Vrijdag 15/11/2019

Interview

‘Ik ben bang dat ik nooit meer de oude zal worden’: Wout van Aert, na de val

'Achteraf gezien was tekenen bij Nick Nuyens mijn grootste fout. Maar hoe mensen in elkaar zitten, weet je pas wanneer je met hen hebt samengewerkt’

Het veldritseizoen start pas écht wanneer de crossers op 1 november de Koppenberg bestormen. Er niet bij: Wout van Aert (25), die herstelt van een verschrikkelijke blessure. Vijf jaar geleden betekende de wedstrijd zijn doorbraak, toen hij als jonkie de grote Sven Nys versloeg. Sindsdien is er veel op hem afgekomen, en kende hij al veel hoogtes en laagtes. Gelukkig gelooft hij in karma: ‘In dit leven gebeurt niets zonder reden.’

Hij stelt het wel, zegt hij, na een bewogen week waarin hij voor de arbeidsrechtbank moest verschijnen, wegens de contractbreuk om ‘dwingende redenen’ die hij vorig jaar pleegde bij de ploeg van Nick Nuyens. Maar die rechtszaak is niet zijn grootste zorg. De blessure die hij opliep door een botsing met een slecht geplaatst dranghek tijdens de tijdrit in de Tour, houdt hem het meest bezig. Elk uur van de dag.

“Mijn herstel verloopt op zich wel goed. Natuurlijk niet snel genoeg naar mijn goesting, maar volgens specialisten sneller dan verwacht. Ik krijg weer kracht in mijn rechterbeen, en kan al wat fietsen.”

Je therapeut Lieven Maesschalck wenste je ‘liever een breuk’ toe, omdat je revalidatie dan niet zo complex was geweest. Maar hij noemde het wel een ‘fantastische’ blessure vanuit therapeutisch oogpunt.

“Dat had ik al door toen ik voor de eerste keer bij Lieven op consultatie ging: ze stonden er met vijf man op te kijken, zo fascinerend vonden ze het. Voor hen is het een uitdaging om mij weer de oude te maken.”

Ben je al in het reine met die val?

“Lange tijd dacht ik: ik kon er niet veel aan doen. Gewoon een beetje te kort ingestuurd, klaar. Maar toen ik wat later naar een koers op televisie keek, merkte ik dat ik bang werd als ze een bocht aansneden. Het moet er onbewust ingeslopen zijn.

“Het ergste is dat ik me mentaal net helemaal had teruggevonden, en dat die blessure me nu weer naar beneden trekt. Daar baal ik nog het meest van.”

Ben je bang dat je nooit meer de oude zal worden?

“Ja, toch wel. Pas wanneer ik weer kan sprinten en bergjes op volle kracht kan oprijden, zal ik gerust zijn. Er is nog onzekerheid, maar de angst die ik in het begin voelde, is stelselmatig aan het afnemen. Ik weet zeker dat ik weer profwaardig zal zijn. Maar de echte top? Dat zal ik aan den lijve moeten ondervinden in wedstrijden.”

Omdat je aan dat dranghek bleef hangen, waren de spieren in je bovenbeen volledig gescheurd. Iedereen had het over een horrorblessure.

“Ik had een gapende open wonde van 21 centimeter lang. Gek genoeg was er eerst nog opluchting. ‘Oef, gelukkig is er geen slagader of zenuw geraakt.’ Maar twee weken later kwam het besef: ik zal opnieuw moeten leren stappen.”

Het meest verontrustende nieuws was dat de operatie in Frankrijk niet goed was gebeurd. Een pees die was gescheurd, hing nog los: ze waren ze vergeten te hechten.

“Ik had al gehoord dat je nergens beter kunt zijn dan in een Belgisch ziekenhuis, maar er was geen andere optie dan die wonde meteen te opereren. Cru gesteld: ze hebben me daar in Frankrijk gewoon dichtgenaaid, en klaar. Die pees heeft vijf dagen losgehangen. Ik ben gelukkig in België al na vijf dagen opnieuw geopereerd, want als dat een week later was gebeurd, dan was mijn been niet meer te redden. En was er van topsport gewoon geen sprake meer geweest.”

Je viel in de dertiende etappe van de Tour, maar wat is je bijgebleven van de twaalf etappes daarvoor?

“Hoe snel de dagen voorbijgingen. Ik stond op, en voor ik het wist, was het tien uur ’s avonds. In andere rondes heb je meer tijd om op je bed te liggen, en zijn er veel saaie momenten. In de Tour vraagt een verplaatsing van amper 10 kilometer makkelijk een uur, omdat je overal staat aan te schuiven en te klooien.”

Je leek je wel in je element te voelen. Ook je trainer Marc Lamberts zei dat hij blij was dat hij – eindelijk, na twee jaar – weer de oude Wout had gezien: grappig, gevat en goedgezind. Heb je het zo lang somber ingezien?

“Er waren goeie momenten, maar de voorbije twee jaar waren zeker niet de vrolijkste van mijn leven.”

Was je ritoverwinning in de Tour dan een mentale verlossing? Je huilde en schreeuwde van geluk.

“Ik had mezelf al grotendeels teruggevonden in de Dauphiné, en zelfs al in de klassiekers. Maar de Tour was zo’n fantastisch verhaal. Ik zou hem normaal niet eens rijden, maar dan winnen we eerst de ploegentijdrit, en daarna pak ik zelf een rit. Ik wist helemaal niet dat zoiets op zo’n korte termijn haalbaar was. Ik dacht: ‘Wat gebeurt er hier met mij?’”

Wat heeft nog geholpen om die moeilijke periode af te sluiten?

“Ik ben op hoogtestage geweest in de Sierra Nevada, met Steven Kruijswijk. Ik heb er mijn limieten verlegd door met iemand te trainen die sterk is bergop, en blijkbaar is dat me zo goed bekomen dat ik in de Dauphiné al meteen twee ritten won. Nu, dat is de sportieve kant van de zaak. Dat ik me mentaal beter voel, komt vooral doordat ik in de ploeg van Jumbo-Visma ben terechtgekomen. Ze zijn hier net zo veeleisend als ik voor mezelf ben, en ze steunen me voor de volle 100 procent.”

‘Extreem veeleisend’: die woorden komen altijd terug als het over jou gaat.

“Goh, dat kun je volgens mij van elke topper zeggen. Iemand met een winnaarsmentaliteit is hard voor zichzelf, maar verwacht ook hetzelfde van de mensen rondom hem.”

Waarom ligt de Nederlandse mentaliteit je zo?

“Nederlanders zijn heel direct: er kan over alles gesproken worden. Ze gaan altijd in overleg, je mening wordt altijd gerespecteerd, en dat voelt goed aan.”

Konden ze in België minder goed met je kritiek om? Of met het feit dat je geen compromissen wilt sluiten?

“In Nederland willen ze meer leren van hun renners. Ze zoeken voortdurend naar nieuwe manieren om beter te worden. En dat staat me aan: ik heb het gevoel dat ik hier alleen maar vooruit ga.”

Tom Dumoulin zei onlangs dat hij veel van je kan leren. Wat zou hij precies bedoelen?

(lacht) Was dat geen mediapraatje? Ik denk dat ik vooral van hém kan leren. Nu, ik heb in de cross geleerd in duel te gaan, en hoe je je daar mentaal op moet voorbereiden. Misschien kan ik Tom, Steven (Kruijswijk, red.) en Primoz (Roglic, red.) daarin wegwijs maken.”

De strijd van man tegen man, die je in de cross telkens levert, is voor jou vanzelfsprekend.

“In het veldrijden ben je op jezelf aangewezen en moet je zelf ontdekken hoe je de zaken het best aanpakt. Ik ben nog maar 25, maar ik heb het gevoel dat ik al veel ervaring heb. In omgaan met druk bijvoorbeeld: ik ben het gewend om als topfavoriet van start te gaan.”

Wat hoop je van Tom Dumoulin te leren?

“Ik hoop dat hij me wat kan bijbrengen als tijdrijder.”

Wil je naar de Olympische Spelen als tijdrijder?

“Heel graag. Eerst moet ik opnieuw wielrenner worden, maar als ik mijn niveau haal, kan ik daar zeker wat gaan doen. Dat heb ik al bewezen.”

Remco Evenepoel is al zeker van zijn plaats. Het gaat tussen Victor Campenaerts en jou om het laatste ticket.

“Victor heeft pech gehad dat hij op het WK tijdrijden zijn kans niet heeft kunnen grijpen. Maar goed: die kans heb ik óók niet gekregen.”

Hoe kom je zinnig de dag door als je geblesseerd bent?

“Nu valt het mee: ik ga elke dag revalideren bij Lieven Maesschalck. Maar die eerste weken had ik echt géén energie. Als er mensen op bezoek kwamen, moest ik daarna enkele uren slapen. En als je niet kunt stappen, ben je heel beperkt. Eens naar Antwerpen rijden of een wandeling maken zat er niet in.”

Wij zouden thuis op ons gemak een glas wijn drinken.

“Dat raak ik heel snel beu. (lacht) En als ik eerlijk ben: het begint me allemaal serieus tegen te steken. Het liefst van al wil ik gewoon trainen, op stage gaan, op mijn eten letten, op tijd gaan slapen. Ik mis dat echt, dat rennersleven. Nu is mijn leven precies… een puinhoop.”

Maar jongen, toch.

“Dat klinkt nogal drastisch, hè? Ik ben iemand die graag plant en traint met een doel voor ogen. Maar nu zou ik niet eens weten wanneer ik een toertje zal kunnen lopen. Het enige waaraan ik denk, is: hoe zal mijn been morgen voelen?”

Geloof je in karma?

“Ja, ik geloof dat alles met een reden gebeurt. Soms denk ik: die valpartij was nodig. Om ervoor te zorgen dat ik eens wat gas zou terugnemen, dat ik eindelijk eens wat rust zou inbouwen. Het was ook heel druk geweest. Eerst de cross, vervolgens het voorjaar en dan de Tour. Geloven in karma helpt me om het allemaal een plaats te geven. Als je focust op je tegenslag, word je toch maar depressief.”

Laat je je afremmen door tegenslag?

“In het begin dacht ik: ‘Het komt allemaal wel goed.’ Maar toen ik thuiskwam en mijn vrouw om hulp moest roepen om naar de wc te gaan, begon ik wel te denken: ‘Fuck, de weg is nog lang.’ Er waren dagen dat ik het moeilijk had om alles nog positief in te zien.”

Vorig jaar verbrak je je contract met de ploeg van Nick Nuyens. Die historie is momenteel onderwerp van een rechtszaak. Verhindert dat je om positief te zijn?

(zucht) Het was een stressvol moment om naar de rechtbank te gaan. Ik ben een topsporter, zulke dingen passen niet in mijn leven. Het blijft heel jammer dat het op die manier is moeten gaan, maar er was geen andere optie.”

Hoe voelde het om naast Nick Nuyens te zitten en zijn pleidooien te horen?

“We hebben geen contact gehad. Op dat bankje zitten was sowieso geen pretje. Bovendien is de arbeidsrechtbank openbaar, en weet de pers ook alles. Dat maakt het er allemaal niet makkelijker op.”

Schrik je van de bedragen die Nuyens van je eist? 1,1 miljoen euro als schadeclaim is niet niks.

(lacht) Ik begrijp niet goed vanwaar dat bedrag komt, maar het was geen verrassing. De beide partijen brengen elkaar op de hoogte van hun conclusies, we wisten dus al langer wat we mochten verwachten.”

Nuyens zou Niels Albert gevraagd hebben om een belastende verklaring over jou te af te leggen, waarop jij je contract verbroken hebt. Vind je dat je de juiste weg hebt bewandeld?

“Die rechtszaak is voor niemand leuk, maar mijn contract verbreken was het enige wat ik kon doen. Er was een gigantische vertrouwensbreuk ontstaan, en het was onmogelijk geworden om nog samen te werken.

“Vroeger, bij de ploeg Vastgoedservice, kon ik met iedereen goed opschieten. Met die mensen heb ik nog altijd een goed contact. Ook bij Jumbo-Visma word ik door iedereen aanvaard, en voel ik me heel goed. Welja, dan is het toch duidelijk dat het twee moeilijke jaren zijn geweest, die mijn carrière hebben afgeremd?”

Je bent geen ambetanterik, wil je zeggen.

“Pff, ik hou me niet bezig met wat anderen van me denken. Maar kijk welke stappen ik sindsdien heb gezet: dat is niet alleen omdat ik een jaartje ouder en sterker ben geworden. Dat is ook omdat ik me verlost voel, en in de juiste omgeving ben terechtgekomen.”

Had je destijds niet gewoon elders moeten tekenen?

“Achteraf gezien is dat de grootste fout geweest, dat ik getekend heb bij de ploeg van Nick Nuyens. Maar hoe mensen in elkaar zitten weet je pas wanneer je met hen hebt samengewerkt. Dat is jammer, want een carrière duurt maar een aantal jaren. Ik hoop niet dat ik later moet concluderen dat ik van alles heb gemist. Ik ben gelukkig nog jong.”

Als deze zaak je zo zwaar valt, zou je dan nog wel die claim vorderen tegen Tour-organisator ASO, wegens nalatigheid bij je val? Dan moet je misschien wéér in de rechtbank gaan zitten.

“Ik heb veel spijt dat ik dat geopperd heb. Ik had beter gezwegen. Nu komt het over alsof ik tegen alles en iedereen ben.

“Je moet ook weten: het is de ploeg die die fout wilde aanvechten, omdat zij ook schade hebben geleden. Ze hebben mij gemist in de laatste week van de Tour én moeten mij maanden doorbetalen terwijl ik buiten strijd ben. Ik volg hen daarin, en ook: wat als ik mijn oude niveau nooit meer haal? Soit, we hebben contact proberen te zoeken met de ASO, wat heel moeilijk was. Nu wordt het een verzekeringskwestie.”

Vijf jaar geleden sprak ik je voor het eerst. Je had net de Koppenbergcross gewonnen: je doorbraak bij de grote jongens. Hoe kijk je daarop terug?

“Ik was nog een kind, net 20 jaar. Alles ging op dat moment vanzelf. Ik dacht niet na over de dingen, moest geen rekening houden met de publieke opinie over mij. Er was ook geen stress: Sven Nys was de man van de cross. Ik kon hem kloppen, en dat was allemaal keischoon.”

Hoe is je leven dan moeilijker geworden?

“Het is moeilijk om met torenhoge verwachtingen om te gaan. De eerste keer de Koppenbergcross winnen is eigenlijk niet zo moeilijk. Je traint en je wordt beter, je moet nooit een interview geven of sponsorverplichtingen nakomen. En dan komen plots al die randzaken erbij, maar ze verwachten wel dat je even goed of zelfs beter presteert. Ik woonde ook nog thuis toen. Intussen ben ik getrouwd en zijn er een hoop andere zaken bijgekomen.”

Verlang je nog naar dat leven?

“Naar zo’n zorgeloos leven? Jazeker. Als ik ’s morgens jongens voor mijn huis zie passeren op weg naar school, denk ik: ‘Had ik toen niet beter moeten beseffen hoe mooi die tijd wel niet was? Stress voor één of andere toets, en voor de rest een zalig leven.’

“En nu, ja, zeker op dit moment heb ik allerlei andere zaken aan mijn hoofd.”

Je staat aan de top, daar waait het hard.

“Als kind zie je Contador op televisie, en je denkt alleen maar: amai, wat een goeie coureur. Maar je beseft niet wat er allemaal op hem afkomt. Ik heb veel meer respect gekregen voor zulke renners. Vroeger dacht ik dat het een kwestie van talent was. Nu weet ik hoe moeilijk het is.”

Eigenlijk kan het je wél schelen of ze je een ambetanterik vinden, en ben je wél bezig met die invloeden van buitenaf?

“Zo bedoelde ik dat niet. Ik zou het liefst hebben dat iedereen me leuk vindt. Maar ik ga op dit moment niet proberen me te verdedigen en de mensen te overtuigen van mijn gelijk. Dat gaat me toch niet lukken.”

Overdrijf je niet? Het aantal decibels bij de Tour-start in Brussel leerde dat jij veruit de populairste Belgische renner bent. Volgens mij dankzij je spontane uitbarstingen, bij winst of verlies.

“Dat was inderdaad speciaal. Ik heb geen moeite om mezelf te blijven, en dat appreciëren de mensen.

“Vorige winter was het heel moeilijk, het was nooit goed genoeg. Ze verwachten dat je het af en toe toch even goed doet als Mathieu (van der Poel, red.). Dan doet het deugd, zoals in de Tour, dat mensen toch hun appreciatie voor je uitspreken.”

Was het ook geen verlossing om eens niet tegen Mathieu van der Poel te moeten koersen?

“Dat leeft alleen in de media en de buitenwereld. Sommigen denken dat ik er plezier in schep dat Mathieu een hongerklop krijgt op het WK, en dat ik stiekem hoop dat hij verliest. Maar zo zit ik niet in elkaar. Ik zie hem als het grootste talent op twee wielen. Het was voor mij ook een verrassing dat hij plots moest lossen.”

Had je hem de overwinning gegund?

“Ja, voor 100 procent. Ik ken zijn kwaliteiten. Ik koers ook niet anders als Mathieu er niet bij is. Puur sportief is het wel handig dat hij de Tour de France niet reed, anders win ik misschien die rit niet.”

Niet zo bescheiden: je klopte alle grote namen. Viviani ligt er nog wakker van.

