Dinsdag 20/08/2019

Wielrennen

Hoe gevaarlijk is de Tour? ‘Elke renner is zich ervan bewust dat hij ieder moment kan doodvallen’

Rabobank-renner Laurens ten Dam kwam zaterdag gehavend binnen na de veertiende etappe van de Tour de France van Saint Gaudens naar Plateau de Beille. Beeld ANP

U hebt het de laatste week vast weleens zien gebeuren: beroering in het peloton, het geluid van piepende remmen, krakend carbon, rennerslijven die over het Franse asfalt schuren en Michel Wuyts die paniekerig ‘En een val!’ roept. Wielrennen is de laatste levensgevaarlijke sport. Terwijl om elke hoek gevaar loert, sluiten de renners hun ogen voor de risico’s. Omdat ze niet anders kunnen: als ze toegeven aan de angst, is hun carrière voorbij. ‘Ik dacht: het is over, nu ben ik dood.’

Valpartijen worden in het wielrennen nog altijd gezien als onvoorziene omstandigheden. Niemand durft er rekening mee te houden, maar er is geen ontkomen aan. Maandenlange minutieuze wetenschappelijke voorbereidingen zijn plots niks meer waard als een banale val het sleutelbeen van de favoriet breekt. Dit jaar werd het Tour-podium vooraf al onthoofd door het wegvallen van Chris Froome en Tom Dumoulin. En de eerste dagen moest Dylan Groenewegen op halve kracht spurten. Moet je op je hoofd gevallen zijn om nog aan wielrennen te doen? We spraken met enkele ervaringsdeskundigen.

Karsten Kroon. Beeld anp


Karsten Kroon

Karsten Kroon was een Nederlandse renner die uitblonk in de klassiekers en in 2002 een Tour-etappe won. Tijdens zijn lange carrière lag hij dikwijls tegen het asfalt.

“Ik heb in totaal veertig botten gebroken en ben een paar keer dicht bij de dood geweest. In de Vuelta van 2011 vloog ik tijdens een afdaling uit de bocht, recht het ravijn in. Daar weet ik niks meer van, er zijn twee weken uit mijn geheugen verdwenen. En in de Waalse Pijl ben ik met mijn hoofd op een vangrail gevallen, en was de volledige rechterkant van mijn gezicht gebroken. Meerdere operaties waren nodig om het te reconstrueren. De zenuwen zijn beschadigd, dat voel ik nog steeds.”

Zijn er ook mentale gevolgen?

“Ik heb mezelf tijdens mijn carrière onbewust allerlei mechanismes aangeleerd, om met de druk om te gaan, met de pijn en de angst. Dat heeft een grote invloed gehad op mijn privéleven. Ik zag ooit de film American Sniper, over een sluipschutter die 250 mensen had vermoord, ook vrouwen en kinderen. Hij wist niet om te gaan met zijn dubbele rol als oorlogsmachine enerzijds, en liefhebbende vader en echtgenoot anderzijds. Hij had een posttraumatische stressstoornis. Voor mij was dat heel herkenbaar. Veel renners worstelen daarmee. Ik had het er gisteren nog over met Michael Boogerd. ‘Iedereen was bang, jij ook,’ zei ik hem. Hij gaf het toe. Alleen zégt iedereen dat hij niet bang is, want je mag niet aan de angst toegeven. Als je dat wel doet, durf je niet meer te vechten voor je plaatsje in het peloton, word je weggedrumd en is je carrière voorbij.

Onderdruk je dan de hele tijd de angst om te vallen?

“Ja, en daardoor reageer je niet meer normaal. Dan kwam ik thuis van een etappekoers, en was mijn dochtertje van 3 gevallen. Het enige wat ik kon denken was: wat loop je nu te janken, jij weet niet wat pijn is. Terwijl ik haar had moeten vastpakken en troosten. Wat ik uiteindelijk wel deed, maar ik had er geen gevoel meer bij.”

Besefte je dat je tot iemand anders verworden was?

“Absoluut. De laatste jaren van mijn carrière keek ik in de spiegel, en zag ik iemand op wie ik niet trots was. (zwijgt) Mijn vrouw had daar veel moeite mee, ze is bij me weggegaan. Je raakt verslaafd aan de extreme emoties en adrenaline. Als mijn vrouw thuis een verhaal vertelde over iets wat ze had meegemaakt, kon ik daar niet naar luisteren. Ik vond dat volstrekt oninteressant.”

“Weet je, veel renners worstelen met angsten, maar het grootste deel geeft er niet aan toe. Of is zich er zelfs niet van bewust.”

Kunnen renners terecht bij een psycholoog?

“Bij Rabobank wel, maar dat bracht weinig zoden aan de dijk. Het is lastig: ik weet niet of er iets aan te doen is, het hoort erbij.”

Hoe komt het dat je zo vaak gevallen bent?

“Niemand ging voor mij uit de weg. Ik moest altijd risico’s nemen en was altijd aan het wringen, ook in afdalingen. En dikwijls ben ik gevallen omdat ik bang was en mijn reflexen daardoor niet goed waren. Veel renners zijn bang, en reageren heel angstig als er vóór hen iets gebeurt. Ze trekken meteen aan hun rem of schatten een bocht verkeerd in.”

“Het ergste wat ik heb meemaakt was een valpartij in de afdaling van een bergrit de Vuelta. Ik reed met 80 kilometer per uur achter mijn ploegmaat Kurt-Asle Arvesen. Plots liep een meisje de weg op om een drinkbus op te rapen en Arvesen reed vol op haar in. Ik zag het kind in de lucht vliegen. De klap was keihard, ik dacht dat ze allebei dood waren. Ik werd niet goed en begon meteen te huilen en te bibberen op de fiets. Gelukkig bleek het meisje enkel haar arm te hebben gebroken.”

Hoe verging het Arvesen?

(emotioneel) “Ik heb er achteraf nooit meer met hem over gesproken.”

Iedereen lijkt te berusten in het wielrennen, met valpartijen die ‘erbij horen’. Moeten er niet meer veiligheidsmaatregelen worden genomen?

(lacht schamper) “De enige manier om wielrennen veilig te houden, is op een gesloten parcours te rijden dat volledig is afgezet met dranghekken. De Tour de France is eigenlijk niet te beveiligen.”

De veldrijders die tegenwoordig op de weg furore maken, verbazen zich erover dat veel renners in het wegpeloton niet goed kunnen sturen.

“Klopt. Iemand als Peter Sagan blijft als ex-mountainbiker en -veldrijder altijd ijzig kalm en kan in een fractie van een seconde beslissen om óver een gevallen renner te springen. De meeste wegrenners zouden daar gewoon op knallen. Die hebben zoiets nooit geleerd en kunnen dat niet.”

Zijn er renners die de dans weten te ontspringen?

“Het valt op als er grote namen bij zijn, zoals Dumoulin en Froome. Maar wees gerust: iedereen komt aan de beurt. Ik herinner me Erik Zabel: nooit een noemenswaardige valpartij tijdens zijn carrière. Maar een paar weken nadat hij was gestopt, brak hij zijn pols toen hij een gloeilamp wilde vervangen. Hij was van een keukenstoel gevallen. (lacht) Zie je wel, zélfs Erik Zabel!”

Nathan Kahan Beeld Ilvy Njiokiktjien


Nathan Kahan

Nathan Kahan is een voormalige loper en Belgisch kampioen op de 800 meter. Tegenwoordig is hij als sportpsycholoog verbonden aan wielerploeg Lotto-Soudal. Hij reageert niet verbaasd wanneer we hem het verhaal van Kroon vertellen.

“Renners stellen me regelmatig vragen over angst. Geen faalangst, maar angst om te vallen. Meestal tijdens gesprekken onder vier ogen, want het is geen onderwerp waarover spontaan gesproken wordt. Niet dat er een omerta heerst. Het is meer alsof ze niet nog meer onheil over zichzelf willen afroepen.”

Is het mogelijk om die angst te overwinnen?

