Maandag 29/11/2021

InterviewWout van Aert

Wout Van Aert: ‘Mijn gewicht onder controle houden kost me elke dag meer mentale energie dan een training perfect afwerken’

'Het zou geweldig zijn om een week na het WK in de regenboogtrui te kunnen starten in Parijs-Roubaix.' Beeld BELGA
'Het zou geweldig zijn om een week na het WK in de regenboogtrui te kunnen starten in Parijs-Roubaix.'Beeld BELGA

Wielergek Vlaanderen geniet van een WK in eigen land. Vandaag is Leuven het decor voor de strijd om de regenboogtrui. De kopman van het Belgische team: Wout van Aert (27), veelwinnaar, alleskunner, smaakmaker in de Ronde van Groot-Brittannië en een man voor alle seizoenen. ‘Ja, ik ben favoriet. Het zou toch raar zijn als jullie plots iets anders zouden schrijven?’

Wout van Aert is een man van alle disciplines: hij kan klimmen, crossen, tijdrijden, sprinten en scoren in de klassiekers. In de Ronde van Frankrijk won de kopman van Jumbo-Visma dit jaar drie ritten en op de Olympische Spelen behaalde hij zilver op de weg. Daarna stoomde hij zich tijdens een hoogtestage van drie weken klaar voor het WK in eigen land. In de Ronde van Groot-Brittannië schoot hij meermaals raak. Vorige zondag greep hij net naast het goud op het WK tijdrijden, vandaag wil hij op de heuvels in en rond Leuven de regenboogtrui pakken, na het dubbele zilver vorig jaar op het WK in Imola.

Toen was jij de onbetwiste kopman van de Belgische ploeg, net als op de Spelen in Tokio. Bondscoach Sven Vanthourenhout zei al vroeg deze zomer dat jij ook in Leuven de kopman zult zijn. Geeft dat gemoedsrust?

Wout van Aert: “Ja, maar het is ook logisch: ik kan de beste adelbrieven voorleggen. De voorbije maanden heb ik redelijk wat wedstrijden gewonnen en ik start bijna altijd als kopman bij Jumbo-Visma. Bovendien beschik ik over de meeste opties om te winnen: ik kan op het einde nog sprinten.

“Het zou meer druk op mijn schouders leggen als er meerdere kopmannen zouden zijn. We hebben al vaker aan kampioenschappen deelgenomen waar minder duidelijkheid was, en dat is niet goed. Het is een enorm voordeel dat Sven altijd duidelijk is in zijn communicatie. Iedereen weet wat hij moet doen en voor welke rol hij is geselecteerd. Ik heb trouwens geen zeven helpers nodig, wel zeven sterke ploegmaten.”

Hoe bedoel je?

Van Aert: “Dit WK kun je vergelijken met een Ronde van Vlaanderen: er zijn veel scenario’s mogelijk. Ik moet mijn energie lang genoeg kunnen sparen en dat lukt alleen maar door andere renners vooruit te schuiven. Dan kan het gebeuren dat iemand anders van onze ploeg de finale rijdt, maar dat is dan maar zo. We hebben in ieder geval renners nodig die het ook kunnen afwerken. Het WK is geen koers waarvan je kunt zeggen dat de zeven anderen de hele dag op kop moeten rijden om mij naar de laatste 200 meter te brengen. Dat zal niet lukken, omdat het parcours zo zwaar is. Gelukkig hebben we veel toppers in de ploeg, ze kunnen zelf ook winnen.”

Jullie vormden een hecht team in Imola en in Tokio. Kan dat op een WK in eigen land? Zullen sommige jongens niet denken: hier kan ik geschiedenis schrijven voor eigen volk, ik negeer wat we afgesproken hebben?

Van Aert: “Ik denk het niet. Het klikt erg goed tussen de Belgen. Een team kneden is ook het werk van de bondscoach. Hij praat veel met de renners, iedereen weet wat hem te doen staat. We hoeven aan de vooravond van de wedstrijd geen lange besprekingen meer te houden, dat is allemaal al gebeurd.”

Je hebt intussen al drie wereldtitels in het veldrijden. Is een regenboogtrui op de weg meer waard?

Van Aert: “Ik genoot er telkens enorm van om een jaar in de regenboogtrui te crossen, maar op de weg moet dat nog specialer zijn. Het is een mooie trui, iedereen ziet hem in het peloton. Het zou geweldig zijn om de week erna in Parijs-Roubaix te kunnen starten met die trui om de schouders. Ik mag toch dromen, nee? (lacht)

Als je Olympisch goud wilt winnen, moet je wachten tot 2024. Was je ontgoocheld met je zilveren medaille in Tokio?

Van Aert: “Ja. Het zou zonder twijfel één van de grootste zeges uit mijn carrière geweest zijn. Maar ik heb vrede met die tweede plek. Ik kan mezelf niets verwijten, ik heb alles gegeven. Ik kon ook niet op elke aanval reageren, en toen reed Carapaz weg met McNulty.”

Ben je soms niet te gretig? Iedereen liet jou het werk opknappen.

Van Aert: “Ik had ook het gevoel dat ik de enige van de achtervolgers was die wilde winnen. Ik was heel gretig, ja, maar het ging ook om de Olympische titel.”

Het hoort bij het statuut van topfavoriet, je bent geen underdog meer.

Van Aert: “Ik moet meer gaten dichtrijden en dat is vervelend, maar het hoort erbij. Als ik voorop rijd met nog enkele anderen en er sprint iemand weg, kijken ze vaak naar mij. Als ik laat begaan, win ik niet. En als ik wel reageer, bestaat de kans dat ik mezelf leegrijd en een ander wint. Maar niet reageren is vaak geen optie.”

‘Voor het geld hoef ik niet meer te crossen, maar ik ben ervan overtuigd dat het een sterkere renner van me maakt. Daarom zal ik nog ieder seizoen zeker tien crossen rijden.’ Beeld Team Jumbo-Visma
‘Voor het geld hoef ik niet meer te crossen, maar ik ben ervan overtuigd dat het een sterkere renner van me maakt. Daarom zal ik nog ieder seizoen zeker tien crossen rijden.’Beeld Team Jumbo-Visma

DE ZWAKTE VAN TOM

Vóór Tokio werd je Belgisch kampioen en won je drie ritten in de Tour. Het lijkt zo makkelijk te gaan, zelfs al werd begin mei je appendix verwijderd en liep je enkele weken trainingsachterstand op. In de eerste week van de Tour ging het moeizaam. Heb je ooit aan jezelf getwijfeld?

Van Aert: “Eigenlijk niet. Ik voelde me goed, maar niet top. Ik wist wat de oorzaak was en dat ik het zou moeten afleggen tegen een Mathieu van der Poel en Julian Alaphilippe in topvorm. Ik wist dat het de eerste week moeilijk kon worden, dus hield ik daar rekening mee. Ik wilde het zo goed mogelijk doen en zou wel zien hoever ik zou raken. Ik ben altijd rustig gebleven.”

Je had net zo goed de moed kunnen laten zakken toen je in de eerste week de gele trui niet kon veroveren.

Van Aert: “De grootste topsporters zijn allemaal mensen met veel doorzettingsvermogen. Anders kom je niet zover in je carrière. Ik weet niet of ik dat tikkeltje sterker ben in mijn hoofd dan anderen, maar ik geef niet snel op. Ik blijf knokken en aanvallen. Ik wilde graag die gele trui, maar het lukte niet. Toen moest ik de knop omdraaien en een nieuw doel zoeken. De hele ploeg heeft dat overigens gedaan: we zijn niet bij de pakken blijven zitten na de opgave van onze kopman Primoz Roglic en na de val van Robert Gesink en Tony Martin, maar we zijn voluit voor ritzeges gegaan.”

Op de Olympische Spelen bleef turnster Simone Biles aan de kant omdat ze zich mentaal niet goed voelde. Ze was niet de enige topsporter die naar buiten kwam met problemen. Onderschat de buitenwereld hoe zwaar topsport is?

Van Aert: “Als je geen topsporter bent of niet met een topsporter samenleeft, kun je niet weten wat het is. Maar ik neem het niemand kwalijk. Ik vind het vooral een goede zaak dat topsporters nu vaker durven te zeggen dat ze een probleem hebben, dat het even niet lukt of dat het de koers te veel was, zoals mijn Olympische tijdrit.”

Sommige topsporters verwijten journalisten dat ze hun te veel druk opleggen. In Tokio moest je voor goud gaan, en met een quotering van vijf sterren ben je ook telkens de topfavoriet voor de Ronde van Vlaanderen.

Van Aert: “Daar heb ik geen problemen mee. Ik heb grote ambities, en een goede kopman kan daarmee omgaan. Als ik een doel voor ogen heb, zeg ik dat en ik ga er dan voluit voor. Dus ik ga niet zeuren als de media me druk opleggen. Ik zou het maar raar vinden als journalisten niet meer zouden schrijven dat ik favoriet ben voor het WK in Leuven, of iets als: ‘Wout, doe gewoon je best en hopelijk valt het mee.’ (lacht) Zeker omdat het een parcours op mijn maat is.

“Het is ook maar normaal dat de druk groter wordt, omdat ik al een behoorlijk palmares heb. Ik ga niet meer alle commentaren lezen of naar de mening van Jan en alleman luisteren over hoe ik moet koersen. Die druk leg ik mezelf wel op. Ik moet er vooral voor zorgen dat ik fysiek en mentaal in orde ben.”

Jij erkent al langer het belang van een sportpsycholoog. Je werkt sinds 2015 samen met mental coach Rudy Heylen.

Van Aert: “Dankzij Niels Albert (jarenlang zijn coach in het veldrijden, red.) heb ik al heel jong beseft dat de mentale gezondheid even belangrijk is. Dat maakte het makkelijker om bij Rudy Heylen aan te kloppen. Maar mental coaching is nog lang niet ingeburgerd in het wielrennen.”

Jouw ploegmaat Tom Dumoulin vond een tijd geleden geen plezier meer in het wielrennen en trok er even de stekker uit.

Van Aert: “Het klinkt wat cru, maar dat is toch een zwakte van hem. Tom is een geweldige renner met veel kwaliteiten, anders had hij nooit zo’n palmares bij elkaar kunnen fietsen, maar topsport is een combinatie van een uitstekende fysieke én mentale conditie. Ook aan dat tweede moet je werken.”

Kun jij je voorstellen dat je ooit het plezier in het fietsen zou verliezen?

Van Aert: “Neen. Ik heb veel respect voor Tom dat hij dat heeft toegegeven, en ik vind het sterk dat hij is teruggekomen. Ik had niet verwacht dat hij zilver zou pakken in de tijdrit op de Spelen, en ik ben blij voor hem. Maar ik heb nooit kunnen begrijpen waarom hij niet meer graag fietste. Soms ga ik eens wat minder graag trainen, maar toen ik van mijn blessure in de Tour van 2019 herstelde, besefte ik hoe hard ik het wielrennen miste. Je moet wel heel diep zitten als je wilt stoppen met koersen. Als ik me slecht voel of het gaat even niet goed, dan helpt het net om een eindje te fietsen. Dat is mijn beste medicijn.

“Ik snap wel dat de druk je te veel kan worden, omdat je altijd in functie van wedstrijden fietst. Maar het is het liefste wat ik doe. De interviews, op je eten moeten letten, het vele reizen en weg van huis zijn, dat kan ik weleens beu worden. Maar het fietsen, nee: dan zou ik al ver heen moeten zijn.”

Geraint Thomas vertelde me ooit dat hij niet zozeer de trainingen zwaar vindt, maar wel de maniakale focus op de voeding.

Van Aert: “Ik kan hem begrijpen. Ik vind het ook niet makkelijk: na mijn carrière zal ik wel blijven fietsen, maar nooit eet ik nog een droge mais- of rijstwafel (lacht). Ik ga me dan ook niet meer dagelijks wegen. Mijn gewicht onder controle houden kost me elke dag meer mentale energie dan een training perfect afwerken. Zelfs als ik niet in vorm ben, na twee weken rust weer op de fiets spring en het volgens de coach rustig aan moet doen, zal ik op de tweede dag al een sprintje trekken. En daarna wil ik meteen de beste sprint aller tijden rijden en mijn persoonlijke record breken. Ik heb er geen moeite mee om af te zien. Goed willen trainen en presteren gaat vanzelf, maar mijn gewicht in de gaten houden, pff...”

Dat hoeft toch niet het hele jaar door?

Van Aert: “Toch tien maanden per jaar, hoor. Ik heb wel geregeld een rustperiode, en de week erna let ik nog niet zo hard op mijn gewicht, maar daarna wel. En ik hoef je niet uit te leggen dat een mens makkelijker bijkomt dan gewicht verliest. Maar bij veel ploegen is er aandacht voor de voeding en de winst die dat kan opleveren – bij ons ook: we hebben een Jumbo Foodcoach-app.”

In interviews gaat het vaak over je gewicht: de ene keer ben je 3 kilogram te dik, de andere keer sta je erg scherp. Stoort je dat?

Van Aert: “Vroeger wel, en dat zei ik ook (lacht). Nu raakt het me niet meer, maar ik begrijp dat mensen dat interessant vinden.”

Hebben judoka’s of gewichtheffers het niet nog zwaarder? Zij moeten soms in een paar dagen tijd 6 of 7 kilogram afvallen om in hun categorie te kunnen aantreden.

Van Aert: “Ik kan me voorstellen dat zoiets zwaar is. Maar een judokamp duurt drie minuten, zo werken ze er een paar op een dag af en dan zijn ze klaar. Een renner moet het anders aanpakken. Ik moet een zo laag mogelijk gewicht bereiken, maar wel nog genoeg energie overhouden om elke dag mijn trainingen te kunnen afwerken. Als ik een week lang elke dag alleen maar sla eet, val ik 5 kilogram af, maar dan verlies ik ook spiermassa. Voor een duursport moet je tegelijk je conditie opbouwen en beetje bij beetje gewicht verliezen, maar ook niet te veel. Het is heel moeilijk om de juiste balans te vinden.”

Na je zege in de Amstel Gold Race vertelde je dat je je overwinningen meer bent gaan koesteren. Vorig jaar leek alles erg vlot te gaan, dit voorjaar moest je harder zwoegen.

Van Aert: “Het verschil tussen winst en verlies hangt van zoveel details af. Na een goede voorbereiding was ik in vorm voor de klassiekers, maar dat was geen garantie dat ik ook zou winnen. Als ik in de Tour echt goed ben, is er een grote kans dat ik een rit win, maar in een klassieker moet op die ene dag echt alles perfect zijn. Je hebt het niet allemaal in de hand.”

‘Mij ga je nooit horen zeggen dat ik de Tour ga winnen, want dan is het hek van de dam.’ (Foto: met zoontje Georges na de derde ritzege in de Ronde van Frankrijk.) Beeld REUTERS
‘Mij ga je nooit horen zeggen dat ik de Tour ga winnen, want dan is het hek van de dam.’ (Foto: met zoontje Georges na de derde ritzege in de Ronde van Frankrijk.)Beeld REUTERS

GEEN RONDERENNER

Waar zie je jezelf over drie, vier jaar staan?

Van Aert: “Ik hoop dat ik tegen dan een aantal klassiekers heb kunnen winnen, zoals de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix. Hopelijk heb ik dan ook al eens meegereden in Luik-Bastenaken-Luik en de Ronde van Lombardije. En misschien kan ik voluit voor het klassement in de Dauphiné gaan.”

Sommigen zien in jou een potentiële ronderenner. Jij bent 27, maar Tourwinnaar Tadej Pogacar is 22, en Girowinnaar Egan Bernal 24.

Van Aert: “Vroeger zeiden ze dat 30 de ideale leeftijd was om een grote ronde te winnen – kijk maar naar Chris Froome en Geraint Thomas. Maar nu hebben ze blijkbaar een ander blik renners opengetrokken. Misschien ben ik op mijn 30ste te oud, en wie weet welke supertalenten er dan bij zijn gekomen.

