Woensdag 24/07/2019

Misdaad

Forensisch patholoog: “Cannabis onschuldig? Ik heb ooit iemand onderzocht die zijn penis had afgeknipt”

Jacobs: “Ik onderzoek het overlijden van elk kind onder de 18 maanden. Bij 20 procent is het geen wiegendood, maar het gevolg van geweld.”

Aan de geur van de dood is hij inmiddels gewend geraakt, en een schedel openzagen om de hersenen eruit te halen doet dokter Werner Jacobs met evenveel gemak als hij op zondag de rosbief aansnijdt. Al meer dan twintig jaar onderzoekt hij als forensisch patholoog hoe mensen aan hun einde zijn gekomen en of er een misdaad in het spel is. In Misdaaddokters op Canvas doen hij en zes collega’s uit de doeken hoe wetsdokters de doden laten spreken en niet alleen lijken ontleden, maar ook de hele samenleving. “Als de stank in een flatgebouw niet te harden is, denken mensen eerder aan het vuilnis dan aan de buur die ze al weken niet meer hebben gezien.”

“Ik zou geen er enkel bezwaar tegen hebben u open te snijden als u morgen dood op mijn snijtafel zou liggen”, zegt Werner Jacobs tussen neus en lippen, wanneer we goed tien minuten aan het praten zijn.

Pardon?

“De enige mensen op wie ik geen autopsie zou doen, zijn mijn familieleden en goede vrienden, omdat ik mijn werk dan niet onbevooroordeeld zou kunnen doen.”

Het kantoor van de forensisch patholoog in het mortuarium van het UZA in Edegem is sober ingericht, zonder skeletten of organen op sterk water. En zo praat Werner Jacobs ook: zonder veel poespas, rechtdoorzee, met het cynisme van een ervaren rot in zijn vak. Zijn team ziet zowat duizend lichamen per jaar, waarvan er 250 onder het mes gaan voor een autopsie. Vaak gebeurt dat in opdracht van het parket van Antwerpen, Turnhout, Dendermonde of Gent, soms omdat Jacobs zelf het overlijden verdacht vindt en aandringt op een lijkschouwing. Dan gaat hij op zoek naar details in het lichaam (rode puntjes op de oogleden, een speekselspoor dat verkeerd loopt, een minuscuul prikletsel) of op de plaats delict (bloedspatten, spermavlekken, voetsporen) die kunnen vertellen hoe de dode aan zijn einde is gekomen. Hij heeft meegewerkt aan zowat alle spraakmakende zaken in Antwerpen en omstreken: de moord op veearts Karel Van Noppen, de zaak-Hans Van Themsche, de dood van Jonathan Jacobs in een politiecel, de dossiers van seriemoordenaars Ronald Janssen en Kim De Gelder. Tien jaar geleden, op 23 januari 2009, richtte die laatste een bloedbad aan in het kinderdagverblijf Fabeltjesland in Dendermonde.

“Het was zowat de meest chaotische dag uit mijn carrière. Ik herinner me nog haarfijn de telefoon die binnenkwam, iets na 11 uur ’s middags. Ik was op weg naar een collega in Limburg, met wie ik een dossier zou bespreken. Men sprak over meerdere doden. Dit wordt iets groots, wist ik onmiddellijk, en ik maakte rechtsomkeer. De politie wachtte me aan de ring van Antwerpen op om me naar Dendermonde te begeleiden - ik heb nog nooit zoveel rode lichten genegeerd. Toen we daar rond 12 uur aankwamen, stond er enorm veel politie buiten, maar niemand durfde de crèche binnen te gaan en het onderzoek te starten. Iedereen stond naar elkaar te kijken. Ik heb toen het initiatief genomen: ‘We zijn hier niet op een overlegmoment, we beginnen eraan.’ Ik ben samen met een collega de crèche binnengegaan en daar hebben we de doden gezien, een baby van 9 maanden en een kinderverzorgster. Een uur later hadden we een lijst van alle gewonde kinderen en hebben we tot diep in de nacht de ziekenhuizen bezocht waar ze lagen, om de letsels vast te stellen. Rond middernacht hadden we een goed zicht op wat zich die voormiddag in de crèche had afgespeeld.

“De druk die je op dat ogenblik op je schouders voelt, is gigantisch. Het parket wil zo snel mogelijk communiceren hoeveel doden en gewonden er zijn. Dat was een heel moeilijke vraag omdat zo weinig mensen een overzicht hadden, en er later in het ziekenhuis nog een kind is overleden. Het heeft uren geduurd voor we een antwoord konden geven. Achteraf bleek het om een twintigtal kinderen te gaan, van wie er twee waren gestorven en de anderen zwaar tot zeer zwaar verwond waren door messteken in de hals.

“De impact op de samenleving was enorm, vergelijkbaar met de aanslagen in Zaventem en Maalbeek, omdat het over zulke jonge kinderen ging. En de dader liep in de eerste uren na de aanval nog vrij rond, op zoek naar een nieuwe plek om toe te slaan.”

Vindt u het moeilijker om een autopsie te doen op een kind dat in zo’n slachtpartij is omgekomen?

“Nee, zeker bij kinderen moet je in staat zijn je emoties tijdelijk uit te schakelen. Als je dat niet kunt, is gerechtelijke geneeskunde niets voor jou. Er zijn veel studenten die aan de opleiding beginnen, maar onderweg vallen er heel wat af. In Vlaanderen zijn er geen tien wetsdokters die dit werk fulltime doen.”

Wat is het moeilijkste aan uw vak?

“Wat mij het zwaarst valt, zijn de tijdstippen waarop de oproepen binnenkomen. Meestal is dat ’s avonds of ’s nachts, want dan worden de meeste overledenen aangetroffen. De verlengde weekends zijn ook een risicoperiode, merken we, vooral voor partnergeweld. Twee dagen kan een koppel met ruzie het blijkbaar nog met elkaar uithouden, maar niet langer, want dan worden de spanningen onhoudbaar. Mochten we op een vierdaagse werkweek overschakelen, dan zouden we een stijging van het aantal gezinsdrama’s zien, daar ben ik van overtuigd.”

Een lijk onderzoeken is iets heel intiems.

“Ja. Wij dringen binnen in de privacy van mensen. Dat begint al op de plaats delict. Je ligt dood thuis en ik kom je woning binnen, om je dood te onderzoeken. Ik móét in de kasten snuisteren. Liggen daar geneesmiddelen? Zijn er wapens in huis? De inhoud van een kast leert je veel over de bewoner. In het begin ben je nieuwsgierig naar die dingen - een verzameling munten, een kast vol seksspeeltjes - maar nu kijk ik daar anders naar. Ik vraag me direct af of het iets kan vertellen over het overlijden.

“Ik kom ook alles over je medische geschiedenis en je levensstijl te weten. Mis je een nier? Is je baarmoeder verwijderd? Ben je een drugsgebruiker of een hevige drinker? Vaak komt het beeld niet overeen met wat de omgeving denkt. Als ik een drugsdode heb onderzocht, lees ik achteraf soms een interview met de ouders in de krant. Dat is altijd hetzelfde verhaal: ‘Onze zoon was zo’n brave jongen.’ Dan denk ik: ‘Tja, maar uw brave zoon had een donker kantje.’”

Zo krijgt u een goed beeld van de achterkant van onze maatschappij.

“Ik schrik soms zelf nog van wat ik aantref. Huiselijk geweld en kindermishandeling komen veel vaker voor dan we denken. En verborgen miserie: ik kwam ooit bij een koppel in een gigantische villa, waar ze in welgeteld één kamertje leefden. De rest van het huis was verwaarloosd omdat ze geen geld hadden voor het onderhoud, maar ze vonden het wel belangrijk om de schijn op te houden.

“De eenzaamheid in de stad is schrijnend. Onlangs hadden we nog het geval van een man die al twee jaar dood in een dakappartement lag, zonder dat iemand hem had gemist. Hij huurde met een doorlopende betalingsopdracht. Je ziet zulke gevallen ook vaak in sociale woonblokken, waar niemand de buren kent. In de gang hangen briefjes waar de bewoners wordt gevraagd om hun vuilnis buiten te zetten, want dat de stank niet te harden is. Heel frappant vind ik dat, dat mensen eerder aan het vuilnis denken dan aan de buur die ze al weken niet meer hebben gezien.”

Merkt u op uw snijtafel iets van de drugsoorlogen in Antwerpen?

“We zien veel doden die met drugsgebruik te maken hebben, maar in de oorlogen tussen de drugsclans is het aantal dodelijke slachtoffers nog heel beperkt. In Antwerpen zijn er wel schietpartijen, maar er wordt veel naast geschoten. Men laat dingen ontploffen zonder dat er slachtoffers vallen, er worden auto's en panden in brand gestoken. Maar er broeit van alles, en ik acht de kans reëel dat het geweld zal escaleren, zoals in Nederland. De drugsoorlogen in Amsterdam en Rotterdam hebben al verschillende levens geëist, door afrekeningen en executies. We doen soms een lijkschouwing op die lichamen: daar is dan de lader van een kalasjnikov op leeggeschoten.”

Ziet u het ook aan het aantal drugsdoden?

“Drugsdoden zien we wekelijks, en dan komt nog maar een fractie van het werkelijke aantal bij ons terecht. Tussen 2005 en 2010 was PMA heel populair, een gevaarlijke amfetaminevariant die als xtc werd verkocht. In twee maanden tijd vielen er acht doden. Omdat we er zo snel bij waren, heeft het maar kortstondig gecirculeerd in de uitgaanswereld. De jongste twee jaar is Fentanyl heel gewild, een morfineachtige zware pijnstiller. Het effect is vele malen sterker dan heroïne, en bij de minste dosis die je te veel neemt, wordt het toxisch en dus levensgevaarlijk.”

U bent erg gevoelig voor de drugsproblematiek.

“Vindt u het normaal dat mensen onder invloed van drugs op hun werk zitten? We werden eens opgeroepen voor een arbeidsongeval in het Antwerpse. Een arbeider lag dood naast de hoofdgasleiding. ‘We denken dat er een lek was en dat hij door het gas werd bevangen werd’, meldde men. Ik had mijn twijfels en heb heel lang moeten aandringen om een autopsie te mogen doen. Daaruit bleek dat hij niet door gas was gestorven, maar door een gigantische overdosis cocaïne. De man die aan een grote hoofdgasleiding werkte, had tijdens zijn dienst blijkbaar rustig cocaïne zitten snuiven en was op het ogenblik van zijn overlijden apestoned. Erg geruststellend vind ik dat niet.

“Coke is al lang niet meer de luxedrug van de rijken, het is wijdverspreid onder studenten, arbeiders en bedienden. Mensen die repetitief en monotoon werk moeten uitvoeren, gebruiken verhoudingsgewijs meer cocaïne.”

Vindt u cannabis een gevaarlijke drug?

“Het is de meest onderschatte drug die ik ken. Ik zie veel drugsdoden bij wie ook cannabis in het lichaam wordt teruggevonden. Daarom heeft het nog niet de dood veroorzaakt, maar het verhoogt wel de kans dat je ook andere drugs gaat gebruiken. Cannabis kan ook gewelddadige psychoses uitlokken. Ik heb ooit een man onderzocht die zijn eigen oogballen had uitgelepeld. Een andere had zijn penis afgeknipt - die man heeft het overleefd. Ik heb dossiers gehad waar iemand zijn ouders had vermoord in een cannabispsychose. Maak mij dus niet wijs dat het een onschuldig product is.

“Mijn grootste bezwaar is dat je als cannabisgebruiker een gevaar op de weg bent, want het is slaapverwekkend. Wij onderzoeken ook of mensen die voor de politierechtbank zijn verschenen nog geschikt zijn om te rijden. Het is verbazingwekkend hoeveel automobilisten constant onder invloed van drugs rondrijden en dat ook heel normaal vinden. Brokkenpiloten komen zelfs stoned naar het medisch onderzoek. Soms vind ik politierechters goedgelovig. Dat iemand die al vijf keer met drugs of alcohol achter het stuur is betrapt, zich nog zal herpakken, daar geloof ik niet in.”

Drugs in het verkeer zijn dus nog altijd een onderschat probleem?

“Eigenlijk hebben we dat pas een jaar of vier geleden voor het eerst vastgesteld, toen we haren begonnen te testen. Voordien werd er alleen op bloed en urine getest, maar dat vertelt alleen iets over je middelengebruik van de voorbije twee dagen. Mensen zorgden ervoor dat ze twee dagen clean bleven en ontsprongen zo de dans. Haartesten zijn veel nauwkeuriger en geven een overzicht van wat je de afgelopen maanden hebt gebruikt, geslikt en gedronken. Uit die testen bleek dat het drugs- en alcoholgebruik achter het stuur veel groter was dan men tot dan toe had aangenomen. Toen we nog op bloed en urine testten, keurden we 15 tot 20 procent van de mensen af die bij ons voor een medisch onderzoek kwamen. Nu is dat 80 procent, de grote meerderheid. Bijna iedereen liegt en minimaliseert: ‘Ik heb één keer een lijn gesnoven op een feestje.’ Maar als je haar tjokvol cocaïne zit, ben je aan het liegen.”

Wanneer hebt u uw eerste lijk gezien?

“Dat was in 1988, in het laatste jaar van het middelbaar, op een open dag van de faculteit geneeskunde. In de anatomiezaal lag het opengezaagde lichaam van iemand die zichzelf aan de wetenschap had geschonken. Studenten geneeskunde hadden er dissectie-oefeningen op gedaan.”

Hebt u toen besloten om forensische geneeskunde te studeren?

“Nee, want ik was behoorlijk ondersteboven van mijn eerste dode. Ik weet niet waarom, maar mijn maag draaide bijna om. Gelukkig is het bij die ene keer gebleven. Een lijk zien doet me nu absoluut niets meer.

“Eigenlijk wilde ik plastisch chirurg worden, dat had toen nog iets mystiek. Het was een nieuwe tak in de geneeskunde die aan het boomen was. Mijn toenmalige mentor, dokter Flor Verstreken, wilde me opleiden als chirurg, maar hij nam me af en toe ook mee als hij een verdacht overlijden moest onderzoeken voor het gerecht. Dat interesseerde me ook.”

Uw eerste autopsie was die op de vermoorde veearts Karel Van Noppen, in februari 1995.

“We kregen die avond het bericht dat iemand was neergeschoten in Wechelderzande, in de Kempen. Flor en ik reden er in zijn witte Honda Civic naartoe. De plaats delict was toen nog folklore. Iedereen liep er door elkaar: de onderzoeksrechter, het parket, de politiecommissaris, de rijkswacht, de burgemeester... Een perimeter, witte beschermingspakken en mondmaskers had je toen nog niet. Handschoenen trok je aan om je handen niet vuil te maken, niet om geen sporen achter te laten.

“Het lichaam lag onder een deken in de gracht, en Flor Verstreken, die een kettingroker was, stond te roken bij de onderzoeksrechter. Hij zei, met zijn sigaret in zijn mond: ‘Werner, kruip eens in de gracht en laat maar zien wat je in je mars hebt.’ En dat deed ik dus. Zo leerde je in die tijd gerechtelijke geneeskunde. Je kopieerde je leermeester, maar je nam ook zijn fouten over.

“Kort daarop stierf hij vroegtijdig. Hij kon mij dus niet meer verder opleiden en toen ik een keuze moest maken, heb ik voor de gerechtelijke geneeskunde gekozen. Als hij niet zo vroeg was gestorven, was ik wellicht geen patholoog geworden, maar chirurg.”

Zo’n autopsie is hard labeur, met mes en zaag. Je moet de mensen letterlijk openzagen.

“Het is fysiek zwaar werk, ja. Het moeilijkst is dikwijls om de dode uit te kleden als het lichaam opgezwollen is door ontbinding. Vaak knippen we de kledij in stukken.”

De meeste wetsdokters vinden de penetrante lijkgeur het vervelendst.

“Die geur is niet aangenaam, maar ik heb geleerd ermee om te gaan. Als een lijk stinkt, ga dan een stap dichterbij en haal een paar keer goed adem. Dan raakt je neus snel verzadigd en ruik je het niet meer. Het domste wat je kunt doen, is je hand voor je neus houden, of zoals de wetsdokter in de film The Silence of the Lambs een witte zalf onder je neus smeren. Dat is een concurrerende geur, zo raakt je neus nooit verzadigd en blijf je het ruiken.”

Een van uw collega’s, Wouter Van Den Bogaert, zegt in Misdaaddokters dat je die lijkgeur ook in je mond proeft. Na een autopsie eet hij nooit fetakaas.

“Dat zijn persoonlijke associaties, maar ik kan het me wel voorstellen. Ik heb ooit in een Italiaans restaurant de beroemde Sardijnse kaas casu marzu voorgeschoteld gekregen, die vloeibaar is omdat er maden in zitten. Die worden samen met de kaas geserveerd, als een delicatesse. Toen de ober dat bordje voor me zette, rook ik de geur van een ontbonden lijk. En de maden die erin wriemelden, riepen het beeld op van de autopsie van een ‘madenlijk’. Ik moet toegeven dat ik maar een klein stukje van die kaas heb geproefd.”

Ziet u veel madenlijken?

“Ja, in de zomer, bij overledenen die pas na dagen of weken worden gevonden. Het is ongelooflijk hoe snel een vlieg de geur van de dood herkent. Een vlieg ruikt wanneer je gaat sterven. Het lichaam geeft in de minuten ervoor al geuren vrij die zij oppikken, soms van kilometers ver. Daarom zijn ze er ook zo snel als iemand overlijdt. Binnen de paar minuten leggen ze eitjes in alle lichaamsholtes.”

Is uw job soms gevaarlijk?

“Bij een moord is het al eens gebeurd dat de dader nog gewapend in de buurt rondliep. Sindsdien heb ik de gewoonte een kogelvrij vest aan te trekken, zeker als er vuurwapens zijn gebruikt. Soms krijg ik verbaasde reacties van de politie: ‘Dokter, waarom trekt u nu dat kogelvrij vest aan?’ Maar zij dragen er ook één. Waarom zou het risico alleen voor hen bestaan, en niet voor mij?

“Ik kwam eens aan in een park waar een vrouw was vermoord, ze lag naast een bank in een plantsoen. De politie had het park al ontruimd en de plaats delict met linten afgezet, maar op de bank naast het lijk lag een man te slapen. ‘Wie is die man?’, vroeg ik aan de politie. Het bleek de dader te zijn. ‘Zou je die dan niet snel afvoeren naar het politiebureau?’, vroeg ik. ‘Ah,’ zegt die agent, ‘wij hebben altijd geleerd dat je de plaats delict niet mag verstoren, en die man maakt daar deel van uit.’ (lacht) Ik denk niet dat ze het zo op de politieschool hebben geleerd.”

U bent ook eens neergestoken?

“Een van onze taken is om daders die zijn aangehouden medisch te onderzoeken. Letsels of sporen van een vechtpartij leveren belangrijke informatie op voor het gerechtelijk onderzoek. Die nacht was er een junk opgepakt die in een messengevecht betrokken was geweest, maar de politie had hem niet goed gefouilleerd. Ik moest hem in de politiecel onderzoeken. De steek zelf heb ik niet gevoeld, ik denk dat ik iets in mijn tas aan het zoeken was. Maar plots voelde ik mijn flank warm worden, zag ik mijn hemd rood kleuren en besefte ik dat hij me gestoken had. Ik heb er een litteken aan overgehouden.”

Praat u soms met daders over de feiten?

“Af en toe hoor ik in mijn kabinet weleens een halve of een hele bekentenis. Als ik een dader moet onderzoeken, begin ik eerst een gemoedelijk gesprek en vraag ik wat er aan de hand is. Dan werken ze soms vlotter mee. Het is verbazingwekkend hoeveel mensen dingen vertellen die ze niet tegen de politie hebben gezegd. Ze denken dat ze hun verhaal wel tegen mij kunnen doen, omdat ik gebonden ben aan het beroepsgeheim. Maar een wetsdokter móét alle vaststellingen die relevant zijn voor het onderzoek openbaar maken.”

U hebt Ronald Janssen een paar keer onderzocht. Wat vond u van hem?

“Ik heb hem na de moord op Kevin Paulus en Shana Appeltans gezien. Ik was intussen gebrieft en ik wist dat hij van drie moorden werd verdacht, maar tijdens dat gesprek kwam hij heel gemoedelijk en vriendelijk over. Ik zou zonder enig probleem mijn kinderen bij hem hebben achtergelaten. Die man straalde vertrouwen uit. Ik had er nooit de seriedelinquent in gezien die hij achteraf bleek te zijn. Hij was een rasechte psychopaat die perfect kon functioneren in de maatschappij.”

U zat op de eerste rij toen Hans Van Themsche werd verhoord, vlak na het bloedbad dat hij had aangericht in Antwerpen.

“Ik heb hem onderzocht in het ziekenhuis, waar hij met spoed was geopereerd - een politieman had hem in de buik geschoten. De ochtend na de feiten bezocht ik hem op intensive care. Hij was wakker en keek in bed naar de verslaggeving van zijn eigen daden op CNN, want het was wereldnieuws. Het was bevreemdend en absurd. De onderzoeksrechter kwam toen ook binnen, en daar, in die ziekenhuiskamer, heeft Van Themsche voor het eerst zijn verhaal gedaan. Met horten en stoten, maar ik denk dat hij op dat ogenblik het meest waarachtige relaas van de feiten heeft gegeven.”

U hebt ook een doorslaggevende rol gespeeld in het onderzoek naar de dood van Jonathan Jacobs.

“Wij kregen te horen dat Jonathan Jacobs in de cel was gestorven omdat hij drugs had genomen. Dat bleek niet juist, hebben wij toen vastgesteld. Hij is gestorven aan de gevolgen van de politie-interventie. Maar daar houdt mijn rol op. De discussie draait rond de vraag: had de politie het recht om op die manier op te treden? Daar ga ik als wetsdokter niet over.”

Ronald Janssen straalde vertrouwen uit. Ik zou zonder enig probleem mijn kinderen bij hem achter­gelaten hebben.

In België worden jaarlijks 150 moorden gepleegd die onopgemerkt blijven, zeggen onderzoekers. Welke moorden zijn het moeilijkst te achterhalen?

“Eerlijk gezegd denk ik dat dat cijfer eerder rond de honderd ligt. In ieder geval: er zijn geen moorden die niet te achterhalen zijn. Er is alleen een dark number van zaken waarin men heeft nagelaten het overlijden fatsoenlijk te onderzoeken. Soms halen we tijdens de autopsie iets boven waaruit blijkt dat iemand niet gestorven is door een hartstilstand of zo, maar door een misdrijf. Dikwijls is dat omdat men het niet heeft willen zien. Een huisarts die de familie kent en die hun de last en de schaamte van een autopsie wil besparen. Of een dokter die zich de moeite wil besparen en de schouders ophaalt: ‘Het zal wel niets zijn.’ Maar als je niets zoekt, vind je ook niets.”

U laat soms begrafenissen doorgaan met een lege kist, omdat u het lichaam nog wilt onderzoeken.

“Soms circuleren er in de dagen voor de begrafenis geruchten die we moeten onderzoeken. Dan gebeurt het weleens dat de kist leeg is omdat de familie de plechtigheid niet wil uitstellen. Meestal is het loos alarm, maar in 5 procent van de gevallen is er wel degelijk iets aan de hand. Per jaar halen we er zo drie of vier gemiste moorden uit. Dat is niet veel, maar genoeg om te zoeken.

“De doos van Pandora zit in de rust- en verzorgingstehuizen. Iedereen gaat ervan uit dat die mensen daar sterven omdat ze oud en afgeleefd zijn, maar er zijn ook overlijdens door een nonchalante verzorging - verkeerde medicatie, verstikking door een verkeerd aangebrachte fixatiegordel... Dat is geen moord, maar ook geen natuurlijk overlijden.”

U hebt de dossiers onderzocht van de slachtoffers van Ivo Poppe, de ‘Diaken des doods’ die als verpleger bejaarde patiënten in het ziekenhuis heeft vermoord.

“Ivo Poppe is veroordeeld voor vijf moorden, maar men vermoedt dat hij meer dan vijftig slachtoffers heeft gemaakt. Dat is jaren onder de radar gebleven omdat geen enkel van die overlijdens is onderzocht. Is het in dat ziekenhuis nooit opgevallen dat er bij hen verhoudingsgewijs meer mensen een onverwachte dood stierven? Als Poppe zelf niet in gewetensnood was geraakt en er niet met zijn psychiater over had gepraat, had hij nog jaren kunnen doorgaan en had wellicht niemand het geweten.”

Wiegendood is ook vaak een eufemisme voor moord.

“Het probleem was dat men vroeger veel schroom had om kinderen die plots en onverwacht stierven, te onderzoeken. Men vond dat onmenselijk voor de ouders en noemde het dan maar wiegendood. Maar er zijn veel verstikkingen, dooddrukkingen en shaken babies die de stempel wiegendood hebben gekregen omdat ze niet zijn onderzocht. Ik weet dat het een harde boodschap is, maar ik vind dat het overlijden van elk kind onder de 18 maanden door een wetsdokter moet worden onderzocht. Een paar jaar geleden ben ik daar in Antwerpen mee begonnen en er is toen veel commotie rond geweest, maar ik heb het been stijf gehouden. Vrij snel kon ik aantonen dat er bij zowat 20 procent van die wiegendoden aanwijzingen waren van geweld op het kind. Een op de vijf gevallen, dat is toch ontnuchterend.”

Zou u de perfecte moord kunnen plegen?

“Ja. Op zich is dat niet zo moeilijk. Je moet gewoon een context creëren waarin het overlijden heel logisch lijkt en niet wordt onderzocht. Er zijn regio’s in België waar dat makkelijker is dan in andere. Ik denk bijvoorbeeld aan West-Vlaamse dorpjes waar de huisarts nog vriend aan huis is en er veel binnenskamers blijft. Maar de kunst is om een moord te plegen die wél wordt onderzocht, en waarbij de wetsdokter niets verdachts kan vinden.”

Vergiftiging door kaliumchloride of digoxine, een stof uit vingerhoedskruid, blijkt moeilijk op te sporen.

“Mja, maar digoxine laat sporen in het lichaam na. En kaliumchloride moet worden ingespoten, dus zal er wel ergens een prikletsel zijn. Bij een wakkere wetsdokter loop je dan nog altijd het risico om tegen de lamp te lopen.”

En insuline?

“Ook insuline kun je opsporen, als je ernaar zoekt.”

Je slachtoffer dronken voeren en van de trap duwen?

“Traplijken worden áltijd onderzocht. Als je de juiste context kunt creëren, is er een kans dat je ermee wegkomt. Maar je loopt altijd het risico dat het wordt ontdekt.”

Mensen onderschatten dikwijls hoe moeilijk het is om iemand om te brengen. Ze willen iemand wurgen, maar die mensen spartelen tegen.

“En het fysieke contact laat sporen achter: blauwe plekken, bloed, vezels, DNA. Hoe minder fysiek contact er is, hoe beter. Daders doen soms nog een poging om het bloed weg te vegen, maar dat is vaak onbegonnen werk. Of ze wassen hun kleren nog snel, maar dat vernietigt niet alle sporen. Een dader die zijn slachtoffer eerst had verkracht en daarna gedood, vertelde daar zelf over dat hij haar had verkracht op de leren zetel, niet op de stoffen zetel. Uit de tv-serie CSI had hij geleerd dat de spermasporen op leer makkelijker weg te poetsen waren.”

Moordenaars leren dus uit CSI.

“Dat dénken ze. Maar ze onderschatten hoe goed we zoeken. Bij Kim De Gelder zijn alle kledingstukken bij hem thuis onderzocht. Pas op het allerlaatste kledingstuk, waarvan niemand dacht dat het iets zou opleveren, hebben we één kleine bloeddruppel gevonden die de link was met de moord op Elza Van Raemdonck in Vrasene, een week voor hij in de crèche toesloeg.”

Ziet u soms moorden die pas na verschillende pogingen zijn gelukt?

“Dat zien we vooral bij zelfmoorden. Wat geregeld voorkomt, is dat iemand het wapen in de mond steekt, maar door de kaak schiet in plaats van door de hersenen. Zo heb ik ooit iemand onderzocht die vijf kogels door zijn hoofd had geschoten om zelfmoord te plegen. De eerste vier hadden de hersenen niet geraakt en waren niet dodelijk. De vijfde was dat wel. Ik geef toe, dan denk je in eerste instantie niet aan zelfmoord. Ik heb ooit iemand gehad die tien keer in zijn borstkas had gestoken met een mes. Negen keer naast zijn hart, de tiende keer erin.”

Het was dan toch gelukt.

“Onder invloed van amfetamines. Dat is gerechtelijke geneeskunde. Bizarre dingen, dat is wat wij onderzoeken.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden