Zaterdag 21/09/2019

Interview

Lopen voor je leven: Bashir Abdi, Belgisch recordhouder op de marathon en gewezen vluchteling

‘Alles waarvan ik droom, kan ik hier waarmaken. Daar ben ik belgië enorm dankbaar voor.’

Bashir Abdi (30) ontvluchtte als kind de oorlog, wankelde toen hij zijn moeder verloor, maar krabbelde recht dankzij de atletiek. Al liet zijn debuut niet meteen het beste verhopen: ‘Ik droeg een T-shirt van Beckham en lange voetbalsokken en liep alle horden omver.’ Inmiddels woont hij al langer in België dan hij in Somalië heeft geleefd en spreekt hij met een onvervalst Gents accent.

Vorige zomer rende Bashir Abdi tijdens de Europese kampioenschappen in Berlijn naar zilver op de 10.000 meter, dit voorjaar verbeterde hij in Londen het 24 jaar oude Belgische marathonrecord van Vincent Rousseau.

“Na Londen heb ik drie weken niets gedaan. Alleen gerust en veel gegeten: na zo’n inspanning smaakt alles eens zo lekker. (lacht) Daarna heb ik langzaam weer opgebouwd. Ik heb net een hoogtestage in Zwitserland achter de rug en begin september loop ik The Great North Run in Newcastle, een halve marathon ter voorbereiding van het échte doel: de marathon van Chicago in oktober. Voor mij geen Memorial of wereldkampioenschap in Doha dus. Dat laatste heeft alles te maken met de weersomstandigheden. Het zal er ruim 40 graden zijn, zelfs ’s avonds, wanneer de marathon geprogrammeerd staat. Ik wilde geen risico nemen en zo mijn voorbereiding op de Olympische Spelen in Tokio in het gedrang brengen. De 10 kilometer was ook een optie geweest, maar dan had ik eerst nog ergens een organisator moeten overtuigen om er speciaal voor mij één te organiseren, zodat ik me kon kwalificeren. En dan nog moest ik in bloedvorm zijn en mocht er niets misgaan. Dat risico wilde ik niet lopen. Daarom heb ik besloten om me volledig toe te leggen op de marathon.”

Laten we nog eens terugkeren naar Londen. Vincent Rousseau heeft gezegd…

“… dat mijn record meer toe te schrijven is aan de nieuwe generatie loopschoenen dan aan mijn prestatie? (lacht) Er wordt naar mijn mening wat veel op die schoenen gefocust. Tijden veranderen en de technologie evolueert. Zoals de fietsen van vroeger en nu niet meer met elkaar te vergelijken zijn, lijken mijn schoenen waarschijnlijk in niets meer op die van Vincent. Nu, ik zou niet weten wat er zo speciaal aan is: ik ben nieuw in de marathon en heb nooit met iets anders gelopen.”

Opvallend was wel dat meer dan één atleet zijn persoonlijk record scherper stelde in Londen.

“De laatste drie wereldrecordhouders – Haile Gebrselassie, Wilson Kipsang én Dennis Kimetto – liepen niet met Nike, maar Adidas. Nu huidig wereldrecordhouder en Nike-atleet Eliud Kipchoge de magische grens van de twee uur benadert, beweert iedereen plots dat het aan de schoenen ligt. Trouwens, in Londen liep hij geen persoonlijk record. De tweede en derde wel, de vierde niet en het nummer vijf, Mo Farah, was teleurgesteld. Het gaat dus maar om enkele lopers, onder wie mezelf. En ik verzeker je: de schoenen zijn belangrijk, maar je voorbereiding is nóg belangrijker. De mijne was af.”

Sommigen hebben het over ‘technologische doping’ en willen die schoenen verbieden.

“De meningen daarover zijn vrij, maar onderzoek zal dat moeten uitwijzen. Mocht het zo zijn, ben ik de eerste om het oneerlijke concurrentie te vinden.”

Ik wilde eigenlijk een andere uitspraak van Rousseau aanhalen. Eén die hij deed nadat je in maart al tweede was geworden in de halve marathon van Londen.