“Dat kan. Op dit moment is EMDR (eye movement desensitization and reprocessing, red.) dé therapie om met die stress om te leren gaan, ook buiten de sport.”

Hoe werkt die methode?

“We roepen de traumatische ervaring opnieuw op en proberen de negatieve gedachte die erbij hoort te vervangen door iets positiefs. Concreet: je moet aan de traumatische gebeurtenis terugdenken met het bijhorende negatieve gevoel, terwijl de vingers van de therapeut van links naar rechts gaan en je die met je ogen probeert te volgen. Zo wordt de negatieve gedachte in de hersenen opgeruimd en kan er een nieuwe, positieve gedachte worden geïnstalleerd. ‘Ik ben in gevaar’ kan dan bijvoorbeeld veranderen naar ‘Ik voel me veilig’. In het begin voelt die gedachte als onwaar aan, maar geleidelijk aan verdringt ze de oude.”

Hoe sterk moet de eenzame fietser zijn?

“Een sprinter zei me eens: ‘Nathan, wij rijden met 70 kilometer per uur in een badpak.’ Eigenlijk is dat niet te tolereren. Ik denk dat ouders hun kinderen verbieden om te koersen wegens het gevaar.”

“Ik moet oppassen wat ik zeg, want ik begeleid ook Sporting Lokeren, maar het verschil met het voetbal is enorm. Een wielrenner die gevallen is en vol bloed hangt, zal smeken om zijn fiets. Een voetballer valt om tijd te winnen. Onbegrijpelijk, dat heeft meer weg van een circusact.

Johan Bruyneel was wielrenner, maar is vooral bekend geworden als ploegleider van US Postal, waar hij lance Armstrong onder zijn hoede had. Beeld Hollandse Hoogte / Clemens Rikken


Johan Bruyneel

Johan Bruyneel brak als amateur zijn rug en zijn enkel. Het was een half wonder dat hij nog een succesvolle profcarrière kon uitbouwen. ‘Ik fietste tussen de blessures door, de gevolgen blijven me tot vandaag achtervolgen.’ Zijn spectaculairste val maakte hij in de Tour van 1996, tijdens de afdaling van de Cormet de Roselend.

“Ik reed in het wiel van Tony Rominger, die zijn bocht te breed nam. Ik kwam op de steentjes naast het asfalt terecht, kon niet goed meer remmen en vloog het ravijn in. Dat beeld kan ik nog perfect terughalen. Ik dacht: het is over, ik ben eraan. Maar dan kom je in de struiken terecht, besef je dat je het toch overleefd hebt en kruip je naar omhoog. Er stond een nieuwe fiets klaar en ik ben er meteen opgesprongen.”

Met de daver op het lijf, neem ik aan.

“Nee, helemaal niet. Met mijn ploegmaat Ekimov ben ik nog als een gek naar beneden gereden. De adrenaline moet het toen hebben overgenomen. Pas op de slotklim begon ik te beseffen wat me overkomen was en raakte ik niet meer vooruit. En de volgende dag verkrampte ik volledig tijdens een afdaling. Ik heb toen opgegeven, weliswaar door een spierscheur die ik door de val had opgelopen. Ik ben ongelooflijk goed weggekomen, dat besef ik goed. Maar die val heeft me niet achtervolgd, nee.”

Is vallen pech of een fout? Ogenschijnlijk lijken sommige renners nooit te vallen, Lance Armstrong bijvoorbeeld.

“Met Lance hadden we maar één doel: de Tour winnen. We zochten de veilige zones in het peloton op, en om hem te beschermen reed de hele ploeg rond hem. Heb je Miguel Indurain ooit zien vallen? Die had ook een sterke ploeg, waardoor hij niet hoefde te wringen.”

“Iemand die stuurvaardig is, zal weinig vallen. Chris Froome lijkt niet goed te kunnen sturen en zit niet comfortabel op zijn fiets. Hij is ook groot, waardoor zijn zwaartepunt hoger ligt, en dat is een nadeel. Sagan kan dan weer wél goed sturen, maar hij valt vaak omdat hij zoveel risico’s neemt.”

