Zaterdag 23/10/2021

AchtergrondSport en geopolitiek

Japan steekt China naar de kroon in de topsport

Een Japanner draagt de vlag met de rijzende zon. Die wordt in delen van Azië geassocieerd met oorlogsagressie. Beeld EPA
Een Japanner draagt de vlag met de rijzende zon. Die wordt in delen van Azië geassocieerd met oorlogsagressie.Beeld EPA

In het sumo vochten twee Mongoliërs de finale in de Emperor’s Cup in Nagoya en in Tokio protesteerden de Zuid-Koreanen met succes tegen een Japanse oorlogsvlag die weg moet uit alle olympische locaties. In de Japanse sport is de Aziatische geopolitiek nooit ver weg.

De mondmaskers hingen bij de meeste van de 3.500 toeschouwers onder de mond toen afgelopen zondag yokozuna Hakuho ozeki Terunofuji met een simpele kotenage of armklem ten val bracht. De yokozuna (groot-kampioen) had de ozeki (kampioen) verslagen en won daarmee zijn 45ste Emperor’s Cup.

Japan ging collectief door het dak voor twee Mongoliërs die een Japanse naam hadden aangenomen, van gewoon dik extreem dik waren geworden, vervolgens wat Japanse karakters hadden geleerd om ten slotte van nationaliteit te veranderen. Omdat ze al hun kampen winnen, zijn ze helden in sumoland.

De beelden van het toernooi met hitsige, schreeuwende toeschouwers werden met argusogen gevolgd in The Okura Hotel, het IOC-hoofdkwartier. De Japanse sport mag halve zalen en hele honkbalstadions vullen met Japanners, maar de Olympische Spelen moeten het zonder diezelfde Japanners stellen.

Inmiddels was het de voorbije dagen business as usual in de Japanse en bij uitbreiding Aziatische sport. In het olympisch dorp vielen de Zuid-Koreanen over de weinig subtiel opgehangen Japanse vlaggen met de rijzende zon. In grote delen van Azië, niet toevallig waar de Japanners tussen 1910 en 1945 lelijk huishielden, worden die geassocieerd met Japanse oorlogsagressie en vergeleken met de swastika. Het Internationaal Olympisch Comité luisterde en greep in: weg met die vlag, alleen die met die ene rode bol was toegelaten. Conservatief Japan stond op de achterste poten.

Kadaverdiscipline

Tokio begon de kandidatuur voor de sessie van 2013 en de Spelen van 2020 voor te bereiden in 2009, een jaar na de zo succesvol verlopen Olympische Spelen in Peking in China, de beste tot op heden. Alles kwam in een stroomversnelling na de aardbeving en tsunami van 2011. De heropbouw van Japan, het herwinnen van de Japanse trots, sportland Japan op de kaart zetten, dat mocht ineens een yen kosten en meer dan één. Wat China kon, dat kon Japan ook. Reconstruction Games, dat moesten het worden.

Volgens Samuel Huntington in Botsende beschavingen is Japan een van de acht wereldbeschavingen en de meest homogene. Dat spreken de Japanners niet tegen. Voor de regerende partij van premier Shinzo Abe die de Spelen naar Tokio haalde, was het hoog tijd om de suprematie van die Japanse beschaving ook in de sport te veruitwendigen.

Sumoworstelaar yokozuna Hakuho verslaat ozeki Terunofuji op de Emperor’s Cup in Nagoya. Beeld AFP
Sumoworstelaar yokozuna Hakuho verslaat ozeki Terunofuji op de Emperor’s Cup in Nagoya.Beeld AFP

Aan het Japans sportsysteem zit een extreem kantje. Sport is er een gesublimeerde, gekanaliseerde en gereglementeerde vorm van agressie. De Japanse sport is zoals de hele Japanse maatschappij gebaseerd op kadaverdiscipline. Wie ooit een training zag van de nationale vrouwenploeg in het volleybal zal die nooit vergeten. Uren aan een stuk dezelfde driloefeningen, tot ze erbij neer vallen. Schreeuwende coaches die tientallen ballen afvuren op de verdedigsters, die zich met oorlogskreten proberen staande te houden. Elke dag opnieuw, geconditioneerd als hondjes van Pavlov. Sport als bandwerk.

De Japanse sport is heel vroeg geprofessionaliseerd. Meteen na de Tweede Wereldoorlog werd sport een verhaal van de grote opkomende corporaties en staatsbedrijven. Fabrieksploegen overspoelden de sport, groet aan de fabrieksvlag bij het begin en het eind van de training was de regel. De recessie in de jaren negentig en de internationalisering van het bedrijfsleven diende de fabriekssport een genadeslag toe, en meer dan tweehonderd fabrieksteams in verschillende sporten gaven er de brui aan.

Het talent werd vanaf dan opgevangen in staatsstructuren en sportuniversiteiten. Dat bleek een geluk bij een ongeluk. Begin deze eeuw werd het Japans Sportagentschap (JSA) opgericht en dat ontplooide meteen een plan voor talentontwikkeling.

Diepbedroefd om falen

In Japan staat sport voor de heroïsche strijd van ’s lands elite. Het tekende voor de eerste deelname van een Aziatisch land aan de Olympische Spelen toen het in 1912 in Stockholm twee atleten afvaardigde. De sprinter werd twee keer laatste en de marathonloper kreeg een dipje onderweg, waarna enkele aardige Zweden hem met sinaasappelsap erbovenop wilden helpen. Dat lukte niet en hij liep niet uit.

Shizo Kanakuri verliet Zweden een dag later zonder iemand iets te zeggen, beschaamd om zijn on-Japans falen. Zweden gaf hem op als vermist. Hoewel hij ook in Antwerpen in 1920 de marathon liep voor zijn land, bleven de Zweden naar hem zoeken. Vierenvijftig jaar later vonden ze hem alsnog en nodigden hem uit om de marathon te volbrengen. Hoe de toen 75-jarige leraar aardrijkskunde zijn laatste stuk van de olympische marathon van 1912 volbracht in 1966 is vereeuwigd in een docu.

Het eerste olympisch goud ooit voor een Japanse atleet was voor de hink-stap-springer Mikio Oda in Amsterdam in 1928. In Los Angeles vier jaar later toonde Japan dat het sportief heel wat in de mars had door vijf van de zes zwemfinales te winnen. Pas vier jaar later in Berlijn zou de eerste Japanse vrouw goud winnen, ook een zwemster.

In 1940 hadden de Spelen in Tokio moeten plaatsvinden, maar de Japanse agressor werd de Spelen ontnomen en mocht ook in 1948 niet aanschuiven. Japan werd onder Amerikaanse curatele snel opgenomen in de westerse wereld, hoewel het pas in 1951 een vredesverdrag ondertekende. In 1956 werd het al lid van de Verengde Naties en twee jaar later kreeg het als eerste Aziatisch land de Spelen toegewezen.

De judokamp tussen Anton Geesink en Akio Kaminaga op 23 oktober 1964 in Japan. Beeld AP
De judokamp tussen Anton Geesink en Akio Kaminaga op 23 oktober 1964 in Japan.Beeld AP

De Zomerspelen van 1964 – wijselijk gehouden in de koelere maand oktober en niet zoals nu in de vochtige zomermaanden – werden een triomf voor een land dat zichzelf opnieuw had uitgevonden. Japan mikte op twee nieuwe sporten waarin het zelf erg goed was: judo en volleybal. Werd dat even een tegenvaller toen de Nederlander Anton Geesink in de open klasse hun god Akio Kaminaga met ippon versloeg. Op langere termijn bleek die introductie van judo toch een goede beslissing want met 39 gouden judomedailles overtreft Japan ruimschoots de nummer twee, Frankrijk, die er veertien heeft gewonnen.

Oosterse Tovenaressen

Ook de volleybalmannen waren in 1964 niet opgewassen tegen de lengte en kracht van de Kaukasiërs uit Europa. Het waren de Japanse volleybalvrouwen die de veel sterkere en langere Russinnen murw kregen door hun onklopbare verdediging en hen in de fout te lokken. Japan stond op zijn kop. De overwinningen van de ‘Oosterse Tovenaressen’, allemaal leden van een fabrieksteam dat zes dagen op zeven vijf uur trainde, hebben meer gedaan voor de ontvoogding van de vrouw in Japan dan welke beweging ook.

Een andere held van de Japanse sport was zwaargewicht-judoka Yasuhiro Yamashita. Die won tussen 1977 en 1985 204 kampen op rij, maar miste de Spelen van Moskou door de boycot. In 1984 in Los Angeles liep hij in zijn eerste kamp een spierscheur op in de kuit. Mankend en de pijn verbijtend vocht hij zich naar de finale tegen de sterke Egyptenaar Ali Rashwan. Die spaarde het rechterbeen van de Japanner en Yamashita werd een legende door op één been goud te winnen.

Gymnast Kohei Uchimura mikt op een achtste olympische medaille. Beeld Photo News
Gymnast Kohei Uchimura mikt op een achtste olympische medaille.Beeld Photo News

De doorbraak van Japan als sportnatie kwam in Athene met zestien gouden plakken, wat meer was dan de vier vorige Spelen samen. Zoveel goud hebben ze nadien nooit meer gehaald. De nieuwe ster van de Japanse sport werd een schoolslagzwemmer, Kosuke Kitajima, met ver keer goud op twee edities. Toen in Peking in 2008 de Japanse softbalvrouwen ook nog eens het goud wonnen ten koste van de VS was het duidelijk dat Japan als sportland grote stappen had gezet.

Uit Rio keerden ze terug met 41 medailles, een record, maar slechts twaalf keer goud, dat moet nu beter. De gymnast Kohei Uchimura was in Rio de leading man. In Tokio zal de mannelijke equivalent van Simone Biles deelnemen aan zijn vierde Spelen op rij en hij mikt op een achtste medaille en zijn derde opeenvolgende goud in de meerkamp.

Volgens Gracenote zou Japan 59 medailles winnen, waarvan 34 keer goud. Dertig keer goud is het officiële target van het Japanse olympisch comité. Dat getal is geen toeval. China won 26 gouden medailles in Rio. Dertig is beter doen dan China en in de officiële medailletabel – die goud eerst telt – zou dat betekenen dat Japan het eerste Aziatisch land wordt. Is China als economische mogendheid niet meer in te halen nadat het in 2010 Japan van de tweede plek verdrong, dan moet het maar in de sport.

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234