(glimlacht) Na die race zei hij dat hij me bekwaam achtte om het Belgische marathonrecord te verbreken. Kijk, Vincent heeft tijdens zijn carrière lang niet dezelfde tijden gelopen op de piste als ik. Het record op de 10 kilometer staat nog steeds op zijn naam, maar de 1.500 meter, 3 kilometer en 5 kilometer loop ik sneller dan hij. Als ik iets betreur, is het dat ik niet alles uit de 10 kilometer heb gehaald. Ik geloof oprecht dat ik onder de 27 minuten kan duiken. Het probleem is dat geen enkele grote organisatie nog een 10 kilometer programmeert, ook de Memorial Van Damme niet, nu de atletiek steeds meer de weg van het entertainment is ingeslagen.”

Was het record van Rousseau een obsessie?

“Het heeft lang genoeg overeind gestaan. Diep vanbinnen droomde ik ervan. Mocht het niet gelukt zijn, dan was ik absoluut ontgoocheld geweest. Londen heeft veel twijfels weggenomen.”

Londen was pas je tweede volledige marathon. Bij je eerste, vorig jaar in Rotterdam, kwam je meteen na de start ten val. Mooi debuut.

(lacht) Vijf seconden na het startschot viel de loper voor mij. Ik kon hem ontwijken, maar ben toch ook gevallen. Om de grote massa voor te blijven, ben ik meteen weer rechtgekrabbeld, maar niet snel genoeg. Ze haalde me in en ik werd een tweede keer tegen de grond geduwd. Knieën, ellebogen, voorhoofd: alles was geschaafd. Terwijl ik weer aanzette, voelde ik een zoete druppel in mijn mond. Ik veegde hem weg: heel mijn hand zat onder het bloed! Ik heb die wedstrijd puur op emotie uitgelopen. Daardoor heb ik de informatie om zo’n marathon te lezen niet goed kunnen opslaan. Op hoogtestage nadien kon ik ze niet meer oproepen. Ik beschouw Londen dan ook als mijn eerste echte marathon.”

Eigenlijk was het de bedoeling dat je dit jaar opnieuw in Rotterdam zou lopen. Het werd Londen. Waarom?

“Het voordeel van Rotterdam is dat het drie weken vroeger valt dan Londen. Ik zou drie extra weken hebben gehad om op te bouwen naar het WK – ik dacht er toen nog aan de 10 kilometer te lopen. Maar het bleef aanslepen. Uiteindelijk raakten we het niet eens over de voorwaarden. Met veel moeite ben ik nog op de deelnemerslijst in Londen geraakt. Maar mijn planning was wel hopeloos in de war gestuurd.”

Met zijn record uit 1995 (2:07.20) bleef Rousseau minder dan een minuut boven het toenmalige wereldrecord. Vandaag ben jij er, met een betere tijd (2:07.03), veel verder van verwijderd: ruim vijf minuten.

“Om me met de besten van de wereld te kunnen meten, moet ik nog veel vooruitgang boeken. Alleen: ook de toppers worden steeds beter. Ik ben ervan overtuigd dat Kipchoge onder de 2 uur kan duiken. Zijn enige probleem is dat geen enkele haas hem met zo’n hoge snelheid naar de 30 kilometer kan brengen. De dag dat hij die vindt, lukt het hem. Zelf zie ik me niet in die buurt komen, al moet ik wel beter kunnen dan mijn huidige tijd. Maar onderschat het niet. Een marathon loop je niet tegen je concurrenten of de tijd, maar tegen de afstand. Zelfs na je veertigste marathon kan die je nog altijd verrassen. Je kunt de perfecte race lopen en toch na 35 kilometer, ondanks al je ervaring, de man met de hamer tegenkomen.”

Oost-Afrikanen staan bekend als goede afstandslopers. Heb jij altijd gelopen?

