Woensdag 23/10/2019

Gezondheid

De huisarts van de toekomst is digitaal, en de wachtkamer wordt steeds leger

Beeld Gwen Vanderstraeten

Apps om zelf onze hartslag en conditie te meten, opvolging via de webcam: de huisarts gaat digitaal. "Zie de wachtzaal van de toekomst als een soort mailbox, met filters: welke patiënt is dringend? En wie is ‘spam’? Die kan even wachten." 5 vragen – en antwoorden – over uw huisartsenpraktijk in pakweg 2025.

1. Welke apps zijn er al?

Ooit al gehoord van de appo­theek? Wie een verhoogd risico loopt op hartritmestoornissen kan er, op doktersvoorschrift, de FibriCheck verkrijgen. Dit staaltje technologie, ontwikkeld door het Hasseltse bedrijf Qompium, sleepte deze zomer op de European Society of Cardiology nog een award in de wacht voor meest innovatieve app.

Doel: via de smartphone dagelijks het hartritme opmeten, om afwijkende ritmestoornissen zo snel mogelijk op te sporen. En zo de juiste patiënten efficiënter naar de arts door te sturen. De app zelf is zo klaar als een klontje. Maakt je hart een raar sprongetje? Dan hou je een minuut lang je vinger op de camera van je smartphone. Je krijgt meteen resultaat: hartritmestoornissen of niet?

“Er komt een digitale lente aan”, stelt Lars Grieten, CEO van Qompium en een van de breinen achter FibriCheck. “De medische wereld is de enige waar de digitalisering tot nog toe niet sterk is doorgedrongen. Juist omdat de lat er zo hoog ligt. Je moet er niet afkomen met de eerste de beste app, het mag geen rommel zijn. Of zoals wij dat noemen: the crap(p)s between the apps.”

De FibriCheck was een werk van lange adem. Er is jaren aan gesleuteld, vertelt Grieten. “Ongeloof­lijk ook tegen welke vooroordelen we moeten opboksen. ‘Weer zo’n appje’, zeggen ­artsen dan. Zij zijn heel beducht voor apps. De kwaliteit ervan moet betrouwbaar zijn, ze moeten betaalbaar zijn – want ze worden nog niet terugbetaald – en de data moeten makkelijk te verwerken zijn.”

Toch hebben kwaliteitsvolle apps heel wat potentieel in de medische wereld, meent Grieten. “Steeds meer zullen de ogen en de oren van de huisarts buiten zijn praktijk komen te liggen, zodat hij zijn patiënten nog beter en efficiënter kan opvolgen. Want hoe gaat dat met, pakweg, hart­ritmestoornissen? Niet iedereen heeft een afwijkend hartritme juist op het moment dat hij bij de dokter zit. Met die informatieflow via de app kan de huisarts dus een veel nauwkeurigere diagnose stellen.”

Ook bij het meten van de bloeddruk zit dat eraan te komen, voorspelt Grieten. Veel mensen hebben last van het ‘witte-jassensyndroom’. Ze moeten hun huisarts nog maar zien, en voilà, hun bloeddruk schiet de hoogte in. “Dan denken wij: geef hen de technologie om die metingen thuis te doen, en laat die data automatisch doorstromen naar de arts. Zo krijg je een veel betrouwbaarder resultaat.”

“Veel huisartsen deinzen hier nu nog voor terug”, weet Bert Vaes, zelf huisarts en professor aan het ACHG (Academisch Centrum voor Huisartsgeneeskunde aan de KU Leuven). “Ze zijn bang voor een tsunami aan data.”

Vaes, die onderzoek verricht naar nieuwe technologieën in de huisartsenpraktijk, hamert er meermaals op: willen apps een kans maken, dan moeten ze gelinkt raken aan het elektronisch medisch patiëntendossier. “Nu draaien alle apps nog op aparte, externe platformen. Daardoor zit je als huisarts met én een medisch dossier, én digitale data op parallelle systemen. Dat is niet interessant. Zolang die apps niet kunnen ­communiceren met het medisch dossier, zullen ze onderbenut blijven. Als de arts telkens opnieuw verschillende platformen moet openen om zijn patiënt te ­monitoren, dan is dat te tijdrovend. Zo zal het niet aanslaan.”

Aan het Academisch Centrum zit professor Vaes mee aan de knoppen van de Intego-databank, een gigantisch netwerk van medische dossiers. Vijftig Vlaamse huisartsenpraktijken, met een neus voor innovatie, zijn erop ingetekend. De voorbije twintig jaar kon de Academie op die manier data verzamelen van zo’n 430.000 patiënten: over consultaties, medicatie, resultaten van labotests… Vaes: “Apps zijn booming business. De vraag is altijd: wat is hun meerwaarde? Een netwerk als Intego zou een goede structuur zijn om nieuwe apps in te testen. Op technische accuraatheid, klinische nauwkeurigheid. Je zou ook makkelijk hun impact kunnen evalueren. Een aantal praktijken werkt met de app, een controlegroep zonder. Zo merk je al snel welke app al dan niet een succesverhaal is.”

Bij Qompium hebben ze intussen twaalf man in huis om hun FibriCheck-app draaiende te ­houden. Lars Grieten: “Want een bug kun je je natuurlijk niet veroorloven. Of je moet toch de nodige plannen hebben om het probleem op te lossen.” 

2. Welke technologie komt er nog aan?

We worden met z’n allen ouder, ­grijzer en ­chronisch zieker. Dat betekent: meer pillen ­slikken, voor verschillende kwalen. En dan is een digitaal ruggen- en geheugensteuntje best ­welkom. In het ACHG zijn ze er al mee bezig: een app voor therapietrouw. Professor Vaes: “We geloven daar sterk in. Het wordt niet alleen een app die opvolgt of je wel tijdig al je medicatie inneemt, maar ook eentje die je motiveert, die kennis verstrekt, en waarmee je in communicatie staat met je zorgverleners.”

Die zorgteams onderling moeten trouwens nog beter op elkaar afgestemd raken, stelt Jan De Maeseneer, emeritus professor huisartsgeneeskunde (UGent). Ook daar ziet hij een rol weggelegd voor nog straffere technologie. “In een maatschappij met steeds meer chronische patiënten, met verschillende aandoeningen, is het van groot belang dat alle zorgverleners – huisartsen, specialisten, apothekers, verpleegkundigen – vlot met elkaar kunnen communiceren en altijd inzicht hebben in de recentste medische informatie. Alleen zo kun je multidisciplinair samenwerken.”

(tekst gaat verder onder illustratie)

Beeld Gwen Vanderstraeten

Op dit moment staan we nog ver van huis, hekelt De Maeseneer. “Nu trekt een ziekenhuis soms 20 miljoen euro uit voor een eigen patiëntendossiersysteem, terwijl de overheid veel beter joint ventures zou aangaan met providers, om zo interprofessionele dossiers te ontwikkelen. Daarin zouden onder anderen huisartsen, verpleegkundigen, kinesisten en diëtisten hun informatie over een patiënt gezamenlijk kunnen opslaan. In zo’n dossier zitten er best ook slimme algoritmen, die bijvoorbeeld alarm slaan wanneer een arts een medicijn voorschrijft dat vloekt met andere ingenomen medicatie. In Finland, ook een klein land, bestaat zo’n systeem al. Als het daar kan, waarom hier dan niet?”

Nu kijkt de medische wereld nog al te vaak apart naar de verschillende ziektes waar een patiënt mee kampt. “Maar dat is een benadering die ons doet vastlopen”, vertelt De Maeseneer. “Beter zou zijn: zorg die vertrekt vanuit de doelstellingen van de patiënt. Niet vanuit zijn ziektebeelden. Laat de patiënt via de smartphone zijn persoonlijke doelstellingen ingeven op een intelligent platform, waar ook zijn zorgverleners toegang tot hebben. Heel concreet: ‘Elke zaterdag wil ik met mijn dochter boodschappen doen, zonder wandelstok’. Of: ‘Twee keer per week ga ik kaarten met vrienden, en ik wil daar met de fiets naartoe’. Zo zouden zorgverstrekkers veel meer kunnen focussen op de sterktes van de patiënt. Want nu doen artsen vaak een heleboel interventies, zonder dat die écht bijdragen tot de doelstellingen van de patiënt.”

Slimme systemen, apps op onze mobiele telefoons of mobile health: er komt geweldig veel op de huisartsen af, weet Roel Van Giel, voorzitter van beroepsvereniging Domus Medica. “Ik ben ervan overtuigd, dat komt er meer en meer. We kunnen dat niet tegenhouden; we zullen dat moeten inlijven in onze praktijk. Het zou wel mooi zijn als huisartsen hiervoor kunnen rekenen op verpleegkundige ondersteuning. Want hoe krijg je die massale toevloed aan data, die 24 uur op 24 kan binnenstromen, anders verwerkt? Je ziet dat ook al in de ziekenhuizen waar ze bepaalde apps gebruiken. Ook daar volgen verpleegkundigen de gegevens mee op. Zien zij afwijkingen, dan signaleren ze de arts. Want als dokter moet je toch nog tijd vrij hebben om daadwerkelijk in te grijpen. Dan moet er toch een voorselectie gebeuren van relevante data.”

Wanneer de opmars van de apps eraan komt? Van Giel: “Als je het mij vraagt, sneller dan sommigen nu verwachten. Als je ziet hoe grote spelers, zoals Apple en Google, ook op de medische kar springen. Geef het nog vijf of tien jaar en de digitale data stromen onze praktijk binnen.”

3. Wat denkt de minister hiervan?

Stel: je ging onder het mes en moet revalideren. Dan is er MoveUP, een app die het risico op overtraining vermijdt. Een slimme armband en een tablet maken een persoonlijk rapport op, ­gebaseerd op je activiteiten, pijnstillers, pijn­niveau en de vooruitgang van je revalidatie. Zo kun je in eigen tempo herstellen, met oefeningen geselecteerd door orthopedisten.

Of neem de Healthlook-app voor diabetes­patiënten. Elke gebruiker krijgt een digitale glucosemeter, bloeddrukmeter, weegschaal en activity tracker. Die zijn allemaal via bluetooth verbonden met je smartphone of tablet waarop de app draait. Vlak na elke meting ontvang je als patiënt advies. Zit je nog met vragen over metingen, medicatie of voeding, dan kun je die kwijt via de chat bij een diabetescoach. Ook de huisarts kan in de app inloggen om alle waarden op te volgen en ontvangt elke drie maanden een verslag.

Het zijn maar twee van de vierentwintig pilootprojecten die vorig jaar de eindmeet haalden na een oproep van minister van Volksgezondheid Maggie De Block (Open Vld). Voor die proefprojecten, allemaal in het teken van slimme systemen en apps, trok de minister 3,25 miljoen euro uit. Een van de belangrijkste aanleidingen om het eerste Actieplan e-Gezond­heid, uit 2013, al te updaten was juist “de snelle opkomst van mobile health”, stelt ze.

Al is mobile health geen doel op zich, duidt haar woordvoerder Tijs Ruysschaert. “Wel een middel om kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg te verbeteren. Bijvoorbeeld door via digitale opvolging van de patiënt complicaties en heropnames te vermijden.”

Ook de FibriCheck, de app voor hartritmestoornissen, hoort bij de proefprojecten waarbij “de patiënt copiloot wordt van zijn gezondheid”. Ruysschaert: “Doel is om die gezondheidsapps in de praktijk uit te testen, binnen een gecontroleerde medische omkadering. We moeten de kwaliteit van die apps en van de toestellen kunnen garanderen. Ook de privacy en de veiligheid van persoonlijke en medische gegevens moeten gewaarborgd zijn.”

Een tussentijdse evaluatie, eind vorige maand, toonde al duidelijk de voordelen van mobiele gezondheidstoepassingen. “Dankzij de opvolging vanaf een afstand voelen patiënten zich beter gesteund en nauwer betrokken”, zo stelde minister De Block eerder deze week in Artsenkrant.

In de eerste helft van volgend jaar plant het kabinet een eindevaluatie. Daarna buigt de minister zich over “een breder wettelijk, regelgevend kader waarbinnen apps een structurele plaats krijgen in een moderne, up-to-date gezondheidszorg”. Pas dan komt ook de terugbetaling op tafel.

Maar eerst zijn er wel andere katten te geselen, vindt ook Roel Van Giel van Domus Medica. “Om te beginnen zit er nog een hele juridische kluif aan dit verhaal. Wat als je in die hele toestroom van data een afwijking niet opgemerkt hebt? Pleeg je dan als arts schuldig verzuim? Heb je dan per definitie onzorgvuldig gehandeld? Dat zijn toch deontologische kwesties die we op voorhand moeten afstemmen. Het zijn vraagstukken die een antwoord verlangen nog voor we die apps breed uitrollen.”

4. Hoe ziet de wachtzaal er straks uit?

“Heel wat leger”, verwachten sommige kenners. Chronische patiënten zullen via allerlei mobiele aanpassingen zelf hun gezondheidswaarden registreren. Hun huisarts, die alle data doorgestuurd krijgt, houdt vanaf een afstand een oogje in het zeil. App-ontwikkelaar Lars Grieten: “Nu zit je vaak in een volle wachtzaal, terwijl er met 80 ­procent van de ‘zieken’ niks dwingends aan de hand is. Ze komen gewoon op consultatie voor opvolging. Een huisarts die over een arsenaal aan technologie beschikt, kan veel efficiënter die 20 ­procent bedienen van wie hij overduidelijk weet: die móét ik nu zien, bij hen is het echt van belang.”

Wachten in de toekomst? Denk dan aan een kamer vol videoschermen, met gezondheidsinformatie op. Er liggen ook tablets, meent emeritus professor Jan De Maeseneer. “Daar kunnen patiënten hun vragen voor het consult op ingeven. Ze kunnen zich in de wachtzaal al wegen, meten en hun hartslag en bloeddruk registreren. Dat moet dan al niet meer in het dokterskabinet gebeuren. Zo wordt de wachttijd korter en actiever. De ­wachtzaal wordt een ruimte waar je informatie krijgt én levert.”

Grieten gaat zelfs nog een stap verder. “Zie de wachtzaal van de toekomst als een soort mailbox, met filters: welke patiënt is hoogdringend? Welk geval is best belangrijk? En wie is ‘spam’ – wie kun je even laten wachten? Precies door alle digitale data, die thuis al gesprokkeld zijn, zullen mensen heel ‘gesorteerd’ de wachtkamer binnenkomen. De echte wachtzaal is dus eigenlijk je living: daar werd al heel wat informatie vergaard.”

Het ideale scenario is dit, gaat Grieten verder: “De patiënt komt de wachtzaal binnen en zijn voorgeschiedenis verschijnt. Zijn dossier toont: hoe zit het deze ochtend met zijn hartslag, bloeddruk en andere parameters? Is het dringend en is de wacht­rij te lang, dan moet hij ogenblikkelijk voorrang krijgen of doorverwezen worden naar de dichtst­bijzijnde andere arts.”

5. Gaan we over tien jaar wel nog op consultatie?

Veel ophef onlangs over ViViDoctor, een app waarmee je van thuis uit op videoconsultatie kunt bij een online-arts. Een handvol huisartsen en verpleegkundigen werkt mee aan de teleconsultaties, een initiatief van een Brusselse start-up. De Orde der Artsen gaf eerder dit jaar een negatief advies over de app.

Ook op het kabinet van Maggie De Block ­spreken ze van “een erg complex dossier”. “We wijzen dit soort initiatieven, met virtuele consultaties, zeker niet per definitie af. Maar patiënten en zorgverstrekkers zijn er niet bij gebaat dat we ­overhaast te werk gaan. Vandaag houden heel wat artsen al teleconsultaties, maar dan binnen een bestaande therapeutische relatie: patiënten bellen hun arts voor uitslagen van een labo-onderzoek, of het voedingsschema van hun kindje wordt telefonisch bijgestuurd. Alleszins, dit vereist een zorgvuldige medische omkadering. Hoe dit in de toekomst zal evolueren, kunnen we niet voorspellen. Maar op dit moment willen we geen louter virtuele relatie zonder voorafgaand contact tussen arts en patiënt.”

Het is heel simpel, vindt emeritus professor De Maeseneer. “Je kunt geen diagnose stellen als je de patiënt niet kent. Je moet de context zien. Gaat het om een patiënt die zich snel zorgen maakt, die voor het minste opbelt? Of is het iemand die je enkel ziet als hij zwaar ziek is? Als je die achtergrond niet mee hebt, leidt zo’n ­virtuele consultatie alleen maar tot slechte zorg. Akkoord, je kunt een raadpleging soms afhandelen via de telefoon, precies als die lange­termijn­relatie er is. Maar dat kon ik ook vooral in het tweede deel van mijn loopbaan, toen ik die context mee had om een diagnose te stellen.”

Via de webcam is er zo veel wat je niet kunt beoordelen, treedt professor Bert Vaes bij. “Je moet toch nog altijd naar dat hart kunnen luisteren. Of dat zere been live kunnen onderzoeken. Al lijkt telemonitoring me niet per definitie vies of fout. De vraag is: waarvoor zet je het in? Wat is de meerwaarde?”

“De bedoeling is vooral dat we het voor huisartsen een stuk efficiënter maken”, stelt app-ontwikkelaar Lars Grieten. “Dat we hen ­helpen opdelen: welke patiënten volg ik op via telemonitoring? Welke mensen moet ik zien in de ­praktijk? De ­menselijke component blijft noodzakelijk, net om de juiste klinische inschatting te maken. Wij gaan huisartsen dus zeker niet vervangen met de hele digitalisering. Zij blijven in de driving seat, zij oefenen de controle uit.”

Professor Vaes is er gerust op: “Sommige collega-huisartsen zeggen me: ‘Ik blijf wel bij mijn stethoscoop, handen en verstand’. Maar dan missen ze de boot, een meerwaarde voor hun klinische praktijk. Je mag toch niet in het stenen tijdperk blijven zitten. Apps zijn een mogelijke ondersteuning, een aanvulling. Geen bedreiging. Ze zullen de dokter op zich niet wegvegen. De ‘zeg eens a’ zal nooit verdwijnen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234