Maandag 14/10/2019

Interview

‘Topdokter’ Johan Bellemans: “Ik wilde opereren en patiënten zien, en dan wil je ook loon naar werken”

Johan Bellemans: ‘Ik doe nu waar ik als jongen van droomde.’ Beeld Illias Teirlinck

De wereldvermaarde kniespecialist Johan Bellemans (54), deze weken te zien in Topdokters op VIER, is ook de steun en toeverlaat van tal van topsporters. ‘Ik hoor het me nog zeggen: ‘Justine, als je nu niet stopt, kun je straks je baby niet meer vastpakken.’

Zijn slanke hand geeft een stevige handdruk. Met een glimlach om de lippen leidt hij ons zijn praktijk binnen, in het Ziekenhuis Oost-Limburg (ZOL) in Genk. Hier, op zijn behandeltafel, neemt Johan Bellemans, orthopedisch chirurg en sportarts van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité (BOIC), en een van de allereerste kniespecialisten wereldwijd, alle lagen van de bevolking onder handen. Van mannen van middelbare leeftijd en kloosterzusters tot olympische helden en heldinnen.

Al zit het kruim van de sportwereld vandaag niet in zijn wachtzaal. “Nee, Nafi Thiam zul je hier nu niet vinden”, zo moet hij ons ontgoochelen. “Topsporters staan graag in de belangstelling als ze scoren, maar niet als ze gekwetst zijn. Ze haten het als dat aan het licht komt. Ernstige blessures brengen ook hun marktwaarde in het gedrang. Tegenstanders, maar ook trainers, weten dus beter van niks. Daarom zie ik hen altijd achter de schermen: ’s avonds laat, ’s morgens vroeg of in het weekend.”

U bent zelf altijd sportief geweest. U leerde zeilen toen u acht was. Op uw 27ste nam u samen met uw broer deel aan de Olympische Spelen in Barcelona, waar jullie achttiende werden. Bent u een competitiebeest?

Johan Bellemans: “Enorm. Ik meet mij heel graag met anderen. Niet vanuit de optiek: die moet ik verslaan. Maar om na te gaan: wie is er beter dan ik, en wat kan ik daar zelf uit leren? Dat heb ik ook nu nog met collega-chirurgen. Dat ik hun video’s en presentaties zie en denk: ‘wow’. Zoiets stimuleert mij. Ik zal er dan alles aan doen om dat ook zo te kunnen.”

Als kleine jongen was u al in de weer met schroeven en bouten om aan uw zeilboot te sleutelen. Was dat een kinderdroom: chirurg worden?

“Ik wilde vooral iets in de sport doen, wilde naar het Sportkot in Leuven. Maar die opleiding had weinig toekomst toen; mijn ouders vonden dat geen goed idee. Maar van jongs af aan was ik al gebiologeerd door die olympische gedachte van sneller, hoger, sterker. Hoe ons lichaam tot zulke prestaties in staat is. En hoe je dat kunt optimaliseren. In die tijd kwam ook de sportgeneeskunde stilaan op. Niet dat er al ‘sportartsen’ waren, maar je had wel al dokters die zich er meer op wilden toespitsen. Toen wist ik: dát is het, ik word een dokter voor topsporters. Niet dat ik wist hoe het er in die wereld aan toeging. Ik kwam niet uit een doktersfamilie. Maar het opereren sprak me aan.”

‘Toen Nafi Thiam na haar elleboogblessure in 2018 EK-goud won, voelde dat voor alle betrokkenen, inclusief mezelf, aan als een teamoverwinning.’ Beeld BELGA

“Nog tijdens mijn opleiding verklaarden collega-assistenten me gek: ‘Wat, wil jij alleen knieën doen? Zo krijg je je wachtzaal nooit vol.’ (lacht) Pas jaren later begon iedereen zich meer te specialiseren. Maar uiteindelijk doe ik dus wel waar ik als jongen van droomde.”

U opereerde hoogspringster Tia Hellebaut vier jaar voor haar triomf op de Spelen in Peking. Voelde die medaille ook een beetje als uw goud?

“In zekere zin wel. Toen Tia bij mij kwam, was het erg onzeker of ze nog zou kunnen springen tout court. Maar in de jaren na haar knieoperatie zag ik haar alleen maar sterker worden. Toen zij goud pakte, was dat ook voor mij een euforisch moment. Atleten geven me ook wel dat signaal: jij hebt dat voor mij gedaan, nu ga ik er alles aan doen om het hoogst mogelijke te bereiken. Zo was het ook met Nafi Thiam op het EK, na haar elleboogblessure. Voor alle betrokkenen voelde dat als een teamoverwinning.”

Raakt het u even hard als u een topsporter, zoals tennisster Justine Henin, moet aanraden om te stoppen?

“Dat doet mij zeer, ja. Ik hoor het mij nog zeggen: ‘Justine, als je nu niet stopt, kun je straks je baby niet meer vastpakken’. Dat zijn moeilijke momenten. Dan stopt het met dat idee van sneller, hoger, sterker. Gelukkig is dat niet acuut, atleten voelen dat zelf wel aankomen. Ergens zijn ze ook opgelucht dat ik voor hen de knoop doorhak. Dan weten ze: oké, dit is de finish. Maar wees gerust, ook ik heb dan een rotdag. Of zeg maar een rotperiode.”

In de tweede aflevering van Topdokters zien we u aan het werk tijdens een operatie van ex-profvoetballer Geert Deferm. Zijn knie is helemaal op na een intensieve carrière. Sporten we massaal onze knieën aan flarden, topatleet of niet?

“Het ding is: sporten maakt je lijf en je knieën sterker. Maar dan alleen op voorwaarde dat je dat verstandig, geleidelijk aanpakt. Door de opkomst van die Start to Run-campagnes hebben wij patiënten die we vroeger nooit zagen. Mensen van middelbare leeftijd die ineens beslissen dat ze fit willen blijven of worden. Ze beginnen te lopen of te fietsen, maar drijven die belasting veel te snel op. Met als gevolg: beschadigd kraakbeen of een kapotte meniscus. Dat is schering en inslag.”

Belasten we onze knieën meer dan we denken?

“Zeker. Je moet weten: de belasting op je knie is veel meer dan je lichaamsgewicht alleen. Ga je een trap op, dan is de kracht op je knieschijf zeven keer je gewicht. Zwaarlijvigheid is een van de grootste risico’s om je knie kapot te lopen, precies omdat elke kilo zoveel harder doorweegt. Veel patiënten vinden dat wel een mooie stimulans om te vermageren. Elk beetje minder in de schaal heeft een zevenvoudig effect.”

Wat is voor u het grote verschil tussen topsporters behandelen en Jan met de pet?

“De gewone man met een letsel, die wil genezen. Een atleet wil niet alleen genezen, die wil ook zo snel mogelijk nog beter presteren dan voor zijn blessure. Slagen topsporters daar niet in, dan is de operatie in hun ogen mislukt. Dan zijn ze wel genezen, maar niet ‘teruggekomen’. Dat maakt hen een stuk veeleisender. Die onzekerheid in hun herstelproces, dat is tegelijk het uitdagende en het plezante. Constant ben je op zoek naar dat moment waarop je merkt: wow, ze zijn nog beter dan voordien. Nog een verschil: een topsporter kan niet wachten. Als er nu iemand belt, dan moet ik die vanavond nog zien. Je moet permanent beschikbaar zijn voor die doelgroep. Soms vind ik dat wel een ethisch dilemma. Want het is niet omdat mijn patiënten niet sporten dat ze niet van tel zijn. Toch kan ik niet iedereen de avond zelf zien.”

U hebt altijd en overal uw gsm mee. Krijgt u vaak dringende oproepen van uw atleten?

“Zondagavond is nog het drukste moment. Het valt regelmatig voor dat ik dan nog naar de Sports Clinic in Leuven rijd, naar een atleet die me in lichte paniek heeft opgebeld. Het gaat dan om kwetsuren die ze in het weekend, tijdens de competitie, opgelopen hebben. Ik noem ze weleens de weekend warriors, geblesseerd op het slagveld van de sportarena. Dat klinkt wat bombastisch, maar het is wel de realiteit. Als je hen dan meteen kunt behandelen, is dat een eerste stap naar een snel herstel en een terugkeer naar de arena.”

Stel: u zit die avond op een chic etentje en krijgt zo’n telefoon.

“Dan ben ik weg, natuurlijk. Zeker weten.

“Buiten mijn werk en mijn gezin heb ik overigens zo goed als geen sociale activiteiten. De verpleegsters lachen daar altijd mee: ‘Hij komt wéér niet naar ons feestje’. Maar als ik op zulke dingen inga, ben ik echt nooit meer thuis. Weet je, ik heb altijd goed gekeken naar mijn voorgangers, naar de oude generatie chirurgen die dag én nacht in het ziekenhuis waren. Zo wilde ik het niet doen. Ik wilde mijn kinderen wel zien opgroeien, hen echt leren kennen. Op dat vlak heb ik geen offers gebracht. Mijn gezin is altijd op de eerste plaats gekomen, náást het werk. Het ene mag het andere niet hypothekeren, vind ik. Maar al het overige moet dan wel wijken. Niet dat ik dat zo erg vind, maar de verpleegsters misschien wel.” (lacht)

Ons gesprek neemt een onvermijdelijke wending. Naar zijn ontslag bij het UZ Leuven, intussen vijf jaar geleden. Johan Bellemans praat er onomwonden over, maar rustig, als hadden we het over de vrieskou buiten. Dat vertrek ging nochtans niet zonder slag of stoot. Bellemans wilde zijn zes maanden opzeg nog uitdoen, maar het UZ Leuven zette hem één week later zelf op straat, na scherpe uitlatingen in de pers. “Dat was een bitter afscheid”, blikt hij terug. “De inquisitie zelve. Toen pas heb ik gemerkt hoe machtig het UZ Leuven is, hoe die katholieke zuil overal zit. Zo probeerden ze ook mijn aanstelling hier, in het ZOL, te bemoeilijken.”

De telefoon stond roodgloeiend in het ZOL na uw overstap. Twee secretaresses hadden er een dagtaak aan, want zowat al uw patiënten zijn u naar hier gevolgd. Wat dat uw zoete wraak?

“Ergens wist ik dat dat zou gebeuren, de directie in Leuven ook. Dat maakte hen ook zo kwaad. ‘Waarom trapt hij het nu af en waarom maakt hij daar zoveel spel rond?’ Ze wisten dat het een impact zou hebben. Op dat vlak zijn chirurgen ook wel de ambetante mannen voor ziekenhuizen. Wij hebben een vrij grote controle op de omzet die de instelling genereert, en dat is zeer persoonsgebonden: met de arts als uithangbord. Zeker de universitaire ziekenhuizen zijn daar niet zo tuk op: zij hebben liever dat het centrum zelf de naam en faam uitdraagt.

“Maar wraakgevoelens? Nee. Het voelde zeker goed dat mijn patiënten me volgden, maar het was nu niet dat ik daar een kick van kreeg. (lachje) Wel was ik blij dat ik altijd mijn gedacht had gezegd. Dat ik was blijven ventileren wat er aan de universitaire ziekenhuizen in ons land schort.”

Uw vertrek kwam er ‘door een opeenstapeling van conflicten’, zegt u. Waar liep het mis?

“Je moet weten: met het orthopedisch centrum in Pellenberg stonden we in de wereldwijde toptien. Als diensthoofd vond ik dat we de kans moesten grijpen om daar hét wereldreferentiecentrum van te maken. Ik was daar heel ambitieus in. Alleen, mijn visie om dat waar te maken, botste op zowat alle vlakken met hoe de directie het zag. Wil je een topcentrum uitbouwen, dan heb je ook artsen nodig die routine-operaties uitvoeren, vond ik. Zoals in de kleinere ziekenhuizen. Maar daar was de universiteit tegen: ‘Routinewerk is niks voor ons’, klonk het. ‘Wij doen enkel de top van de topgeneeskunde.’ Kortom: het exclusief moeilijke. Het probleem is: als je dat doet, verlies je je voeling met de bulk van de pathologie.”

Het bracht u tot deze stelling: ‘Voor een complexe ziekte zit je goed in een UZ. Maar voor een simpele ingreep trek je maar beter naar een kleiner ziekenhuis.’ Een uitspraak die u niet in dank werd afgenomen. Zag u daar ook voorbeelden van?

“Wat ik nu ga vertellen, is van jaren geleden, op een andere dienst in het UZ Leuven. Op een bepaald moment vond het ziekenhuis het niet meer nodig om simpele operaties aan de galblaas of de appendix te verrichten. Dat was de tijd waarin die operaties nog via een grote snee in de buik gebeurden. Het UZ liet die ingrepen liever over aan de ziekenhuizen in de periferie. Gevolg? Die ziekenhuizen werden almaar slimmer en begonnen op den duur met kijkoperaties. Zo kwamen we ineens in de situatie dat heel België die ingrepen via een kijkoperatie deed, maar dat er in Leuven geen enkele professor wist hoe dat moest. Zeker voor mijn discipline vond ik dat totaal onaanvaardbaar. Dat was een van de fundamentele struikelblokken.”

U hekelde toen ook de gigantische loonkloof tussen de universitaire en kleinere ziekenhuizen. Zo verdient u vandaag vier tot vijf keer meer dan vroeger. Koos u voor het grote geld?

“Kijk, ik wilde opereren en patiënten zien, en dan wil je ook loon naar werken. Als diensthoofd verdiende ik in Leuven 5.500 euro netto per maand. Terwijl het bruto jaarloon van een orthopedist gemiddeld 320.000 euro is. Oké, daar gaan nog belastingen af, je moet je personeel betalen. Maar toch, dat verschil is enorm.

“En pas op, ik weet dat ook pas sinds ik hier aan de slag ben gegaan. Ik besefte wel dat ik meer zou verdienen. Maar vier tot vijf keer meer? Daar had ik geen benul van. Precies dat maakte het nog zo frustrerend: het besef dat ik al die jaren van de domme gehouden was. Dat gevoel had ik op het einde heel erg: ze houden ons hier voor de gek.”

Windt u zich even hard op over het loonverschil tussen orthopedisten en, pakweg, psychiaters of neurologen, die veel minder verdienen?

“Ook dat is verre van correct. Veel collega’s zeggen dat ik gek ben om dit publiekelijk aan te klagen. Dat debat verlies je altijd, vinden zij, zeker als je deel uitmaakt van het chirurgisch korps, en dus van de veelverdieners. Maar we mogen die discussie niet uit de weg gaan. De maatschappij moet dat systeem herbekijken, want het is zo disproportioneel.

“Zelf ben ik voorstander van een loon volgens de maatschappelijke bijdrage van je beroep. Zo zijn bijvoorbeeld ook verpleegkundigen geweldig onderbetaald. Die mensen werken zich echt uit de naad voor een loon waar niemand anders voor zou willen werken – tenzij misschien leerkrachten, nóg zo’n onderbetaalde groep. Alleen, die verpleegkundigen zijn ingoed. Braaf naïef, en dat is geen verwijt. Zij willen niet te veel zagen, behalve als het de spuigaten uitloopt.”

Hoe is tegenwoordig uw band met het UZ Leuven?

“Goed, hoor. Momenteel lopen er gesprekken of ik er toch weer één dag in de week zou opereren. Ik heb altijd met een boutade gezegd: ‘Ik ga alleen terug naar Leuven om rector te worden’. (lachje) Maar ondertussen staat er een nieuw management aan het roer. En mijn collega’s in Leuven heb ik sowieso altijd gekoesterd als ware het familie. Vergeet niet dat ik daar toch 25 jaar heb gewerkt.”

In het UZ had u een vast maandloon, nu werkt u per prestatie. Wat te denken van de anesthesisten in Veurne die in drie operatiezalen tegelijk aan de slag waren, zoals deze krant aan het licht bracht? Inmiddels hebben de betrokken artsen beloofd het ‘niet meer te doen’, maar zij passeerden wel drie keer langs de kassa.

“Dat is een uitwas van het loon per prestatie, zeker en vast. Eerlijk gezegd, ik dacht dat het eruit was. Maar vroeger, zo’n dikke tien jaar geleden, was dat schering en inslag. Het klassieke argument was dan dat er te weinig anesthesisten waren om alle operatiezalen te coveren, dus moesten ze wel van hot naar her springen. We werkten toen met verpleegkundig-anesthesisten: zij hielden de monitor in de gaten en duwden op de rode knop als er iets fout ging. Dan kwam de anesthesist aangelopen. Maar sinds de richtlijnen hierover, en de deontologische code, is die situatie toch geëvolueerd.”

Ziet u ook zulke uitwassen in uw domein? Gebeurt er al eens een knieoperatie te veel?

“Zo’n zeven jaar geleden was dat nog een probleem. Soms stond ik daar echt versteld van: ‘Waarom is die patiënt nu in godsnaam geopereerd? Dat zou toch ook vanzelf genezen zijn?’ Je had toen chirurgen die heel snel naar het mes grepen. Patiënten gingen binnen en negen op de tien keer kwamen ze met een operatie buiten. Dat is aanzienlijk verminderd. Sinds het aantal specialisten geplafonneerd is, hebben de meeste chirurgen sowieso meer dan hun handen vol. Nu komt het zelden voor dat ik denk: tiens, die is snel onder het mes gegaan.”

We gooien het gesprek over een andere boeg en katapulteren Johan Bellemans terug naar zijn eurekagevoel in 2013. Het jaar waarin hij, samen met collega Steven Claes, een nog onbekende gewrichtsband ontdekte. Een hulpligament dat samen met de kruisbanden de knie stabiel houdt. De vondst, die wereldwijd werd opgepikt, heeft ook nu nog een grote impact op wie zijn kruisband scheurt. Had je vroeger na de operatie nog zo’n 10 tot 15 procent risico op herval, dan is dat nu – met het herstel van het hulpligament – slechts 2 tot 3 procent.

Bellemans: (klaart op) “Fenomenaal was dat. Ook omdat het voor iedereen duidelijk werd: shit, dít is de missing link. Heel wat chirurgen waren verbaasd: ‘Hoe kunnen we daar al die tijd naast gekeken hebben?’”

Dat vraag ik me ook wel af. De knie is toch al miljoenen keren opengelegd?

“Toch heeft die knie nog altijd geheimen. Er zullen nog ontdekkingen volgen, daar ben ik honderd procent van overtuigd. Hoe meer sprongen de technologie maakt, hoe groter de kans dat we dingen gaan snappen die we nu nog niet vatten.”

Volgens collega-orthopedisten bent u ‘technisch gezien een van de knapste wereldwijd’. Zowel in het zware ‘metselwerk’ als in het precisiewerk. Bent u niet bang om die kunde op een of andere manier kwijt te raken?

“Daar lig ik steeds vaker wakker van. Bij mijn voorgangers heb ik goed geobserveerd vanaf wanneer hun chirurgische skills afnamen. Dat is vanaf 60 jaar, ik ben nu 54. Echt waar, ik ken geen enkele chirurg die na zijn 60ste beter opereert dan voordien. Technisch ga je erop achteruit.

Johan Bellemans (54): ‘Ik wil op tijd stoppen. Op mijn 60ste, dus. Ik wil niet de chirurg worden wiens prestatiecurve zakt. Komt de dag waarop ik zie: die ander kan het beter dan ik, dan zal ik al mijn patiënten doorverwijzen. Zonder spijt.’ Beeld Illias Teirlinck

“Ik heb me in mijn carrière altijd voorgenomen om twee fouten niet te maken. Eén: ik wilde geen afwezige vader zijn – dat is gelukt. En twee: ik wil op tijd stoppen. Op mijn 60ste, dus. Ik wil niet de chirurg worden wiens prestatiecurve zakt. Komt de dag waarop ik zie: die kan het beter dan ik, dan zal ik al mijn patiënten doorverwijzen. Zonder spijt.

“Los daarvan, het flatteert mij wel wat u daar citeert.” (brede grijns)

Opereren, ‘het knutselen na het denkwerk’, vindt u het plezierigste aan uw job. Uw handen en ogen zijn uw kostbaarste goed. Zijn er dingen die u laat, uit angst voor kwetsuren?

“Ik ga nooit skiën. Ik mag er niet aan denken welke knieletsels ik zou oplopen. Ook mijn kinderen, alledrie twintigers, hebben nog nooit van hun leven geskied. Niet dat ik het hen expliciet verboden heb. Ik heb dat zo’n beetje gestuurd door in de winter altijd naar de zon te gaan. (lacht)

“Ik vermijd ook alles wat gevaarlijk is voor mijn handen en gewrichten. Morrel ik nog eens aan mijn zeilboot, dan is dat met dikke handschoenen aan. Rijden met een mountainbike is not done. En als ik aan de kust ga lopen, dan is dat gewoon rechtdoor op het strand. Zeker geen hindernissenparcours. (lacht) Op dat vlak ben ik nogal een angsthaas.”

U maakt wel nog tijd om te lopen en te zeilen. Hoe belangrijk is het voor u om zelf in conditie te zijn?

“Ik vind dat je niet het recht hebt om in mensen te snijden als je zelf niet fit bent. Want dan zit je niet op de top van je vermogen. Ik ben het mijn patiënten en mezelf verplicht om in conditie te zijn. Geen topconditie zoals de atleten die ik behandel, maar toch. Ik voel me verplicht om het beste uit mezelf te halen.”

Hebt u ook dan uw gsm bij u, tijdens het lopen?

“Absoluut. Je weet nooit wie er belt.”

Topdokters, elke maandag om 20.35 uur op VIER.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234