Zaterdag 16/11/2019

Interview

Yari Verschaeren (18), Anderlecht-speler en Rode Duivel: ‘Twijfelen? Geen sprake van’

Elke avond voor het slapengaan prent ik mezelf in: ‘En nu is het gedaan met slecht spelen!’

Sinds Yari Verschaeren zich vorig jaar als de nieuwste groeibriljant van het Belgische voetbal presenteerde, werd het nog niet rustig bij zijn club Anderlecht. ‘Het is me altijd voor de wind gegaan in het leven. Tot nu.’

Het is niet eens een jaar geleden dat je je debuut maakte voor Anderlecht. Knijp je je soms nog in de arm?

“Ik vrees dat ik het nog altijd niet ten volle besef. Zó veel is er al gebeurd: een nieuw bestuur, nieuwe trainers, ontevreden supporters, de Rode Duivels... Het lijkt wel of ik al járen profvoetbal speel.”

Verbaas je jezelf nog?

“Iets minder al. Maar soms overvalt het me nog: ‘Wauw, nog altijd maar 18 en nu al in de eerste ploeg!’ Dat ik ook al met de Rode Duivels op het veld stond, overdondert me nog het meest. Maar goed, je raakt eraan gewend. Ik loop niet meer zo hard van stapel door wat er gebeurt. De druk waarmee ik mijn eerste matchen speelde, voel ik niet meer. Zoveel luidruchtige supporters, dat had ik nog nooit meegemaakt. Het resultaat was heel veel stress. Die is nu weg.”

Is dit wat je altijd hebt gewild?

“Ja, toch wel. Ik denk niet dat ik ooit van iets anders heb gedroomd. Sinds mijn negende heb ik er veel voor opgeofferd: ik verliet mijn thuis, ben naar school gegaan in de verre, grote stad en ben uiteindelijk ook op internaat gegaan. Maar goed, ik zou het niet anders gewild hebben.”

Nooit twijfel gekend?

“Nee, wellicht ook omdat het me altijd voor de wind is gegaan. Tot nu dan. (lachje)

Heb je last van de negativiteit waarin Anderlecht nu baadt? Het is niet makkelijk om daar als jonge gast je weg in te zoeken.

“Last is een groot woord, maar het laat me niet onberoerd. Zoiets komt anders binnen in het hoofd van een jonge speler dan bij iemand met ervaring. Vorig seizoen was mijn eerste als profvoetballer. De eerste keer dat de supporters je uitfluiten doet wel iets met een jonge gast. Ook dit jaar: als je daar staat na zo’n wedstrijd als tegen Waasland-Beveren, dat kruipt in je hoofd. Dit is mijn tweede seizoen en twee keer gaat het niet goed.”

Met de aanstelling van Frankie Vercauteren als nieuwe trainer moet daar verandering in komen. Ken je hem?

“Het is jammer dat ik hem nooit live zag spelen, maar ik ken uiteraard wel de reputatie van zijn geweldige voorzetten. Hij is een legende van de club, hè. Hij was buitengewoon succesvol als speler en kent een grote carrière als trainer. Daar kan ik als jonge prof alleen maar veel van leren. Met zijn ervaring zal hij ons zeker veel bijbrengen, ook al trainden we al goed onder Simon (Davies, red.) volgens het systeem dat Vincent (Kompany, red.) ons wil bijbrengen. Laten we hopen dat Frankie Vercauteren daar nu punten aan kan toevoegen. Maar wíj zullen het moeten doen op het terrein.”

Het is opvallend hoe vaak jij het na weer eens een ontgoochelend resultaat voor de camera’s mag komen uitleggen.

“Ik weet niet hoe dat komt. Ik ben een vlotte babbelaar en zeg de dingen zoals ze zijn: dat hebben ze graag, zeker? Ik ga niet beweren dat ik het graag doe, maar erg storen doet het me ook niet. Als mensen denken: ‘Allee, die is nog maar 18’, is dat natuurlijk zo. Maar het hoort erbij.”