“Nee, helemaal niet. De enige sport die ik in Somalië zag op tv en die we zelf beoefenden met een van sokken gemaakte bal, was voetbal. Ook in België bleef het mijn grote liefde. Ik heb me hier meteen aangesloten bij een club. Mijn techniek was niet goed, maar ik kon lang lopen en dat beviel de trainer. Ik mocht zelfs bij de eerste ploeg op de bank zitten. Daar verdiende ik 75 euro mee. Zonder iets te doen of om hooguit een paar minuten in te vallen, als ik geen kwaad meer kon doen. (lacht) Met dat geld trok ik dan met vrienden naar de Gentse Overpoort. Iets drinken en een pita eten, met veel look- of samoeraisaus. Of we gingen naar de bioscoop. Mooie tijden…

“Tot ik in de zomer van 2005 een lichte knieoperatie moest ondergaan en van de dokter niet mocht voetballen. Terwijl buiten de zon scheen, verveelde ik me dood. Mijn moeder spoorde me aan om een cursus speelpleinanimator te volgen. Daar leerde ik Bert Misplon kennen. Hij zat in een atletiekclub en nam me mee. Een beetje tegen mijn zin, want ik had niets met atletiek: voetballers lopen nog achter een bal, maar atleten achter elkaar. Die logica ontging me. Ik daagde op in een T-shirt van David Beckham en droeg lange voetbalsokken. Loopschoenen had ik niet, wel iets wat erop leek. Ik voelde me onsterfelijk belachelijk. Het minste wat je kon zeggen, was dat ik opviel: ik liep alle horden omver. (lacht)

Wanneer kreeg de microbe je toch te pakken?

“Mijn eerste cross in Zele vergeet ik nooit. Ik kwam vijf minuten voor de start aan en moest me nog inschrijven. Tijd om me op te warmen was er niet meer. Maar ik dacht: ‘Die Afrikanen winnen toch alles op tv, dat lukt mij hier ook wel.’ Ik vertrok als een speer. Wist ik veel dat je een wedstrijd moet indelen. Na een kilometer leek het alsof ik achteruit liep en de rest vooruit. Ik ben als voorlaatste over de streep gekomen. Ik was helemaal down, maar heb nadien volgehouden: ik wilde mijn trainer niet teleurstellen. Als ik beter wilde worden, moest ik alleen naar mezelf kijken. In het voetbal ben je afhankelijk van anderen, in de atletiek niet. Gaandeweg begon ik hier en daar het podium te halen, en ik mocht deelnemen aan de Crosscup. Die kende ik van tv. ‘Wauw’, dacht ik, ‘kom ik nu ook op tv?’ Ik werd twintigste, op 11 miljoen Belgen: niet slecht, vond ik. (lacht) De modder en de heuvelachtige parcoursen van de Crosscup hebben van mij de atleet gemaakt die ik nu ben.”

Gary Lough, de trainer van Mo Farah en echtgenoot van Paula Radcliffe, wereldrecordhouder op de marathon bij de vrouwen, is sinds vorig najaar je coach. Als zo iemand je onder zijn vleugels neemt, wil dat zeggen dat hij potentieel in je ziet.

“Of hij doet het omdat ik de beste vriend van een van zijn atleten ben. (lacht) Mo traint nu tweeënhalf jaar met Gary, sinds hij de VS verliet en terug in Londen is komen wonen. Hij heeft Gary overtuigd om me in zijn groep op te nemen. Vroeger deed ik maar wat en had ik vaak last van blessures. Dat is voorbij: ik krijg nu een duidelijk trainingsschema dat ik nauwgezet volg. Ik voel vertrouwen, precies wat ik nodig had.”

Mo Farah is een wereldtopper. Hoe heb je hem leren kennen?

“Onze eerste ontmoeting dateert van 2008, toen hij deelnam aan het Europees kampioenschap veldlopen in Brussel. Net als ik is hij van Somalische afkomst. Ik kende hem van op tv en keek enorm naar hem op. Ook als mens: met zijn stichting bouwt hij waterputten, scholen en ziekenhuizen in Afrika – dat wil ik later ook gaan doen. Met enkele vrienden van de atletiekclub – ik was pas gestopt met voetballen – reden we naar Brussel en we stelden ons strategisch op aan de start. Ik probeerde zijn aandacht te trekken, maar tevergeefs: wellicht zag hij gewoon een zwarte jongen in een hoekje naar hem staan zwaaien. (lacht) Na de wedstrijd lukte het toch: hij gaf me een handtekening en een vriend nam een foto van ons twee. Die heeft hij nog altijd.

“De tweede keer was in 2010. Met enkele vrienden waren we met een minibusje op weg naar het EK in Barcelona, toen we Font Romeu passeerden en een tussenstop maakten. Mo was er op hoogtestage. Hij herinnerde zich ons en weer kreeg ik een handtekening. Dat EK werd zijn grote doorbraak: hij won zowel de 5 als de 10 kilometer. Meer dan ooit droomde ik ervan om met hem te kunnen trainen. Twee jaar later, tijdens mijn eerste hoogtestage in Ethiopië, was hij er niet, maar later in Kenia wel. Hij verbleef in een duur resort, ik in een bescheiden huisje. We trainden een paar keer samen en na de lunch ging ik altijd PlayStation met hem spelen. (lacht) Dat beviel ons zo dat we in de winter van 2014 onze eerste gezamenlijke stage planden. Vervolgens won hij zowel de 5 als de 10 kilometer op het EK in Zürich en werd ik vijfde op de 10 kilometer. Onze vriendschap was definitief geboren.”

Ik las dat je op zijn trouwfeest was uitgenodigd.

“Dat klopt niet. Mo is getrouwd in 2009 en toen kenden we elkaar helemaal nog niet. Het omgekeerde is wel waar: Mo was op míjn trouwfeest. Ik geloofde mijn ogen niet toen ik hem van de trap zag afdalen. Ook mijn vrouw wist van niets, het was een complete verrassing. Mijn broer had het op eigen houtje bekokstoofd. We zijn getrouwd in Amsterdam, waar mijn vrouw woonde: ook zij is van Somalische afkomst, maar toch een echte Hollandse. Ze heeft geen seconde getwijfeld om naar Gent te verhuizen: ik woon in de leukste stad van de wereld. (lacht)

‘Nog altijd heb ik het gevoel dat mijn moeder langer zou hebben geleefd als ze haar niet hadden verteld dat ze maagkanker had.’

Hoe was je jeugd in Somalië?

“We woonden in de hoofdstad Mogadishu: mijn twee oudere broers, mijn jongere zus en ik. Onze moeder was de kostwinner. We behoorden tot de middenklasse en kwamen niets tekort: het leven is goedkoop in Somalië. Ik herinner me de buren, de kinderen met wie we speelden, de winkel waar we snoep kochten. Bij de kauwgom zat meestal een sticker van een bekende voetballer – David Beckham of Roberto Carlos of zo. Op een stuk karton tekenden we een voetbalveld en daar plakten we die stickers op. Tot we een elftal hadden.

“Die verschrikkelijke oorlog heeft ons leven helemaal overhoopgegooid. Plots stonden er soldaten met geweren voor onze snoepwinkel en liepen er gewapende mannen door de straten. Ik aanschouwde het allemaal vanachter het raam van ons huis. Naar buiten mochten we niet meer, zelfs de deur mochten we niet openen. Vrij snel moesten we de stad verlaten. Op enkele koffers en grote zakken met kleren na, lieten we alles achter. Met een man of twintig vluchtten we in een veel te kleine wagen naar de grensstreek met Djibouti. Ik zat op iemands schoot en kon haast niet ademen, zo opeengepakt zaten we. We bereikten een vluchtelingenkamp van de Verenigde Naties. Zo ver het oog reikte, zag ik alleen maar dezelfde witte tenten. Daarvan kregen we er één toegewezen. Mensen huilden en er hing een beklemmende sfeer.”

Heftig voor een achtjarige jongen.

“Ik heb Somalische vrienden in Gent die in hetzelfde kamp hebben verbleven. Zij hebben zaken gezien die ik niet heb gezien. Dode mensen. Misschien hebben mijn vader en mijn broers me daar wel van weggehouden. Ik weet ook niet hoelang we daar hebben gezeten. Een paar keer per week was er een voedselbedeling waarvoor je moest aanschuiven. Eén keer ben ik mee geweest met mijn vader en mijn oudste broer: ik had nog nooit zo’n lange rij gezien. Met wat je kreeg, moest je het tot de volgende bevoorrading zien te redden.”

Jullie moeder was er niet bij in dat kamp.

“Op het moment dat de oorlog uitbrak, was ze in het buitenland en mocht ze Somalië niet meer binnen. Ze handelde in kleren. Die kocht ze met grote hoeveelheden op in India en verkocht ze vervolgens in Somalië. Eén keer is ze in het vluchtelingenkamp op bezoek geweest. Blij dat we waren! Toen ze de omstandigheden zag waarin we leefden, heeft ze meteen beslist dat we naar Djibouti moesten, waar familie woonde. We zijn bij hen ingetrokken en hebben er tot mijn elfde gewoond. Een hele verbetering: we konden weer onbezorgd buiten spelen. Als ze zagen dat we het moeilijk kregen, nam onze familie ons mee naar het strand om onze gedachten te verzetten.

“Intussen zocht moeder naar een definitieve oplossing. Via Spanje kwam ze in België terecht, waar ze in 1999 werd erkend als politiek vluchteling en een aanvraag tot gezinshereniging indiende. Aan de telefoon vertelde ze ons hoe veilig het hier was. In 2002 was het zover: we kregen ons visum. Eindelijk zouden we weer samen zijn.”

Je was op dat moment dertien. Hoe verliep de kennismaking met België?

“Het was oktober. We landden laat in de avond, onze moeder stond ons op te wachten. Een zeer emotioneel moment: we hadden haar vier jaar lang niet gezien. Ik herinner me de autosnelweg naar Gent, hoe die baadde in het licht. Dat had ik nog nooit gezien: in Somalië is ’s avonds alles donker. Ik was verrukt, zo mooi vond ik het! Ik viel in slaap tijdens de autorit, overmand door vermoeidheid en emoties.

“De volgende ochtend ontwaakte ik als eerste. Mijn moeder woonde in een kleine studio. Ik keek uit het raam: alles zag wit. Ik dacht dat het suiker was. Of zout. De auto’s reden zo traag dat ik dacht: die blanken kunnen niet rijden! Ik stond zo gefascineerd naar buiten te kijken dat ik niet had gemerkt dat mijn moeder achter mij was komen staan. Ze glimlachte: ‘Ga maar naar buiten.’ Ik trok de deur open: was me dat koud! Toen wist ik: dit is geen zout of suiker, maar sneeuw!

“Zolang onze moeder leefde, ging alles goed. In 2011 is ze overleden. Ik was met mijn broer op vakantie bij familie in Zweden – vraag me niet hoe dat zat, familiebanden in Somalië zijn soms ingewikkeld. (lacht) Moeder belde ons op: ze had last van haar maag. Via onze zus kwamen we te weten dat ze maagkanker had. We zijn onmiddellijk teruggekeerd: bleek dat ze het te laat hadden ontdekt om er nog iets aan te kunnen doen. Dat begrijp ik nog altijd niet: ze was diabetespatiënte en ging geregeld op controle bij de dokter. Hoe kan dat dan? Zodra ze het nieuws vernam, ging ze snel achteruit. Ze werd een ander mens, verloor al haar levenslust. Nog altijd heb ik het gevoel dat ze langer zou hebben geleefd, mochten ze het haar niet hebben verteld. De behandeling deed meer kwaad dan goed. Ze at niet meer en we zagen haar zienderogen vermageren en aftakelen. Na een korte doodsstrijd is ze overleden.”

Zij was de kostwinner. Hoe moest het met jullie verder?

“Mijn moeder deed alles. Zij was zo creatief dat we het wel redden met haar kleine inkomentje. Zonder haar werd alles op slag moeilijker. Ik verlangde ernaar weer een kind te zijn dat zijn hoofd maar in de schoot van zijn moeder hoefde te leggen en alles kwam in orde. Mijn broers waren het huis al uit en hadden hun eigen gezin, mijn zus en ik bleven achter met onze vader. Ik was net aan de hogeschool beginnen te studeren. Van de ene op de andere dag konden we onze facturen niet meer betalen. Bij de sociale dienst kreeg ik te horen dat ik recht had op een studietoelage, maar daarmee redden we het niet. Dus raadden ze me aan om te solliciteren: met mijn diploma middelbare school kon dat. Gedurende een maand of vijf heb ik deeltijds gewerkt als koerier: medicijnen afleveren bij apothekers. Maar de combinatie werken-studeren sloopte me: ik zat vermoeid in de les en kreeg mijn taken niet op tijd af. Dus zette ik mijn studies on hold. Dat zijn ze nog altijd. (lachje)

De atletiek gaf je niet op?

“Nee, al was het niet makkelijk. Toen moeder overleed, was ik net geblesseerd. Ik ging door een donkere periode, maandenlang. Die winter ben ik met Bert Misplon naar Ethiopië vertrokken voor mijn eerste hoogtestage. Mentaal hebben die drie weken me weer helemaal opgeladen. Het bleek de ideale manier om mijn moeder te eren. Terug in België won ik prompt het BK veldlopen in Oostende. Als nobele onbekende: mensen hebben nog lang mijn voornaam met mijn familienaam verward: ‘Abdi wíé?’ (lacht)

“Ethiopië was een openbaring. Omdat Bert graag de wereld verkent, waren we naar een klein dorpje op twee uur rijden van de hoofdstad Addis Abeba gereisd. We zijn er blijven overnachten en hebben er aan den lijve het contrast met ons leventje in Gent ervaren. ’s Ochtends zagen we de kinderen wakker worden, waarna ze zich de rest van de dag steendood verveelden. Zo triestig. Ik werd Belgisch kampioen, maar het beeld van die kinderen liet ons niet los: ‘We móéten iets doen!’

“Zo is de vzw Sportaround ontstaan. Het plan was aanvankelijk om fondsen te verzamelen en met dat geld terug te keren naar dat dorp. We organiseerden hier een Somalisch eetfestijn en een voetbaltoernooi voor atletiekclubs en allochtone kinderen. Ik vroeg hun wat ze deden. Dan kreeg ik antwoorden als ‘Ik zou wel willen voetballen, maar mijn ouders kunnen het niet betalen’ of ‘Ik weet niet waar ik een club kan vinden’. Ik merkte dat er in Gent nood was aan een vzw die opkomt voor kinderen die graag willen sporten, maar de mogelijkheid daartoe niet hebben. Toen heb ik het roer omgegooid: voortaan zouden we met Sportaround op onze eigen stad focussen, en van dat dorpje in Ethiopië ons langetermijndoel maken. Vandaag organiseren we één keer per week naschoolse beweging in 26 Gentse scholen en worden we gesubsidieerd door de Vlaamse overheid. Ik ben het uithangbord, maar buiten de competitieperiodes geef ik zelf ook les.”

‘Ik mis Somalië totaal niet. Alles wat ik ginder had, heb ik nu ook, maar béter. Het Belgische weer neem ik er wel bij.’

Je slaat op de vlucht voor een oorlog, probeert hier een nieuw leven op te bouwen en verliest je moeder, maar toch blijf je bekommerd om het lot van anderen. Wat zegt dat over jou?

“Geen idee. Ik vond gewoon dat ik iets moest doen. Ik geloof oprecht dat mensen – en zeker kinderen – zich door sport kunnen ontplooien in een samenleving. Zelf ben ik daar een mooi voorbeeld van: de sport heeft mij gered en daar ben ik dankbaar voor. Als ik hier blijf staan en jij daar, gebeurt er niets. We hebben tussen ons iets nodig dat ons samenbrengt: dat is de sport. Zodra je samen sport, ga je met mekaar in gesprek en leer je elkaar kennen. En misschien ga je beseffen dat je altijd een verkeerd beeld van iemand hebt gehad, vanwege zijn geloof of zo.

“Ik geloof dat alles een reden heeft. Ook tegenslagen. Om te raken waar ik nu sta, heb ik veel ellende moeten overwinnen. Ooit kreeg ik het advies om mijn lichaam niet langer af te beulen en een gewone job te zoeken. Ik ben blij dat ik niet geluisterd heb en alle hindernissen heb overwonnen. Ze hebben me sterker gemaakt.”

Na je zilveren medaille in Berlijn was je blij dat je eindelijk iets had kunnen terugdoen voor het land waarvan je zei dat het je alle kansen had gegeven.

“Dat is ook zo. Alles waar ik van droom kan ik hier waarmaken. Daar ben ik enorm dankbaar voor. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik dit land iets verschuldigd ben. Dat ik iets moest doen wat België trots op mij zou maken. In 2012 liep ik het EK in Helsinki, mijn eerste grote kampioenschap namens België: ik werd vierde en was teleurgesteld. Keer op keer greep ik ook in de jaren nadien naast een medaille. Toen men mij zei dat mijn toekomst in de marathon lag, wilde ik niet weglopen van mijn onvoltooide droom op de piste. Berlijn was mijn laatste kans: ik móést die medaille pakken! Ik ben heel blij dat het gelukt is. En het is nog niet gedaan.”

Dat belooft.

“Mocht ik niet in België beland zijn, zou ik echt niet weten hoe mijn leven in Afrika er nu zou uitzien. Ik weet hoe hard het daar is. Net als mijn vriend Mo zie ik mijn toekomst hier. Mo was jonger dan ik toen hij naar Londen kwam en is ondertussen een echte Brit. Dat merk je aan alles, hij heeft zelfs de Somalische taal niet meer helemaal onder de knie. Ik wel, ik heb ze thuis altijd gesproken.”

Toch is je Nederlands vlekkeloos.

“Ik zie soms mensen die hier al lang zijn, maar hun best niet doen om Nederlands te leren. Dat vind ik erg. Want hoe kun je nu meedraaien in een samenleving als je de taal niet machtig bent? Taal is het begin van alles. Ik heb het geleerd in het OKAN (onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers, red.). Een van mijn leraressen kwam bij ons thuis en heeft de familie Abdi voor het eerst met de trein meegenomen naar zee. Heel gezellig. Tot we in Oostende aankwamen en ons een hoedje schrokken: al dat bloot op het strand! Nu vind ik dat niet erg meer, maar toen was het wel schrikken. (lacht)

Je bent moslim. Veel westerlingen hebben het moeilijk met de islam. Merk je dat?

“De islam bestaat al duizenden jaren en wordt door zoveel mensen beleden dat je het onmogelijk kunt afdoen als een fout geloof. Veel mensen hebben een verkeerd beeld van wat de islam echt is: een vredevol geloof. Het verbiedt mij bijvoorbeeld om iemand pijn te doen. Al Shabaab in Somalië, Boko Haram in Mali, Al Qaeda: stuk voor stuk zijn het extremistische groeperingen die niets met de ware islam te maken hebben. Volgens hen belijden wij ons geloof op de verkeerde manier, maar het zijn zíj die verkeerd zijn! Ik ga in Gent naar de moskee van imam Khalid Benhaddou. Die heeft een boek geschreven over de islam in Europa: Is dit nu de islam? (daarin pleit Benhaddou voor een moderne islam die de westerse waarden verzoent met die van de Koran, red.) Soms zie ik dat mensen bang van mij zijn, tot ik het gesprek met hen aanga: ‘O, die Bashir is veel losser dan we dachten.’ Dat krijg je dus als mensen zich een mening vormen op basis van wat ze zien op tv. Ik vind dat verschrikkelijk.”

Krijg je vaak met racisme te maken?

“Eigenlijk niet. Er komt weleens iets voorbij wat ik niet leuk vind, maar goed: iedereen heeft recht op zijn mening. Gent is een stad waar het samenleven van mensen met een verschillende achtergrond, religie of kleur absoluut geslaagd is. Zoals de meeste van mijn vrienden voel ik me op-en-top Gentenaar.”

Je hebt een dochtertje. Maak jij je zorgen over de wereld waarin zij zal opgroeien?

“Sinds oktober ben ik de trotse vader van Khadra. Door de hoogtestages zie ik haar soms wekenlang niet. Dat is zwaar: als ik thuiskom, is er altijd wel iets wat ze heeft geleerd en wat ik heb gemist. Ik zou het erg vinden mocht mijn dochter zich later niet thuis voelen in de samenleving waarin ze is geboren. Maar goed, ik heb geen glazen bol. Vandaag gaat het goed, hopelijk morgen ook nog.”

Mis je Somalië?

“Totaal niet! Wat zou ik moeten missen? Alles wat ik ginder had, heb ik nu ook, maar béter. Geef mij maar Gent. Dat typisch Belgische weer neem ik er wel bij. (lacht)

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234