Donderdag 25/02/2021

Reportage

De laatste twee noordelijke witte neushoorns: na ‘de meisjes’ komt er niets meer

Najin en Fatu, de laatste overgebleven noordelijke witte neushoorns op aarde. Beeld Jack Davison
Najin en Fatu, de laatste overgebleven noordelijke witte neushoorns op aarde.Beeld Jack Davison

Met hun vader en grootvader Sudan stierf in 2018 de laatste mannelijke noordelijke witte neushoorn. Blijven over: zijn enige telgen, Najin en Fatu, weleens ‘de meisjes’ genoemd. Is de soort nu gedoemd om uit te sterven? Of gloort er nog hoop aan de Keniaanse horizon?

Op de dag dat Sudan stierf voelde alles tegelijk monumentaal en gewoontjes aan. Het was een maandag. Grijze lucht, lichte regen. Aan de horizon deed de zon verwoede pogingen om boven de scherpe dubbele pieken van Mount Kenya uit te komen. Aapjes met een zwart gezicht kropen over de afsluiting om enkele ochtendwortels te bemachtigen. Metalen hekken kraakten en kletterden. Mannen spraken zachtjes in Swahili tegen elkaar.

Sudan lag stilletjes in de modder, de dikke poten onder zijn lijf gevouwen, het enorme hoofd als een gekapseisd schip gekanteld. Zijn grote hoorn was stomp, getekend, afgesleten. Hij ademde moeizaam en met horten en stoten. Rondom hem, vele kilometers ver, krioelde de savanne van het leven: wrattenzwijnen, zebra’s, olifanten, giraffen, luipaarden, leeuwen, bavianen – dieren die deden wat ze al een eeuwigheid doen: jagen en grazen en foerageren, ademen en doen en zijn. Niet zo lang geleden maakte Sudan nog deel uit van dat leven. Nu kon hij amper nog bewegen. Hij was een reusachtige stille aanwezigheid te midden van het gewoel.

Archief in brand

Sudan was de laatste mannelijke noordelijke witte neushoorn op aarde – het laatste eindje van een evolutionaire streng die miljoenen jaren ver terug reikte. Zijn dood was een ramp, maar geen verrassing. Ze was de onverbiddelijke apotheose van een strijd die al decennialang onherroepelijk op dit moment afstevende.

Sudan was 45 jaar, stokoud voor een neushoorn. In de laatste jaren van zijn leven was hij een wereldberoemdheid geworden. Hij werd 24 uur per dag en zeven dagen per week, alsof hij een oud-president van de Verenigde Staten was, door gewapende bewakers beschermd. Uit alle hoeken van de wereld kwamen mensen hem een bezoek brengen.

Verzorger James Mwenda: ‘Het is emotioneel slopend. Kun je het je voorstellen dat je ziet hoe een diersoort aan het uitsterven is?’
 Beeld Jack Davison
Verzorger James Mwenda: ‘Het is emotioneel slopend. Kun je het je voorstellen dat je ziet hoe een diersoort aan het uitsterven is?’Beeld Jack Davison

Sudan was weliswaar het enige nog resterende mannetje, hij was niet de laatste van zijn soort. Twee van zijn nakomelingen leefden nog, twee vrouwtjes: Najin, een dochter, en Fatu, een kleindochter. De twee waren gedoemd hun verdere dagen in een vreemdsoortige existentiële schemerzone door te brengen, die wetenschappers hartverscheurend droog ‘functionele uitsterving’ noemen. Hun ondersoort was niet langer levensvatbaar. Twee aan zichzelf overgeleverde vrouwtjes zouden er niet in slagen de soort te redden.

Je verwacht dat zo’n uitsterven in de luwte plaatsgrijpt, in de nevelen van de prehistorie, en niet in het volle zicht, op een specifieke kalenderdag. Maar het was niet anders: 19 maart 2018. De verzorgers van Sudan krabden aan zijn ruwe huid, namen afscheid, verontschuldigden zich voor de zonden van de mensheid. Toen gingen de veeartsen over tot de euthanasie. Hij ademde eventjes zwaar, en overleed.

De dood van Sudan ontketende een mediastorm. Een foto van de neushoorn die door een van zijn verzorgers gestreeld werd, ging viraal. Het territorium van de neushoorns werd onder de voet gelopen. En toen gebeurde wat altijd gebeurt: de aandacht van de wereld verplaatste zich naar elders.

In mei 2019, iets langer dan een jaar na de dood van Sudan, brachten de Verenigde Naties een apocalyptisch rapport over massa-uitsterving uit. Een miljoen planten- en diersoorten, waarschuwde het, staan op het punt te verdwijnen.

Een miljoen is niet slechts een cijfer – het gaat over ontelbare levende wezens: kikkers, vleermuizen, tijgers, bijen, alen. Samen vormen die dieren een gigantisch archief, een ongelooflijke verzameling evolutieverhalen. Maar wat doet de hedendaagse mens? Die steekt dat archief in brand. We liquideren de vaquita, een kleine bruinvis die in de Golf van Californië rondzwemt. Hetzelfde lot is de Crocidura trichura beschoren, een soort spitsmuis die in de regenwouden van het Australische Christmaseiland in de Indische Oceaan rondscharrelt (of rondscharrelde, misschien zijn er geen meer).

En natuurlijk: de noordelijke witte neushoorn.

De verzorgers, zoals Mutai, brengen meer tijd door met ‘de meisjes’ dan met hun eigen gezin. Beeld Jack Davison
De verzorgers, zoals Mutai, brengen meer tijd door met ‘de meisjes’ dan met hun eigen gezin.Beeld Jack Davison

Ook al ogen neushoorns gevaarlijk, toch is hun levensmissie volkomen vredelievend: planten kauwen en zich voortplanten. Vele miljoenen jaren slaagden ze daar glansrijk in. Ze hebben weinig natuurlijke vijanden, en dus ging het hen in Azië, Noord-Amerika, Afrika en Europa voor de wind.

Chronisch geweld

De mens maakte daar een eind aan. We gingen met primitieve wapens op neushoorns jagen. Geleidelijk aan werden die wapens zo krachtig dat het natuurlijke pantser van de neushoorn er niet tegen bestand was. Precies de troeven die de dieren in de prehistorie onverwoestbaar maakten – omvang, hoorns – werden zwaktes. Door hun omvang waren neushoorns gemakkelijke doelwitten. En de hoorns waren om allerlei redenen gewild: als trofeeën, als materiaal om dolkheften te maken en als ingrediënt voor traditionele Chinese medicijnen.

Behalve het acute geweld van het jagen, is er ook een chronisch geweld waarbij het leefgebied van de neushoorn steeds kleiner werd. Ook grote winkelcentra, landbouwbedrijven, snelwegen en fabrieken zijn wapens. Grote wilde dieren hebben behoefte aan grote wilde ruimtes, en die heeft de moderne mensheid de afgelopen decennia zowat volledig ingepalmd.

Het resultaat? Een slachting onder neushoorns. De Javaanse neushoorn, die ooit in heel Zuidoost-Azië voorkwam, zit nu in één nationaal park in Indonesië opgesloten. De Sumatraanse neushoorn is er al even erg aan toe: er zijn er minder dan tachtig van over.

Maar geen enkele neushoorn doet het slechter dan de noordelijke witte ondersoort. Zijn natuurlijk leefgebied in Centraal-Afrika werd aan het eind van de 20ste eeuw door burgeroorlogen geteisterd, waardoor het vrijwel onmogelijk was het dier te beschermen.

In de jaren ’70 werd een populatie van duizenden uitgedund tot zevenhonderd dieren. Halverwege de jaren ’80 leefden er nog amper vijftien noordelijke witte neushoorns in het wild. In 2006 bleven er nog vier over – die in 2008 ineens verdwenen waren, vermoedelijk het slachtoffer van stroperij.

Gelukkig was er een noodplan. In de jaren 70 was een kleine reservevoorraad noordelijke witte neushoorns gevangen genomen en naar een dierentuin gebracht. Jammer genoeg stierven de dieren sneller dan ze zich konden voortplanten. In 2009 werden de enige nog resterende potentiële voortplanters – Sudan, Suni, Najin en Fatu – naar een wildreservaat in Kenia overgebracht, in de hoop dat een terugkeer naar de bakermat iets dieps in hun biologie wakker zou maken waardoor het mirakel zou geschieden.

Grazen en dutten

Helaas. Suni stierf, daarna Sudan. Plotseling waren er nog maar twee noordelijke witte neushoorns over. Ze liepen nog wat rond en deden wat ook hun voorouders altijd hadden gedaan: grazen en dutten in de schaduw van de bomen. Maar er was een groot verschil: zij waren de laatste noordelijke witte neushoorns die dat gras zouden eten. Nadat Sudan was gestorven, zat ik voortdurend aan die laatste twee dieren te denken. Ik vond het feit dat ze er waren op een vreemde manier opmonterend. Ook al deelden ze een tragisch verhaal, zijzelf waren allesbehalve tragisch – het waren gewoon neushoorns.

Najin moet even uitbuiken na het grazen. Beeld Jack Davison
Najin moet even uitbuiken na het grazen.Beeld Jack Davison

Ik vatte het plan op naar Kenia te reizen. Als ik de dieren in het echt kon ontmoeten, dan zou ik een van de grote drama’s van onze tijd, het massaal uitsterven van wilde dieren, recht in het gelaat kunnen kijken.

Tijdens de vlucht van New York naar Kenia las ik over de noordelijke witte neushoorn. Ze zijn niet echt wit. Die naam houden ze wellicht over aan een misverstand uit de koloniale tijd. Nederlandse kolonisten noemden ze ‘wijd’, Engelse kolonisten verstonden ‘white’. En die fout kreeg een verlengstuk toen de andere soort in Afrika dan maar ‘zwart’ werd genoemd. Het slaat helemaal nergens op: beide soorten zijn gewoon grijs.

Zwaaien met de hoorn

In Nairobi nam ik een vliegtuig naar het platteland. Tijdens de vlucht staarde ik voor de miljoenste keer naar foto’s van de twee overblijvende dieren. Ze waren oorspronkelijk niet uit Kenia afkomstig, maar daar waren ze wel terechtgekomen, op een voormalige veeboerderij die tot een natuurreservaat was omgevormd, Ol Pejeta genaamd.

Een vrachtwagen bracht mij naar het neushoorngedeelte van Ol Pejeta. Na maanden van lezen en fantaseren stond ik eindelijk op het terrein – en daar waren ze opeens, in de verte: de laatste twee noordelijke witte neushoorns. Een van de verzorgers haalde een grote emmer tevoorschijn en begon voor onze voeten eten uit te strooien: wortelen, korrelvoeding…

Plotseling waren de neushoorns in beweging, hun huidplooien wiebelend, hun grote snuiten schuddend. Op slag maakte mijn verbeelding plaats voor hun werkelijkheid. De dieren werden al naderend echte dieren.

Als je bij ze in de buurt staat, voel je van alles. Het eerste wat je voelt, is hun omvang. Witte neushoorns kunnen wel 3.000 kilo wegen, hun gekromde voorste hoorn kan tot anderhalve meter lang zijn. Het heeft een impact op elke vezel van je lijf. Je voelt je in het moment gezogen, een dwerg ten opzichte van deze warmbloedige grazers.

Op een bepaald moment graasde Fatu, de dochter van Najin, zo dicht bij me dat ik haar huid en de diepe barsten en lijnen erin kon bestuderen. Op sommige plekken leek ze een ondoordringbaar pantser, maar op andere plekken was ze zacht – ze plooide over zichzelf heen met de uitbundigheid van karamel in een reclame voor roomijs. Fatu stond zo dichtbij dat ik haar kon aanraken, en het voelde heel anders aan dan ik me had voorgesteld: haar huid was niet glad en soepel, maar grof, droog, kriebelig.

Uiteindelijk moest ik weg. Die avond in mijn tent wachtte ik vol spanning op de zonsopgang, zodat ik kon teruggaan.

In 2009, toen Najin en Fatu in Afrika aankwamen, waren ze voor alles bang. Ze schrokken op als het waaide. Ze waren geboren en opgegroeid in een dierentuin in Tsjechië. Ze wisten niet hoe ze een wilde neushoorn moesten zijn. Dus haalde Ol Pejeta er een leermeester bij: een wilde zuidelijke witte neushoorn (een sterk verwante ondersoort) genaamd Tauwo.

De ochtend van Najin en haar dochter begint met een schrobbeurt én streeltjes over hoofd, buik en oren. Beeld Jack Davison
De ochtend van Najin en haar dochter begint met een schrobbeurt én streeltjes over hoofd, buik en oren.Beeld Jack Davison

Door samen neushoorndingen te doen leerde Tauwo zijn soortgenoten de elementaire vaardigheden aan: hoe ze hun hoorns konden aanscherpen door ermee tegen de metalen omheining te schuren, hoe ze hun territorium konden afbakenen door hoge stronthopen te maken. Tauwo leerde ze vooral niet bang te zijn voor Afrika – de wind die door de acacia’s blaast, de konijnen, de kleine vogels die op hun rug heen en weer huppen.

Vandaag de dag lijken de noordelijke witte neushoorns zich in Ol Pejeta helemaal op hun gemak te voelen. Iedereen heeft het hier liefkozend over ‘de meisjes’. ’s Ochtends, als de verzorgers binnenkomen en de hekken doen rammelen, komen de meisjes hen enthousiast tegemoet.

Witte neushoorns zijn verrassend ontspannen. Ze kunnen je doden als dat nodig is, maar doen dat liever niet. En deze meisjes zijn bijzonder zachtaardig. Hun ochtend begint vaak met een schrobbeurt door een van de verzorgers. Najin, de oudste en minzaamste van de twee, kan daar intens van genieten – ze komt aangestapt, wacht geduldig en levert dan haar imposante lichaam gewillig over aan de verzorger als hij achtereenvolgens over haar voorhoofd, haar buik en haar oren wrijft.

Voor iemand die niet goed kijkt, zien de twee er identiek uit. Maar voor de verzorgers zijn de verschillen duidelijk. Najin, de moeder, heeft zwakke achterpoten en een uitgesproken streep aan het eind van haar voorste hoorn, op de plek waar die vroeger met een zaag werd ingekort. Ze is zachtaardig, rustig en – toch bij haar dochter – soms streng. Najin zet op alle vlakken van het dagelijkse leven de lijnen uit. Als Fatu de hiërarchie probeert te doorbreken, dan zet haar moeder orde op zaken met een snelle zwaai van haar hoorn. Fatu, die vooraan in de 20 is, heeft nog jeugdige energie. Ze is nieuwsgierig, onvoorspelbaar, soms wat wild.

De verzorgers zijn Keniaanse mannen die in hutten vlak bij de omheining leven. Ze worden ’s morgens samen met de meisjes wakker en werken tot zonsondergang, als de meisjes zich in hun hok terugtrekken om te slapen. De meisjes en de mannen zijn heel hecht; de mannen brengen meer tijd met hen door dan met hun eigen gezin. Ze zien in een oogopslag in welke bui de meisjes zijn. Ze zijn er zo vaak bij dat ze er vaak ’s nachts over dromen.

In de week dat ik er was, trok ik veel op met een van de jongere verzorgers, James Mwenda. Hij is 31, even oud als Najin. Mwenda spreekt met de neushoorns met een hese, affectieve stem. Hij noemt ze ‘mama’ en ‘good girl’.

Toen Sudan ziek werd, voelde Mwenda het dreigende uitsterven zwaar op zich wegen. “Het is emotioneel slopend”, vertelde hij me. “Ik misluk niet graag. Kun je het je voorstellen dat je ziet hoe een diersoort aan het uitsterven is?”

Hoofdverzorger Zacharia Mutai (m.) en twee collega’s van het Keniaanse natuurreservaat Ol Pejeta. Beeld Jack Davison
Hoofdverzorger Zacharia Mutai (m.) en twee collega’s van het Keniaanse natuurreservaat Ol Pejeta.Beeld Jack Davison

Toch bestaat er nog een waterkans dat de ondersoort alsnog van de ondergang wordt gered. Zowel Najin als Fatu hebben voortplantingsproblemen: geen van beide houdt een dracht tot het einde vol. Maar hun eicellen, bevrucht met ingevroren sperma en in de baarmoeder van een gezonde zuidelijke witte neushoorn ingebracht, kunnen mogelijk tot een levensvatbaar kalf leiden.

Mijn bezoek aan Kenia was een paar weken voordat een eerste poging ondernomen zou worden om eicellen weg te halen – een ingrijpende operatie die iedereen behoorlijk nerveus maakte. Er kon wel wat fout lopen: de eicellen konden niet levensvatbaar zijn, de operatie zou fout kunnen lopen en ook: de dieren zouden kunnen sterven.

Zacharia Mutai, de hoofdverzorger, zei me dat hij zo gestrest was dat hij niet kon slapen.

Verliefd

De vraag is hard, maar moet worden gesteld: waarom één bepaalde ondersoort van de neushoorn redden? Onze planeet, stellen cynici, is geen museum. Op ons rust geen heilige plicht jegens het ecologische status quo. De natuur is wreed; varianten komen en gaan.

Het antwoord is dat niets op deze planeet op zichzelf staat. De neushoorn is niet gewoon een neushoorn. Hij is een cruciale draad in een ingewikkeld ecologisch web. Alleen al door zijn dagelijkse dingen te doen houdt de neushoorn mee zijn hele omgeving gezond. Stront van de neushoorn voedt hele kolonies insecten. Vogels voeden zich met die insecten, en zijn zelf voedsel voor roofdieren. Mensen denken graag dat ze geen deel uitmaken van zulke complexe netwerken, maar ze vergissen zich: ook wij bevinden ons in het web.

Op een bepaald moment moeten we het ook over liefde hebben. Over neushoorns als gevers en ontvangers van liefde. Onze cultuur houdt daar weinig rekening mee en moedigt het niet aan. Liefde brengt immers geen statistieken voort. Ze wordt genegeerd als het over beleid gaat. En toch is liefde alles bij elkaar genomen de bron waaruit al onze zingevende waarden vloeien.

Het is duidelijk dat Najin en Fatu elkaar graag zien. De verzorgers zien de meisjes graag.

En de meisjes zien hen, in de mate dat neushoorns dat kunnen, op hun beurt graag. Al na een paar uur was ook ik verliefd op deze wezens – vooral op Najin, waarnaast ik voortdurend wilde staan.

Terwijl ik zo dicht bij de meisjes was en verliefd op ze werd, moest ik denken aan een van de grootste mysteries van het mens-zijn: liefde gaat maar zo ver. We zijn gemaakt om lief te hebben, en die liefde geeft ons de kracht om schier onmogelijke dingen te verwezenlijken – en toch heeft die liefde maar een reikwijdte van goed 25 meter. Het is zoals een prachtige lamp. Ze licht ons huis op, ze baadt ons gezin en onze huisdieren in licht. Maar ze kan niet over oceanen springen. Ze kan niet springen naar hulpbehoevende mensen ver weg, naar bedreigde diersoorten. We hebben lief wat zich dicht bij ons bevindt.

Met succes bevrucht

Dat is een probleem als het gaat over een crisis zoals massa-uitsterving. Alle 7,7 miljard mensen kunnen onmogelijk een weekje bij de meisjes gaan doorbrengen, wat betekent dat de mensheid als geheel ze nooit echt graag zal zien. En dus zullen we nooit collectief handelen met de urgentie die bij ware liefde hoort – de enige urgentie die kans op slagen heeft.

En dan gaat het maar alleen over de meisjes. Wat dan met, pakweg, de Noordwest-Borneose orang-oetan? De zwartvoetbunzing van de Great Plains? De reuzenpanda, de karetschildpad, de Cross Rivergorilla? Wat met het hele Amazone-regenwoud?

Een paar weken na mijn vertrek, in augustus 2019, vernam ik dat de eicelextractie gelukt was. Het team van wetenschappers was erin geslaagd een paar eitjes bij Fatu en Najin te oogsten. Zeven ervan werden met succes bevrucht. Van de zeven groeiden er drie uit tot embryo’s. Ze bevinden zich nu in de diepvriezer, wachtend op de volgende stappen: inplanting, zwangerschap, wellicht zelfs geboorte. Het is nog altijd een kleine kans, en wetenschappers waarschuwen dat er misschien te weinig genetische diversiteit zal zijn om tot een nieuwe populatie van de noordelijke witte neushoorn te komen.

Fatu en Najin vinden het mooi geweest voor vandaag en trekken richting slaapplaats. Beeld Jack Davison
Fatu en Najin vinden het mooi geweest voor vandaag en trekken richting slaapplaats.Beeld Jack Davison

Terug thuis bleef ik constant naar mijn foto’s en filmpjes van de neushoorns kijken. Ik probeerde hun nabijheid nog wat vast te houden. Maar ­geleidelijk ontglipten ze, onvermijdelijk. Hun massieve aanwezigheid werd een massieve afwezigheid.

Eén welbepaalde herinnering

Een paar maanden later, toen ik over de meisjes probeerde te schrijven, werd de wereld getroffen door een pandemie. Het werd moeilijk om op het uitsterven van al die diersoorten gefocust te blijven terwijl onze eigen soort zo afzag en velen overleden. Toch bleven de meisjes door mijn hoofd spoken. Hun bestaan gaf me een houvast – de wetenschap dat ze daar nog waren, op de vlakte, zij aan zij, kauwend op gras.

Eén welbepaalde herinnering kwam telkens terug.

“Heb je een neushoorn ooit horen snurken?”, vroeg James Mwenda me op een middag. We zaten op de rand van een put – een oud hol van een aardvarken dat was ingestort. De meisjes waren in de buurt aan het dutten. Overal rondom pakten vogels uit met hun krankzinnig repertoire aan liedjes: er werd getoeterd, gefloten, gekird, gesjirpt, gerateld, gepiept, gekakeld, gekoerd dat het een lieve lust was. En jawel, midden in al dat lawaai hoorde je ook een van de neushoorns snurken.

Het was inderdaad mijn eerste keer. Het geluid kwam van Najin. Fatu sliep stilletjes naast haar. De twee zagen er gepantserd en tegelijk weerloos uit, beminnelijk en triest.

Plotseling werd het gesnurk van Najin overstelpt door een nog luider gerommel. Het klonk als een trombonist die aan het inblazen was en de akoestiek van een zeer grote concertzaal probeerde in te schatten. Het was, zo werd duidelijk, een neushoornscheet. Een van de meisjes liet in haar slaap een windje – nadrukkelijk, oprecht, bewonderenswaardig, ongegeneerd.

Toen het geluid ophield, vroeg ik Mwenda of hij kon vertellen wie van de twee het was geweest. Hij lachte. “De twee”, zei hij. “Allebei samen – ze deden het tegelijk.”

Voor mij was dat op dat moment je reinste definitie van magie, en ik lachte van uitzinnige vreugde. Het leven spreekt ons in zo veel talen aan. De laatste twee noordelijke witte neushoorns, moeder en dochter, hadden samen een windje gelaten, perfect unisono, terwijl ze gelukzalig aan het slapen waren. Mwenda en ik hadden zonet de uitzonderlijkste symfonie ter wereld gehoord: één biologisch akkoord, dat aanzwol, afnam, zich verspreidde en uitdijde.

© The New York Times

Jack Davisons foto’s van de witte ­neushoorns verschijnen in boekvorm (± 25 euro) bij Loose Joints. Bestellen kan op loosejoints.biz. Een deel van de ­opbrengst gaat naar het Ol Pejeta-reservaat en naar het genenproject van Biorescue.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234