“Ik plan niet te veel vooraf, want dat heb ik toch niet in de hand. Wie weet heb ik over drie, vier jaar de Ronde van Vlaanderen nog altijd niet gewonnen. Ik heb al vaker gezegd dat ik een uitgebreid en gevarieerd palmares wil. En ik wil net iets liever de koersen winnen die ik nog niet heb gewonnen (lacht).”

Laurent Jalabert hemelt je nochtans elk jaar op tijdens de Tour de France.

Van Aert: “Mij ga je nooit horen zeggen dat ik de Tour ga winnen, want dan is het hek van de dam.”

Maar wil je het wel?

Van Aert: “Niet zo hard als de klassiekers, die hebben echt een plekje in mijn hart. Maar vijf jaar geleden had ik ook nooit gedacht dat ik voor de winst zou rijden in de Ronde van Vlaanderen. Ik was een veldrijder en ik dacht niet dat ik daartoe in staat was. Plots ging het snel en reed ik mee in de wegklassiekers. Toen vermoedde ik helemaal niet dat ik ooit aan de Tour zou deelnemen en al zeker niet dat ik met de beste jongens bergop zou rijden. Intussen heb ik zes ritten gewonnen in de Tour. Dus: ja, mijn ambitie kan veranderen, maar op het Tourklassement mikken, dat zit niet in mij. Het lijkt me het allermoeilijkste, en dan heb ik het nog niet over de Tour winnen. Als ik denk dat ik alles heb bereikt wat ik wil bereiken en dat ik het bij wijze van spreken zonder risico kan proberen, dan zou ik er misschien voor gaan. Maar de volgende drie, vier jaar wil ik daar geen energie aan verspillen.”

Dit najaar mik je op het WK en Parijs-Roubaix, en dan begint het veldrijden weer. Julian Alaphilippe heeft heel goede herinneringen aan zijn veldrijderscarrière, maar hij denkt er niet aan om nog te crossen. Waarom blijf jij het doen?

Van Aert: “Ik doe het nog altijd heel graag. Ik weet wel dat het makkelijker zou zijn om een rustige winter te hebben als wegrenner en ik heb in het veld alles gewonnen wat er te winnen valt. Voor het geld hoef ik het ook niet te doen. Maar ik ben ervan overtuigd dat het een sterkere renner van mij maakt. Door die crossen train ik mijn intensiteit, dus waarom zou ik het niet doen? Eerlijk gezegd vind ik het een ideale combinatie, een paar crossen en daarna het voorjaar. Ik zal de komende jaren zeker nog tien crossen per jaar rijden.”

Je wint wel veel minder dan vroeger in het veld en je ziet hard af: je komt telkens net uit een rustperiode, terwijl de andere veldrijders al in topvorm zijn.

Van Aert: “Het enige lastige is dat ik twee maanden cross in de benen moet hebben om een goed WK veldrijden te kunnen rijden. Dat zijn twee maanden waarin wegrenners een ander programma volgen. Het is een complexe puzzel, maar ik vind het nog altijd de moeite waard.

“Ik kan het gewoon niet laten. Na Parijs-Roubaix neem ik een paar weken rust, maar als op 10 oktober de Wereldbeker veldrijden start, zal het beginnen te kriebelen. Dan neem ik mijn crossfiets en train ik in het bos. Na een paar keer heb ik het gevoel van vroeger terug te pakken en wil ik zo snel mogelijk wedstrijden rijden. Zo simpel is het. Maar na het WK veldrijden ben ik wel blij dat ik ervan af ben. De anderen crossen nog drie weken door, maar dan zit ik al met het voorjaar op de weg in mijn hoofd. Ik vind die afwisseling plezierig: het houdt me fris en hongerig. En ik rijd ook geen veertig crossen per jaar meer, zoals vroeger. Dat is het grote verschil (glimlacht).

WK Wielrennen, Sporza op zondag, Eén, 13.30 uur

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234