Vrijdag 24/01/2020

Interview

Dieren dom? Dwalen is menselijk

De octopus blijkt 'zelfdenkende' armen te hebben, en hij is in staat om mensen te herkennen. Beeld getty

In zijn nieuwste boek Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? laat primatoloog Frans de Waal (67) zien hoe intelligent dieren wel zijn. Een gesprek over taboes in de wetenschap, het intellect van de octopus en het verdriet van de ijsbeer. "Mensen overschatten de taal."

Frans de Waal brengt in zijn boek een oude fabel in herinnering. De fabel is van de Griekse dichter Aesopus (ca. 620 v.Chr. - ca. 560 v.Chr.) en vertelt over een dorstige kraai die van een kruik wil drinken. De kruik bevat water, maar niet genoeg om erbij te kunnen. In de fabel lost de vogel het probleem op door met z'n snavel steentjes in de kruik te deponeren, net zolang tot het waterpeil hoog genoeg is om te kunnen drinken.

Aesopus schreef fictie. Maar zou het niet kunnen dat hij zich voor dit verhaal op een reële observatie heeft gebaseerd? Frans de Waal vermoedt het. In zijn boek beschrijft hij een recent experiment waarbij roeken en wipsnavelkraaien voor een buis gevuld met water werden gezet. Op het water dreef een lekkere hap, maar de vogels konden er niet bij. Het probleem losten ze, net als in de fabel van Aesopus, op door met behulp van steentjes het waterpeil in de buis te verhogen.

Verhalen als deze vertellen natuurlijk veel over de intelligentie van de kraai. Maar net zo goed vertellen ze iets over ons, de mens. Dat de kraai in staat is om ingewikkelde problemen op te lossen, was wellicht al in de oudheid bekend. Maar om uiteenlopende redenen hebben we intelligentie bij dieren vaak, en in dit geval zelfs letterlijk, vooral in het rijk der fabelen gesitueerd.

"In mijn vakgebied was praten over intelligentie of emoties bij dieren nog tot diep in de vorige eeuw een soort taboe", vertelt De Waal. "Uit het werk van eminente voorgangers als Konrad Lorenz en Nikolaas Tinbergen spreekt een diepe kennis over het innerlijke leven van dieren. Ze hebben nooit geschreven dat dieren dom waren. Maar ze hebben ook nooit geschreven dat ze intelligent waren. In hun tijd werd elk teken van intelligentie gereduceerd tot instinct, aangeboren neiging, of het resultaat van een door de mens aangeleerd trucje. Op intelligentie van dieren rustte een taboe."

Frans de Waal. Beeld franky verdickt

Waar kwam dat taboe vandaan?

Frans de Waal: "Ik vermoed vanuit het verlangen om een echte, harde wetenschap te zijn. Intelligentie of emotie bij dieren werd afgedaan als speculatie, wellicht omdat ze moeilijk meetbaar zijn. Wat een dier voelt of weet, valt ook niet zo precies te achterhalen. Alleen kun je net hetzelfde beweren van de mens. Als je me zegt dat je je triest voelt, weet ik ook niet precies wat je voelt. Maar dat hoeft wetenschappelijk onderzoek naar die emotie niet in de weg te staan."

Had het taboe ook te maken met dat hardnekkige antropocentrisme van ons?

"Op overdreven antropocentrisme heb ik biologen of neurowetenschappers nooit kunnen betrappen. Dat er geen scheidslijn bestaat tussen mens en dier is voor hen een evidentie. Ik heb ook nog nooit een hersenwetenschapper ontmoet die geloofde dat de mens heel andere hersens heeft dan de rat. De neurowetenschap is bij wijze van spreken gebaseerd op een vergelijking tussen de hersens van mensen en ratten.

"De gedachte dat de menselijke geest iets superieurs is, vind je vooral in domeinen als de psychologie, de antropologie of de filosofie. De gedachte vindt naar ik vermoed haar oorsprong bij onze verre voorouders, en het moment waarop die zijn overgestapt van de jacht op dieren naar het hoeden en houden van dieren.

"Een jager weet dat het dier de mens vaak te slim of te snel af is, en dat hij voor hen moet opletten. Dat ligt anders bij een boer, die het dier temt en onder controle wil houden. Langzaam maar zeker, en gesteund door de religie, zijn we dieren zo als domme, zielloze wezens gaan beschouwen. En ongetwijfeld is het ook een manier geweest om onze handelswijze tegenover het dier te rechtvaardigen.

"In mijn boek beschrijf ik een heleboel onderzoeken die de afgelopen decennia afdoende hebben aangetoond dat dieren veel slimmer zijn dan we de afgelopen eeuwen hebben gedacht. Uiteraard heeft dat nieuwe inzicht serieuze implicaties. In feite betekent het dat we opnieuw naar dieren gaan kijken zoals we dat 15.000 jaar geleden deden."

De morele implicatie is dat wij dieren meer rechten zouden moeten geven.

"Die beweging is al even gaande. Al zie je daar nog niet zo veel van in een sector als de veeteelt. Daar is nog een lange weg af te leggen."

De titel van uw boek is een pertinente vraag. Zijn we slim genoeg om te weten hoe slim dieren zijn? Wat denkt u?

"Ik denk dat we slim genoeg zijn om daar de komende jaren en decennia achter te komen. Alleen hebben we tijdens de vorige eeuw onze intelligentie niet gebruikt om de intelligentie van dieren te zien. We hebben alles proberen te reduceren tot instinct en eenvoudige leerprocessen. Nu de dogma's van weleer verdwenen zijn, is de weg vrij, en wordt duidelijk dat dieren - elk op hun eigen manier - veel meer zijn dan de slaaf van hun eigen instinct."

De intelligentie of emotie van een primaat is nog relatief makkelijk te begrijpen of te testen. Maar lukt het ook bij dieren waarmee we veel minder verwant zijn?

"Hoe kleiner de verwantschap, hoe moeilijker het wordt. Maar ik ben optimistisch. Het onderzoek geeft daar ook aanleiding toe."

Bijzonder interessant is het onderzoek naar het verstand van de octopus. Zo blijkt hij 'zelfdenkende' armen te hebben, en is hij in staat om mensen te herkennen. Je zou kunnen argumenteren dat hij zelfs slimmer is dan sommige apensoorten.

"Is de octopus intelligenter dan de chimpansee? En zijn wij mensen slimmer dan een octopus? Ik vind dat haast onzinnige vragen. Wij kunnen lezen en schrijven, dat is best bijzonder, en we zijn er ontegensprekelijk veel beter in dan de octopus. Aan de andere kant kan de octopus van kleur veranderen, een talent dat bij u allicht iets minder ontwikkeld is.

"Zijn wij mensen slimmer dan een olifant? Zulke vragen worden altijd opnieuw gesteld, maar als bioloog vind ik ze irrelevant. De vraag die er voor mij toe doet is: wat voor een specifieke cognitie heb ik als mens, en wat voor een specifieke cognitie heeft de olifant?

"In het verleden hebben we de intelligentie van dieren al te vaak gemeten door ze te vergelijken met onze intelligentie. We namen dingen waar de mens erg goed in is, zoals taal en technologie, en maten de intelligentie van een dier vervolgens af aan zijn prestaties op het vlak van die taal of technologie. Als je op die manier gaat meten, is bijvoorbeeld de vleermuis niet zo intelligent. Tot je de vleermuis wat nader gaat onderzoeken, en je verdiept in de wonderlijke finesses van de echolocatie (navigatie door weerkaatsing van zelf geproduceerde geluiden, red.)."

Als het over het verschil tussen mens en dier gaat, wordt altijd opnieuw onze taal genoemd. U relativeert het belang van onze taal.

"Taal is voor ons mensen natuurlijk wél heel belangrijk. Dat heb ik tijdens het schrijven van mijn boek trouwens nog eens uitgebreid mogen ondervinden. Waar ik me tegen verzet, is de wijdverbreide stelling dat je niet of nauwelijks kunt denken zonder taal. Daar is geen enkel bewijs voor. Er zijn talloze dieren die ingewikkelde problemen oplossen zonder taal. Kinderen die één jaar oud zijn, hebben nauwelijks taal verworven, en toch kun je bezwaarlijk beweren dat ze geen problemen kunnen oplossen die enig denkwerk vereisen."

Beeld rv

Het onderscheid tussen onze taal en die van dieren is niet altijd duidelijk. U geeft het voorbeeld van de meerkat, een kleine aap met een verrassend grote 'woordenschat'.

"Over de status van hun taal bestaat inderdaad discussie. Meerkatten waarschuwen elkaar voor gevaar door te roepen. Het bijzondere is dat voor ieder gevaar een aparte roep bestaat. Zo is er een apart signaal voor de naderende slang, en een apart signaal voor de dreiging van een roofvogel. Dat is referentieel taalgebruik, zeer vergelijkbaar met de taal van de mens, al is de taal van de meerkat natuurlijk wel beperkter."

De hersens van chimpansees zijn in theorie zeer geschikt voor taal. Hoe komt het dat ze geen complexere taal hebben ontwikkeld?

"De chimpansee heeft inderdaad ongeveer dezelfde hersenstructuren als wij, ook in de omgeving van de hersens die sterk betrokken is bij taal. Het verschil is dat wij die hersendelen vooral zijn gaan gebruiken voor de taal, en dat de chimpansee die delen gebruikt voor meer algemene doeleinden. Een heleboel hersendelen die wij bij de taal gebruiken, komen ook voor bij andere diersoorten. Alleen gebruiken dieren die niet specifiek voor taal."

Bestaan er dieren die met elkaar kletsen, gewoon, voor de gezelligheid?

"Wat wij doen door te kletsen - onze sociale banden onderhouden - doen chimpansees als ze elkaar vlooien. Ze hebben met andere woorden dezelfde behoefte, maar vullen die op een andere manier in. Het brengt ons meteen bij wat mensen zo bijzonder maakt. Wij lenigen veel verschillende noden op die éne, talige manier. De meeste soorten van taalgebruik vind je ook bij dieren. Maar alleen bij de mens vind je ze allemaal. Taal is onze specialisatie en onze specialiteit, precies zoals echolocatie dat is voor de vleermuis."

Onze focus op taal heeft ook een nadeel: wij vergeten vaak te kijken naar de lichaamstaal. U hebt vastgesteld dat bijvoorbeeld chimpansees er beter in zijn, en dwars door ons heen kunnen kijken.

"Onze focus op taal staat een goed begrip ook weleens in de weg, dat is juist. Oliver Sacks vertelde in dit verband een mooi verhaal over afasiepatiënten die zich een breuk lachten om een toespraak van Ronald Reagan op tv. Omdat afasiepatiënten de woorden niet begrepen, concentreerden ze zich op lichaamstaal, en keken ze zo door de leugens heen. Om maar te zeggen: mensen overschatten de taal heel erg."

Uit uw boeken spreekt een grote liefde voor dieren. Bestaat het risico dat die liefde de wetenschapper weleens blind maakt?

"Ik denk dat liefde of passie voor je onderwerp net een voorwaarde is om er een leven lang mee bezig te blijven. Het is in wetenschappelijke kringen ook zeker niet ongewoon. Denk aan de botanicus, die tranen in de ogen krijgt als hij een nieuwe bloem ontdekt.

"Liefde of passie hoeft wetenschappelijke objectiviteit ook niet in de weg te staan. Als ik chimpansees bestudeer, tel ik hoe vaak ze elkaar vlooien, hoe vaak ze ruzie hebben, en hoe vaak ze seks hebben. Die dingen kun je objectief meten. Mijn liefde heeft geen enkele invloed op het resultaat van de metingen. Eerder zal de liefde mij als wetenschapper helpen. Een goeie verstandhouding met chimpansees kan helpen, als je ze nodig hebt voor een experiment."

Op weg naar dit interview schoot me een bekend liedje van Grauzone te binnen. De zanger drukt in dit lied de wens uit een ijsbeer te zijn. Immers: 'Eisbär'n müssen nie weinen.'

(denkt na) "Het produceren van tranen is wel iets typisch menselijks. Mensen hebben een naakte huid, waardoor je die tranen duidelijk kunt zien. Bij dieren mét een vacht, zoals de chimpansee, zouden tranen niet zichtbaar zijn, en dus ook geen enkele zin hebben. Maar dat wil niet zeggen dat chimpansees - of bij uitbreiding de ijsbeer - geen verdriet kennen.

"Als een chimpansee haar kind verliest, gebeurt het weleens dat ze twee weken niet wil eten en geregeld in krijsen uitbarst. Je hebt met andere woorden geen tranen nodig om te kunnen huilen. Om dus terug te komen bij wat u wellicht wilde vragen: nee, dat liedje over die ijsbeer doorstaat de toets van de wetenschap niet."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234