Er wordt al zo veel van je verwacht op het veld. Dat je dan ook nog eens verantwoordelijkheid moet opnemen ernaast is veel voor zulke jonge schouders.

“Dat is zo. Maar vorig seizoen werd ik het lichtpuntje genoemd: ik kwam pas kijken en de mensen wilden mij leren kennen. Dan is het normaal dat ik wat vaker voor de camera’s sta. Maar makkelijk was het niet, zeker niet in de play-offs, toen het slecht ging met de ploeg. Ik heb nog geen ervaring met zulke situaties en weet soms niet goed wat te zeggen. Nu, ik durf het ook aan te geven als het me te veel wordt. Op zeker ogenblik heeft de club beslist om me in bescherming te nemen: ‘Nu doen we even niets meer.’ Dat heeft me goed gedaan.”

Er wordt van jou verwacht dat je de ploeg op sleeptouw neemt, terwijl je misschien liever zelf nog naar betere, ervaren spelers had opgekeken. Die zijn er niet. Is dat goed voor je ontwikkeling?

(blaast) Dat is moeilijk te zeggen. Stel dat het goed was gegaan met de ploeg: misschien had ik dan de kans niet gekregen om er nu al in te staan. Het is precies omdat het niet goed ging, dat ze naar oplossingen hebben moeten zoeken en steeds meer jonge spelers zijn gaan gebruiken. Ik voelde ook geen druk: slechter kon het toch niet gaan.”

Ben je een piekeraar?

“Toch wel, ja. Vorig seizoen draaide de ploeg ook al niet, maar deed ik het zelf fantastisch: dat compenseerde het nog een beetje. Maar nu haal ook ik mijn niveau niet, waardoor ik ’s avonds moeilijk de slaap kan vatten. Elke keer prent ik mezelf in: ‘Nu is het gedaan met slecht spelen!’ Maar dan lukt het niet en zit ik er toch weer mee. Ik ben me er erg van bewust dat ik de mensen te weinig teruggeef.”

Dat wijst op een groot verantwoordelijkheidsgevoel.

“Dat heb ik altijd gehad. Als ik aan iets begin, wil ik het goed doen. Ook op school: na alle moeite die ik me al had getroost, wilde ik niet opgeven in mijn laatste jaar. Na de play-offs wachtte me nog het EK voor spelers tot 21 jaar, waardoor ik er in volle examenperiode drie weken niet zou zijn. Sinds maart was ik er al mee bezig om een aantal examens naar voren te schuiven. Met veel moeite is dat me gelukt, maar daardoor moest ik wel al tijdens de play-offs examens afleggen. Dat was een zware periode.”

Hoe hield je het vol?

(blaast) Het waren de laatste loodjes: het was van moeten.”

Vóór je overstap naar de A-kern mocht je van je ouders een keer niet mee op buitenlandse stage: de school ging voor.

“En daar hadden we niet eens een meningsverschil over. Het was zeker niet zo dat mijn ouders zeiden: ‘Jij gaat niet!’, zonder dat ik daar een stem in had. Ik twijfelde zelf ook, omdat ik wist hoeveel moeite het me zou kosten om de gemiste lessen achteraf in te halen. Ik had voor een moeilijke richting gekozen – economie-wiskunde – en wilde dat niet op het spel zetten. Als ik terugkwam van een stage of een toernooi in het buitenland, moest ik altijd tien keer zo hard werken om alles bij te werken. Op den duur werd dat me te veel.”

Je had de school ook vaarwel kunnen zeggen en alleen nog je voetbaldroom najagen.

“Ik ga niet beweren dat die gedachte nooit in me is opgekomen, maar hun schoolproject was precies de reden waarom ik voor Anderlecht heb gekozen. Bij andere clubs wordt daar veel minder aandacht aan besteed. Als ik mijn middelbaar niet tot een goed einde had gebracht, was ik nooit de persoon geworden die ik nu ben. Ik heb altijd heel goed het belang ervan beseft.”

Heb je ooit de documentairereeks De school van Lukaku gezien?

“Die liep tijdens mijn eerste jaar bij Anderlecht, ik was negen. Zo goed herinner ik het mij niet meer, maar ik weet wel nog dat ik ervan droomde dat mij dat misschien ook ooit zou overkomen. Het heeft me wel geïnspireerd.”

Had je een plan?

“Ik ben iemand die alles zo snel mogelijk wil. Meer nog dan naar Lukaku toen, keek ik later op naar iemand als Dennis Praet: ‘Dát wil ik ook!’ En als het nu niet is, dan volgend jaar. Maar verplichtingen in de zin van: ‘Over twee jaar moet ik hier weg’? Nee, die leg ik me niet op. Als ik dit seizoen mijn niveau niet meer haal, zou het niet verstandig zijn om te vertrekken.”

Je klinkt erg kritisch voor jezelf.

“Ik wil het altijd goed doen. Lukt dat niet, dan wil ik dat het zo snel mogelijk stopt. Ook op school: in het begin van mijn laatste jaar – vorig seizoen dus – ging het vrij goed. Toen de kerstexamens eraan kwamen, was het al minder. Dan ben ik iemand die dat direct wil omkeren. Ik geef niet graag op.

“Vergeet ook niet: men heeft mij op Anderlecht nooit als het grote toptalent beschouwd. Er liepen andere spelers rond bij de jeugd van wie verwacht werd dat ze het verder zouden schoppen dan ik. Dat heeft me zeker sterker gemaakt. Het positieve eraan was ook dat ik niet van jongs af aan in de spotlights stond. Dat is pas gebeurd toen ik een jaar of vijftien, zestien was.”

‘Met zijn ervaring zal Vercauteren ons zeker veel bijbrengen, ook al trainden we al goed onder Simon Davies volgens het systeem dat Kompany ons wil bijbrengen.’

Zaten je ouders je dicht op de huid?

“Ze hielpen waar ze konden, maar de beslissingen lieten ze aan mij over. Dat is niet altijd makkelijk geweest. Tot mijn overstap naar Anderlecht zagen ze me elke dag. Plots moest ik om 6 uur ’s ochtends opstaan – van Kruibeke naar Anderlecht was anderhalf uur rijden, iemand van de club pikte me op – en zagen ze me pas om halftien ’s avonds terug.”

Waren ze streng?

“Dat niet, maar wel correct. Ze verwachtten van mij wat elke ouder verwacht van zijn kind – met dat verschil misschien dat ze me weinig regels oplegden. Dat kwam me goed uit, want ik was een behoorlijk wilde jongen. Mochten mijn ouders me ook nog eens regels hebben opgelegd, dan zou ik daar misschien slecht op gereageerd hebben.”

Volgens je oudere broer Matthias waren jullie wildebrassen en was jij vaak de aanstoker.

“Kinderen zijn sowieso een beetje wild, maar ik kon helemaal niet stilzitten. Me vijf minuten koest houden in de zetel, dat lukte niet. Ik moest voortdurend kunnen bewegen. Het ging er vaak hevig aan toe tussen mijn broer en ik: er ging weleens iets stuk. (lacht) Ondertussen ben ik veel kalmer geworden en dat is ook het beeld dat veel mensen zich van mij hebben gevormd: ‘Yari, da’s een kalme jongen!’ Gewórden, ja.”

Je bent al ‘de ideale schoonzoon’ genoemd. Wat zegt dat over je opvoeding?

