Zondag 20/10/2019

Interview Frank De Winne

Belgisch ruimtevaarder Frank De Winne: ‘We kunnen op de maan grondstoffen vinden die ons op aarde zullen helpen’

Frank De Winne op een conferentie in Keulen in 2016. De Belg is nu directeur van het European Astronaut Centre, het Duitse opleidingscentrum van het Europese Ruimtevaartagentschap (ESA). Beeld BELGAIMAGE

Vijftig jaar nadat Neil Armstrong als eerste een grote stap voor de mensheid zette op de maan stoomt de ervaren Belgische ISS-ruimtevaarder Frank De Winne voor de ESA een nieuwe generatie astronauten klaar die naar de maan zullen reizen. ‘We kunnen op de maan grondstoffen vinden die ons op aarde zullen helpen.’

Wanneer we skypen met Frank De Winne (58) lijkt het eerst alsof hij zelf in de ruimte is. De Belgische astronaut zit voor een muur vol foto’s van kosmonauten. Hij bevindt zich in Sterrenstad, het Russische hoofdkwartier voor ruimtevaartmissies. Nu al tien jaar directeur van het European Astronaut Centre, het Duitse opleidingscentrum van het Europese Ruimtevaartagentschap (ESA), stoomt hij een nieuwe generatie astronauten klaar voor de toekomst. Zaterdag wordt een van zijn pupillen, de Italiaanse astronaut Luca Parmitano, samen met Drew Morgan (VS) en Alexander Skvortsov (Rusland) vanuit de basis Baikonoer (Kazachstan) in een Sojoez-raket gelanceerd naar het Internationaal Ruimtestation (ISS).

Daarboven bracht De Winne in 2002 en 2009 zelf twee missies door in het ISS, de laatste als eerste Europese commandant. Van daaruit tuurde hij ook dikwijls naar de maan, waar Neil Armstrong zondag precies vijftig jaar geleden als eerste ‘een grote stap voor de mensheid’ zette.

De Winne was acht toen. Hij herinnert zich vandaag vooral hoe ze het thuis beleefden. “Armstrong landde op de maan toen het hier in België in het midden van de nacht was. Onze ouders haalden ons uit bed. We zaten met de hele familie voor de televisie naar dat moment te kijken. Dat was toch iets speciaals.”

Was dat het moment dat u zei: ik wil later ook de ruimte in?

“Het moment is later gekomen. Ik was altijd al heel erg geïnteresseerd in techniek, wetenschap en de ruimte. Tijdens mijn humaniora maakte ik later de ontdekkingen van supernova’s en zwarte gaten mee, wat me fascineerde. Toen ik eind jaren zeventig aan de Koninklijke Militaire School studeerde om ingenieur-piloot te worden werd de Space Shuttle voor het eerst gelanceerd. Daarna dacht ik: dat wil ik later ook wel doen.”

Tot twee keer toe was u aan boord van het ISS, toch al een eindje in de richting van de maan. Was u daar ook graag naar toe getrokken?

“Natuurlijk was ik ook graag naar de maan gevlogen, nog altijd overigens. (lacht) De tijden waren toen wel anders. We moesten ons volop concentreren op de bouw van het ruimtestation. Dat is sindsdien voltooid en wordt uitgebaat voor allerlei wetenschappelijke experimenten. Nu is het inderdaad tijd dat we met ESA en andere ruimtevaartorganisaties terugkijken naar de nieuwe doelen die we ons kunnen stellen in de ruimtevaartexploratie. De maan is daar heel prominent in aanwezig.” 

“Zo is er het plan voor de Gateway to the Moon (een ruimteplatform dat als uitvalsbasis zal dienen voor bemande en gerobotiseerde missies naar de maan en Mars, MR) met als doel een Europeaan op de maan te zetten. Dat zal niet meer tijdens mijn beroepsleven zijn, maar ik ben heel blij dat ik daar nu al aan kan meewerken. De jonge mensen die nu bij ons een opleiding volgen, of die we nog gaan rekruteren, zullen wel weer nabij de maan kunnen vliegen of zelfs voet zetten op de maan. We kunnen de maanexploratie ook gebruiken om jonge mensen weer enthousiaster te maken voor wetenschap en techniek. Dat kan je best doen door grote technologische programma’s die inspirerend werken. Deze plannen gaan we gedetailleerd toelichten tijdens een ministeriële conferentie op het einde van het jaar.”

De Winne voor zijn eerste ruimtevlucht naar het ISS in 2002. Beeld Photo News / ESA

Wat kan de mens nog doen op de maan?

“De mens heeft er eigenlijk nog niets gedaan. De Amerikanen zijn er vijftig jaar geleden geweest met zes korte uitstapjes maar konden weinig onderzoeken. Vergelijk de mogelijkheden met wat we al leerden door twintig jaar te leven en werken aan boord van het Internationaal Ruimtestation (ISS). Het eerste doel van een nieuwe maanmissie zal dan ook wetenschappelijk zijn. Om een duurzame exploratie van de maan mogelijk te maken moeten we nog veel innoveren.”

In welke domeinen?

“We moeten vooral nog veel leren over zogeheten In Situ Resource Utilisation, de grondstoffen leren gebruiken die op de maan aanwezig zijn om onze missies zelfvoorzienend te maken. Als we duurzame exploratie van de maan willen, zal het eerste doel zijn om er lokaal water te vinden dat we daar kunnen gebruiken, want we kunnen geen duizenden liters water meebrengen van op aarde.”

“We moeten ook kijken wat we kunnen doen met regoliet (bovenlaag op de oppervlakte van een hemellichaam waarin zich veel brokstukken van ruimte-ertsen bevinden, MR) van de maan en diepere grondstoffen. Zo zullen we ons ook daar moeten proberen beschermen tegen ruimtestraling door middel van lokaal gevonden ertsen zoals lood.”

Zijn er op dit moment voldoende middelen om een bemande Europese maanmissie te financieren?

“Als we het alleen willen doen met Europa niet. Internationale samenwerking is voor ons een hoeksteen van ruimte-exploratie. Onze partnerschappen moeten we uitbreiden, ook als we op een dag eens naar Mars gaan. Dan moeten we inderdaad kijken welke middelen Europa kan inbrengen in een globaal programma waarin het leeuwendeel nu nog steeds door de Amerikaanse NASA wordt gedragen. De middelen die wij als Europeanen vandaag hebben zijn eigenlijk onvoldoende. Daarom hebben we de ministeriële conferentie nodig eind dit jaar om een verhoging te vragen van de financiële middelen.”

“Let wel, we vragen geen enorme verhoging. Als je kijkt ten opzicht van het bnp in Europa waren de inspanningen in verband met ruimtevaartexploratie de voorbije twintig jaar met 30 tot 40 procent afgenomen. We vragen terug te keren naar een niveau toen we het ISS hielpen opzetten eind jaren tachtig. Zelfs dan is dat nog niet veel centen: gemiddeld anderhalve euro per Europese inwoner per jaar. Met dat budget kan Europa in een internationale samenwerking zijn rol spelen.”

Nu is het ISS permanent bemand maar stilaan aan het einde van zijn levensduur. Wordt dat dan opgeofferd voor de maan?

“Nee, ik denk dat de twee naast elkaar zullen moeten blijven bestaan. Wat we aan boord van ISS en op de maan kunnen doen, zal totaal verschillend zijn. We willen het ISS zeker nog tien jaar behouden voor toegepast onderzoek en daarna een ander platform rond de aarde laten cirkelen. Het zou zinloos zijn om onderzoek te doen op de maan dat je aan boord van een ruimtestation in orbit kan doen, want maanonderzoek zal véél duurder zijn omdat de afstand veel groter is.”

“Er zijn ook veel zaken die je op de maan kan doen die je níét aan boord van een ruimtestation kan doen. Onderzoek naar straling in de ruimte bijvoorbeeld. De stralingsomgeving is op de maan helemaal anders dan in orbit ronde de aarde. We weten vandaag niet wat een langdurige invloed van die straling op het menselijk lichaam of biologische cellen heeft. Als wij ooit naar Mars willen reizen dan moeten we dat op de maan beginnen onderzoeken. We moeten ook zien hoe we het lokale water kunnen gebruiken, ook met het oog op een Mars-missie.”

Is het nog realistisch dat de mens deze eeuw voet zet op Mars?

“Ik denk het wel maar dat zal in de komende twintig jaar nog niet mogelijk zijn. Het is wel een doelstelling geworden van alle ruimtevaartagentschappen. We moeten nog veel leren over veiligheid en duurzaamheid. We mogen dit ook niet doen in een race om daar een vlag te gaan planten. Niemand van de mensheid heeft daar een boodschap aan. Laat het ons doen op een zeer goede manier, in internationale samenwerking voor de mensheid. Daarom willen we ons met ESA inschrijven in het internationale project Mars Sample Return, waarbij we stalen van op het Mars-oppervlak terugbrengen naar aarde om hier te onderzoeken.”

Armstrong en u werden destijds voortgestuwd met belastinggeld, als ruimtereizigers die ook de droom verwezenlijken van een natie. Vandaag zijn er ook commerciële projecten zoals dat van Elon Musk, Jeff Bezos... Moeten bemande ruimtemissies in de toekomst gedragen worden door overheden, private industrie of een mix van beide?

“Beide. Dat zullen we ook voorstellen in de programma’s die we eind dit jaar voorleggen aan de EU-regeringen. Zo willen we geleidelijk een ‘real economy’ opbouwen voor het laatste decennium van het ISS. De overheden zullen nog gebruiker zijn van het station maar niet meer als enige. Vergelijk het met een universiteit die een eigen nitrogen-gascentrale heeft ontwikkeld, waar ook privé-afnemers zijn.”

U drukt heel hard op samenwerking maar er is in de ruimte ook bikkelharde competitie. Zo zet China eigen ruimteprojecten uit.

“Competitie is goed tot op zekere hoogte want dat brengt innovatie en het beste uit mensen. Dat zien we ook in het bedrijfsleven. We moeten wel zorgen dat de competitie niet leidt tot een race om een vlag te planten. Daarom hebben wij met ESA het concept naar voren gebracht van een Moon Village, waarin we allemaal samen gaan samenwerken in een bepaald kader van exploratie van de maan of Mars. Natuurlijk kan iedereen daarin zijn eigen accenten leggen.”

De Franse president Emmanuel Macron bepleit intussen de oprichting van een militaire ruimte-eenheid die de Franse satellieten desnoods met geweld kunnen beschermen. Wat vindt u van deze evolutie?

“Het concept van een militaire Space Force bestaat al. Militairen maken al heel lang gebruik van de ruimte. Wel zien we nu een ontwikkeling waarbij de ruimte steeds belangrijker gaat worden voor militaire operaties, en regeringen nadenken om zich te verdedigen in de ruimte. Want wat doe je als je cruciale communicatiesatellieten afgeluisterd worden? De ruimte is altijd al duaal geweest, civiel en militair. In de lage orbit rond de aarde hebben aardobservatiesatellieten nu al een dubbel doel. Ze kunnen ingezet worden voor onderzoek naar klimaatverandering en rampenmanagement maar ook voor spionage. Hetzelfde geldt voor de gps die gebruikt wordt voor onze gewone voertuigen maar ook voor militaire middelen.”

Frank De Winne, klaar voor zijn tweede ruimteavontuur op 27 mei 2009. Beeld AFP/Getty Images

“We gaan tegelijk wel hard moeten opletten dat we niet naar een offensieve militarisering van de ruimte gaan, want dat zou toch wel een zeer slechte ontwikkeling zijn.”

In welke mate veranderde uw verblijf in de ruimte en uw blik op aarde u als mens?

“Zoals bij elke mens heeft elke grote reis en ervaring een blijvende invloed. Ik ben in de ruimte bewuster geworden van de kwetsbaarheid van onze planeet. De atmosfeer die de planeet omringt is heel dun. We zijn een klein bolletje in een onmetelijk heelal. Als je van boven naar beneden kijkt zie je dat er in het echt geen grenzen bestaan. België, Duitsland, Polen, Oekraïne, Rusland zijn één geheel. Grenzen zijn lijnen die we ooit eens op een kaart getrokken hebben en waarover we nu vechten. Zoiets is natuurlijk zeer absurd als je dat ziet vanuit de ruimte.”

“Wat me in dat verband het meest geshockeerd heeft en veranderd als mens is toen ik goodwill-ambassadeur werd van Unicef. Met hen kon ik de regio Darfur bezoeken in Soedan, tijdens de burgeroorlog daar. Als je dan ziet wat mensen elkaar aandoen in een conflict en een lokale overheid die totaal  niet interesseerd is in het lot van hun eigen bevolking waarvoor ze verantwoordelijk zou moeten zijn… Dat heeft toch een veel grotere indruk op me nagelaten.”

Terwijl men de aardobservatie vanuit de ruimte zou kunnen gebruiken om uitdagingen aan te gaan zoals verwoestijning en watertekorten, vaak bron van conflict? Gebeurt dat nu niet te weinig?

“De wetenschappelijke kennis is er. Met het Copernicus-programma van de EU en ESA stellen we alle data vrij beschikbaar voor elke wetenschapper en organisatie op aarde. Dat is uniek. De ruimtevaart draagt bij. Moeten we daarin meer doen? Dat is een afweging van prioriteiten. Maar wij ruimtevaarders gaan de problemen hier op aarde niet oplossen. De oplossing moet hier op aarde gebeuren. Klimaatverandering is veroorzaakt door de industriële revolutie en het zal ook nieuwe technologie zijn die op termijn een oplossing kan aanbieden. De politiek moet wel het kader scheppen. Zolang het goedkoper blijft om olie op te pompen dan hernieuwbare energie aan te wenden wordt het moeilijk natuurlijk.”

Denkt u dat er op de maan klimaatvriendelijke grondstoffen gevonden kunnen worden die we hier gaan kunnen gebruiken?

“Op termijn ben ik daarvan overtuigd, al zal dat niet voor de eerste dertig jaar zijn. We moeten leren de grondstoffen daar te gebruiken om op duurzame manier aan exploratie te doen. Zodra we dat doen, zullen we daar ook grondstoffen vinden die ons hier op aarde kunnen helpen, zoals uiterst zeldzame metalen die nu op aarde zeer moeilijk te vinden of te ontginnen zijn. Op termijn is dat ook een van de doelstellingen van onze maanexploratie.”

De technologie is sinds Armstrong enorm verfijnd, maar geldt dat ook voor de astronauten? Is de pioniersgeest van vijftig jaar geleden nog altijd aanwezig?

“Ik denk dat er bij de mensen van ruimtevaartprogramma’s nog altijd dezelfde pioniersgeest leeft. Het is op een aantal vlakken wel anders natuurlijk. Het blijft een risicovol beroep maar de risico’s zijn toch veel verminderd. De mensen gingen werkelijk naar het onbekende. Je kan de ruimtevlucht van Armstrong niet vergelijken met deze naar het ISS nu. Als we terug gaan naar de maan, of op de Zuidpool van de maan gaan landen, of op Mars, ja, dan zullen we dezelfde pioniersgeest meer dan ooit nodig hebben. Dat zie ik bij mijn jonge astronauten ook.”

De astronauten van de Apollo 11-maanlanding. V.l.n.r. Neil A. Armstrong, Michael Collins en Edwin E. Aldrin Jr. Beeld BELGA/AFP

Hebt u ooit zelf astronauten van de Apollo 11-vlucht ontmoet?

“Ja, Buzz Aldrin heb ik persoonlijk één keer ontmoet op ons jaarlijks astronautencongres en hij was ook op mijn tweede lancering in Baikonoer aanwezig. Dat was leuk natuurlijk, al was ik volledig geconcentreerd op mijn lancering.” (lacht)

Een zoon van Armstrong klaagde vorig weekend over de persoonlijke keerzijde van de maanlanding. Zijn hele leven wordt hij overal aangesproken als ‘zoon van’. Kunnen u en uw gezin, uw vrouw werkt ook in de ruimtevaartsector, een normaal leven leiden?

“Absoluut, ik woon nu al tien jaar in Duitsland. Daar herkent niemand mij. Ik adverteer dat ook niet als ik ergens naar toe ga dat ik ruimtevaarder ben. In België werd ik wel herkend maar na verloop van tijd is dat minder geworden. Ik probeer een zo normaal mogelijk leven te leiden.”

Wat wil u meegeven aan jonge mensen die astronaut willen worden?

“Doe eerst en vooral iets wat je graag doet. Dan kan je daar veel tijd aan besteden en je voor motiveren. Als je dan niet slaagt om ruimtevaarder te worden zal je toch een heel gelukkig leven leiden, want je hebt daarnaast iets gedaan dat je graag doet. Dat is het belangrijkste.”

Zou u zelf terug naar de ruimte willen gaan?

“Ik zou heel graag nog eens naar de ruimte gaan. Die vraag rijst vandaag wel niet. Ik ben zowel hoofd van de ESA-astronautenopleiding als hoofd van hun ISS-operaties. Het is mijn taak om die mensen te laten vliegen en zo goed mogelijke jobs voor hen te krijgen aan boord van het ruimtestation. Maar, als ze mij morgen vragen om naar de ruimte te vliegen, dan ben ik weg, ja.”

U leeft dus nog altijd als astronaut?

(lacht) “Wie wil leven als een astronaut moet vooral gezond zijn, en nergens in overdrijven.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234