“Ik heb Lance één keer zien vallen. Tijdens het verkennen van een Pyreneeën-rit was hij uitzonderlijk zonder helm de Col du Soulor afgedaald. We probeerden hem met de auto in te halen, toen mijn mecanicien Julien De Vriese plots riep: ‘Stop, hij ligt daar!’ Lance had een bocht gemist en was met zijn hoofd tegen de rotsen geknald. We hebben in Lourdes meteen een plaat laten maken, en toen heb ik moeten slikken: ik zag wat ze enkele jaren eerder hadden gedaan om zijn hersentumoren weg te halen. Jawadde, hij had twee van die metalen platen met klinknagels in zijn hoofd. Hij bleek zijn kaakbeen te hebben gebroken, maar tien dagen later zat hij opnieuw op de fiets. Niet te doen: mannen zoals Indurain en Armstrong zijn blokken graniet.”

Jurgen Van den Broeck, na zijn val in de Tour 2011: ‘Mijn wereld stortte in. Ik had die Tour kunnen winnen.’

Over Sagan zeggen ze ook dat hij een oermens is. Helemaal geschaafd wint hij de dag nadien opnieuw.

“Hij heeft spieren rond zijn gewrichten. Mathieu van der Poel wint de volgende dag ook als hij zijn enkel verzwikt heeft. Dat zijn atleten, geen vel over been zoals Froome die heel fragiel oogt en meteen een bot breekt.”

“Je moet ook kúnnen vallen, zoals mijn buurman Iván Helguera, die jarenlang bij Real Madrid heeft gevoetbald. Toen we tijdens het mountainbiken eens in elkaar bleven haken, rolde hij over de grond: voetballers trainen daarop. Als Sagan valt, rolt hij ook als een kat over het asfalt.”

In Parijs-Nice zag ik Oliver Naesen naast een motard rijden in de afdaling. Die man was van kop tot teen beschermd. Een groot contrast met het plunje van Naesen.

“In het motorracen dragen de piloten een gilet met zeven airbags in. Er is wel een fietshelm ontworpen met een airbag in, maar voorlopig voldoet die alleen voor dagelijks gebruik. Ik zie het nog niet meteen in de Tour. Als je met 37 graden de Col de la Madeleine moet beklimmen, zit alles in de weg. Zelfs je haar! Ik reed vroeger de Tour zonder helm, ik kan het me nu niet meer voorstellen.”

Te gek voor woorden, dat wielrennen?

“Het is een gevaarlijke sport, maar als je alles in acht neemt, gaat er weinig mis. Statistisch gezien dan.”

“De openbare weg is wel hoe langer hoe minder geschikt om te koersen. Alles wat de veiligheid in het verkeer dient, is nefast voor de koers. Vluchtheuvels, rotondes, bloembakken – het houdt niet op. Het gevaarlijkste vind ik vangrails, dat zijn messen als je daartegen vliegt.”

In de Tirreno-Adriatico schoof er een renner onderdoor, ik vreesde even dat hij onthoofd was.

“In een amateurkoers in Spanje had een vangrail een renner helemaal opengesneden, van zijn lies tot aan zijn kaak. Dat sommige parcoursen goedgekeurd worden – zoals sprintaankomsten in de Giro met een bocht op 300 meter van de meet – daar kan ik niet bij. Het lijkt wel alsof niemand zijn gezond verstand gebruikt.”

Als er een renner zijn rug breekt, zoals Jan Bakelants in de Ronde van Lombardije, laat zijn wielerploeg hem gewoon achter in een Italiaans ziekenhuis, zonder hulp.

“Jan heeft me dat verteld, dat was niet goed te praten. Luister, hij is de eerste niet die dat overkomt en hij zal ook de laatste niet zijn.”

Is het zo erg gesteld?

“Er zijn er veel die aan hun lot worden overgelaten. Als het de dag zelf niet is, dan wel de dag nadien: de koers gaat altijd verder.”

