Maandag 17/06/2019

Wetenschap

Geneticus ziet in DNA belangrijkste voorspeller: ‘Hoe je je kind opvoedt, doet er minder toe dan je denkt’

Je hebt geen controle over hoe je kind zich ontwikkelt. Zoek daarom uit wat het graag doet en geef het de kans dat te doen, luidt Plomins advies. Beeld Pieter Van Eenoge

'Ontspan en geniet gewoon van je kinderen en hoe ze zich ontwikkelen, want daar heb je toch nauwelijks impact op. Genen zijn doorslaggevend.' Zo klinkt de omstreden conclusie van geneticus Robert Plomin na decennia onderzoek.

Een perfectionistisch of een lui kind? Daar kun je als ouder weinig aan doen, want opvoeden is een mythe. DNA speelt een veel belangrijkere rol in de persoonlijkheid, de schoolresultaten en het latere inkomen van je kind. Dat is de stelling van ontwikkelingspsycholoog en geneticus Robert Plomin (King's College London) in het wetenschapsmagazine New Scientist. Sinds mensenheugenis zoeken we verklaringen voor onze kwaliteiten en successen, zwaktes en missers. De hamvraag: is het eerder onze natuur of onze omgeving die persoonlijkheid, prestaties en levensloop vormgeeft? Wie zich erin verdiept, heeft het over de 'nature-nurture'-stellingenoorlog. Want het zet twee maatschappijvisies tegenover elkaar: iedereen gelijke kansen geven, zodat ieder zich optimaal kan ontwikkelen? Of doen we dat niet, omdat onze biologie bepaalt of we slagen en daar voorts weinig aan te doen is?

Volgens de wetenschap is het beide. Zoals je genen bepalen hoe groot je bent, bepalen ze ook aanleg voor niet-fysieke kenmerken als temperament en intelligentie. Maar net zoals ondervoeding je fysiek schaadt, bepaalt ook je omgeving mee wie en wat je wordt. Zo ontwikkelen kinderen die goed onderwijs, sanitair en voedzaam eten krijgen zich duidelijk beter dan zij die honger lijden en niet naar school kunnen.

Plomin trekt echter wel resoluut de genetische kaart. "Ouders hebben geen controle over hoe hun kinderen zich ontwikkelen", zegt hij in het coverinterview dat New Scientist aan hem wijdt. "Vergeet het dat je je kind kunt boetseren zoals klei. We zien ouderschap beter als grondstofbeheer. Zoek uit wat je kind graag doet en geef het de kans dat ook te doen. Waarom zouden we niet wat meer ontspannen toekijken en genieten van hoe en wat onze kinderen worden?"

De Amerikaan bestudeert al 45 jaar de genetische basis van persoonlijkheid, schoolprestaties en mentale aandoeningen. Hij is een pionier in tweelingen- en vergelijkend onderzoek tussen adoptiekinderen en hun niet-geadopteerde broers en zussen. Daaraan doen duizenden mensen mee en het duurt jaren voor je tot harde conclusies komt. Plomin en zijn collega's keken naar de mate waarin genen en omgeving iemand psychologisch bepalen. "Omgeving is belangrijk", zegt Plomin. "Maar DNA-verschillen blijken telkens de grote systematische verklaring voor de verschillen, van persoonlijkheid tot mentale aandoeningen."

Neem examenresultaten. "DNA-verschillen kunnen verschillen in scores beter voorspellen dan elke andere factor", zegt Plomin. Zelfs de opleiding en socio-economische status van de ouders geven minder goed aan hoe een kind het zal doen. Daarom heeft het volgens hem weinig zin om je kind naar een eliteschool te sturen. Die zorgt er niet voor dat het grotere mentale capaciteiten ontwikkelt. "Die scholen selecteren wie al goed was", zegt hij. "Stuur je kind naar zo'n school om andere redenen, zoals de aangename omgeving." Hetzelfde geldt voor voorlezen. "De studies met adoptiekinderen tonen dat veel voorlezen niet leidt tot een kind dat veel leest", meent Plomin. Ook persoonlijkheidskenmerken - introversie, perfectionisme of zachtaardigheid - zijn onderzocht bij identieke tweelingen die in andere gezinnen opgroeiden. Opnieuw ziet Plomin DNA als de doorslaggevende factor.

Tellen omgeving en opvoeding dan helemaal niet mee? Toch wel, zegt hij. Maar die verbanden zijn onvoorspelbaar. Gemiddeld is zeker de helft van de psychologische verschillen genetisch te verklaren. De andere helft is dus wel door omgeving en opvoeding te verklaren. In tegenstelling tot veel collega's schat hij die impact echter veel zwakker in.

Toeval

Hij ziet twee voorname redenen. Ten eerste blijkt invloed van buitenaf vaak toeval: niet de school of educatieve uitjes zijn invloedrijk, maar bijvoorbeeld een toevallige ontmoeting, ziekte, ongeluk of romantische relatie. De invloed van DNA is echter wel steeds dezelfde en volgens Plomin dus voorspelbaar. Ten tweede besluit hij dat omgevingsfactoren die we wel kunnen beïnvloeden, zoals veel voorlezen, ook genetisch bepaald zijn. Ouders die veel voorlezen, doen dat volgens hem mogelijk omdat ze dat zelf graag doen. Hun kinderen erven die voorkeur. Bemiddelde ouders haalden wellicht goede studieresultaten en ook dat is voor het grootste deel aanleg, zo redeneert Plomin. 'Nature of nurture' of 'de biologie van omgeving en opvoeding' noemt hij dat.

"Natuurlijk kun je gedrag sturen en aanleren wat ongepast is", zo is zijn boodschap aan ouders. "Het is beter om je kind te helpen met huiswerk, zodat de schooltijd zo aangenaam mogelijk is. Maar verwacht niet dat je de persoonlijkheid of intelligentie van een kind kan veranderen." Pas na dertig jaar schreef Plomin zijn conclusies neer in Blueprint, dat vorig jaar verscheen. Deels was het 'uit lafheid', zei hij tegen The Guardian. "Het was lange tijd zogenaamd gevaarlijk om de genetische oorzaken van verschillen in menselijk gedrag te onderzoeken en erover te publiceren."

De erfelijke bepaaldheid van blond haar of kleine voeten is één ding. Maar dat onze persoonlijkheid, temperament en intelligentie in dezelfde mate genetisch bepaald zijn, is veel lastiger te aanvaarden. Iedereen kent voorbeelden van hoe doorslaggevend omgeving kan zijn. Een kind dat misbruikt is, heeft veel meer kans op psychische problemen dan een ander, bijvoorbeeld. En in landen waar de kwaliteit van het onderwijs beter is, doen kinderen het gemiddeld beter.

Plomin geeft toe dat verwaarlozing of misbruik een grote negatieve impact kunnen hebben. "Maar ons onderzoek kijkt naar de gemiddelde, normale gezinssituaties", zegt hij. Daarnaast benadrukt hij dat zijn conclusies gaan over verschillen tussen individuen en niet tussen groepen. Ook in een land met goede scholen zullen er verschillen zijn in examenresultaten. Dat is volgens hem zo goed als alleen genetisch te verklaren. Al koppelt hij daar een optimistische gedachte aan. "We zullen steeds betere scholing en opvoeding op maat kunnen bieden."

Eugenetica

De kritiek op zijn onderzoek is echter snoeihard. The Guardian noemt Plomins werk zelfs 'verderfelijk'. "Dit veronderstelt dat we bij de geboorte weten wat je kansen zijn. Verwachtingen zouden meteen worden vastgelegd en er zou beslist worden of het wel nuttig is om veel middelen in jou te investeren", schreef wetenschapshistoricus Nathaniel Comfort in Nature. Het doet hem en anderen denken aan de 'eugenetica' uit het verleden, het idee dat sommigen van nature 'beter' zijn dan anderen en de maatschappij zich vooral op die betere exemplaren moet richten.

Genetici vinden de resultaten van Plomin te licht om eruit te besluiten dat we kinderen op basis van hun genetische scores moeten gaan opvoeden. "Blueprint is op mijn nachtkastje blijven liggen, ik was niet onder de indruk. Hij duwt zijn resultaten te veel in de richting van 'alles is genetica'", zegt geneticus Gert Matthijs (KU Leuven). Al is Plomin een autoriteit en heeft hij veel publicaties op zijn naam staan, bevestigt Matthijs. Het klopt dat genetici steeds preciezere genetische analyses kunnen maken. "Vaak is het niet één gen dat een kenmerk bepaalt, maar zijn het hele kleine variaties in zeer veel genen. Die kunnen we nu in kaart brengen en vertalen in een polygene score." Het betekent meer gedetailleerde kennis, onder andere voor risico's op medische aandoeningen zoals kanker. En door die vooruitgang weten we nu ook dat boulimie minder genetisch bepaald is dan schizofrenie of autisme.

Plomin hanteert die polygene scores voor onder andere intelligentieonderzoek. "Het is zo dat genen daar een aanzienlijk aandeel in hebben. De waarde van zijn onderzoek is dat het de genetische component van zo'n complex kenmerk nauwkeurig in kaart brengt", zegt Matthijs. Ook zijn bevindingen in studies met eeneiige tweelingen en adoptiekinderen spreekt Matthijs niet tegen. Maar met de conclusie dat de ontwikkeling van onze persoonlijkheid en 'maatschappelijke succes' zo goed als volledig genetisch vastligt, is hij het grondig oneens.

"Jazeker, intelligentie, persoonlijkheid, temperament en emotionele karakteristieken zijn in meer of mindere mate genetisch bepaald. Plomin preciseert dat percentage in zijn werk", zegt Matthijs. "Maar hieruit afleiden dat bepaalde kenmerken enkel een biologische basis hebben, is kort door de bocht. We zien dat voor alle complexe kenmerken er altijd drie dingen spelen: aanleg, omgeving en vooral toeval."

Hij noemt narcisme. "Daar zit zeker een genetische component in, omdat niet iedereen die zonder nestwarmte is opgegroeid - en dat zijn miljoenen mensen - narcist wordt. Omgekeerd zal iemand met een genetische aanleg voor narcisme die in een warm gezin opgroeit wellicht geen narcist worden. We weten ook dat depressie redelijk sterk genetisch bepaald is, maar dat levensomstandigheden en ook toeval mee bepalen of iemand depressief wordt."

Matthijs hanteert graag de Herald of Free Enterprise, de ferry die in 1987 in Zeebrugge kapseisde, als model om complexe kenmerken uit te leggen. "Die ramp was een gevolg van kleine constructiefouten, het DNA van de boot zo je wil. Maar ook van omgevingsfactoren, zoals de weersomstandigheden, en van toeval, met name de kapitein die niet wachtte tot de boegdeur dicht was. Wie enkel naar het DNA van dat schip had gekeken, zou zich geen zorgen gemaakt hebben. En niemand kon voorspellen dat het dan en op die plaats zou zijn gezonken.

"Je kunt verschillen in examenresultaten dus verklaren door naar genetische varianten te kijken, zoals Plomin doet. Maar het is veel minder waterdicht om daar ook voorspellingen mee te maken. Het is niet omdat je een kenmerk als intelligentie deels of grotendeels genetisch kan verklaren, dat je mag vervallen in genetisch determinisme. Dat is een foute conclusie van een eeuw geleden. In zijn boek geeft Plomin zelf aan dat zijn polygene score hem erg veel kans geeft op schizofrenie. Nochtans vertoont de professor van 71 jaar geen enkel teken van die ziekte."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden