Donderdag 21/11/2019

Burn-out

Het heftige verhaal van de topfotograaf die een punt moest zetten achter zijn passie

Joost van den Broek, gefotografeerd door zijn vriendin, vindt eindelijk rust op zijn boerderij in de ­Betuwe. Beeld Bernadette Hoogland

Ruim twintig jaar lang trok hij de wijde wereld in voor de beste foto’s op het juiste moment. Maar de Volkskrant-fotograaf Joost van den Broek is gestopt. Hij is op. En dat terwijl hij nog maar 49 is. Kroniek van een aangekondigde burn-out. En een greep uit zijn mooiste foto’s, om te tonen hoe groot het gemis zal zijn.

Daar staat hij, op klompen achter het zelfgetimmerde hekje van zijn kleine woonboerderij, verscholen achter een dijk langs de Waal. Joost van den Broek, met al zijn bescheidenheid de beste portret- en reportagefotograaf van Nederland, zal onder de perenbomen in zijn bloemrijke tuin vertellen waarom hij alleen nog maar kippen, bloemen en vogels op zijn erf fotografeert. En niet meer de wereld intrekt om die in ontroerend mooie beelden te vangen.

Van den Broek: “Ik ben altijd iemand geweest die over de dijk heen heeft willen kijken om te zien wat daar is. Die impulsief de rivier inspringt om ruimte en vrijheid te voelen. Ik heb dat lange tijd kunnen doen, maar nu is er geen andere keus dan me achter de dijk te verschuilen voor een leven in de luwte.”

De eerste waarschuwing komt in Tokio, in maart 2011. Op de dag dat zijn schoonmoeder plotseling overlijdt, stapt Joost van den Broek met een verslaggever van de Volkskrant in het vliegtuig naar Japan voor een serie verhalen over een ‘demografische ramp’ die zich daar voltrekt en die vergrijzing heet. Het komt heel ongelukkig uit nu, maar het is een belangrijke reis, vertelt hij zijn vriendin. Hij heeft de krant beloofd te gaan, tickets en hotel zijn al betaald, het is bovendien een unieke kans Japan te zien.

Bernadette ziet al elf lange jaren een geliefde die zich zeven dagen in de week van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat de benen uit het lijf rent voor de krant en weet dat niets hem ervan weerhoudt zijn grote passie te volgen. Dus laat ze hem ook gaan op de dag dat haar moeder is gestorven.

Het is een besluit waar de fotograaf jaren later grote spijt van zal krijgen. Vier jaar nog heeft hij nodig om in te zien dat hij langzaam een graf graaft voor zijn grootste passie en die andere liefde over het hoofd ziet.

Nul energie

Van den Broek zit een paar dagen later met een verslaggever en een architect in een souterrain van een buitenwijk van Tokio als iets voor drie uur in de middag ineens de kasten beginnen te schuiven. Alles beweegt en schudt en trilt. Gedrieën duiken ze onder een tafel. Ik moet nu naar buiten, weet Joost. Ik ben nieuwsfotograaf; meteen met mijn camera eropaf rennen, zoals ik altijd doe.

Voor het eerst in zijn ruim 20-jarige fotografenbestaan is er twijfel. Hij voelt nul energie om de straat op te gaan. Het enige wat hij wil, is weg uit deze stad, uit dit land. Een verlangen dat hem totaal vreemd is en van slag brengt. Hij leeft voor zijn werk, er is niets anders dat hem zoveel voldoening geeft als fotograferen. Het is zijn levensvervulling, en dan nu dit.

Na tien minuten dralen kruipt hij onder de tafel vandaan en stapt naar buiten. De reportagefoto’s die hij schiet, missen de paniek van het eerste moment van de aardbeving. Hij is domweg te laat, weet hij. Zijn telefoon heeft geen bereik, het verkeer ligt plat, ook taxi’s rijden niet. Van den Broek zet het op een lopen door de brede straten van het immense, hem vreemde Tokio. Naar het hotel, daar is hij veilig en daar werkt hopelijk een telefoon waarmee hij zo snel mogelijk een vlucht terug naar Nederland kan boeken. Zijn richtinggevoel wijst hem de weg.

Bliep, bliep, het geluid van sms’jes. Hij haalt zijn telefoon uit zijn broekzak: ‘Succes Joost!’, ‘Gaat het?’ en ‘Zet ’m op!’ Berichten van collega’s uit Nederland. Ze hebben geen idee. De fotograaf die al zo lang de wereld en alle uithoeken van Nederland bereist en met zijn sociaal betrokken en beeldschone beelden dertig keer een prijs bij de Zilveren Camerawedstrijden in de wacht sleepte, heeft nu al zijn energie nodig om zichzelf te redden. “Het is angstaanjagend de aarde onder je voeten te voelen trillen. Helemaal als je je zwak, instabiel en onzeker voelt.”

Na 3,5 uur lopen komt hij aan in zijn hotel en klautert bezweet de trappen op naar de elfde verdieping – door de stroomuitval is de lift buiten bedrijf – om zich daar uitgeput op zijn hotelbed te laten vallen. De veiligheid die hij in het hotel hoopt te vinden, blijkt een illusie. Het gebouw zwiept heen en weer door naschokken. De aardbeving die Japan deze 11de maart 2011 aan de oostkust treft, is met een kracht van 9 op de schaal van Richter een van de zwaarste uit de geschiedenis. Ze vaagt dorpen weg, doodt ruim 15.000 burgers, veroorzaakt een tsunami, een kernramp in Fukushima en zal Japan in een economische recessie storten.

Bliep, bliep, weer sms’jes: ‘Succes!’ en ‘Zit je er bovenop?’ Van den Broek voelt zich schuldig. Zit hij als gelauwerd fotojournalist die áltijd beschikbaar is bovenop het nieuws, verschuilt hij zich nu lafhartig in zijn hotelkamer.

Wegwezen blijft het enige doel. De telefoon in het hotel heeft ­gelukkig bereik en na twee etmalen de KLM stalken, kan Van den Broek de derde dag na de aardbeving terugvliegen naar Nederland.

Zijn schoonmoeder is inmiddels begraven. Niemand vertelt hij over zijn radeloosheid in Tokio. Zoals hij ook verzwijgt dat hij sinds het begin van dat jaar voelt dat hij aan kracht en energie inboet en daaronder begint te lijden. Zijn slapeloosheid poogt hij al maanden met slaappillen te lijf te gaan. De angst in Tokio was ook de angst te verliezen wat hem het dierbaarst is. Fotografie is waarvoor hij leeft, en niets anders. Vrij zijn, de wereld ontdekken en lezers van de krant door zijn ogen laten meekijken. Een mens is op aarde om iets te betekenen voor een ander, vindt hij. Zijn opdracht is wezenlijke verhalen vertellen met zijn fotografie.

Zijn eerste trauma

Dus werkt Van den Broek na Tokio door zoals hij altijd heeft gedaan. Hij neemt niet de tijd om te verwerken wat hij heeft doorstaan. Zoals hij dat nooit heeft gedaan met alle andere ingrijpende gebeurtenissen in al die jaren fotojournalistiek die achter hem liggen. Al vanaf het prille begin.

Hij is 24 jaar en koud afgestudeerd aan de Academie voor Beeldende Vorming in Tilburg als hij de bus pakt en naar de frontlinie reist van de burgeroorlog in voormalig Joegoslavië, het laatste deel met een konvooi van een hulporganisatie. Om als vrijwilliger in een opvangkamp zijn handen uit de mouwen te steken en met foto’s de wereld wakker te schudden. Zijn foto’s halen meteen de voorpagina’s van NRC en Het Parool. Dat geeft hem een kick, een adrenalinestoot van jewelste.

Santo Domingo, Dominicaanse Republiek, 2008. Gladys Almontes (18) geeft haar baby Frangelis Suazo Almontes, 7 maanden oud, borstvoeding. Het land telt vele tienermoeders, de meesten hebben net genoeg geld voor de noodzakelijkste levensbehoeften. Beeld Joost van den Broek

Zo krijgt hij bij zijn eerste reis meteen de smaak van de fotojournalistiek te pakken. De verwoestingen en hongerige, getraumatiseerde vluchtelingen die hij ziet, blijven na terugkeer in Nederland in zijn hoofd zitten. “Mijn eerste trauma”, noemt hij het nu.

In de kleine kwarteeuw die voor hem ligt zal Van den Broek vluchtelingen, ‘gelukzoekers’, verschoppelingen en de allerarmsten blijven opzoeken en portretteren. Na elke reis zal hij, zodra de buit binnen is, zich meteen terugtrekken in zijn werkkamer. Foto’s afwerken, doorsturen, archiveren en op naar de volgende opdracht. Alles wat hij meemaakt, houdt hij voor zichzelf.

Joost, de stille, betrokken observator. Het draait niet om hem, het gaat om de ander die hij met zijn verhaal uit de anonimiteit wil halen. Met een beetje geluk zet het iets in beweging. Iets positiefs.

Het is die sociale bewogenheid die hem brengt naar plekken waar vaak alleen de barmhartigste ­hulpverleners zich nog laten zien. Zoals naar de sloppenwijk Las Barranquillas in Madrid, waar door de samenleving verstoten, uitgemergelde drugsverslaafden als geesten ronddolen. Naar de Dominicaanse Republiek, om tienermoeders en oudere prostituees hun waardigheid terug te geven met een artistiek ­portret. Naar de armsten ter wereld die wonen in het ‘open riool’ dat Cité Soleil heet, aan de rand van de hoofdstad van Haïti. Van den Broek staat er in 2007 oog in oog met een oude vrouw die te midden van de stront, het vuilnis en rondscharrelende varkens op haar hurken zit te poepen. De varkens hebben meer vlees aan de botten dan de vrouw. Zijn camera verstopt hij achter zijn rug. Te mensonterend om te fotograferen. Deze indrukken zijn nog maar een fractie van wat hij in fotojournalistiek te verduren krijgt. Indrukken die hij opslaat.

En die, in combinatie met zijn moordend werktempo en een jarenlang dagelijks menu van koffie, Snickers en friet, hem uiteindelijk zullen uitputten. Ja, er zegt weleens iemand dat hij het rustiger aan moet doen. Zijn moeder, zijn vriendin, een enkele collega. Maar hij is te gedreven en eigenwijs om ernaar te luisteren.

Totale overgave

Het is allemaal begonnen met het telefoontje op 9 december 2000, het jaar waarin hij zijn eerste Zilveren Cameraprijzen won. Het telefoontje waar hij al negen jaar, sinds hij in 1991 begon als freelancefotojournalist, op hoopt. Bert Verhoeff, chef fotoredactie van de Volkskrant, aan de lijn. “We zien regelmatig mooie foto’s van jou, kun je eens langskomen?” Joost van den Broek wordt vaste freelancefotograaf van de krant en is zielsgelukkig. Journalistieke fotografie voor een dagblad vindt hij het mooiste wat er is. Werken voor de Volkskrant het hoogst haalbare. Hij besluit nu “helemaal los” te gaan. “Ongelimiteerd, onvoorwaardelijk alles geven wat ik te geven heb.” Sommigen noemen het mateloos of monomaan, zelf spreekt hij liever van “totale overgave”.

Portret van Kirill ­Lewerski, 16 jaar, ­matroos op het ­Russische tallship ­Kruzenstern, gemaakt op Sail 2010.­­ Beeld Joost van den Broek

Zo zit hij in elkaar. Dat betekent zeven dagen, honderd uur per week van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat aan de bak. Twee tot drie opdrachten per dag. Portretten, nieuws, reportages in binnen- en buitenland. In wat hij zijn topjaren noemt, van 2005 tot 2012, zijn dat 2.000 geplaatste foto's per jaar, vijf à zes per dag. Een extreem hoge productie. Wat de consequenties van zijn totale overgave zullen zijn, weet Van den Broek niet. Had hij die wel geweten, dan had hij dezelfde keuze gemaakt. Zo werkt passie. Zijn passie.

Al snel ontwikkelt hij zich tot de beste portret- en documentairefotograaf van Nederland, met de hem zo kenmerkende lichtinval die aan de doeken van Rembrandt doet denken. Het geheim van zijn indringende portretfoto’s is zijn tweeogige spiegelreflexcamera. Daarmee kan hij tijdens de druk op de ontspanknop de geportretteerde recht in de ogen blijven kijken. Direct oog­contact met de fotograaf levert intensere, oprechte portretten op, ontdekt hij.

Wat of wie Van den Broek fotografeert, zijn werk is esthetisch, als een schilderij, technisch puntgaaf en vooral: raakt de kijker in de ziel. Het maakt hem bij de krant tot de fotograaf die het meest op pad wordt gestuurd, precies wat hij wil, want hij is overzadigbaar in zijn gedrevenheid. Met zijn reportage­foto’s heeft hij de gave het juiste moment te kiezen en een eigen ­verhaal te vertellen.

Eindhoven, 2006. ­Nederlandse militair wordt verwelkomd door zijn emotionele ­pleegouders na een missie in Uruzgan. Beeld Joost van den Broek

Zoals die dag in augustus 2006, als op vliegveld Eindhoven Nederlandse militairen terugkeren van hun missie in het Afghaanse Uruzgan. Puur op intuïtie kiest hij uit de wachtende ouders een moeder bij wie hij het verlangen naar haar zoon het sterkst voelt. Dat kan de beste foto opleveren, een die de emotie van de hereniging voelbaar maakt. Ze is een kleine vrouw met grijsblond haar in een geruite blouse. Hij spreekt haar niet aan, maar laat van een paar meter afstand met zijn bruine ogen ­merken dat hij met haar meevoelt. Zodra de militairen het vliegtuig verlaten, voelt de fotograaf op afstand een connectie tussen de vrouw en een lange donkere jongen. Al zou je door het verschil in huidskleur niet denken dat zij moeder en zoon zijn, Van den Broek weet dat het zo is en brengt zijn camera in stelling. Het klopt. De militair loopt de blonde vrouw in de armen. Hij is haar adoptiezoon. Het levert een unieke en ontroerende foto op.

“Ik kan snel meevoelen met een ander. Ik heb dat nodig om de beste foto te maken”, zegt hij.

Drie dagen op bed

Diezelfde empathie maakt dat Van den Broek op 30 december 2011, aan het eind van het jaar, dat de eerste tekenen van zijn naderende uitputting voelbaar zijn, naar de Filipijnen reist. Hij is eigenlijk doodop, maar vindt dat hij het niet kan maken zijn reportage over Lorie af te breken, de Filipijnse werkster die na 25 jaar wc’s van rijke westerlingen schrobben terugkeert naar haar zoon, die ze verliet toen hij een baby was en al die jaren niet heeft gezien. Zijn slaappillen gaan mee in zijn tas. Hij heeft een zwaar jaar achter de rug. Sinds de aardbeving in Tokio heeft hij geen moment rust gevoeld.

Zijn gedachten gaan naar het concert van Onyx op een hiphopfestival in juli in Amsterdam. Hij staat natuurlijk met zijn camera vooraan. Ineens komt hij door hard op elkaar inbeukende fans klem te zitten ­tussen podium en speakers, die een oorverdovend gedreun uitspugen. En dan die uit de hand gelopen demonstratie van studenten op het Museumplein, waarbij een vuurwerkbom vlak voor zijn voeten ­ontploft. Soms sta je als fotograaf gewoon verkeerd, maar bij rellen kun je ook een doelwit zijn.

Bij aankomst in de Filipijnen voelt Van den Broek zich gebroken. De tien dagen die volgen, maakt hij louter op wilskracht de mooiste foto’s, om de dag van vertrek op het vliegveld van Manilla doodziek op zijn knieën boven een wc-pot te hangen.

Eenmaal thuis in Amsterdam doet hij iets wat hij nog nooit heeft gedaan: hij blijft drie dagen op bed liggen. Zijn vriendin ziet een lijkbleke, zieke man en verzorgt hem. Al zijn spieren tintelen, zijn hoofd lijkt te ontploffen, in zijn oren klinken onophoudelijk fluittonen en hij voelt geen kracht zich zelfs maar om te draaien in bed. De diepte van zijn pijn en uitputting verzwijgt hij. Hij houdt het op een tropische bacterie.

Utrecht, 2011. Nasrdin Dchar met partner bij de uitreiking van de Gouden Kalf voor beste acteur. Zijn moeder is zichtbaar trots. Beeld Joost van den Broek

Na drie dagen sleept hij zichzelf uit bed en verlaat het huis met zijn camera. In zijn agenda staat dat bij het Amstelstation schoonmakers gaan demonstreren voor meer loon. Daar moet hij bij zijn, want hij volgt hun strijd al jaren. Als hij met zijn fiets arriveert, verstopt hij zijn hoofd in de capuchon van zijn trui. Het geluid van de ­roepende demonstranten is onverdraaglijk. Hij kijkt niemand aan en zodra hij één goede foto heeft, keert hij spoorslags terug naar huis.

Wat volgt, is een kleine drie jaar aanmodderen en vechten tegen wat uiteindelijk onvermijdelijk zal zijn. De huisarts die hij op aandringen van zijn vriendin bezoekt, stuurt hem de medische molen in. Een bacteriële infectie heeft hij niet. Wel worden een gehoorschade en tinnitus, een permanent hard gepiep in de oren, vastgesteld. Omdat de fysieke klachten, slapeloosheid en het gevoel van uitputting aanhouden, probeert hij een scala van activiteiten: fysiotherapie, yoga, meditatie, zwemmen, massage, coaching, ­therapie.

Dan maar met een iPhone

Intussen gaat nog elke dag 25 keer de telefoon, krijgt hij 20 mailtjes, 15 appjes en sms’jes, moeten er nog facturen worden geschreven en lessen voorbereid voor de Fotoacademie. Alles blijft op hem afkomen terwijl hij wankelt op zijn grondvesten. Hij kan geen nee zeggen. Medio 2012 neemt een hulpverlener het woord ‘burn-out’ in de mond. Een burn-out? Daar heeft Joost nog nooit van gehoord.

Hij geeft niet zomaar op. Het ­fotograferen moet dóórgaan. Eén opdracht per dag dan maar, in plaats van twee of drie. Ook dat blijkt te veel. Hij kan de hectiek niet meer aan. De stadsgeluiden worden hem te veel. Zijn slaapkamerraam betimmert hij met planken waarop hij geluidwerend schuim plakt. Geen hectische nieuwsonderwerpen meer, alleen portretten.

De uitputting blijft. Van den Broek is de wanhoop nabij. In december 2014, als hij voor een ­portret van een dakloze naar Leiden reist en daar bijna tegen de muur van de parkeergarage rijdt, wordt duidelijk dat hij moet opgeven. Trillend op zijn benen fotografeert hij de man en voelt dat het zijn laatste foto in opdracht is.

De fotograaf verkoopt zes van zijn zeven camera’s. In het jaar dat volgt, probeert hij het nog met zijn iPhone – simpel, want klik en klaar. Hij maakt nog enkele series van ‘prikkel­arme’ onderwerpen: vliegtuigwrakken, badende koeien en verweesde fietsen. Maanden doet hij erover.

De laatste serie die hij voor de Volkskrant maakt, zijn beelden van kunstgras, in juni 2015. Het heeft hem acht maanden gekost, twee uur per dag was zijn maximum en nog voelt hij zich beroerd en uitgeput. Zo vermoeid dat hij geen stem meer heeft.

Het hoge woord

Het is tijd het gevecht op te geven. Vele uren praat hij met zijn vriendin. Samen besluiten ze zich terug te trekken. Op internet gaan ze op zoek naar een huis buiten de stad, in de natuur. Het wordt een kleine boerderij in de Betuwe, die ze kunnen aanschaffen dankzij de verkoop van hun Amsterdamse woning en de opgepotte inkomsten van het harde werken. In oktober 2015 trekken ze erin. Daar zetten ze hun sobere levensstijl voort; de inkomsten uit 16 uur lesgeven per maand aan de Fotoacademie en de verkoop van archieffoto’s zijn voldoende.

Het duurt tot 13 augustus dit jaar eer het hoge woord eruitkomt. Op zijn Facebookpagina schrijft hij: ‘Ik stop als fotograaf. (...) Ik kies voor mijn gezondheid, de liefde, de natuur, de rust.’

Nu, in de luwte onder de perenbomen achter de dijk, is hij weer gelukkig. Van den Broek vindt er de rust die hij nodig heeft om te herstellen. Met zijn iPhone fotografeert hij de kippen, bloemen en vogels op zijn erf. En er is nu alle tijd voor die andere grote liefde die hij zo had verwaarloosd, zijn vriendin. Van niets heeft hij spijt, behalve van die dag dat Bernadette haar moeder verloor en hij in zijn blinde werkdrift naar Japan vloog.

Twee doezelende krielkippen in de zon, 2016. Beeld Joost van den Broek

Hij beseft dat hij “extreem ver” is gegaan in zijn werk. Het is een groot verdriet, een rouwproces dat hij de fotografie die hij met zoveel passie heeft beoefend niet meer kan uit­oefenen. Het einde noemt hij hard. Maar hij kan zichzelf recht in de ogen kijken en zou niet willen dat hij het anders had gedaan. Voluit leven, alles geven is wat hij wil. En nu kan hij die hartstocht op een andere manier kwijt, bij Bernadette.

Heel soms, als de zon schijnt en het warm is, wil Joost van den Broek de dijk over, de rivier in. En dat doet hij dan ook, maar niet nadat hij op internet heeft achterhaald of de stroming ­gevaarlijk is – de Waal neemt met regelmaat ­mensenlevens.

De storm is echt geluwd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234