De Spanjaard Joseba Beloki na zijn valpartij tijdens de Tour in 2003. Beeld EPA


Joseba Beloki

Op 24 juli komt de Tour in Gap aan, in 2003 nog het decor van één van de meest memorabele taferelen uit de wielergeschiedenis. De hitte heeft het asfalt doen smelten, waardoor Joseba Beloki’s tube van zijn achterwiel afloopt, in volle afdaling richting finish. Terwijl de Spaanse renner tegen de grond smakt, kan Armstrong hem op het nippertje ontwijken. Meer nog: hij blijft op wonderbaarlijke wijze op de fiets, rijdt door een weide en pikt gewoon weer in. Maar het leven van Beloki is voorgoed veranderd.

“Ik was op het hoogtepunt van mijn carrière, ik maakte kans om de Tour te winnen. Die dag brak ik mijn dijbeen, mijn pols en wat nog meer. Toen ik daar op de grond lag, realiseerde ik me dat ik van het ene moment op het andere renner af was.”

Je hebt toch nog enkele jaren gekoerst?

“Ik ben nooit meer dezelfde geweest: ik heb een leven voor de valpartij en één erna. Door de breuken had ik altijd en overal pijn. Ik begon ook mijn leven in vraag te stellen. Ik was me bewust geworden van de risico’s die ik nam. Telkens wanneer ik onder de douche stond, zag ik mijn littekens en werd ik met dat ene moment geconfronteerd. Daarom twijfel ik of Chris Froome ooit opnieuw de oude zal worden.”

Heb je een verklaring waarom jij viel en Armstrong recht is gebleven?

“Suerte: geluk. Ik ben vooral blij dat ik de enige was die is gevallen, voor hetzelfde geld hadden alle favorieten moeten opgeven. Wist je dat ik met al mijn breuken nog opnieuw op mijn fiets wilde kruipen? Die gedachte is sterker dan onszelf.”

Jurgen Van den Broeck. Beeld Jan De Meuleneir/Photo News


Jurgen Van den Broeck

“Een wielrenner zal altijd proberen verder te fietsen", zegt ook Jurgen Van den Broeck, die in de Tour twee keer een mooie ereplaats in rook zag opgaan na een val.

“Ik heb in mijn laatste Tour een rit uitgereden met een gebroken arm. Toen heb ik afgezien. De reden is simpel: als je afstapt, is het gedaan met koersen. Maar haal je de finish, dan kunnen ze je misschien toch nog oplappen.”

“Nooit was mijn conditie beter dan in 2011. Ik ben ervan overtuigd dat ik Cadel Evans had kunnen verslaan en die Tour had kunnen winnen. Maar ik viel in de afdaling van de Col du Pays de Peyrol en brak mijn schouderblad. Mijn wereld stortte in, ik zat te janken op mijn ziekenhuisbed, maar ik dacht ook meteen aan terugkomen.”

“De val op mijn knie in 2013 was eigenlijk erger. Ik heb me toen zwaar geforceerd om terug te komen, en dat had ik nooit mogen doen: ik heb als renner nooit meer hetzelfde gevoel gehad.”

Waarom heb je niet je tijd genomen om te revalideren?

“Ik werd onder druk gezet door mijn ploeg (Lotto-Belisol, red.). Het was van: ‘We betalen je veel te veel voor wat je presteert.’ Ik wilde snel terugkomen en laten zien dat ik mijn geld waard was. Dat had ik nooit mogen doen. Ook van hun kant was het dom. Mijn trainer omschreef het toen als kapitaalvernietiging.”

Het leek destijds alsof je er bij elke valpartij bijlag.

“Ik ben in mijn carrière niet zoveel gevallen, maar omdat het in de Tour gebeurt, heeft iedereen het gezien. En een grote ronde kun je niet rijden zonder te vallen. Je kunt niet geloven hoe groot de stress in de Tour is, de zenuwen gieren bij iedereen door de keel.”

Heb je veel angst gekend?

