Dinsdag 10/12/2019

Column

Er was geen Frank Deboosere die zei dat we voldoende moesten drinken, maar dat deerde niet

Beeld ANP

Guido Van Meir is schrijver en scenarist, van onder meer 'Terug naar Oosterdonk' en 'Groenten uit Balen'. "Er was geen Frank Deboosere om ons eraan te herinneren dat we voldoende moesten drinken, maar dat deerde niet, want we hadden uit onszelf altijd grote dorst bij een hittegolf."

Ik ben geboren in mei 1947, tijdens een memorabele hittegolf - de langste en verschroeiendste zomer van vorige eeuw was al in mei begonnen. Mijn arme moeder vond me meteen een heel warm kind, daar heeft ze later nog veel over geklaagd. Aan haar borst moet ik meer zweet hebben geslikt dan moedermelk. Het heeft me getekend voor het leven: nog steeds kan ik niet tegen de hitte. Desnoods vlucht ik in hoogste nood een kerk binnen, het liefst een kathedraal - ze kan niet groot en koel en donker genoeg zijn. Geen wonder dat wij in de Congo meteen overal kerken zijn beginnen bouwen.

Zolang de airco niet was uitgevonden was het roeien met de riemen die we hadden, en dat brengt ons meteen waar we moeten wezen: het water. Binnen fietsafstand had je overal zwembaar water - ander water bestond praktisch niet, in afwachting van de eerste staalnames. Elk dorp dat zichzelf respecteerde had bovendien een vaart met minstens één brug die hoog genoeg was om het duiken stoer en levensgevaarlijk te maken. Toen werd er tenminste nog iets gedaan voor de jeugd. GAS-boetes bestonden nog niet, maar iedereen accepteerde de stille afspraak dat het toegelaten was bij wijze van grap aan de haal te gaan met de kleren van de poedelnaakt zwemmende jongens. Die moesten dan huiswaarts met een rabarberblad voor hun schaamstreek, dezelfde bladeren die we ook als hoofddeksel gebruikten om onze kruinen tegen een zonneslag te beschermen, nadat we ze eerst op de aanwezigheid van luizen gecontroleerd hadden.

Overlijdens door verdrinking en zonneslag waren schering en inslag, want er was toen nog geen Frank Deboosere om daarvoor te waarschuwen. De mensen bruinden ook nauwelijks, eerst werden ze rood, vervolgens zo rood als een kreeft, en daarna begonnen ze te vervellen. Bij verstokte pettendragers die wegens de hitte hun hoofddeksel hadden afgezet, tekende zich vanaf de petlijn altijd een karnemelkwit stuk voorhoofd af dat om esthetische redenen beter bedekt was gebleven.

Er was evenmin een Frank Deboosere om ons eraan te herinneren dat we voldoende moesten drinken, maar dat deerde niet, gelukkig hadden we uit onszelf altijd grote dorst bij een hittegolf. En dat, moet je rekenen, in een tijdperk zonder koelkast en Coca-Cola - althans niet bij ons thuis. Mijn allereerste Coca-Cola heb ik gedronken in de papschool bij zuster Boniface, gratis uitgedeeld door coke-dealers in een vrolijk groen uniform met een strikje. Die mochten hun product komen pushen op de scholen omdat de Yanks ons toch maar bevrijd hadden. Fair deal, maar ik vond dat het naar medicijnen smaakte en goot het bruine goedje weg in het afvoerputje achteraan de klas - een gebaar waar ik later nog dikwijls spijt van heb gehad als ik met grote dorst rondliep ('Had ik nu die Coca-Cola maar!').

Officieel spraken we van een hittegolf als ons moe, mijn inwonende grootmoeder, citroenwater begon te maken: schijfjes citroen in een grote theepot, kokend water erop, laten trekken en afkoelen naar wens. Drinken aan de teut was de regel, en dat gold ook voor de kan koude koffie die bij een hittegolf altijd klaarstond op het aanrecht. Iedereen dronk ervan ad libitum, en als knaap schepte ik er wel eens genoegen in om een martiale trompet na te bootsen zolang een dorstige huisgenoot met zijn lippen aan de teut hing. Minder succes kenden andere atavistische dorstlessers uit grootmoeders repertoire, zoals het in kokend water laten trekken van takjes zoethout, of het gevreesde 'zjapwater': harde zwarte zjapstok die je flink moest schudden in een fles water tot je de kleur verkreeg van de Gentse binnenwateren anno 1965. 'Niks verslaat beter de dorst dan zjapwater', heette het, daarom werd het vroeger bij warm weer aan de dokken verkocht door ambulante verkoopsters. Tot mijn grote opluchting bleef het bij één demonstratie.

Als het echt op dorst lessen aankomt gaat er niets boven een frisse slok water, neemt dat maar aan van een babybabooner die weet wat dorst betekent. Op de zomerkermis met name kon je vroeger als jonge knaap terminaal verdorsten: koers, dertig graden, blakke zon, je mocht op politiebevel in geen enkel café binnen, en de frietkoten - altijd kwistig met het zoutvat - hebben het jarenlang vertikt om wat dan ook aan te bieden dat ook maar enigszins je kwellende dorst had kunnen lessen. Herinner je je nog het nietigste kraampje van de kermis, die ouwe met dat - raaaauschtiktiktiktik... - draaiend rad op zijn tafeltje, waar je voor een habbekrats alleen wat waardeloze rommel kon kopen? Wie heeft er niet stiekem een slok lauw water gedronken uit die kleine loden tubetjes die bedoeld waren om naar mekaar te spuiten?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234