Vrijdag 04/12/2020

De verloren kunst van het klimmen

‘Niemand gaat nog voor de bolletjestrui. Dat doet me enorm veel pijn’

Beeld BelgaImage

Het parcours loog er niet om: de Tour wordt beslist in de Alpen. Maar waar zijn de echte klimmers van weleer, de renners die fladderend de cols opreden en voor het spektakel zorgden? Het lijkt alsof ze niet meer bestaan, nu de treintjes van de kopmannen de boel versmachten en zo het plezier vergallen. De laatste bergkoningen van de Tour de France. ‘De huidige generatie moet meer in zichzelf geloven, ik zie te veel twijfel.’

Geen mooier wielerverhaal dan dat van Federico Bahamontes, die een ijsje eet op de top van de Col de Romeyère, in afwachting van de andere renners. Het symboliseert de almacht van de klimmer die speelt met de tegenstand en maar één doel heeft: als eerste aankomen bovenop de col. 

Lucien Van Impe (zesvoudig winnaar van de bolletjestrui, tussen 1971 en 1983): “Als eerste bovenkomen, was voor mij het enige wat telde. Het geeft je een machtig gevoel. Ik kon mijn tegenstanders zoveel pijn doen bergop. De Tour zelf winnen? Daar was ik lange tijd niet mee bezig. Tegen Eddy Merckx maakte ik toch geen kans.

“Weet je, ik heb er altijd van gedroomd om ook te kunnen doen zoals Federico, met zijn ijsje. Maar ze lieten mij niet rijden, ik stond te hoog in het klassement. Ik had uitgerekend dat ik 5 minuten nodig zou hebben om dat ijsje te bestellen en op te eten (lacht).”

Waarom ben je klimmer geworden?

Van Impe: “Als kind zag ik zwart-witbeelden van Bahamontes en Charly Gaul in de Tour, ergens in de jaren 50. Zij waren mijn voorbeelden. Die strijd in de bergen sprak tot de verbeelding. De mensen waren enkel daarover bezig. Daarom wilde ik dat ook doen.”

Peter Winnen (tweemaal winnaar op Alpe d’Huez, in 1981 en 1983): “Bij mij is het ook zo gegaan. Toen ik een jaar of 10 was, kocht ik tijdschriften zoals Miroir du Cyclisme en Sport 70, en dan zag ik foto’s van de Tour van die tijd. Die geweldige decors leken mij hemels. Maar zo ben je nog geen klimmer, natuurlijk.”

Hoe word je het dan?

Winnen: “Je bent het, of je bent het niet. Er bestaat geen school voor. Je moet je atletische vermogen mee hebben: een flink stel longen en een goed hart. En van karakter moet je een dromer zijn.”

Een dromer?

Winnen: “Er kleeft iets bijzonders aan klimmers. We zijn romantische zielen, die graag de moeilijkheden opzoeken. Want het is makkelijker om een sprinter te zijn: dan krijg je veel meer kansen om te scoren. Wij zijn ietwat apart, meer op onszelf. Misschien heeft het met de mystieke sfeer van de bergen te maken.”

Richard Virenque (zevenvoudig winnaar van de bolletjestrui, tussen 1994 en 2004): “Klimmer zijn vereist een bepaalde gemoedstoestand. Ik wilde offensief koersen, en het spektakel verzorgen. Aanvallen was mijn enige passie. En ik wachtte daarvoor niet tot de laatste col. Als klimmer mag je niet bang zijn van een zware inspanning.”

Van Impe: “Ik weet nog dat andere renners het benauwd kregen als ze de bergen zagen opdoemen. Ik werd er net vrolijk van. Iedereen was bang van mij in de bergen, zelfs Bernard Hinault, en dat wil toch wat zeggen. Op de cols smeekten mijn tegenstanders me om niet sneller te rijden. Ik herinner me hoe ze riepen: ‘Rustig, Lucien. Niet onnozel doen, hè.’”

Gaf je daar gehoor aan?

Van Impe: “Ik heb uit medelijden weleens gewacht tot de volgende col om te demarreren. Maar niet vaak. Omgekeerd wachtten zij ook niet op mij als er in een vlakke etappe waaiers werden getrokken.

“Ik was dolgelukkig als ik aan het klimmen was, terwijl rond mij al die grote coureurs aan het afzien waren. En dan een beetje met hen spelen als een kat met een muis – puur geluk.”

Winnen: “Het is machtig mooi om op hoogte te koersen. Die rotswanden zijn vele malen groter dan jezelf: je wordt vanzelf heel klein. De bergen kunnen imposant zijn, maar ook heel sinister.”

‘Sinister’, zegt de man die als enige in het peloton naar Joy Division luisterde.

Winnen: “Ik vond hun muziek monumentaal, net als het hooggebergte. Er zijn raakvlakken met hoe je een col opfietst en de bijzondere sfeer van die muziek. Boven de 2.000 meter kun je ook zo’n desolaat gevoel krijgen. Aan die ervaringen denk ik nog vaak terug. Het zijn atmosferische herinneringen. Op een top bovenkomen, de diepte inkijken en er vervolgens induiken – dat was gewoon indrukwekkend. Maar ik vrees dat die romantische types zoals ik aan het verdwijnen zijn.”

Bestaan ze nog, de echte klimmers?

Van Impe: “Ja, maar ze tonen zich niet meer. Ze durven niet, of het interesseert hen niet meer.”

Terwijl jullie exploten het mooiste zijn wat de wielersport te bieden heeft. Mensen vereren een klimmer als Marco Pantani nog altijd als een halfgod.

Van Impe: “Ik begrijp het moderne wielrennen niet. Ze komen met een peloton van zestig man aan de voet, en dan rijden ze in hoog tempo in een treintje de col omhoog. Er valt niks meer aan te beleven. Oké, iemand als Roglic kan uitstekend bergop rijden, maar hij is geen klimmer.”

Leg eens uit.

Van Impe: “Een echte klimmer draait een soepel verzet, en doet de niet-klimmers lossen met zijn tempoversnellingen. Ik deed dat meerdere keren, vooral als er steile binnenbochten waren. De eerste keer demarreerde ik hard, vervolgens liet ik iedereen terugkomen, en dan trok ik er nog een paar keer aan, tot ik ze allemaal bij hun keel had.”

Nu zien we klimtreinen: ploegen die bergop met vijf knechten op een rij een strak tempo rijden voor de kopman. Wanneer heeft die omwenteling plaatsgevonden?

Van Impe: “Het is begonnen met Laurent Jalabert, in de jaren 90 in de Vuelta.”

Winnen: “Na ons is de wielersport erg veranderd. Miguel Induráin en Lance Armstrong lieten hun ploeg ook een verschroeiend tempo rijden. Zo bleven er nooit nog renners over om een man-tegen-mangevecht aan te gaan. Terwijl dat toch het mooiste is wat er is.”

Als klimmer word je versmacht door de tempobeulen?

Van Impe: “Ja, maar dat probeerden ze in onze tijd ook al. De ploeg van Merckx wist dat ik zou demarreren, dus gingen ze kilometers voordien al tempo rijden met de grote versnelling, om mij dood te doen. En die mannen vlogen, hoor. Maar eens op de col gaf ik er een snokske aan en waren ze nergens meer te bespeuren (lacht).”

Winnen: “Ik denk nog veel terug aan mijn eerste Tour, in 1981. Hinault was toen de patron, een ronduit indrukwekkende renner. Nu controleert één ploeg de hele rit, maar als Hinault in die gele trui zat, deed hij die controle helemaal op zijn eentje. Hij reed werkelijk alle cols op kop naar boven: hij bepaalde het tempo, er was geen ploegmaat in zijn buurt.

“Ik zou vandaag de dag een stuk minder goed uit de verf komen. Het is allemaal zo strategisch. Er is weinig ruimte voor avontuur. Weinig ruimte om gekke dingen te doen. Het is erg berekend.”

Virenque: “Ik zie veel renners gekortwiekt worden door hun ploeg. Er zijn nog ploegen, zoals Total Direct Energie van sportdirecteur Jean-René Bernaudeau, die hun renners aanmoedigen om offensief te rijden. Zij zeggen: ‘Je moet niet bang zijn om te falen, als het niet klinkt dan botst het.’ Maar de meeste ploegen, zoals Team Ineos en Jumbo-Visma, werken gestructureerd in functie van het eindklassement, en leggen een tempo op waarmee ze bergop iedereen verpletteren.”

1 MILJOEN EURO

Patrick Lefevere, is dat zo? Worden offensieve renners gekortwiekt?

Patrick Lefevere (CEO wielerteam Deceuninck-Quickstep): “Renners zijn heel compleet geworden: ze kunnen allemáál beter klimmen dan vroeger. Kijk naar wat Wout van Aert doet, dat was tien jaar geleden ondenkbaar. Maar het zijn de parcours die de renners verplichten om berekend te koersen. Neem nu de aankomst op La Planches des Belles Filles: dat is al een bovengemiddeld steile beklimming, maar ze breien er nog eens een extra loodzwaar stuk aan, op een grindweg nota bene. Resultaat: iedereen wacht zo lang mogelijk, en uiteindelijk wordt er maar 200 meter écht gekoerst.”

Moeten de parcours herdacht worden?

Lefevere: “Ja, dat vind ik wel. In de Ronde van Spanje zoekt de organisatie zodanig steile cols op, dat mijn renners er rondrijden met een miniverzetje van 32 tanden vooraan, en 30 achteraan – dat zijn verhoudingen uit het mountainbiken, dat heeft niks meer met wegwielrennen te maken.

“Het kan zeker anders: in de Tour was er enkele jaren geleden een bergrit van amper 100 kilometer – die zat boordevol spektakel, niemand hield zich in. Dáár moeten we naartoe.”

Peter Winnen: ‘Klimmers zijn romantische zielen, die graag de moeilijkheden opzoeken. Want het is makkelijker om een sprinter te zijn: dan krijg je veel meer kansen om te scoren.’Beeld BelgaImage

Moeten renners à la Thibaut Pinot en Nairo Quintana zich niet méér focussen op etappezeges en de bolletjestrui, in plaats van te blijven dromen van het eindklassement?

Lefevere: “Persoonlijk heb ik liever een renner in mijn ploeg die ritzeges pakt, dan één die vijfde eindigt in het eindklassement. Die vijfde plek is iedereen na een jaar vergeten, maar ritwinst blijft bij. En het publiek zal je op handen dragen. Kijk naar Julian Alaphilippe.”

Waarom kiezen Pinot en Quintana dan niet voor die weg?

Lefevere: “Omdat ze niet zo slim zijn als ik, zeker?

“Wij koersen altijd offensief. Onze ploeg zit zo in elkaar, wij proberen spektakel te brengen. Ik probeer in het peloton altijd bondgenoten te vinden om te koersen, maar dat lukt bijna niet meer. Misschien ben ik een oude Belg die veel te romantisch in elkaar zit.”

Lucien, heb jij een remedie tegen dat berekende koersen?

Van Impe: “Nee jong, daarvoor moet de mentaliteit veranderen. Wij reden om geld te verdienen. Vroeger kreeg je een bepaald bedrag voor elke dag dat je de bolletjestrui in je bezit had. Er is ook ‘Le souvenir Henri Desgranges’: een premie voor wie als eerste bovenkomt op de hoogste col van de Tour. Daar waren wij al dagen voordien mee bezig. In de ploeg stookten ze mij op: ‘Komaan, Lucien, je kunt 20.000 frank verdienen!’ Veel geld in die tijd. Maar vandaag interesseert het de ploegen niet meer, die bedragen zijn peanuts voor hen.”

De Nederlander Wout Poels is een begenadigd klimmer, maar hij offerde zijn kansen op om jarenlang te knechten voor Chris Froome. Zonde, maar er stond wel een loon van 1 miljoen euro tegenover.

Van Impe: “Ik begrijp zijn keuze wel. Het is die jongen zijn beroep, hij wil goed verdienen en liefst in korte tijd: in tien jaar moet het gebeuren, langer duurt een carrière niet.

“Ik zou het zelf ook hebben gedaan als ik de kans had gekregen. Als je een gezin hebt, denk je eraan om hun toekomst veilig te stellen, meer dan aan de eer van een bolletjestrui.”

Heeft Merckx je ooit gevraagd om in zijn ploeg te rijden?

Van Impe: “Zijn ploegleider Lomme Driessens heeft me gevraagd, maar ik wilde zelf kopman zijn. Nu, als ze me veel meer hadden geboden, zeg maar 3 miljoen frank, dan had ik gespróngen om helper te spelen voor Merckx. Maar voor dat beetje meer wilde ik mijn jongensdromen niet opgeven.”

CLOWNSPAK

Wie in het huidige peloton bezit nog het profiel van de echte klimmer?

Van Impe: “De Colombianen: zij kunnen allemaal met snokken rijden. Ik heb een hart voor Nairo Quintana. Toen hij net opkwam, herkende ik mezelf in hem: hij durfde te demarreren. Voor mij is hij de laatste pure klimmer die we hebben. De laatste jaren was hij wat minder, maar ik denk dat hij nu in orde is. Je zult zien: hij zal uithalen.”

Kan hij de Tour winnen?

Van Impe: “Natuurlijk, ik geloof erin. Zeker door het zware parcours van de laatste week.

“Weet je wat het probleem is? In onze tijd was het makkelijk: we moesten geen illusies koesteren over het eindklassement, Eddy Merckx won tóch. Maar Quintana, en ook Egan Bernal, denken dat ze Roglic kunnen verslaan. Helemaal terecht, hoor, maar daardoor gaan ze wel defensief rijden. Ze zijn bang om vroeg aan te vallen: ze vrezen op een counter te lopen en de volgende col te moeten lossen. Ik trok me dat niet aan: als het niet lukte, dan was het maar zo. Die tactiek heeft me veel successen opgeleverd.”

Virenque: “Thibaut Pinot heeft het ook in zich om te schitteren in de cols, maar vandaag rekent hij ook in functie van het eindklassement. Daarom zien we bijna niks van zijn talent en houdt hij zijn inspanning voor de laatste meters van de laatste beklimming. Je kunt dat jammer vinden, maar het is zijn recht.

“Alaphilippe rekent dan weer helemaal niet. Die koerst helemaal anders.”

Winnen: “Ik heb veel bewondering voor Egan Bernal. Van die jongen straalt toch wat af. Die zie je altijd met overschot rijden. En als hij aanzet, is hij meestal niet te houden. Hij heeft een mooie stijl en een lichaam dat gemaakt is om te koersen. Dat hij een grote versnelling duwt, is dan weer atypisch voor een klimmer.

“Door die jonge Sloveen Tadej Pogacar ben ik ook gecharmeerd, die kan alles. De Amerikaan Sepp Kuss, van Jumbo-Visma, klimt ook prachtig. Hij is zo’n vlindertje, echt mooi om te zien.”

Klom jij ook als een vlindertje?

Winnen: “Nee, ik moest het van lange etappes hebben met zeven cols erin, en een verschroeiende temperatuur van boven de 30 graden. Ik was pas goed als het een echte slijtageslag werd. Dat soepele van de Colombianen, dat had ik niet. Ik weet nog toen ze voor de eerste keer naar Europa kwamen, Lucien was er ook bij. Godverdekke, die konden pas klimmen! Op de cols reden ze ons volledig aan gort. Het was een mokerslag. Het gebeurde eerst in de Dauphiné in 1984. Martin Ramírez en Pablo Wilches heetten ze. We hadden nog nooit van ze gehoord. En in de afsluitende tijdrit liet die Ramírez ook nog eens Bernard Hinault sterretjes zien. We dachten: wat gebeurt hier allemaal? Hinault was er goed ziek van. En ze maakten veel lawaai, want je had ook nog die Colombiaanse commentatoren in hun zog (lacht).

“Het bracht wat teweeg in het peloton: de Colombiaantjes werden door de Fransen van de weg gereden en er werd op hen gescholden, alsof het ongewenste indringers waren. Daar heb ik me verschrikkelijk kwaad om gemaakt. Ik had net veel bewondering voor hen. Ze hebben veel moeite moeten doen om een plek in het peloton te veroveren. Ramírez heeft het er later in een interview nog over gehad dat Hinault hem verbaal vernederd had. Hij nam zelfs het woord racisme in zijn mond.”

De bolletjestrui behoort al jaren niet meer toe aan de beste klimmer, hij heeft sterk aan waarde verloren.

Van Impe: “Dat doet me enorm veel pijn. Het is begonnen met Jalabert: plots waren er geen klimmers meer die voor dat bergklassement gingen. Van dan af gingen ze mee in de vroege vlucht om de trui te veroveren. Het doet me hartzeer als ik de bolletjestrui zie lossen op een échte col. Dat is toch niet normaal?”

Hoe kunnen we de trui in ere herstellen?

Van Impe: “Ze moeten bonificatieseconden geven op alle grote cols. Voor zo’n beloning zullen de goeie klimmers zoals Quintana wel meedoen.”

Misschien vinden veel renners het gewoon een lelijke trui?

Van Impe: “Ik heb dat zelf als eerste gezegd! In 1975 introduceerden ze de bolletjestrui – voordien was het gewoon een sticker die men op je trui plakte. Ik dacht: miljaar, dat is precies een clownspak. Hier rij ik niet voor. Maar Zoetemelk veroverde die trui al in de eerste rit, en daar kon ik niet tegen. Ik heb hem meteen afgepakt en gedragen tot in Parijs (lacht).

“Toen ik nadien in de criteriums die trui droeg, herkende iedereen me meteen. Ik had er op slag duizenden supporters bij.”

Welk gevoel heb jij bij Richard Virenque? Hij onttroonde je, en heeft als enige renner zeven keer de bolletjestrui gewonnen.

Van Impe (zucht): “Het is moeilijk voor mij om daar over te praten. Het doet zeer, vooral door de manier waarop: door altijd mee te gaan in lange ontsnappingen. Mocht het nu nog Pantani geweest zijn, of een andere pure klimmer. Maar Virenque was geen klimmer, hij werd gelost op de grote cols.”

Meneer Virenque, doet het pijn, als ze zo over jou spreken?

Virenque (nijdig): “Nee, het raakt me niet. Ik vind het klein van Lucien dat hij mijn prestaties niet naar waarde schat. Het heeft met jaloezie te maken.”

DE KANSEN VAN REMCO

Hoe taxeer je de prestaties van Wout van Aert in de cols?

Van Impe: “Buitengewoon! Hij zal zichzelf ook verrast hebben, daar ben ik zeker van. Zijn kilometerslange kopwerk bergop in de vierde rit, naar Orcières Merlette, was prachtig! Het is lang geleden dat we nog een Belg zagen meedoen in de cols. Hij is nochtans groot, en niet van de lichtste.”

Hoe verklaar je dat hij toch zo goed klimt?

Van Impe: “Hij rijdt op kracht, die heeft hij in overvloed. Net zoals Merckx en Hinault het vroeger deden. Merckx was trouwens ook groter dan 1 meter 80. Ik weet niet waar Wouts limieten liggen. Zou hij het zelf weten?”

Vier jaar geleden zei je in Humo: ‘De renner die me als Tourwinnaar zal opvolgen, is nu ongeveer 15 jaar oud. We kennen hem nog niet, maar dat zal niet lang meer duren.’ Dat waren profetische woorden.

Van Impe (lacht): “Ja, Remco heeft wat pech gehad met zijn val, maar dat kan geen kwaad: hij is nog jong, het kan zelfs een voordeel zijn. Ik heb een enorm geloof in hem. Maar hij moet ook echt zelf in zijn droom geloven, en elke dag hardop zeggen: ‘Ik wil de Tour winnen!’ Ik volg hem op de voet, en merk dat hij die verbetenheid heeft.”

Lucien Van Impe over Wout van Aert: 'Wout is buitengewoon! Hij klimt op kracht, net als Eddy Merckx. Ik weet niet waar zijn limieten liggen, maar dat weet hij zelf misschien ook nog niet.'Beeld BelgaImage

Is hij een klimmer?

Van Impe: “Veel cols hebben we hem nog niet zien oprijden. Hij is klein en hij weegt niet veel – dat is héél belangrijk. En hij kan tijdrijden: dan kun je de Tour winnen. Hij moet alleen nog beter leren dalen. Bergaf reed niemand mij naar huis.”

Winnen: “Mij ook niet. Maar in de afdaling van de Joux Plane heb ik ooit eens het wiel van Hinault proberen te houden. Jezusmina, toen heb ik stront gescheten, dat ging zó hard! Het was ook een slecht wegdek, vol putten en grind – tegenwoordig zouden renners daar meteen voor in staking gaan. Maar ik ben er toch in geslaagd bij hem te blijven.

“Alleen in de Ronde van Italië ben ik een keer bang geweest, in die beruchte sneeuwetappe over de Gavia. Ik daalde helemaal alleen, het was muisstil, en ik bibberde zo hevig dat ik dacht dat ik van mijn fiets zou vallen. Ik dacht: als ik hier over de rand het ravijn invlieg, vinden ze me volgende zomer pas terug.”

Was jij bezig met je gewicht, Lucien?

Van Impe: “Natuurlijk! Ik at geen vet, niks ongezonds. Wij wogen ons twee keer per dag, ’s morgens en ’s avonds. 58,5 kilo, voor 1 meter 67. Exact hetzelfde als Quintana.”

Wist je hoeveel watt per kilo je kon trappen?

Van Impe: “Dat kenden wij niet, jong. Maar ik schreef elke dag mijn gewicht, mijn bloeddruk en mijn polsslag op. Ik wist daardoor altijd hoe goed ik was. Al lachten ze me er soms mee uit.”

Lachten ze niet met jouw gestalte?

Van Impe: “Als ik ze weer eens Pinocchio hoorde roepen, dan gaf ik er altijd een snok aan en was het gedaan. Of dan riep ik: ‘Zeg, is dat hier bergop? Want ik zie het niet,’ als ik achter zo’n lange pestkop reed die aan het afzien was (lacht).”

HEILIG VUUR

Er moeten toch nog veel potentiële klimmers zijn die nog moeten ontluiken?

Van Impe: “Natuurlijk. Mij vroegen ze ook altijd: ‘Hoe komt het dat jij zo goed kunt klimmen, terwijl je in zo’n vlak land woont?’ Volgens mij is het me gelukt omdat ik ervan droomde. Als je iets echt wil én het talent hebt, dan gebeurt het. Dát is het heilige vuur.

“Ik denk dat de huidige generatie klimmers niet genoeg in zichzelf gelooft. Ik zie te veel twijfel. Kijk, mijn mooiste overwinning was op Pla d’Adet, in 1981. Ik was gelost uit een groepje met Hinault, maar kwam er met veel moeite toch weer bij. Ik dacht: ik demarreer, want ik ben stikkapot en ga toch niet lang meer meegaan. Ik heb maar 50 meter voorsprong kunnen nemen, maar ik heb die wel gehouden tot aan de meet. Gewoon omdat ik bleef denken: ik kán het.”

Lucien Van Impe: 'In de bergen smeekten mijn tegenstanders me om niet sneller te rijden. Ik heb uit medelijden weleens gewacht tot de volgende col om te demarreren.'Beeld BelgaImage

Bjorg Lambrecht had het ook in zich om een sterke klimmer te worden. Maar hij liet vorig jaar het leven in de Ronde van Polen.

Van Impe: “Het is net zoals bij Jean-Pierre Monseré: we gaan nooit weten hoe goed ze zouden geweest zijn.”

Hangt er aan klimmers meer tragiek? Ik denk nu aan Marco Pantani.

Winnen: “Klimmers hebben altijd al iets bijzonders gehad. Ik denk soms: dat is geen toeval, het is het lot.”

Van Impe: “Pantani is op tragische wijze aan zijn eind gekomen. In de jaren 90 zijn er een aantal dingen gebeurd die niet juist waren. We zullen er nooit het fijne van weten.”

Virenque: “Ik denk dat ze vooral slecht omringd waren. Renners zijn als kinderen: je moet ze begeleiden. Er komt zoveel op je af! Goeie klimmers staan in de volksgunst, ik kan het weten. Het raakte me emotioneel enorm als het publiek me aanmoedigde. Het gaf me warmte, iets wat ik als kind heb gemist. Misschien ben ik daarom klimmer geworden.”

Los daarvan, klimmen blijft ook afzien als de beesten.

Van Impe: “Als wij zo’n hedendaags computertje hadden gehad, was het snel op tilt geslagen. Wij reden tot we van onze fiets vielen. Nu houden renners zich in als ze hun waarden in het rood zien gaan. Wij wisten pas dat we te diep waren gegaan als het zwart werd voor onze ogen.”

Virenque: “Ik vergat het lijden, omdat ik zielsgelukkig was in de bergen. Daardoor kon ik mentaal door die muur.”

Winnen: “Door dat afzien gebeurde er iets vreemds in mijn bewustzijn. Er gingen veel luikjes open: ik nam veel waar. Dan kwamen er van die rare gedachten door je hoofd dollen, of iets waar je niet van af kwam. Deuntjes, bijvoorbeeld, meestal niet de meest fraaie. Zoals dat van die Hollander, Henk Wijngaard.”

‘Met de vlam in de pijp’?

Winnen: “Ja, dát. Het bleef soms dagen door mijn kop spoken, misselijkmakend!”

Maar na je overwinning op Alpe d’Huez rookte je wel sigaretten met je vrouw Yvonne, op het balkon van je hotelkamer, terwijl je ploegleider Peter Post zich beneden stond af te vragen waar die rook vandaan kwam.

Winnen: “Ja, toen kon dat nog. De jaren 80 waren een héél romantische tijd (lacht).”

Sporza: ronde van Frankrijk, Eén, elke dag, vanaf circa 13.30 uur

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234