“Na mijn val in 2011 heb ik lang niet durven af te dalen. Door de geboorte van mijn zoontje was ik me ook plots bewust van de risico’s die ik nam. En eens je begint na te denken, is het gedaan: je moet je verstand op nul kunnen zetten. Maar met de hulp van mijn psycholoog heb ik de knop weer kunnen omdraaien.”

“Ik heb een neef die aan motorcross doet. Gevaarlijke sport, zei ik hem eens. Hij lachte me uit: ‘Wielrenners rijden in hun blote tegen 100 kilometer per uur naar beneden.’ Tja, daar kon ik niks tegen inbrengen.”

“Weet je, ik was onlangs op de begrafenis van een familielid van mijn vrouw. Die man was gaan fietsen in het bos en slecht gevallen: op slag dood. Ik moest de hele tijd denken: hoe heb ík het er levend van afgebracht? Ik moet veel geluk hebben gehad.”

Heb je ooit met iemand gepraat over de valpartijen en al de risico’s?

“Nee. ‘Het is je job en het hoort erbij,’ zeggen ze dan. En het jammere is dat ze gelijk hebben.”

Yvan Vanmol Beeld Thomas De Boever


Yvan Vanmol 

Tijdens zijn lange carrière als ploegdokter bij Deceuninck – Quick·Step heeft Yvan Vanmol tal van geschaafde, geblutste en gebroken renners verzorgd. Weinigen die beter geplaatst zijn om het risico van het vak in te schatten.

Is wielrennen de laatste levensgevaarlijke sport?

“Ik vind dat geen overdreven stelling. Gelukkig loopt het meestal goed af, maar ik heb wel enkele zware valpartijen meegemaakt. Die van Tom Boonen in Abu Dhabi was vreselijk. Voor hetzelfde geld had hij het niet overleefd. Die val op zijn hoofd heeft een serieuze impact op zijn carrière gehad: het seizoen erop wilde hij stoppen met koersen. Hij kon al dat gewring niet meer aan, hij durfde zich er niet meer tussen te smijten. Gelukkig heeft hij toch de knop kunnen omdraaien.”

Yvan Vanmol over de val van Boonen in Abu Dhabi: ‘Voor hetzelfde geld was hij dood. Het jaar erop wilde hij stoppen met koersen, hij kon het gewring niet meer aan.’

Als ploegdokter hebt u de zware verantwoordelijkheid om te beslissen of een renner de koers mag voortzetten na een valpartij.

“En daar worden we steeds strenger in. Gelukkig maar, want vroeger stak het zo nauw niet. Dan had een renner 5 minuten om bij te komen, en stapte hij weer op zijn fiets.”

Hebben dokters altijd het laatste woord?

“Uiteraard, en niemand kan ons daarbij onder druk zetten. Ik heb trouwens nooit een sponsor geweten die dat deed, ten hoogste een sportbestuurder die een poging waagde om een renner toch in koers te houden. Dat zijn meestal ex-renners die zichzelf als referentie nemen: zij beseffen niet dat we ondertussen al 15 jaar verder zijn, en er zaken veranderd zijn.”

Is er in die jaren ook veel veranderd in hoe u gevallen renners verzorgt?

“Absoluut. De medische wetenschap is erop vooruitgegaan: daardoor kunnen we schaafwonden veel beter verzorgen. Vroeger deden we dat met een klassiek vetverband, waardoor je telkens de wonde weer openhaalde. Nu gebruiken we verbanden van schuimrubber: de wonde geneest in eigen vocht, dat gaat dubbel zo snel.”

“Wat me wel hoog zit: er zijn nu veel meer breuken bij een valpartij dan vroeger. Ik vind de zucht naar een zo laag mogelijk gewicht bij Ronde-renners niet meer om aan te zien. Dat leidt tot een verminderde botdichtheid, met al die breuken als gevolg.”

“Nu, preventie is belangrijk, maar als je dan ziet hoe sommige volgwagens en motards door het peloton razen, moeten we ook onszelf dringend in vraag stellen.”

Is er te weinig aandacht voor veiligheidsmaatregelen?