“Heel veel. Hoewel ze mij niet vaak thuis hebben gezien, zijn mijn ouders er toch mooi in geslaagd me tot een beleefde jongen te laten opgroeien. Zeker in mijn eerste jaar bij Anderlecht heb ik ze hard gemist. Als je pas om halftien ’s avonds thuiskomt en een halfuur later al je bed in moet, zie je elkaar niet veel. Daar zijn weleens tranen bij gevloeid. Ook al omdat het aanvankelijk aanvoelde alsof ik in the middle of nowhere terecht was gekomen. Ik kende niets in Brussel, en sprak ook geen woord Frans. Wat ik zag op het Sint-Niklaasinstituut was ook totaal anders dan wat ik gewend was op de dorpsschool in Kruibeke. Best imponerend. Maar goed, uiteindelijk was er altijd het voetbal dat me erdoor sleurde.”

Je vader was je eerste trainer bij Kruibeke.

“Dat was wel raar. Hoewel, op zo’n jonge leeftijd – ik was zes – dringt het niet echt tot je door dat het je papa is die daar staat.”

Ben je door je ouders naar het voetbal geduwd?

“Misschien wel, ja. Mijn papa is lasser, maar hij heeft ook een carrière als voetballer achter de rug. Niet zo’n grote carrière, maar toch genoeg om er iets van te kennen. Zijn hoogste niveau bereikte hij bij VV Zultse, onder Francky Dury (huidig trainer van Zulte Waregem, red.). Hij speelde op de linkerflank, waar ik nu ook af en toe speel. Maar ik maak liever acties, terwijl hij meer een man van de voorzetten was.”

Jij verhuisde al snel naar het naburige Waasland-Beveren.

“Mijn broer speelde er. Hij schopte het tot de beloften en is daarna afgezakt. Hij is nu 21 en speelt weer bij Kruibeke. Papa is met mij meegegaan: hij kon er techniektrainer worden, wat als voordeel had dat hij me van nabij kon blijven opvolgen. Twee jaar later ben ik naar Anderlecht gegaan. Dat was míjn beslissing, niet die van mijn ouders: zij hebben me altijd zelf laten beslissen. Ik heb zelfs nog gewacht, ik had al een jaar eerder kunnen gaan. Maar dat zag ik niet zitten: ik was acht en vond het te vroeg. Vooral ook omdat ik het zo leuk vond in Beveren. Dat ik uiteindelijk toch ben gegaan, had ermee te maken dat een vriendje wel de stap had gezet. Met een jaar vertraging besloot ik het er ook op te wagen en hem te volgen.”

Op dat ogenblik speelde Remco Evenepoel, die een jaar ouder is dan jij, nog bij Anderlecht. Heb je met hem gespeeld?

“In mijn eerste jaar bij Anderlecht liep ik nog school in Kruibeke. Door de grote afstand raakte ik meestal niet tijdig op de trainingen, waarna ze me naar een hogere leeftijdscategorie doorschoven. Daar zat Remco. We hebben vaak samen getraind.”

Een jaar later verliet hij Anderlecht voor PSV. Daarover zei zijn vader me ooit: ‘Achteraf bekeken moeten mijn vrouw en ik toegeven dat het fout is geweest om een kind van elf te laten beslissen waar het naartoe wilde.’

“Zodra ik een beslissing heb genomen, twijfel ik niet meer. Ik ben altijd vrij zeker van mezelf geweest. Nu, Anderlecht was een heel eind van Kruibeke, maar ik kwam wel nog elke dag naar huis. De stap naar PSV is groter: een ander land, een andere cultuur. Remco ging ook bij een gastgezin wonen. Als je op zo’n jonge leeftijd je ouders zo weinig bij je hebt, wordt het zwaar. Ik zag ze tenminste nog elke avond, hoe kort het ook maar was.”

Ook jij kreeg de kans om naar PSV te gaan.

“Ik was al ouder: geen elf, zoals Remco, maar vijftien. Ik ben er een kijkje gaan nemen, maar heb besloten om het niet te doen. Ik was gelukkig bij Anderlecht en zag geen reden om te vertrekken. Ik kende ook de voorbeelden van al die jeugdtalenten die ooit waren vertrokken, maar het nooit hebben waargemaakt. Daartegenover stonden de verhalen van degenen die wel bleven, hun kansen kregen én ze ook grepen, zoals Lukaku, Praet en Tielemans. Hen wilde ik graag opvolgen.”

Heb je ooit met Remco over PSV gesproken?

“Nee, nooit.”

Hij bleef er drie jaar, waarna hij met de staart tussen de benen naar Anderlecht terugkeerde.

“We zagen elkaar opnieuw op de speelplaats en trainden ’s middags samen op school. Voor de avondtrainingen op de club zaten we in verschillende groepen.”

Had je ooit een wielrenner in hem vermoed?

“Nee, dat niet. Maar hij liep er wel al iedereen af op training en zijn fysieke testen waren ongelooflijk. Waar het dan fout is gelopen, weet ik niet. Ineens werd hem alles afgepakt: hij kreeg minder speelkansen bij Anderlecht en ook voor de nationale ploeg werd hij niet meer opgeroepen. Heeft dat hem ertoe aangezet iets anders te gaan doen? Misschien. Maar zó’n carrièreswitch had ik niet zien aankomen. Het is ongelooflijk straf wat hij nu presteert.”

Vorig jaar deelde hij op sociale media een filmpje dat Anderlecht maakte over een dag uit je leven aan het Sint-Niklaasinstituut. ‘Proud’, schreef hij erbij. En jij: ‘Thanks, broer.’

“We zijn altijd vrienden gebleven. Af en toe hebben we nog contact en sturen we elkaar berichtjes. De laatste keer was toen ik hem gefeliciteerd heb met zijn tweede plaats op het WK tijdrijden.”

Is jouw status veranderd sinds je Rode Duivel bent?

“Niet echt. Ik voel me niet beter dan iemand anders.”

‘Mensen herkennen me op straat, vragen om een hand­tekening of een foto en sturen me berichten via Instagram. Heel raar dat ze zo fan kunnen zijn van mij.’

Bondscoach Roberto Martínez liet je vorige maand bij je eerste selectie al meteen debuteren tegen Schotland. Hoe was dat?

“Het moment dat ik Tielemans verving, dat was van het beste dat ik al heb meegemaakt. De eerste ballen die ik kreeg, van spelers die wereldklasse zijn. En toen scoorde ik bijna... Dat zou wat geweest zijn!”

Van wie was je het meest onder de indruk?

“Van Kevin De Bruyne, die was zó imponerend! Van Lukaku ook. Nu, van iederéén eigenlijk. Ik voel me vereerd dat ik er opnieuw bij ben. Niet omdat ik de problemen bij Anderlecht zo even van me af kan zetten, maar omdat ik weer veel kan opsteken. Wie weet keer ik wel sterker terug.”

Martínez verantwoordde je eerste selectie door te verwijzen naar het EK voor spelers tot 21 jaar van afgelopen zomer. ‘Indrukwekkend voor een zeventienjarige,’ vatte hij je prestaties samen.

“Zo veel heb ik niet gespeeld op dat EK. Maar goed, als hij dat vindt zal het wel kloppen, zeker? Ik vind niet dat ik ten volle heb kunnen tonen wat ik in mijn mars heb. Maar door mijn leeftijd – zeventien op dat moment, tussen allemaal oudere spelers – zal ik wel opgevallen zijn.”

Je maakte een knap doelpunt tegen Italië: ‘Het mooiste uit mijn carrière’, zei je achteraf.

(lacht) Klinkt gek, hè? Nu, die woorden zijn me in de mond gelegd. Een journalist stelde me de vraag of dat nu de mooiste goal uit mijn carrière was. ‘Ja,’ zei ik, ‘maar ik heb er nog niet veel gemaakt.’ Er was wat geluk mee gemoeid, trouwens.”

Viel dat doelpunt ook niet op de dag waarop je vernam dat je je diploma middelbaar onderwijs zou krijgen?

“Ja en nee. Ik heb mijn diploma afgehaald op 25 juni en toen was het EK al voorbij. Het gekke was dat het op de dag van onze laatste wedstrijd wel al in De Morgen stond. Geen idee hoe dat kwam, nog altijd niet trouwens. ’s Anderendaags vlogen we naar huis en de ochtend daarna moest ik op school zijn. Pas toen het in het auditorium werd omgeroepen, geloofde ik het.”

Hoe ga je om met de verwachtingen en de bekendheid die bij je nieuwe status horen?

“Mijn leven is erg veranderd en in het begin had ik het daar wel moeilijk mee. Mensen herkennen me op straat en vragen om een handtekening of een foto, en sturen me berichten via Instagram en andere sociale media. Heel raar. Nog steeds vind ik het een vreemde gedachte dat mensen zo fan kunnen zijn van mij.”

Had je zelf idolen?

“Lionel Messi. En Dennis Praet: veel mensen vinden mijn spelstijl op die van hem lijken. Dat klopt ook wel.”

Paul Van Himst vergelijkt je graag met Wilfried Van Moer: ‘Yari is ook een bijter.’ Kun je je daar iets bij voorstellen?

“Euh, Paul Van Himst ken ik wel, maar Wilfried Van Moer? Sorry.”

Geschiedenis was niet je lievelingsvak, las ik.

(lacht) Geschiedenis was de hél! Niets begreep ik van wat er in die lessen werd gezegd. Pas na vijf keer lezen slaagde ik erin iets in mijn hoofd op te slaan. Anderen lukte dat al na één keer.”

Van Moer was behalve ‘een bijter’ net als jij ook klein en kon blijven lopen.

“Dat klinkt inderdaad als een definitie van wie ik ben. Ik ben erg vinnig en heb een vrij goede conditie.”

Zo goed als die van Evenepoel?

(lachje) Ik heb het van mijn vader. We gaan geregeld samen lopen en hij kan me nog altijd volgen. Bij de conditietesten zat ik als jeugdspeler altijd bij de beste twee, drie. Maar Remco was nog een niveau hoger: hij overtroefde iedereen en brak alle records.”

Je bent niet groot: 1,71 meter. Heeft dat je nooit parten gespeeld?

“Alleen bij de nationale jeugdploegen, misschien. Maar ik heb er nooit complexen aan overgehouden: ik ben niet de eerste die het met zijn kleine gestalte moet zien te redden. Vaak maakte ik dat goed door mijn techniek. Trouwens, ik ben nooit de kleinste geweest: er waren altijd wel twee of drie jongens kleiner dan ik.”

Mij doe je aan Youri Tielemans denken: die is enkele centimeters groter dan jij, maar heeft ook een laag zwaartepunt en staat stevig op zijn benen.

“Mijn benen zijn inderdaad vrij stevig, daar ben ik mee geboren. Ook die heb ik van mijn vader.”

Tielemans heeft jarenlang aan judo gedaan.

“Ah? Dat wist ik niet. Nu, ik beoefen ook graag andere sporten. Ik kan vrij goed tennissen, ik badminton graag en thuis hadden we een pingpongtafel waar mijn broer en ik heroïsche duels met elkaar hebben uitgevochten. Om maar te zeggen: ik was niet alleen bezig met een bal aan mijn voeten.”

Lig je als achttienjarige ook wakker van de wereldproblemen?

“Het milieu en zo? Ik probeer het te volgen. Niet dat ik het me héél erg aantrek en denk: ‘Wauw, is dat de wereld waarin ik later terechtkom?’ Maar ik denk wel aan het milieu en weet wat er gaande is in de wereld.”

Zegt de naam Greta Thunberg je iets?

