van het eigen kamp verkiest boven een open en eerlijk debat – wie de debatfiches van de eigen stam niet meer naadloos en trouw reproduceert, wordt gezien als een verrader.

Wie het werk van sociaal-psycholoog Jonathan Haidt kent – vooral The Righteous Mind – weet dat die mechanismen diepmenselijk zijn en niet snel zullen veranderen. Toch staan onze democratieën voor de opdracht om iets aan dat klimaatprobleem te doen.

De diagnose is gesteld, daar hoeft geen tijd meer aan verspild. Jean-Marie Dedecker, Theo Francken en Dries Van Langenhove mogen uiteraard vrij spreken, maar we hoeven met hun visie op de klimaatverandering geen rekening meer te houden. Het klimaat warmt op, en de mens is daarvoor grotendeels verantwoordelijk. Dat wetenschappelijke debat is afgerond. Nu zoeken we nog het antwoord op drie vragen. Eén: wat gaan we doen? Twee: hoe gaan we dat precies doen? Drie: wie gaat dat betalen? Met de erkenning van de urgentie is het probleem niet opgelost. Het zware werk begint nu.

Dictator of democratie

Wat het debat vandaag extra spankracht geeft, is de opmars van het ecomodernisme: een relatief recente stroming binnen de groene beweging die wetenschap en technologie omarmt, ook vormen – kernenergie, ggo’s – die door klassiek groen worden verworpen. N-VA trekt vandaag de ecomodernistische kaart, maar ook bij de jongere generatie van Groen bestaat er hier en daar flink wat animo voor. In theorie mag op termijn een groen-gele klimaatcoalitie niet uitgesloten zijn. In theorie, want in de aanloop naar mei zullen de politieke stammen uiteraard de rangen sluiten.

En dus hebben wij als burgers straks een helder hoofd nodig, en nuttige kennis die ons kan helpen bij kiezen van een koers. Daarom legt De Morgen volgende week elke dag een wetenschapper uit een andere discipline de vragen voor: wat te doen, en hoe? We stellen die vragen nu even niet aan drukkingsgroepen, industrie of politieke partijen, maar aan bonafide academici, die ook maar mensen zijn, maar van wie we toch mogen verwachten dat ze zich niet laten opsluiten in welke stam of welk kamp dan ook.

Het valt te hopen dat onze politieke partijen – aan alle kanten van het spectrum – zich willen laten inspireren door de inzichten die hen door de wetenschappelijke wereld per strekkende meter zullen worden aangeleverd. En dat ze op basis daarvan, met becijferde programma’s, naar de kiezer zullen trekken. Zodat we straks niet alleen kunnen kiezen wat er moet gebeuren, en hoe dat moet gebeuren, maar ook: wie dat gaat betalen. Dat oordeel komt in een democratie het soevereine volk toe, en niemand anders.

In Wat op het spel staat, een boek dat zo apocalyptisch is dat je als lezer soms begint te vermoeden dat het een parodie is, schrijft de Nederlandse historicus Philipp Blom dat de toestand zo dramatisch is dat we een “werelddictator” zouden moeten inschakelen. Een “wijze” werelddictator, welteverstaan. Dat is een verleidelijke gedachte, die wel vaker de kop opsteekt tegenwoordig. Op rechts, maar ook op links: de gedachte dat onze politici maar een stelletje prutsers zijn die er niets van bakken, wint aan beide kanten veld. Dat is een geoorloofde gedachte, uiteraard, maar ze bevat een kiem van populisme.

Ook het idee dat we vandaag deze of gene maatregel per se moeten betonneren voor de komende dertig jaar, is niet onschuldig. In een democratie moet het beleid altijd kunnen schakelen, naarmate de omstandigheden en de beschikbare middelen evolueren. En, niet te vergeten: vaak moet er worden gekozen tussen twee kwaden. Zo blijft altijd iemand teleurgesteld of boos achter. Een totale maatschappelijke consensus bestaat misschien in Noord-Korea, maar niet in Vlaanderen of België.

Beeld Sven Franzen

Dat klinkt niet geweldig verheffend of utopisch, maar het is de essentie van het systeem dat wij hebben geërfd om onszelf te besturen. Het worden spannende maanden, en te hopen valt dat de klimaatmarsen resultaat hebben, maar één ding is zeker: de aarde was nooit een paradijs en zal het nooit worden. Het klimaatbeleid zal ook straks gebrekkig en onvolmaakt zijn. Een beetje zoals wij zelf, eigenlijk.

Niettemin: moedig voorwaarts!

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.