“We hebben al veel nagedacht over beschermende kledij, maar een renner kan niet zomaar een harnas dragen zoals een motorrijder. Ik ben er wél rotsvast van overtuigd dat airbags, al dan niet geïntegreerd in een helm, ook hun intrede in het wielrennen zullen maken. De pothelm was destijds een grote vooruitgang: de schedel en hersenpan kregen eindelijk bescherming: dat was met een worstenhelm niet het geval. Maar eigenlijk is het hoofd daarmee nog niet voldoende beschermd.”

Het duurt wel lang voor er nieuwe zaken worden geïntroduceerd.

“Het is duidelijk niet de prioriteit van de materiaalsponsors. Maar ook de wedstrijdorganisatie draagt een grote verantwoordelijkheid. Een aankomst na een afdaling van een col vind ik misdadig. Je wéét toch dat renners zich dan vol risico naar beneden zullen smijten? Dat is vragen om valpartijen.”

De dood hangt ook boven het wielrennen. Er is een lange lijst van dodelijke valpartijen.

“Ik zou nog graag een tijdje blijven werken als dokter, maar als er zich een sterfgeval zou voordoen, stop ik ermee. Ik was erbij toen Stig Broeckx een bijna noodlottig ongeval had. Dat had een zware impact op iedereen die het van dichtbij heeft meegemaakt. Jonge levens mogen niet zomaar weggerukt worden.”

“Bij elke valpartij hou ik mijn hart vast, maar eigenlijk valt het allemaal nog goed mee. Neem nu Gilbert: die duikt in de Tour op de Portet-d’Aspet het ravijn in. Hij breekt zijn knie en rijdt de etappe nog uit. Maar komt hij op zijn hoofd terecht, dan is het met hem gedaan.”

Johan Museeuw Beeld Photo News


Johan Museeuw

Meerdere keren kwam Johan Museeuw zwaar ten val, telkens vocht hij terug, hoewel hij soms het noodlot in de ogen had gekeken.

“Ik begeleid op dit moment een fietsvakantie aan de Mont Ventoux. Er zijn toevallig twee dokters bij die me behandeld hebben na mijn val in Parijs-Roubaix in 1998. Ze hebben me nog eens verteld hoe kritiek mijn toestand wel was. Er was niet alleen de gangreen door een slecht verzorgde wonde, waardoor ze dachten mijn been te moeten amputeren, er werd gevreesd voor mijn leven, mijn nieren blokkeerden zelfs. Als je dat 20 jaar later hoort, doet dat wel iets met je.”

Heb je veel angsten moeten overwinnen om terug te komen?

“Nee, ik kon me over alles heen zetten. Ik wilde absoluut terugkomen, en dan is het heel simpel: je overwint die angst, of je stopt ermee. En als het noodlot toeslaat, tja, dan slaat het toe. Daar valt niks aan te doen. Zo sta ik in het leven.”

In de Tour van 1995 lag je naast Fabio Casartelli toen die stierf in de afdaling van de Portet-d’Aspet. Heeft dat je niet aan het twijfelen gebracht?

“Dat was een ander verhaal. We vielen met twee, maar hij stierf en ik niet. Het moet een kwestie van geluk geweest zijn. Ze vertellen je het nieuws pas na de aankomst, en je beseft niet goed wat je overkomen is. En de dag nadien zit je gewoon weer in dat peloton, en doe je weer mee aan massaprints en neem je voluit risico’s. Maar het kan niet anders: als je risico’s wilt mijden, moet je stoppen met de wielersport.”

Waarom rij je toch door als je zoiets meemaakt?

“De adrenaline. Ik ben nu gelukkig, maar de roes van de overwinning ken ik niet meer. Dat maakt dat een sporter verslaafd raakt aan de roem, het succes, aan alles.”

“Vorig jaar heb ik Fabio’s graf nog bezocht. Dat voelde heel raar. (zwijgt) Ik zie nog altijd heel scherp het beeld voor me dat we samen op de grond liggen. Ik lig in zijn bloed, neem zijn hand vast en roep: ‘Fabio, Fabio’. Maar hij antwoordde al niet meer.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden