Woensdag 28/07/2021

InterviewWielrennen

Wat maakt de Giro zo bijzonder? ‘Alles werkt wel, maar niemand weet hoe’

null Beeld EPA
Beeld EPA

De Giro d’Italia is volop bezig, de enige grote ronde waarin nog sprookjes kunnen worden geschreven. Wat is er nu zo bijzonder aan die Ronde van Italië. Na rijp beraad klonk het eenstemmig bij ons wielerpanel: ‘De podiummissen!’

Iljo Keisse (winnaar slotetappe 2015): “De Giro is voor mij met voorsprong de mooiste grote ronde. Je fietst door wondermooie streken. En de koers leeft enorm in Italië: elk dorpje is versierd in het roze. Voor de locals is het – althans vóór corona – dé gebeurtenis van het jaar.”

Victor Campenaerts (vier deelnames): “Echt indrukwekkend, je krijgt kippenvel als je door die dorpjes rijdt.”

Johan Bruyneel (winnaar als ploegleider met Savoldelli in 2005 en Contador in 2008): “De tifosi maken het verschil. De Spanjaarden hebben nauwelijks interesse in hun eigen grote ronde, en de Tour is van iedereen, maar de Giro is van de Italianen: zij dragen de passie uit.”

Roger De Vlaeminck (22 ritzeges): “Ik koerste enorm graag in Italië: ik vond de Giro qua parcours zeker tien keer schoner dan de Tour. Plezanter bestond niet: de etappes waren meestal al gedaan om 16 uur en we moesten nooit verre verplaatsingen doen. Ik heb na een massasprint eens heel hard moeten remmen, anders was ik mijn hotel al voorbij.”

Keisse: “De Tour is stressvol, je krijgt er geen seconde rust. In de Giro kun je tenminste nog op adem komen.”

Renaat Schotte (sportjournalist): “Er is minder media-aandacht, de renners worden er niet bestookt door cameraploegen. Ze zijn bijna blij als je ze komt interviewen.

“Mijn eerste Giro was in 1996, met een start in Athene. Die avond ben ik met commentatoren Mark Uytterhoeven en José De Cauwer ladderzat de Akropolis afgedaald – José liet me metaxa drinken alsof het water was. Sindsdien heeft de Giro een bijzondere plaats in mijn hart en heb ik bijna alle edities ter plaatse gevolgd. Als journalist verkies ik de Giro boven de andere grote rondes. Ook om emotionele redenen: Italië is een fantastisch land om door te reizen, de keuken is de lekkerste van Europa. En ik heb het voor de Italianen: ze zijn heel emotioneel, maar ook oprecht. Ik heb een betere klik met hen dan met de Fransen.”

De Vlaeminck: “De Giro was in mijn tijd véél zwaarder dan de Tour. In 1975 eindigde de slotetappe op de Stelvio. Ik heb toen nog vier minuten verloren. Jammer, want eigenlijk had ik moeten winnen. Ik had mijn zadel 1 centimeter hoger gezet, en dat sloeg op mijn spieren. Gimondi had me gezegd dat je dan beter kon klimmen, en ik had hem geloofd.”

Hoe ervaar je als renner legendarische cols als de Stelvio en de Mortirolo?

Campenaerts: “Ik sta met angst aan de start: ik ben geen klimmer. Dat zijn monsterachtige bergen van bijna 3.000 meter. Ze zitten ook altijd pas de laatste week in het parcours, als je al uitgemolken bent. Maar vorig jaar had ik een goeie dag op de Stelvio: dat was plezant, ook al was het slecht weer. Boven op de top had iedere ploeg soigneurs gezet met extra kleding, en kranten om onder onze truien te stoppen. Dan voel je dat je hetzelfde meemaakt als legendes als Gino Bartali en Fausto Coppi. Ja, dat voelt zeker heroïsch. Maar ik heb de Stelvio ook al vlak voor de bezemwagen opgereden, helemaal alleen. Dan denk je niet: amai, wat een fantastische berg.”

Thomas De Gendt (winnaar van een rit op de Stelvio en 3de in de eindstand in 2012): “Twee jaar na mijn winst was er opnieuw een rit over de Stelvio, in de sneeuw. Die had nóóít mogen doorgaan. Boven op de top was het min 1, en dan moesten we nog afdalen. Levensgevaarlijk. De sneeuw bleef plakken op je bril en je ogen – je zag niks meer. Dat kan alleen in de Giro.”

Johan De Muynck (laatste Belgische winnaar, in 1978): “Ik heb twee opeenvolgende dagen in de sneeuw gereden. Er werd niks afgelast (lacht). Je kon ertegen of niet. Ik had het er moeilijk mee, één dag langer in de koude en ik was gebroken. Maar de derde dag fietsten we langs de kust in stralend weer.”

De Gendt: “Er is toch iets veranderd. Dit jaar hebben ze beslist om bijna geen cols hoger dan 2.000 meter aan te doen. Ze willen het risico op sneeuw zo klein mogelijk houden. Maar daardoor is er, behalve de Monte Zoncolan, geen enkele berg met allure bij, en dat is jammer.”

null Beeld Photo News
Beeld Photo News

Thomas, jij won in 2012 de rit naar de Stelvio na een indrukwekkende solo. Je kende de berg als je broekzak omdat je er zo vaak trainde. Was je al zo vroeg fan van de Giro?

De Gendt: “Nee, dat was puur toeval. In 2005 ging ik bij een reisbureau een boekje halen, ik wilde in het buitenland trainen. Ik heb toen een hotel gekozen dat bij mijn budget paste, en ging af op de prentjes om te bepalen of het in bergachtig gebied lag. Achteraf bleek het hotel op een flank van de Stelvio te liggen: zo is het allemaal goed uitgedraaid.”

Volgt na zo’n overwinning een erkenning voor het leven?

De Gendt (knikt): “Ik krijg nog altijd berichten van Italianen die sinds die dag fan van mij zijn geworden. De Stelvio staat voor hen gelijk met Fausto Coppi: het was toen bovendien net zestig jaar geleden dat hij er had gewonnen. En hij reed toen met een Bianchi, net als ik. Veel Italianen gaan enorm op in de koers, en ze geven dat door aan de volgende generaties. Als je wint op de col waar Pantani trainde, word je voor het leven op handen gedragen door zijn fans. Ik vind dat schoon.”

De Muynck: “Ik draag de Italianen in mijn hart. Ze zijn niet zo chauvinistisch als de Fransen. Als je de Giro hebt gewonnen, zien ze je als een legende. Maar de generatie die mij heeft weten winnen, wordt oud. Enkel als grootvader mee is naar de koers, herkennen ze me nog (lacht).

“Er vallen me nog uitnodigingen te beurt, ja. Ooit mocht ik met de oud-winnaars zelfs op audiëntie bij paus Johannes Paulus II. Die bleef maar ratelen over België, tot het protocol ingreep.”

De Vlaeminck: “Ik heb nog geweten dat de paus het peloton zegende. Ik moet zeggen: ik reed die dag opmerkelijk beter.

“Ik reed ook voor Italiaanse ploegen. Je kon nergens beter zitten: ze waren hun tijd ver vooruit op het gebied van verzorging.”

En kopmannen werden vereerd als koningen.

De Muynck: “Dat is nu nog altijd het geval, maar op een goeie manier. Neem nu iemand als Tom Dumoulin, die zou in een Italiaanse ploeg gekoesterd worden, zeker als ze weten dat hij mentaal breekbaar is. Hij zal bij Jumbo-Visma wel goed behandeld worden, maar in Nederland en België blijft het koel en afstandelijk. Terwijl je op sommige renners moet inpraten. Bij mij was dat niet nodig, nee, ik was een keikop. Net als Roger.”

Patrick Lefevere (manager Deceuninck-Quickstep): “Zeker met jonge renners zijn ze extra begaan: ze zorgen ervoor dat die niet opbranden.

“Italiaanse ploegen hebben wel altijd uitgesproken favorieten: één kopman, en daar wordt alles voor gedaan. Als je als ploegmaat je wiel niet afgeeft, ben je bij wijze spreken al ontslagen. Dat zou niet mogen.”

Campenaerts: “Ik hoor vaak vertellen dat Italiaanse vrouwenploegen ’s avonds geen eten krijgen als ze geen resultaten hebben behaald.”

Thomas De Gendt won in 2012 op de Stelvio. ‘Ik krijg nog altijd berichten van Italianen die sinds die dag fan van mij zijn geworden.’ Beeld Photo News
Thomas De Gendt won in 2012 op de Stelvio. ‘Ik krijg nog altijd berichten van Italianen die sinds die dag fan van mij zijn geworden.’Beeld Photo News

ROZE REMCO

Dé vraag die bij iedereen leeft: kan Remco Evenepoel deze Giro winnen?

Campenaerts: “Voor mij is hij de topfavoriet voor de twee tijdritten én het eindklassement.”

Ook al heeft hij al acht maanden geen koers gereden?

Campenaerts: “Dat is net een voordeel. Als je goed en doordacht traint, kun je je veel beter voorbereiden. Veel wedstrijdkilometers malen is iets van vroeger. Sinds Team Sky met weinig wedstrijden de Tour kwam winnen, is er veel veranderd.

“Ik ken Remco een beetje, we hebben geregeld contact: ik weet dat hij ongelooflijk voor zijn vak leeft en heel goed begeleid wordt. Ik denk niet dat hij zal verzwakken in de derde week, daarvoor heeft hij al te veel laten zien. Hij zal heel goed voorbereid zijn. En zijn werklust is gewoon indrukwekkend. Zijn trainingen zijn monsterachtig, maar hij is zo waanzinnig getalenteerd dat hij dat aankan. Voor mij is dat niet weggelegd.”

Je draagt hem een warm hart toe.

Campenaerts: “Aanvankelijk was Remco als tijdrijder een concurrent, maar ik heb me er al lang bij neergelegd dat hij beter is. Nu ben ik fan. Ik zou het fantastisch vinden als Remco wint, en ik geloof écht dat het kan.”

De Gendt: “Áls hij zijn normale wattages kan trappen, doet hij mee voor de winst. Maar fan zoals Victor ben ik niet, daarvoor geeft Remco me te veel op mijn doos.”

Johan, wordt Evenepoel jouw opvolger?

De Muynck: “Ik spring een gat in de lucht als hij de Giro wint: dat ik dát nog mag meemaken. Maar we moeten voorzichtig zijn met die gast, we mogen hem niet te veel druk opleggen. Remco is een klasbak, maar je mag niet onderschatten wat het is om in een peloton rijden. Hij zal de eerste tien dagen niet op zijn gemak zitten, en moeten wennen aan het gewoel en het gedrum.”

De Vlaeminck: “Onmogelijk dat hij wint. Als hij dat doet, is hij nog beter dan ik al dacht. Dan moet hij verschrikkelijk hard getraind hebben.”

Bruyneel: “In zijn hoofd denkt hij dat hij kan winnen, daar ben ik zeker van.

“Het grootste gevaar is hijzelf. Dat is met alle grote kampioenen zo. Ik heb het gezien bij Armstrong en Contador: ze zijn te gretig, je moet hen intomen.”

Lefevere: “We gaan naar de Giro met Almeida als kopman. Remco is de underdog. Maar we hebben geen leidraad. Hij zegt wel dat hij goed is, maar hij heeft niet gekoerst. De eerste week zal cruciaal zijn, om het goeie gevoel terug te vinden en geen tijd te verliezen.”

Zul je hem moeten intomen?

Lefevere: “We zullen wel zien. Maar die jonge renners vliegen er graag van ver in, zonder nadenken. Er zijn geen zekerheden meer, maar zo maken ze de koers wel attractiever. Nu, hopelijk pakken we de roze trui niet op de eerste dag, anders moeten we de hele ronde op kop rijden (lacht).”

Keisse: “Vorig jaar hebben we bijna vanaf dag één op kop gereden. En hoe je het ook draait of keert, op het einde betaal je dat cash.”

Jij zal zijn gids zijn tijdens zijn eerste grote ronde, Iljo.

Keisse: “We kunnen het goed met elkaar vinden. Ze hebben ons tijdens de eerste stage samengelegd op de kamer, de jonge welp en de oude wolf, en het klikte meteen. Sindsdien delen we altijd een kamer, terwijl wij twee totaal andere types zijn. Ik kon zelfs zijn vader zijn! Maar het houdt mij jong.

“De Giro stond aanvankelijk louter op Remco’s programma als voorbereiding op de Olympische Spelen en het WK. Alle ogen zijn op hem gericht, maar binnen de ploeg houden ze de verwachtingen laag. Ik zal proberen hem zo kalm mogelijk te houden in het begin. Soms is het de eerste dagen al oorlog.”

Bruyneel: “Als zijn basis goed is, zal hij alleen maar verbeteren. Als ik ploegleider was van de concurrentie, zou ik het niet laten om hem in het begin op achterstand te zetten, als de kans zich voordoet. Ze zouden er anders nog spijt van kunnen krijgen!”

Schotte: “Ik heb Evenepoel in maart gesproken voor het magazine Procycling. Hij zei toen dat men er te licht overgaat dat zijn lichaam aan de rechterkant helemaal gebroken was. Hij heeft een paar keer expliciet herhaald: ‘Sorry, mensen, het zal niet voor dit jaar zijn. Ik ga niet om te winnen.’ Mijn inschatting is: Evenepoel is een zelfbewuste kerel, als hij denkt dat hij kan winnen, zal hij dat niet wegstoppen. Hij zei ook: ‘Ik ga rijden voor Almeida.’ De buitenwereld gelooft hem niet. Nochtans heb ik een rustigere Remco gezien, die zijn woorden begint te wikken. Hij is enorm geschrokken van wat er in Lombardije is gebeurd. En als hij zegt dat de Giro één lange trainingsstage is, dan heb ik geen enkele reden om daaraan te twijfelen.”

Lefevere: “Hij heeft er alles aan gedaan, en stond nog nooit zo scherp. Chapeau voor zo’n jonge kerel van 21 jaar. Ik heb nog nooit iemand gezien die er zoveel voor doet. En er nog meer voor laat. Je moet het maar doen: zes weken op hoogtestage, alleen op een berg waar niks te beleven valt. Die opofferingen, pfff, ik zou nu geen renner meer willen zijn.”

Patrick Lefevere: ‘We gaan naar de Giro met Almeida (foto) als kopman. Remco is de underdog. De eerste week zal cruciaal zijn, om het goeie gevoel terug te vinden.’ Beeld Photo News
Patrick Lefevere: ‘We gaan naar de Giro met Almeida (foto) als kopman. Remco is de underdog. De eerste week zal cruciaal zijn, om het goeie gevoel terug te vinden.’Beeld Photo News

MAFFIA

Het valt allemaal af te wachten: ook eigen aan de Giro is het verrassende koersverloop.

De Muynck: “Die Italianen rijden een gezapig tempo, en dan ineens ontploft de boel. Niet iedereen kan daartegen.

“In de Tour is er helemaal niks meer te beleven. Dat komt vooral omdat ze het middengebergte links laten liggen. Dat komt de spanning niet ten goede. Want in de Alpen blijf je sowieso maar met acht renners over en wordt het voorspelbaar.

“In de Giro is het parcours altijd selectief: zodra je vanaf de kust het binnenland indraait, krijg je kronkelende wegen, en gaat het via kleine dorpjes naar omhoog: spektakel verzekerd. Je moet ook tactisch meer onderlegd zijn om de Giro te winnen.”

Hoe heb jij in 1978 gewonnen?

De Muynck: “Door altijd waakzaam zijn. Er waren vier à vijf Italianen die ook kans maakten, en die hield ik in het oog. Italiaanse sportbestuurders zijn ook meer uitgekookt. Ik had bij Bianchi Giancarlo Ferretti, de leepste van allemaal. En als ploegmakkers had ik Gimondi en Santambrogio. Slimme gasten die de tegenstand voortdurend in de gaten hielden. Daar gaat het om: je moet je tegenstander niet aanvallen als hij op zijn sterkst is, maar als hij een zwak moment heeft.”

De Gendt: “Tactiek is nu nog veel belangrijker dan vroeger. Je kunt niet meer als een halvegare demarreren en met geluk winnen.”

Schotte: “Het verrassende koersverloop is eenvoudig te verklaren. In de Giro zijn de ploegen niet op hun sterkst, waardoor er minder controle is. Ontsnappingen hebben daardoor meer kans. Schoolvoorbeeld is de machtige solo van Chris Froome in 2018 over de Colle delle Finestre, waardoor hij zijn achterstand goedmaakte en uiteindelijk de Giro won. Zoiets kan niet in de Tour. Misschien zit Evenepoel ook wel op zoiets te broeden.

“Kijk eens terug naar het podium van vorig jaar: je was steenrijk geweest als je op Geoghegan Hart, Hindley en Kelderman had gegokt. Dat is het leuke van de Giro: je ziet renners vroeg doorbreken, omdat ze in Italië wel kansen krijgen.”

Om de Italiaan Francesco Moser te laten winnen van de Fransman Laurent Fignon in 1984, liet de organisatie een helikopter laag boven Fignon vliegen in de afsluitende tijdrit, waardoor hij niks dan tegenwind ving. Is in de Giro alles mogelijk?

De Vlaeminck: “De Italianen maken het parcours op maat van hun renners. Toen Saronni moest winnen, deelden ze extra bonificatieseconden uit omdat hij snel was aan de meet. Voor Moser schrapten ze de zware cols, hij kreeg tijdritten in de plaats.

“De Italianen durven veel, hoor. Ik geloof Eddy als hij zegt dat hij geflikt werd in Savona (Merckx testte in de Giro van 1969 positief, maar heeft altijd zijn onschuld staande gehouden, red.). Wij namen geen doping: wij konden het ons met onze status niet permitteren om gepakt te worden.”

De Muynck: “Je moet voorzichtig zijn, want het risico bestaat dat ze je flikken.”

Wat bedoel je daarmee?

De Muynck: “Je moet ogen op je kont hebben, ze zijn tot alles in staat. In 1976 reed ik tot de laatste dag in het roze, maar heb ik de Giro verloren in de afsluitende tijdrit. Alleen: ik weet nog altijd niet hoe. Tot op 5 kilometer van het einde had ik de eindwinst te pakken. Maar dan zijn de motoren van de televisie in actie gekomen, en verloor ik plots tijd. Hebben zij Gimondi, die uiteindelijk heeft gewonnen, uit de wind gezet? De ene zegt van wel, de andere van niet. Toen ik twee jaar later met hem in de ploeg reed, zei Felice me wel: ‘In normale omstandigheden win jij altijd.’”

Thomas, in de Giro van 2012 kwam vlak voor de afsluitende tijdrit een onbekende Italiaanse man in maatpak je hand schudden, die hij iets langer dan nodig vasthield. Nadien stond je drinkbus open.

De Gendt: “Dat was te veel toeval om goed te zijn. Vooral omdat je zoveel verhalen hoort over de maffia in Italië. Vorig jaar was de start in Sicilië. Onze Italiaanse ploegmaats waarschuwden ons: ‘Doe hier niks stoms. Als iemand iets naar je schreeuwt, steek zeker geen middelvinger op, of je haalt de start niet.’

“Ik zie het vandaag niet meer gebeuren dat de wedstrijdorganisatie iemand bevoordeelt – vooral omdat de UCI er streng op toekijkt. Al rijden de motoren van de Italiaanse televisie wel te dicht voor de kopgroep als er een landgenoot bij is. Maar dat doen ze in Frankrijk en Spanje ook.”

In België ook?

De Gendt: “Ik rijd geen koersen in België. Maar in de Ronde van Zwitserland heeft een Belgische fotograaf eens iets langer dan nodig voor mij gereden toen ik demarreerde (lacht).”

Victor Campenaerts over Remco Evenepoel: ‘Zijn trainingen zijn monsterachtig, maar hij is zo waanzinnig getalenteerd dat hij dat aankan. Voor mij is dat niet weggelegd.’ Beeld WOUT BEEL
Victor Campenaerts over Remco Evenepoel: ‘Zijn trainingen zijn monsterachtig, maar hij is zo waanzinnig getalenteerd dat hij dat aankan. Voor mij is dat niet weggelegd.’Beeld WOUT BEEL

CHAOS EN PASTA

Waar kijk je minder naar uit?

De Gendt: “De chaos, dat is ook typisch Italiaans. Alles werkt wel, maar niemand weet hoe. En zodra zich een probleem voordoet, is er niemand om het op te lossen. Meestal zijn er te weinig parkeerplaatsen of staan we met de bus uren vast op een col, omdat de organisatie er geen rekening mee heeft gehouden dat iedereen tegelijk van dezelfde berg af moet.”

Schotte: “Het is niet altijd pico bello georganiseerd, maar op het einde komt alles altijd goed. Ik hou ervan. Chaos is niet meer dan de onberekenbaarheid van het leven (lacht).”

De Muynck: “Ze durfden vroeger ook op de vreemdste plaatsen etappes organiseren. Ik heb nog een tijdrit gereden in Venetië, met aankomst op het San Marcoplein. Indrukwekkend mooi! Maar in Venetië zijn geen straten waarin je kunt koersen, dus hadden ze pontons met planken gemaakt, over de kanalen. Op het einde kwam er een onweer opzetten, en waaiden die pontons van de ene kant naar de andere! Dat was nog in de tijd van Vincenzo Torriani als organisator.”

Een berucht figuur, altijd met sigaret in de mond.

Lefevere: “Een echte tiran, een Mussolini. Hij duldde geen tegenspraak. En was niet bang om een Italiaan te bevoordelen (lacht).”

Schotte: “Nu is Mauro Vegni de baas. Hij neemt minder risico’s dan zijn voorgangers. Al is hij wel een typische Italiaan, die vol emotie zit en met vuur zijn wedstrijd verdedigt. Heel anders dan de afgemeten toon die Tour-baas Christian Prudhomme gebruikt.”

Campenaerts: “In 2018 zijn we gestart in Jeruzalem, dat vond ik niet prettig. We moesten in het midden van de nacht opstaan voor de transfer richting Italië. Maar ja, die landen betalen er veel voor.”

Bruyneel: “Wij mochten in 2008 niet starten met Astana, door de schorsing van Vinokourov en Kashechkin. Tot de toenmalige organisator Zomegnan me belde: ‘Tu viens, mon ami?’ Bleek dat een Kazachse minister veel geld had betaald – 300.000 euro, heb ik me laten vertellen – waardoor we toch mochten deelnemen. Die minister heeft Contador verplicht deel te nemen, want die lag op het strand in Cádiz. Ik heb nog gezegd: ‘Van mij moet er niks, probeer gewoon te volgen.’ Maar naarmate de koers vorderde, werd hij beter en beter. Uiteindelijk heeft hij nog gewonnen ook.”

Campenaerts: “Wel iets om naar uit te kijken: de Giro is bekend om de mooiste podiummissen.”

Kijk eens aan.

Campenaerts: “De Italiaanse vrouwen zijn mooi. Ik heb er alleen nog geen enkele keer mee te maken gehad.”

De Vlaeminck: “Ik heb er elders ook al mooie gezien, hoor. Maar het klopt, ik ben met onze ploegarts na de finish in Milaan ooit nog met twee van die meisjes op stap geweest. Heel plezant. Gewoon wat praten, hoor, er is niks gebeurd.”

Schotte: “In Italië zijn de bergen steiler en de rokjes korter, zeg ik altijd. De missen zijn door de coronacrisis helaas van het podium verdwenen, en los van alle discussies en politieke correctheid daarrond vind ik dat podiummissen bij de koers horen, ik zie daar niks seksistisch in. Italianen kunnen zonder schroom naar een mooie vrouw kijken, Italiaanse vrouwen worden zelfs kwaad als je niet gekeken hebt. De cultuur rond missverkiezingen is daar al een sport op zich.”

De Gendt: “Sinds corona moet je zelf je bloemen van een tafel nemen. Maakt mij niks uit. Het is dubbel: enerzijds is het principe van de podiummiss een beetje achterhaald, anderzijds kiezen die vrouwen daar zelf voor.”

Nog zaken om naar uit te kijken?

Lefevere: “De pasta. Simpel, met kaas en olijfolie. En een glas wijn.”

Campenaerts: “Toen ik bij Lotto reed, namen we onze ploegkok niet mee naar Italië, omdat het eten daar sowieso goed is. Dat kun je in Frankrijk niet riskeren. Ook de hotels: zo’n erbarmelijke Campanile kom je in Italië niet tegen.”

De Gendt: “Vorig jaar verbleven we op een landgoed, vol met Romeinse beelden. Fantastisch, je waant je een keizer.”

Wie zwaait in Milaan met de bloemen?

Bruyneel: “Ik zie Simon Yates als één van de favorieten. En ja, ook Evenepoel. Zijn ploeg is sterk en er is niet veel concurrentie. Nibali mag je ook nooit afschrijven. Bernal is te duchten, maar vorig jaar leefde hij te weinig voor zijn sport en ook nu weten we niet wat er loos is.”

De Gendt: “Het is een atypische Giro. Zonder lange overgangsetappes, heel uitzonderlijk. Ook de bergetappes lijken mee te vallen: op papier ziet het er minder zwaar uit dan andere jaren. Ik ga vooral onze sprinter Caleb Ewan aan etappezeges helpen, al mag ik ook mijn eigen kans gaan.”

Iljo, hoe voelt het om de slotetappe te winnen in Milaan, zoals jij deed in 2015? Valt dat te vergelijken met winnen op de Champs-Élysées?

Keisse: “Toch wel. Dat jaar zat alles tegen: Urán reed geen goed klassement, en Boonen, Serry, Petacchi en Meersman waren uitgevallen. Onze ploegleider Bramati had gezegd: ‘Geen paniek, Iljo wint de slotrit.’ Niemand geloofde dat, ik ook niet. De voorlaatste rit kwam ik als voorlaatste boven op de Zoncolan. Omdat Brama maar bezig bleef over die laatste rit, dacht ik: hoe moet ik dat aanpakken? Ik demarreerde op 30 kilometer van de streep en kreeg Durbridge mee. We hielden stand. En in de sprint won ik. Héél maf.”

Het leek koel afgemaakt.

Keisse: “Op televisie misschien (lacht). Die nacht sliep ik in Turijn in een kamer met nummer 108. Het nummer van Wouter (Weylandt, Keisses boezemvriend die in de Giro van 2011 verongelukte met rugnummer 108, red.). Sinds hij gestorven was, had ik nooit meer in een kamer met dat nummer geslapen. Maar die nacht dus wel. Ongelooflijk eigenlijk, te mooi om waar te zijn.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234