“Oei, nee…”

Het Zweedse klimaatmeisje?

“O, ja, natúúrlijk! Toen ze op die donderdagen betoogden voor het klimaat, trokken veel leerlingen van onze school daarnaartoe. Ik niet, ik mocht niet wegens het voetbal. Anders was ik zeker gegaan.”

Om een dagje te brossen, of uit overtuiging?

“Uit overtuiging. Ik vind het goed dat zoiets gebeurt. Het zet politici onder druk zodat ze toch iets meer de neiging hebben om tot actie over te gaan. Het laat niemand onberoerd als zo veel jongeren de straat opgaan.”

Het voetbal is geen milieu waarin je intellectueel wordt uitgedaagd. Vergis ik me als ik zeg dat er in de kleedkamer vast niet veel wordt gesproken over hoe het er in de wereld aan toegaat?

“Het is typisch voor voetballers om daar niet zo in geïnteresseerd te zijn, vrees ik. Ze hebben ook niet allemaal hun school afgemaakt, dat speelt mee. Nu, met de jongens uit mijn klas met wie ik nog contact heb, voer ik zulke gesprekken wel.”

Met Vincent Kompany zou het ook lukken.

“Hij spreekt ons weleens toe, ja. Over het leven en zo, maar altijd aan het voetbal gerelateerd. Dat we ons ervan bewust moeten zijn hoe goed wij het hebben. Dat veel mensen het minder goed hebben dan wij, hoewel ze harder moeten werken. Nu, dat besef ik zelf ook.”

Was voortstuderen aan een hogeschool of universiteit een optie geweest?

“Als ik niet in de eerste ploeg gezeten had misschien wel. Mijn ploegmaats van vorig jaar zijn allemaal iets gaan studeren, ik zou niet als enige achtergebleven zijn. Ik zou het wel aangekund hebben, maar ik heb geen spijt. De laatste twee jaar waren zó zwaar: op het einde was ik de school echt beu! Wat ik nu vooral nodig heb, is tijd voor mezelf.

“Mocht je mijn vriendin vragen wat voor iemand ik ben, dan zou ze je antwoorden: ‘Een rustige jongen die graag op zijn gemak in de zetel naar iets ligt te kijken.’ Maar vraag het aan mijn ouders en ze zullen je vertellen dat ik een sfeermaker ben, omdat ik veel babbel en graag lach. Zou je niet zeggen, hè? (lachje) Ik ben iemand die het durft te zeggen als er iets op zijn lever ligt. Ook in de kleedkamer, ja. Dat hoeft daarom geen kritiek te zijn – ik ga niemand zeggen wat hij moet doen – maar er is geen reden om mij te verstoppen. Die balans weet ik wel te vinden. En ik weet dat ik nog tekortkomingen heb: het huishouden doen, daar ben ik niet zo goed in.”

Daar zeg je wat: sinds deze zomer sta je op eigen benen.

(lacht) Ik woon nu in een appartement, op twee minuten rijden van het stadion. Daar zit ik meestal, vaak ook met mijn vriendin. Het is een grote stap, maar ik heb het geluk dat ik het internaat al heb meegemaakt en ook even in een gastgezin heb verbleven. Maar goed, het blijft een aanpassing. De eerste weken moest ik zelf voor mijn eten zorgen, maar koken is niet bepaald mijn grootste kwaliteit. Sterker zelfs: ik kán het niet. Ik ging eens uiteten, of mijn vriendin maakte een pasta klaar, maar alleen als ze geen les had: Zoë studeert aan de unief. Gelukkig kon ik ook bij haar ouders terecht – zij wonen op zeven minuutjes rijden.”

Wat studeert Zoë?

“Rechten.”

Slim van je om al iemand aan de haak te slaan die over je contracten kan onderhandelen.

(lacht) Ja, hè? Dat kan nog in mijn voordeel spelen.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234