“Toch is het meegenomen dat onze wegen af en toe scheiden, omdat mijn kansen dan stijgen. Maar dat geldt voor 99 procent van het peloton, want ze zijn allemaal bang van Mathieu.

“Ik heb vaak ook het gevoel dat mensen denken: Van der Poel focust even op het mountainbiken, en nu is Wout blij dat hij nog eens wat aandacht krijgt. Of wij dat nu willen of niet: we worden tegen elkaar opgezet. Op de fiets zijn wij de grootste rivalen. Ik heb Mathieu nog nooit een cadeau gegeven, ik wil hem het liefst van al kloppen. Maar daarbuiten zijn er zeker geen haatgevoelens.”

In gedachten zag ik je zo meerijden met Mathieu in de kopgroep, in de finale op het WK.

“Het deed pijn om ernaar te kijken. Nu ja, ik had voor de valpartij al beslist om het WK niet te rijden.”

Zou je daar niet op teruggekomen zijn?

“Ik weet het niet. Als ik gewoon gezond voor de televisie had gezeten, had ik pas echt mijn kas opgevreten. Het regende, het was een echte overlevingskoers: dat ligt me. Maar goed, de vraag stelde zich niet: ik was geblesseerd.”

Op het podium na de ploegentijdrit in de Tour zat je te lachen met je ploegmaat en ex-veldrijder Mike Teunissen: ‘Precies de cross van Loenhout, hier.’ Je zei: ‘Ik vond Loenhout véél moeilijker.’ Meende je dat echt?

“Nee, dat was om te lachen. We stonden op het podium van de Tour de France. Van tevoren denk je: ‘Dit gaat het zotste ooit zijn.’ Maar het blijft gewoon een podium, hè. Je komt op, krijgt iets in je handen geduwd en je mag weer vertrekken. Dat is best ontnuchterend, het duurt niet eens tien minuten.

“Mike lacht er wel vaker mee, en verwijst dan altijd naar de cross: ‘Ach, dat was pas een zwaar leven.’”

Veel crossers maken furore op de weg. Maar allemaal blijven jullie het veldrijden trouw. Waarom?

“Omdat het zo leuk is. Het is een kleine wereld, en dat is best aangenaam. De cross is ook attractief: elke keer anders. Er zijn geen saaie ritten, die heb je op de weg wel.”

Er gebeurt altijd iets.

“Ja, en het is altijd volle bak. Je rijdt ook twee crossen per weekend, en elke keer heb je weer een nieuwe kans. Het is eigenlijk een andere sport.”

Wat vind je van de hervorming van de wereldbeker door Flanders Classics? Ze willen van 9 naar 14 à 16 wereldbekercrossen gaan.

“Ik vang op dat veel organisatoren niet gehoord zijn. Als dat klopt, is dat zeer jammer. Die mensen maken zich zorgen over het voortbestaan van hun wedstrijd.

“Los daarvan vind ik zo’n supercompetitie een goed idee, al moeten ze dan wel het businessmodel van de wereldbeker hervormen. Nu krijg je 5.000 euro als je een wereldbekercross wint. Als het bij dat bedrag blijft, kunnen jongens zoals Mathieu en ik beter alles behálve de wereldbeker rijden.”

Want startgelden zijn er nu niet in de wereldbeker, wil je zeggen. Terwijl je in alle andere crossen wel een vaste gage krijgt.

(knikt) De hervorming zal alleen succesvol zijn als er tegelijk meer geld in gepompt wordt. Eli Iserbyt heeft het goed gezegd: ‘Wij staan geld af om de vrouwencross te stimuleren.’ Daar is niets op tegen: de vrouwen komen zelfs over van andere disciplines, omdat er in de cross veel te verdienen is. Maar als we bij de mannen hetzelfde effect willen creëren, moeten we het ook zo aanpakken. Een wegrenner pikt nog altijd liever een criterium mee dan een cross.”

Vind je het goed, dat systeem met startgelden?

“Het is serieus scheefgetrokken: zodra je een bepaalde status hebt, krijg je altijd een mooi bedrag, ongeacht je prestaties. De laatste jaren heb ik altijd gereden tot op de meet. Maar waarom? Of ik nu eerste, tweede of vijfde werd: het maakte niet zoveel uit. Dat is niet logisch.

“Aan de andere kant: nu weet een crosser hoeveel hij zal verdienen in de winter. En daarom is de cross ook zo populair. Het ís gewoon een lucratieve sport. Als je het systeem wilt hervormen, mag de verdienste er niet op achteruit gaan. Je kunt niet zeggen: ‘We maken een wereldbeker van zestien crossen, maar wat een renner overhoudt na de winter is maar de helft van het jaar voordien.’”

Er is wel een wildgroei van crossen en klassementen die de sport ondermijnen.

“Ja, daarom is die hervorming wel goed, want nu komt élke cross op televisie en wordt élke cross belangrijk gemaakt. In het wegwielrennen zie je wel een duidelijke hiërarchie. Het zou niet werken als de Dauphiné plots even belangrijk zou zijn als de Tour.”

Van ons eerste interview herinner ik me hoe je de uithuizigheid van het wegwielrennen vreesde. En dat je erop stond dat je ouders naar Tsjechië reden met de mobilhome als je daar koerste, om je te steunen.

“Stelselmatig leer ik daar beter mee omgaan. Ik moet toegeven dat die vrees ongegrond was. Het is anders voor klassementsrenners, omdat zij van de ene hoogtestage naar de andere trekken, en nooit thuis zijn.”

Het viel me op in de rechtbank: je werd omringd door je ouders, je schoonouders en je zus. En je vrouw Sarah zat naast jou. Wout van Aert ís zijn familie.

“Ik had dat niet gevraagd, maar ze wilden er absoluut bij zijn om mij te steunen. Ik heb een sterke familie die achter mij staat: ze weten hoe moeilijk het allemaal geweest is. En ik apprecieer het enorm dat ze er tijd en verlof voor hebben genomen.”

Verzorgt je vader nog altijd de rozentuin in het Rivierenhof in Antwerpen? Romantischer kan een job haast niet zijn.

“Mijn vader is met pensioen. Hij is levensgenieter op dit moment.”

Hij was ernstig ziek, enkele jaren geleden. Is hij genezen?

“Gelukkig wel. Ze hebben een stuk van zijn endeldarm moeten wegnemen. Hij heeft lang een stoma gehad, en nu hebben ze een sifon geplaatst. Waarom lach je? Tja, zo heeft de dokter het duidelijk proberen uit te leggen. Mijn vader moet oppassen met wat hij eet, maar hij is gezond en gelukkig.”

Kijkt hij nog nauwlettend mee over je schouder?

“Ja, dat beschermende heeft hij nog altijd. Al laat hij me nu meer los. Hij weet dat de mensen bij Jumbo-Visma het goed met me voorhebben.”

Hoe is het voor jouw ouders om te zien dat hun zoon zoveel succes heeft, en een veelvoud verdient van wat ze zelf ooit bijeen hebben gewerkt?

“Dat geld gunnen ze mij volledig. Ze zien de twee kanten van de medaille. Als je over geld praat, denkt iedereen dat je het toegeworpen krijgt. Maar ondertussen kun je niet naar de supermarkt gaan zonder dat ze tegen je beginnen te zagen. Ik verdien geld om te koersen, maar ook om mijn leven – bij wijze van spreken – op te geven. Je moet 100 procent voor je vak leven, je bent veel weg van huis en je wordt overal herkend. Als je aan onze pa vraagt wat ik zou móéten verdienen, gaf hij mij nog veel meer.”

Misschien moet je je geld binnenkort allemaal teruggeven?

“Nee, daar ga ik niet van uit. Zo’n eis moet wel gegrond zijn. Mijn ouders zijn trots op wat ik al gepresteerd heb. Voor hen is het een even groot avontuur als voor mij. Ze zijn vaak verbaasd over wat ik allemaal kan.”

En ben je zelf verbaasd?

“Dat gaat in stapjes. Als je me vijf jaar geleden naar de Tour de France had gevraagd, had ik gezegd dat het me niet interesseerde. Nu blijk ik er wel interesse en zelfs talent voor te hebben.”

Wat zijn je dromen voor 2020?

“Als ik snel weer de oude ben, wil ik een stapje dichter komen om Parijs-Roubaix of de Ronde van Vlaanderen te winnen. Maar misschien heb ik wel een jaar nodig om gewoon weer op niveau te komen.”

Dat zijn bescheiden doelen. Omdat het niet anders kan?

“Ja, mijn niveau zit nog diep onder nul. Ik kan wel roepen: ‘Ik wil een Olympische medaille!’ Maar zoals ik me op dit moment voel, is het wat raar om al zo ver vooruit te denken.”

We wensen je het allerbeste.

“Bedankt.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234