Zondag 09/05/2021

Reportage

Waarom de oranje sportvrouwen alle andere overklassen

De Nederlandse handbalsters vieren hun overwinning op het WK handbal in Japan, 2019. Beeld ANP
De Nederlandse handbalsters vieren hun overwinning op het WK handbal in Japan, 2019.Beeld ANP

Niet verwonderlijk dat de Nederlandse wielrensters die van ons met huid en haar op­eten. Dat doen ze in wel meer sporten, met wel meer landen. Ze domineren zelfs hun eigen mannen. ‘Nergens presteren de vrouwen beter dan in Nederland.’

Hoe het vrouwenpodium vorig weekend op het wereldkampioenschap veldrijden in Oostende zou kleuren, dat lag op voorhand al zo goed als vast: oranje, oranje en nog eens oranje. Alleen de volgorde waarin de Nederlandse vrouwen de eind­streep aan de Wellington­renbaan zouden bereiken, was nog even onduidelijk. Op de weg, in het veld, modder of zand: Nederland is bij de vrouwen dé wieler­natie van het moment.

En dat is niet voor het eerst.

Brasserie Het Houten Hand aan de Ninove­steenweg 80 in Erembodegem, België dus, bestaat nog steeds. Daar begint in de jaren dertig van de vorige eeuw de sportieve geschiedenis van het Nederlandse wielrennen. Jarenlang was Mien van Bree vanuit Loosduinen bij Den Haag op de fiets naar België gereden, had logies gezocht voor een nacht of twee, om tussendoor een koers te rijden en dan terug naar Loosduinen te fietsen.

Voor Nederlandse vrouwen was koersen uit den boze. Op rij­scholen, zoals de dames­wielrij­school van mejuffrouw Schakel in Amsterdam, leerden vrouwen goed gekleed en met rechte rug te rijden. Dat was anders in België, waar de Eerste Wereld­oorlog voor een versnelde ontvoogding van de vrouw had gezorgd. Op stemrecht moesten de Belgische vrouwen wachten tot 1948 (in Nederland al in 1919), maar ze mochten wel koersen.

Vrouwelijke wielerpionier Mien van Bree op de piste. Beeld rv
Vrouwelijke wielerpionier Mien van Bree op de piste.Beeld rv

Op een van die wedstrijden kwam Mien van Bree in contact met de Belgische Maria Gaudens. De vrouwen hadden een gezamenlijke passie voor de fiets en uiteindelijk ook voor elkaar - twee keer geen evidentie in die tijd. Ze gingen samenwonen en werkten allebei in café Het Houten Hand.

Hoewel de Internationale Wieler­unie (UCI) wereldtitels voor vrouwen pas zal erkennen vanaf 1958, organiseert België al veel langer een officieus WK voor vrouwen. In 1934 wordt de dan 23-jarige Van Bree meteen achtste en tussen 1935 en 1937 wordt ze drie keer tweede na de ongenaakbare Elvire De Bruyn, ook uit Erembodegem bij Aalst. In 1938 en 1939 lukt het Van Bree dan toch om wereldkampioene te worden. Haar concurrente is afgehaakt. De intersekse­atleet Elvire heeft zich in het bevolkingsregister als Willy De Bruyn laten inschrijven.

Van Brees wereldtitel ging in Nederland niet onopgemerkt voorbij. In de Nieuwe Tilburgse Courant verschijnt na dat WK in 1938 een stukje, mét foto: ‘... Zondag is te La Louvière het wereldkampioenschap voor vrouwelijke renners verreden over 120 km. Eerste werd Mien van Bree uit Den Haag in 3 uur, 41 seconden...’

De journalist besloot met een uit­smijter: ‘... Zouden onze vrouwen niets beters te doen hebben?’

Onzedelijke kledij

Nederland was toen nog lang niet hét wielerland bij de vrouwen - en bij uitbreiding hét fietsland met 22 miljoen rijwielen voor 32.000 kilometer aan fiets­paden. Wielrennen was een zaak van mannen op afgesloten wielerbanen. De fiets was in de eerste plaats een keurige en veilige manier om je te verplaatsen. Rustig fietsen was de boodschap en daarom kregen de Nederlandse rijwielen – de zogenoemde Dutch bike werd later ook een hele industrie – bewust geen versnellingen.

Anna van der Breggen wint zowat alle wedstrijden waar ze haar zinnen op zet, zoals hier tijdens het WK op de weg in Imola vorig jaar. Beeld EPA
Anna van der Breggen wint zowat alle wedstrijden waar ze haar zinnen op zet, zoals hier tijdens het WK op de weg in Imola vorig jaar.Beeld EPA

Voor een deel van de Nederlandse vrouwen bleek het nieuwe vervoers­middel wel een manier om zich los te maken van het huishouden, ondanks enkele hardnekkige vooroordelen. Zo zou de fiets­kleding van de vrouwen – een soort broekrok en blouse – onzedelijk zijn. Vrouwen die te veel fietsten, zouden misvormd raken door te zwaar ontwikkelde bovenbenen. Of ze zouden onvruchtbaar worden. Misschien nog erger: de fiets was een geheim middel ter bevordering van masturbatie.

Ondanks die toegenomen populariteit van de fiets, verdween wielrennen als vrouwensport na het curiosum Mien van Bree in de vergetelheid. Gymnastiek en zwemmen waren dé vrouwen­sporten. De Nederlandse zwemsters hadden in het interbellum een dynastie opgebouwd met medailles op de Olympische Spelen van 1932 en 1936. In Berlijn stonden vijf gouden medailles op het spel: Nederland won er vier van, drie alleen al voor Rie Mastenbroek, die ook nog eens tweede werd en op dat moment de meest gelauwerde olympiër aller tijden was.

Na de Tweede Wereld­oorlog was het de beurt aan een andere vrouwelijke olympiër om de show te stelen: Fanny Blankers-Koen onttroonde met vier keer goud in sprintnummers en verspringen Rie Mastenbroek als meest succesvolle medaille­winnares.

Sporthistoricus Jurryt van de Vooren heeft onderzoek gedaan naar de positie van Nederland in de vrouwensport. Hij noemt Mien van Bree, Rie Mastenbroek en Fanny Blankers-Koen toevals­treffers. “Nederland was dan nog erg conservatief en of het nu dankzij, of ondanks dat conservatisme is, daar ben ik niet uit. Maar na Blankers-Koen ging het een hele tijd minder met de vrouwentopsport. Pas in de jaren tachtig en vooral vanaf 2000, is er sprake van structureel betere prestaties.”

Opvallend is dat zelfs de successen van Fanny Blankers-Koen niet voor een déclic in de Nederlandse maatschappij zorgden. De vrouw moet zich fysiek zo niet uitsloven, was de algemene teneur. Als de stad Rotterdam in de jaren vijftig de plannen bekendmaakt voor een standbeeld voor de viervoudig olympisch kampioene, schrijft een lezer van de linkse krant Het Vrije Volk: “Dat heeft duidelijk te maken met verafgoding en waar moet dat heen?”

De oranje voetbalsters op weg naar zilver op het WK in 2019 in Frankrijk. Beeld Photo News
De oranje voetbalsters op weg naar zilver op het WK in 2019 in Frankrijk.Beeld Photo News

Sportverdwazing is het, aldus een groep christelijke studenten lichamelijke opvoeding die protesteert tegen de inhuldiging van het beeld in 1956 bij de ingang van Diergaarde Blijdorp, de Rotterdamse dierentuin. In datzelfde jaar wordt de wet afgeschaft die vrouwen uit hun baan ontslaat als ze willen trouwen. De stemming in de Tweede Kamer voor het nieuwe wetsvoorstel is nipt: 46 tegen 44.

Neen, Nederland loopt kort na de Tweede Wereld­oorlog niet voor in vrouwen­emancipatie. Dat verandert met de komst van de pil (niet langer verboden vanaf 1964), parttime­banen, kinder­opvang en sociale voorzieningen. Vrouwen krijgen het makkelijker om hun zorgtaken met een baan te combineren.

In de jaren zestig en zeventig beleeft Nederland vooral in de verstedelijkte gebieden woelige tijden. De positie van de vrouw verandert samen met de hele Nederlandse maatschappij. Of de doorbraak van de Nederlandse sportvrouwen in de jaren tachtig een rechtstreeks gevolg is van die tweede feministische golf (de eerste golf liep van 1870 tot 1920 en eindigde in kiesrecht), wil geen Nederlander met kennis van zaken bevestigen.

Van de Vooren is formeel: het feminisme van de jaren zeventig was geen directe factor: “De Dolle Mina’s waren helemaal niet geïnteresseerd in sport, wel in politiek en cultuur.”

Het bloed van de sportende Nederlandse vrouw kruipt evenwel waar het niet gaan kan en is niet meer te stoppen. Op de vijf Olympische Spelen tussen Tokio 1964 en Moskou 1980 wint Nederland dertig medailles, negen daarvan door vrouwen. In Los Angeles 1984 winnen Nederlandse vrouwen plots elf van de dertien Nederlandse medailles. Voetnoot: dat is mede te verklaren door de afwezigheid van de (meeste) Oostblok­landen, waaronder de powerhouses USSR en DDR, die traditioneel op vrouwen inzetten.

In de twee daaropvolgende Spelen in Seoel en Barcelona zullen de Nederlandse vrouwen net niet aan de helft van de mannen­medailles komen. In 1988 wordt Monique Knol wel de eerste Nederlandse olympisch kampioene in het wielrennen. Op de negen keer dat de wegwedstrijd voor vrouwen olympisch was, heeft Nederland vier keer goud gehaald. Ook op wereldkampioenschappen begint het met een superieur individu – Katie van Oosten-Hage wint in 1968 en 1976 – om te evolueren naar een structureel overwicht. De laatste vier wereldkampioenen bij de vrouwen op de weg zijn Nederlandse vrouwen. Vandaag voeren onze noorderburen de alltime medaille­tabel aan met dubbel zoveel WK-medailles (34) als het tweede land, Frankrijk. België won voor het laatst een vrouwenmedaille in 1994.

Dafne Schippers wint goud op de 200 meter tijdens het WK In Londen, 2017. Beeld EPA
Dafne Schippers wint goud op de 200 meter tijdens het WK In Londen, 2017.Beeld EPA

Die evolutie zet zich ook door in andere sporten en krijgt een olympisch vervolg: in Atlanta 1996 nemen de Nederlandse vrouwen weer de bovenhand op de mannen en vanaf Sydney is het hek helemaal van de dam. De hele ploeg scoort beter dan ooit – vijfentwintig medailles waarvan twaalf gouden – en in die ploeg nemen de vrouwen met vijftien plakken het voortouw.

Jurryt van de Vooren: “In de laatste 25 jaar leverde ons land net zoveel olympische kampioenen als in de 75 jaar daarvoor. De feminisering van olympisch succes typeert het Nederlandse topsport­klimaat van deze eeuw. Sterker: er is geen ander land ter wereld waar de vrouwelijke sporters zo veel invloed op de nationale olympische successen hebben gehad. Nederland is de laatste decennia dankzij de vrouwen een topsportland.”

Het Internationaal Olympisch Comité wil dat straks in Tokio bijna evenveel vrouwen als mannen deelnemen. Tegen Parijs 2024 moet het verschil helemaal weg zijn, maar in Tokio zijn – als de Spelen doorgaan – voor vrouwen nog steeds 75 medailles minder te verdienen. Van de Vooren denkt dat Nederland goed zit. Frankrijk, waar de mannen de vrouwen met 110 procent overtroeven, heeft dan weer een probleem. “Die lopen echt achter met hun vrouwen en straks zijn er nooit meer vrouwenmedailles te winnen dan op hun eigen Spelen van Parijs. Benieuwd of ze die inhaal­slag kunnen maken.”

Ook in België scoren de vrouwen olympisch beter dan de mannen. Zij behaalden elf van de negentien medailles tussen 2000 en 2016, maar België is als zwak sportland statistisch eigenlijk weinig relevant.

Zoals wel vaker in de sport is er niet één verklaring voor dat plotse succes van de Nederlandse vrouwen. Romantici gaan soms vijfhonderd jaar terug en dagdromen over een eeuwen­oude zorgvuldig opgebouwde genetische superioriteit van de onverzettelijke Nederlandse vrouw. Dan valt al snel de naam van Kenau Simonsdochter, de eigenares van een scheepswerf die in 1572 het voortouw nam in het verzet van Haarlem tegen de Spanjaarden.

De kwalificatie ‘kenau’ staat sindsdien voor ‘bazige vrouw’, maar evengoed voor ‘heldin die weet van aanpakken’.

Hebben alle Nederlandse vrouwen dan een soort kenau-gen? De 22-jarige Ceylin Del Carmen Alvarado, tot vorige week de regerende wereldkampioene veldrijden en het grootste talent, met haar 100 procent Dominicaanse roots alvast niet. Via haar Nederlands paspoort en opvoeding sloop er volgens haar ploegleider Christoph Roodhooft wel een Nederlandse eigenschap naar binnen: “Ze is klein en ziet er helemaal niet oer-Hollands uit met haar krullend haar en huidskleur, maar die grote mond heeft ze wel. Ceylin komt op voor zichzelf. Goed zo, zou ik zeggen. Met de Belgische vrouwen heb ik totaal andere ervaringen.”

Als de genen niet alles verklaren, komt het dan vanuit de overheid?

In de Verenigde Staten verplichtte in 1972 het zogeheten Title IX, als onderdeel van een onderwijswet, gender­gelijkheid in het onderwijs en dus ook in de universitaire sport. Als gevolg daarvan groeiden de VS uit tot het land met de meeste olympische medailles in de vrouwensport.

“Nederland heeft nooit ingezet op vrouwen alleen”, duidt Van de Vooren. “De Nederlandse sport heeft zich in zijn totaliteit geprofessionaliseerd en daarvan profiteerden de vrouwen meer dan de mannen.”

Ranomi Kromowidjojo en Marleen Veldhuis (op de rug gezien) winnen op de 50 m vrije slag respectievelijk goud en brons  tijdens de Zomerspelen van 2012 in Londen. Beeld REUTERS
Ranomi Kromowidjojo en Marleen Veldhuis (op de rug gezien) winnen op de 50 m vrije slag respectievelijk goud en brons tijdens de Zomerspelen van 2012 in Londen.Beeld REUTERS

De sociale randvoorwaarden voor Nederlandse topsporters zijn deze eeuw wel fel verbeterd. Na de succesvolle Spelen van Sydney kwam er het stipendium, een maandelijkse topsport­vergoeding die overigens een stuk lager ligt dan in België. Die vergoeding heeft heel wat potentiële top­sporters (mannen en vrouwen) een houvast gegeven om alles op hun topsport te kunnen zetten, maar veel van de betere vrouwenprestaties zijn geleverd vóór het stipendium. In Sydney gingen zeven van de twaalf Nederlandse gouden medailles naar vrouwen, waar­onder drie voor zwemster Inge de Bruijn en drie voor wielrenster Leontien van Moorsel.

Generatie-effect

Is er dan misschien sprake van een wieler­systeem? Nederland kent de Dikke Banden Races (wedstrijdjes voor kinderen van 7 tot 12 jaar op hun eigen fiets), maar dat lijkt ook geen alles­bepalende factor. Nederland is natuurlijk een fietsland en telt, naast 50 procent meer inwoners dan België, ook veel meer fietskilometers bij de jeugd. Komt daarbij dat er nu sprake is van een generatie-effect: door onderlinge concurrentie maken de vele toppers elkaar beter.

De meeste waarnemers en kenners schrijven het succes toe aan een veelheid van factoren die gunstig op elkaar inwerken. Een welvarend land, gender­gelijkheid, rol­modellen, een topsport­cultuur, een ingebakken assertiviteit, een sterke generatie... Vermeng dat alles met een gunstige fysieke voorbestemdheid en je hebt wellicht het recept voor het succes.

Fysiek heeft de Nederlander wel degelijk een voordeel op de rest van de wereld: nergens worden langere mensen geboren en lengte is in de meeste sporten een voordeel. Die lengte is terug te voeren op eeuwenlange eiwit­rijke voeding in een welvarend land. Mannen van negentien zijn in Nederland gemiddeld bijna 181 centimeter lang. Als daar de mannen van oer-Nederlandse origine uit worden gefilterd, stijgt dat zelfs tot bijna 184 centimeter. Bij de vrouwen is het respectievelijk 167,5 en 170,7 centimeter. Autochtone Belgen – mannen en vrouwen – zijn bijna vier centimeter kleiner dan Nederlanders op die leeftijd.

Opvallend en een bewijs dat lengte ook niet altijd de reden is: in 2012 en 2016 pakte zowel een Nederlandse man (Epke Zonderland) als een Nederlandse vrouw (Sanne Wevers) een gouden medaille in het gymnastiek, een sport die het juist níét van lengte moet hebben. Zonderland en Wevers komen dan ook nog eens uit Friesland, waar de allerlangste van de lange Nederlanders wonen.

Gracenote, een statistiekbureau dat zich op de resultaten van alle internationale sport­evenementen van de afgelopen vier jaar baseert, zette Nederland vorig jaar voor Tokio 2020 op een zesde plaats in het verwachte medaille­klassement. Dat is nog twee plaatsen hoger dan bij Sydney 2000. De prognose kwam uit op een record­aantal van 41 medailles, waarvan 24 voor de vrouwelijke olympiërs en 15 voor Nederlandse mannen.

Bronnen: Mariska Tjoelker, Mien, een vergeten geschiedenis; ‘Sportgeschiedenis.nl’ van Jurryt van de Vooren.

De Nederlandse volleybalsters behoren alweer een paar jaar tot de absolute wereldtop. Beeld EPA
De Nederlandse volleybalsters behoren alweer een paar jaar tot de absolute wereldtop.Beeld EPA

Top tien sportprestaties van Nederlandse vrouwen in de 21ste eeuw

In deze lijst is alleen rekening gehouden met zomer­sporten. In de micro­kosmos van de winter­sporters is Ireen Wüst de absolute nummer één. Met elf medailles (vijf keer goud, vijf keer zilver en één keer brons) is de schaatster de meest succesvolle Nederlandse olympiër ooit.

Volleybal: De eerste en langst volgehouden Nederlandse vrouwen­dynastie sinds het Europees brons van 1985. In 1995 wonnen ze het EK. Daarna nog drie keer tweede van Europa en vierde van de Olympische Spelen (2016) en van de wereld (2018).

Leontien van Moorsel (wielrennen): Won vier gouden medailles op twee Olympische Spelen van 2000 en 2004. Werd twee keer wereldkampioene op de weg en twee keer in tijdrijden en won ook wereldtitels in het baanwielrennen.

Inge de Bruijn (zwemmen): Won in Sydney in 2000 goud op de 50 en 100 meter vrije slag en de 100 meter vlinder­slag. Deed dat over in Athene op de 50 meter vrije slag. Werd ook vijf keer wereldkampioen en verbeterde drie wereldrecords op de lange baan.

Marianne Vos (wielrennen): Winnaar van olympisch goud op de weg in 2012. Was op haar 32ste de eerste renster die zowel de wereldbeker bij het veldrijden als de World­Tour op de weg won. Werd drie keer wereldkampioene op de weg.

Ranomi Kromowidjojo (zwemmen): Won goud op de 50 en 100 meter vrije slag bij de Olympische Spelen van Londen in 2012. Een jaar later won ze ook op het WK in Barcelona goud op de 50 meter. Werd ook drie keer wereldkampioen en vier keer Europees kampioen lange baan.

Marit Bouwmeester op weg naar olympisch goud in Rio. Beeld EPA
Marit Bouwmeester op weg naar olympisch goud in Rio.Beeld EPA

Marit Bouwmeester (zeilen): Veroverde zilver (2012) en goud (2016) op de Olympische Spelen. Werd daarnaast drie keer wereldkampioen en drie keer Europees kampioen in haar Laser.

Dafne Schippers (atletiek): Derde op het WK van 2013 als zeven­kampster. Werd zowel in 2015 als 2017 wereldkampioene op de 200 meter. Won zilver op de Olympische Spelen van 2016.

Handbal: Na in 2016 en 2018 tweede en derde van Europa te zijn geworden, werd Nederland in 2019 in Japan wereldkampioen na een bloed­stollende halve finale tegen Rusland (33-32) en finale tegen Spanje (30-29).

Voetbal: De Oranje leeuwinnen wonnen in 2017 het Europees kampioenschap en haalden in 2019 de finale van het wereldkampioenschap, waarin ze verloren van de ongenaakbare USA.

Anna van der Breggen (wielrennen): Tussen 2015 en 2018 vier keer gekozen tot Wielrenster van het Jaar. Won zo’n beetje alles wat er te winnen viel. Werd onder meer olympisch (2016) en wereldkampioen (2018 en 2020). In 2020 won ze zowel het WK op de weg als het WK tijdrijden.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234