Zondag 05/04/2020

Topschutter Cyriel Dessers

‘Duwen en trekken en op andermans tenen gaan staan: ik heb het beest in mij teruggevonden’

Beeld Photonews

Mocht België niet over zo’n geweldige generatie voetballers beschikken, dan was Cyriel Dessers (25) een Rode Duivel en geen Super Eagle in het Nigeriaanse elftal geweest. ‘Lukaku, Batshuayi en Benteke. En daarachter Origi. Daar kan ik niet aan tippen.’ Ondertussen koos de Belgische topschutter in de Nederlandse Eredivisie voor de Nigeriaanse nationale ploeg. En dat voor iemand die nooit eerder in Nigeria is geweest. ‘Toch heb ik Afrikaanse trekjes, zoals mijn trots. Ik heb niet zoveel last van die typisch Belgische bescheidenheid.’

Op het moment van dit gesprek met Cyriel Dessers, was het nog niet duidelijk wat de invloed van het coronavirus op de voetbalwereld zou zijn.

Cyriel Dessers: “Het is altijd een verre droom geweest om voor het Nigeriaanse elftal uit te komen. Maar goed, dat was profvoetballer worden ook en dat heb ik nooit realistisch gevonden. België heeft tweehonderd profvoetballers op een bevolking van elf miljoen inwoners: waarom zou ik daarbij horen? Thuis hebben ze het altijd geweten: ‘Doe maar je best op school.’ Nigeria is nog waanzinniger. Een gigantisch land met 190 miljoen inwoners en nog eens 100 miljoen Nigerianen in de diaspora. Daar zitten zeker 150 fantastische spitsen tussen. Hoe groot is dan de kans dat ze bij Cyriel Dessers uit Tongeren uitkomen? (lacht)”

Hoe hebben ze in Nigeria gereageerd op je selectie?

Dessers: “De meeste fans vinden het fantastisch dat jongens die opgegroeid zijn in Europa, voor hun land willen spelen. Uiteindelijk willen zij maar één ding: een zo sterk mogelijke ploeg. Dat Cyriel Dessers, de topscorer van de Nederlandse Eredivisie, voor hen kiest, maakt hen trots.

“Nigeria is het grootste voetballand van Afrika. Op de Afrika Cup vorige zomer werd het derde, op het wereldkampioenschap in Rusland ging het eruit tegen het Argentinië van Messi. Dat maakte de keuze makkelijk, ik hoefde er niet over na te denken. De Super Eagles (de bijnaam van het Nigeriaanse elftal, red.) zijn een begrip en hun mythische shirt is overal ter wereld gewild.”

Wanneer zijn ze jou op het spoor gekomen?

Dessers: “In 2017. Ik had met Utrecht een paar heel goede Europese matchen gespeeld. Onder andere tegen Zenit Sint-Petersburg, in het stadion waar de Rode Duivels een jaar later de halve finale van het wereldkampioenschap hebben gespeeld. Kort voor het WK kreeg ik een telefoontje: ‘We volgen jou.’ Bleek dat ze aan mij dachten als derde spits. Ik begon te zweten: ‘Ik? Naar het WK?!’ Maar omdat ik op een zijspoor zat bij Utrecht, is het niet doorgegaan.

“Tien jaar eerder zou ik, als spits die het goed doet bij Utrecht, altijd bij de Rode Duivels gezeten hebben. En over tien jaar zal de topschutter in Nederland ook altijd voor de Rode Duivels worden opgeroepen. Maar op dit ogenblik beschikt België over een uitzonderlijke generatie voetballers. Het is nooit in mij opgekomen dat ik daar deel van kon uitmaken. Romelu Lukaku, Michy Batshuayi en Christian Benteke zijn de spitsen. Daarachter zit Divock Origi, die in de Champions League-finale heeft gescoord. En Dries Mertens en Eden Hazard kunnen er ook uit de voeten. Aan hen kan ik niet tippen. Daarom heb ik altijd geweten: als Nigeria komt, twijfel ik niet.”

Zelfs al ben je er nog nooit geweest?

Dessers: “Als ik in de spiegel kijk, zie ik toch voor 50 procent Nigeria, hoor (lacht). Het is niet omdat ik er nooit ben geweest, dat ik mij geen Nigeriaan voel. Ik hoef maar naar mijn moeder of mijn broertje te kijken om te beseffen hoe dichtbij het is.

“Mijn dichtste Nigeriaanse familie heeft in Londen en Manchester gewoond. Ik ben er als kind heel vaak op bezoek geweest. Als ik nu Nigeria kan leren kennen vanuit de beschermde omgeving die het voetbal is, zou dat fantastisch zijn. Want een vakantieland is het niet: ideaal is de situatie er nog altijd niet.”

Je moeder is Nigeriaanse, maar ze groeide op in Londen en Parijs voor ze op erg jonge leeftijd naar België kwam.

Dessers: “Over het verleden spreken we niet vaak in onze familie. Haar kinderen zijn in België geboren en getogen, maar Nigeria blijft een speciale plaats in haar hart innemen. Een groot deel van haar familie woont nog steeds in Lagos. Die zijn natuurlijk heel trots dat hun neefje voor hun land is geselecteerd. Mijn oom heeft me al enkele zinnetjes in het Yoruba (de plaatselijke taal, red.) geleerd. Die zullen me zeker van pas komen.”

Hoe reageerde je moeder?

Dessers: “Vol trots. Zelf kijk ik er ook erg naar uit. Lagos is met 24 miljoen inwoners één van de snelst groeiende steden ter wereld. Ik ben razend benieuwd om die stad met mijn eigen ogen te zien.”

‘Eigenlijk heeft Cyriel niets met de Afrikaanse cultuur’, zei je vader me.

Dessers: “Ik ben geen goede danser, als hij dat bedoelt (lacht). Ik heb een Belgische opvoeding genoten, maar in mijn karakter herken ik toch Afrikaanse trekjes. Het opvallendste is misschien wel mijn trots. Ik heb niet zoveel last van die typisch Belgische bescheidenheid. Ik ben ook erg chill – in het dagelijkse leven, want op het veld verander ik in een beest. Vroeger ging dat heel ver, ik maakte ruzie met iedereen: de scheidsrechters, de tegenstanders, mijn medespelers. Het doel heiligde de middelen: als het moest, ging ik door een muur. Zó graag wilde ik winnen. Bij Oud-Heverlee Leuven hebben ze dat eraf geschaafd, en bij NAC Breda hebben ze die lijn doorgetrokken. Tot Erik ten Hag, mijn trainer bij Utrecht, zei: ‘Jij bent véél te braaf voor een spits.’ (lacht)

“Toen ik twee jaar geleden zwaar geblesseerd raakte, heb ik me mentaal gereset en me de vraag gesteld: wie wil ik zijn? Het antwoord was dat ik weer de oude Cyriel wilde worden, met zijn positieve agressiviteit. Emoties mogen, zolang je maar de juiste balans vindt. Die heb ik nu gevonden. Mijn wedstrijden bij Heracles zijn weer scherp, zonder dat ik de scheidsrechter voor verrot scheld of wekelijks neus tegen neus sta met een verdediger.

“Weet je wat mij heeft getriggerd? Een berichtje van een vriend: ‘Weet je nog hoe je was op training bij Lokeren? Zó smerig, zó sluw.’ Hij had gelijk. Ik haal nu weer de trucjes van toen uit de kast: op iemands tenen gaan staan, een beetje duwen en trekken. Ik heb het beest in mij teruggevonden.”

‘Bij Heracles hebben we een erg intelligente groep. Bij het ontbijt lossen we kruiswoordraadsels op en er is zelfs een boekenclub.’ Beeld Belgaimage

Op je geboortekaartje stond: ‘Sidder en beef, wereld. Hier kom ik!’

Dessers (lacht): “Dat wist ik niet. Ik zal dat kaartje eens aan mijn verdedigers laten zien.”

Je hebt ook een Afrikaanse voornaam: Kolawole. Volgens je vader betekent het ‘hij die geluk en blijdschap brengt’.

Dessers: “Aan zijn familie, ja. Een ongelooflijk mooie naam, ik ben er supertrots op. Mensen blij maken is wat ik wil. Niet alleen met mijn doelpunten, maar ook in de dagelijkse omgang. Mijn moeder heeft altijd erg op beleefdheid en goede manieren gestaan. Als mensen me een vriendelijke jongen noemen, vind ik dat het mooist denkbare compliment. Het is een erkenning voor mijn ouders, maar het is ook wat ik wil uitstralen. Ik mag dan toevallig goed kunnen voetballen, uiteindelijk ben ik ook maar een mens.”

Het heeft lang geduurd voor we jou in België hebben ontdekt.

Dessers: “Ik doe het al een paar jaar goed in Nederland. Maar de meeste aandacht in België gaat toch naar de eigen competitie en naar die twintig Rode Duivels die in het buitenland spelen. Logisch dat ik dan wat langer onder de radar ben gebleven.”

GEEN MISLUKKING

Wat vind je van de weg die je hebt afgelegd?

Dessers: “Als ik morgen moet stoppen, kan ik terugblikken op een supermooie carrière. Ik heb al zoveel hoogtepunten meegemaakt: twee keer Europa League gespeeld, gepromoveerd naar de Eredivisie met NAC Breda – 25.000 fans stonden op de parking mijn naam te zingen! – gescoord in de finale van de play-offs voor Europees voetbal met Utrecht, gescoord in de Kuip tegen Feyenoord en in de Amsterdam Arena tegen misschien wel het beste Ajax ooit, en onlangs ook in eigen huis het winnende doelpunt gescoord tegen Ajax. En nu voer ik de topschuttersstand aan en word ik international van een gigantisch voetballand. Wat kan ik meer wensen?”

Critici vinden dat je eerst bij Ajax, PSV of Feyenoord gespeeld moet hebben om als spits beoordeeld te worden. Zo fanatiek wordt er niet verdedigd in Nederland.

Dessers: “Volgens mij is het moeilijker om vijftien goals te maken bij Heracles dan bij Ajax. Ik laat nu zien dat ik meer ben dan zomaar een goeie Eredivisiespits. In België wordt graag minachtend gedaan over de Nederlandse competitie: ‘In Nederland kunnen ze niet verdedigen.’ Maar verdedigers uit de Eredivisie worden wel verkocht aan clubs als Tottenham, Juventus en AS Roma voor 40 miljoen euro en meer. Dat heb ik in België nog niet gezien.”

Hoe groot is de kans dat je het seizoen als topschutter afsluit?

Dessers: “Niet heel groot, maar het kan altijd. Ik sta nu vier maanden bovenaan. De spitsen van de topclubs krijgen dubbel zoveel kansen als ik en toch hou ik hen achter mij. Spitsen waarvoor je met 20 miljoen euro niet toekomt als je ze wil kopen.”

En dan zijn er nog twee goals van jou afgekeurd. Ten onrechte, naar ik hoor.

Dessers: “Daar is heel Nederland het over eens. Op het einde kan dat het verschil maken.”

Hoe ben je in Nederland beland?

Dessers: “Mijn eerste seizoen bij Lokeren was fantastisch. Het was het laatste mooie jaar van de club, met spelers als Hans Vanaken en Denis Odoi. We haalden tien punten in de Europa League – tíén! – en ik hield Mbaye Leye uit de basis. Toen kwam het kantelpunt: trainer Peter Maes vertrok naar Racing Genk, en Hans Vanaken naar Club Brugge. Daar ben ik het slachtoffer van geworden. Play-off 1 halen bleef de ambitie, maar de ploeg was verzwakt. Trainer Bob Peeters werd ontslagen, ik liep een enkelblessure op, en Georges Leekens gaf me geen kans meer.

“Mentaal was ik nog niet sterk genoeg om terug te knokken en ik ben naar NAC Breda gegaan. Ik had ook Belgische aanbiedingen, maar ik weet hoe de Belgische voetbalcultuur in elkaar zit: ik zou er nooit als eerste spits een kans gekregen hebben. In Nederland krijg je wel dat vertrouwen als jonge gast. Ik zag het niet als een stap terug: bij NAC zat er elke thuiswedstrijd 15.000 man in de tribune. In de tweede klasse! Dat zie je in België alleen maar bij de topclubs en bij KV Mechelen.”

De promotie met NAC leverde je een mooie transfer naar Utrecht op. Voor Dries Mertens was Utrecht ooit de springplank naar PSV en de echte top. Maar jij zette vorige zomer een stap terug, naar Heracles.

Dessers: “Net als bij Lokeren kende ik een fantastisch eerste seizoen bij Utrecht. Ik maakte doelpunten en dacht: als dit zo doorgaat, kom ik in het Dries Mertens-scenario terecht. Maar toen vertrok de trainer die me gehaald had, Erik ten Hag, naar Ajax. Ik ben een heel specifiek type voetballer. Volgens de ene een complete aanvaller die alles kan, de andere zal zich afvragen: ‘Waar is hij súpergoed in?’ De nieuwe trainer zag het niet zo in mij. Net toen ik op het punt stond uitgeleend te worden aan een Belgische club, scheurde ik de mediale band van de knie en was ik maanden out. Bij mijn terugkeer zei Dick Advocaat, die ondertussen trainer was geworden: ‘Ben je nu al terug? Laat het maar eens zien.’ Hij zette me in de basis, ik begon te scoren en we haalden de play-offs voor Europees voetbal, die we nog wonnen ook.

“Ik hoor weleens zeggen dat ik mislukt ben bij Utrecht, maar daar ben ik het niet mee eens. Twintig goals op dertig basisplaatsen, dat zijn heel goede cijfers.”

Maar je zit niet bij PSV, zoals Dries Mertens destijds, wel bij Heracles.

Dessers: “Als je niet speelt, is het zwaar. Hoe graag je ergens ook bent. Bij Heracles kreeg ik geen garanties, maar ik ging ervan uit dat ik zou spelen. Als ik blijf bevestigen, zet ik misschien nog wel een grote stap. Ik ga me niet met Dries Mertens vergelijken – verre van, hij is buiten categorie – maar de clubs uit grote competities die me afgelopen winter al wilden, daar droom je van als kind.”

Je kon naar de Spaanse subtopper Celta de Vigo, maar Heracles liet je niet gaan. Je hebt je toen héél boos gemaakt tegen de clubleiding. Je makelaar Stijn Francis was zwaar onder de indruk.

Dessers: “Ik zou het seizoen uitdoen bij Heracles, tenzij zich een once-in-a-lifetimeclub zou melden. Ik heb neen gezegd tegen verschillende mooie clubs, maar toen Celta de Vigo kwam, wist ik: ‘Geweldige traditieclub, mooie stad. Dit mag ik niet laten schieten.’ Spelen tegen Barcelona en Real, tegen Hazard en Messi, spelers die je alleen maar van de tv kent: is er iets mooiers dan dat?

“Ik ben er echt niet goed van geweest. Drie dagen lang had ik een gezicht als een donderwolk. Maar uiteindelijk heb je in het voetbal nooit alles zelf in de hand. Je mag ook niet blijven hangen in de boosheid, want dan riskeer je die transfer ook volgende zomer te missen. Ik moet nu hopen dat Celta – of een andere club – zich opnieuw meldt. Toen Smolov, de Rus die ze in mijn plaats hebben gekocht, onlangs scoorde tegen Real Madrid, heb ik wel even gedacht: dat had ik kunnen zijn.”

Hoe ambitieus ben je?

Dessers: “Profvoetballer worden is altijd een verre droom geweest. Als jeugdspeler zat ik één seizoen bij STVV. Toen ik doorgestuurd werd, heb ik één avond gehuild. De volgende dag was het over. De droom was uiteengespat, maar ik ben gewoon terug bij Tongeren gaan voetballen. Mijn ouders hebben altijd gezegd: wat je ook doet, doe het zo goed mogelijk. Je ziet wel waar het eindigt. Op mijn 19de hing ik nog boven de studieboeken, vijf jaar later ben ik topscorer in de Eredivisie. Het belangrijkste is dat ik stappen blijf zetten: na OHL was dat Lokeren, na NAC volgde Utrecht. Alles gaat in golven, je moet er alleen voor zorgen dat elke golf iets hoger reikt dan de vorige. Zo wil ik naar de top, míjn top. Ik wil de best mogelijke Cyriel Dessers worden, als voetballer én als mens.”

‘Tot ik profvoetballer werd bij Lokeren, heeft de school altijd op de eerste plaats gestaan. Tijdens de blokperiode stapte ik naar de trainer en zei ik: ‘Ik kan niet komen, ik heb examens.”Beeld Belgaimage

EERSTE SCHIFTING

Als 16-jarige verliet je Tongeren voor Oud-Heverlee Leuven. Je moest het laatste jaar op de middelbare school nog afmaken en ging op kot.

Dessers: “Dat was spannend, als 16-jarige alleen gaan wonen (lacht). Ik wilde niet naar de topsportschool of op internaat en ben dan maar op kot gegaan. Eén jaar te vroeg, maar het gaf mijn moeder wel rust: ze zag me niet graag op een appartement gaan wonen. Ik woonde samen met andere studenten, met wie ik het kotleven en de keuken deelde. Heel plezant, maar ook zwaar. In het middelbaar moet je elke dag in de klas zitten. Daarna ging ik trainen en keerde ik met de bus terug naar mijn kot. Vaak was het al laat voor ik in mijn boeken kon duiken. Best pittig, ook al omdat het dat eerste jaar bij OHL niet zo fantastisch liep. Ze hadden me als jeugdspeler aangetrokken en ik rekende er al niet meer op dat ik profvoetballer kon worden. Ik had aanbiedingen van enkele derdeklassers en aangezien ik rechten zou studeren, dacht ik er ernstig over na om daarop in te gaan. OHL heeft me toen op andere gedachten gebracht: ‘Ben je gek? Jij blijft hier.’ Dat draaide goed uit: ik ben dat jaar aan de lopende band beginnen te scoren bij de beloften.”

Heb je nooit overwogen om je studie op te geven en alles op het voetbal te zetten?

Dessers (lacht): “Nee, integendeel! Ik studeerde graag en mijn voetbaldroom heb ik nooit als erg realistisch beschouwd. Tot ik profvoetballer werd bij Lokeren, heeft de school altijd op de eerste plaats gestaan. Tijdens de blokperiode stapte ik naar de trainer en zei ik: ‘Ik kan niet komen, ik heb examens.’ De combinatie was zwaar, maar aan de unief had ik gelukkig weinig verplichte vakken en kon ik makkelijk lessen overslaan. Tijdens de blok heb ik al die gemiste lessen ingehaald.”

Je slaagde met vlag en wimpel in je eerste jaar.

Dessers: “Niet voor alle vakken, ik heb er een paar moeten meenemen. Maar ik had de eerste schifting overleefd: van de 850 studenten gingen er 350 naar het tweede jaar en daar was ik bij. Ik kan goed focussen, ook in het voetbal heeft dat me al ver gebracht.”

Waarom ben je gestopt na het tweede jaar?

Dessers: “Op het einde van dat seizoen had ik de stap naar de eerste ploeg van OHL gezet. Lokeren trok me aan en mijn eerste trainingsdag daar viel samen met mijn eerste examen. Ik dacht: als ik nu al naar de trainer moet bellen, wordt dat geen goede start. En ik ben gestopt. Ik had mijn vakken kunnen spreiden, maar voor je het weet, ben je tien jaar aan het studeren. Dat zag ik niet zitten. Studeren kan later nog, dacht ik. Als dat eerste jaar bij Lokeren niet meeviel, zou ik mijn contract verbreken en naar de unief terugkeren. De punten voor mijn afgelegde examens bleven vijf jaar geldig. Ondertussen zijn we wel zes jaar verder, maar ik heb me mijn keuze nog niet beklaagd.”

Vanwaar je keuze voor een rechtenstudie?

Dessers: “Ik wilde later graag bij een ambassade werken. Of in ieder geval toch iets internationaals gaan doen, bij de Verenigde Naties of Unicef. Ik wilde reizen, de wereld zien en met andere culturen in contact komen. Dat heeft altijd in mij gezeten.”

Je moeder was stewardess. Als kind hebben jullie veel gereisd met het gezin.

Dessers: “Misschien is daar het zaadje geplant, ja. Als kind heb ik Kenia, Senegal en Marokko bezocht, maar ook New York. Voetballers geven hun geld uit aan de gekste dingen, ik alleen aan reizen. Na voetballen is dat wat ik het liefst doe. Anderhalf jaar geleden was ik in Jordanië. Die reis vergeet ik nooit, zo adembenemend mooi was het er. De woestijn, Petra, maar ook Jerash, een oude Romeinse stad – wist je dat? Ik ben altijd op zoek naar een mix van natuur en cultuur. En af en toe vind ik het fijn om op een tropisch strand te liggen. Nu wil ik graag naar de Filipijnen of Zuid-Afrika. Maar ook Canada en Brazilië staan op mijn lijstje. Dat ik ook als voetballer op plaatsen kom die niet voor de hand liggen, is mooi meegenomen. Ik leer dan graag iets over die plekken.”

Dat is niet wat ik me bij een doorsneevoetballer voorstel.

Dessers: “Het begint te veranderen, hoor. Spelers worden steeds vaker ook op hun karakter geselecteerd en op hun vermogen om snel informatie te verwerken. Bij Heracles hebben we een erg intelligente groep. Bij het ontbijt lossen we kruiswoordraadsels op en er is zelfs een boekenclub. Elke maand lezen ze een boek en dat bespreken ze dan tijdens een etentje waarbij ze zelf koken.”

Maak jij deel uit van dat clubje?

Dessers: “Nee, ik lees niet zoveel tijdens het seizoen (lacht). Vakanties en stages zijn de momenten waarop ik mijn schade probeer in te halen. Tijdens mijn laatste vakantie – twaalf dagen Mauritius – heb ik drie dikke boeken verslonden. Eéntje ging over het chemische proces dat zich in de hersenen afspeelt tijdens het dromen. Ik kan genieten van een leuke thriller, maar meestal probeer ik toch iets bij te leren. Waarom Belgen gelijk hebben en Nederlanders gelijk krijgen, een boek dat ik mijn vader cadeau heb gedaan, of iets over sportpsychologie. Tijdens mijn revalidatie zat ik in de put omdat die uitleenbeurt niet doorging. Ik las een artikel over stoffen die je aanmaakt in de hersenen als je problemen positief benadert. De signalen die je daardoor naar het geblesseerde lichaamsdeel stuurt, versnellen het genezingsproces. Wel, na drie maanden stond ik terug op het veld, terwijl me was gezegd dat het vier à zes maanden zou duren. Het helpt dus echt.”

BLONDE KRULLEN

Wat herinner je je van je jeugd in Brussel?

Dessers: “Niet veel. Mijn eerste vijf levensjaren heb ik in Brussel gewoond – mijn broertje is later geboren. Grappig toeval: mijn beste vrienden zijn van Leuven, maar verhuizen nu allemaal naar Brussel. Het is een fantastische stad, ik keer er telkens met veel plezier terug. Als ik in België ben, maak ik soms een kleine omweg en rijd ik langs het appartement waar we hebben gewoond. Veel herinneringen heb ik er niet aan, daarvoor was ik te klein, maar toch doet het me iets.”

Jullie hebben in de Anneessenswijk gewoond.

Dessers: “In hartje Brussel. Een fantastische plek om te wonen, zeker nu het er wat hipper is. Ik heb er mijn eerste stapjes gezet en leren fietsen. Ik weet nog precies waar de crèche was, waar ik mijn eerste woordjes heb geleerd. Franse woordjes, naar het schijnt.”

Anneessens was een wijk met veel armoede, leegstand en criminaliteit. Je ouders zijn er weggegaan omdat ze vonden dat ze je er niet op straat konden laten spelen.

Dessers: “Op het pleintje waar wij woonden, viel het nog goed mee. Maar wat verder lagen een speeltuin en voetbalveldjes waar veel hangjongeren rondzwierven. Mijn grootmoeder woont er nog, maar ik begrijp mijn ouders wel.”

Ik zag een oude foto van jou uit die periode: een guitig jongetje met blonde krullen. Volgens je vader was je ‘een attractie’.

Dessers (lacht): “Ik was te klein om het te beseffen, maar mijn mama en ik werden geregeld staande gehouden op straat. Nog altijd word ik op mijn blauwe ogen aangesproken – die heb ik van mijn vader. En 's zomers wordt mijn haar nog altijd blonder. Mijn baard ook, trouwens.”

In de kleuterklas zat je maar met één blank kindje. Groter contrast lijkt me niet denkbaar toen jullie naar Vechmaal, in de buurt van Tongeren, verhuisden.

Dessers: “Kinderen zijn daar niet mee bezig. Zij zien geen onderscheid: een mens is een mens. Volwassenen zouden die onbevangen blik langer moeten koesteren. Naarmate mensen ouder worden, merk je dat de gêne wegvalt om op iemands huidskleur te wijzen. Nu, in Vechmaal – een dorp van vierhonderd zielen – heb ik het niet meegemaakt. Maar als we met ons ploegje FC De Zwaluw Vechmaal tegen een naburig dorp op verplaatsing moesten spelen, kreeg ik steeds vaker opmerkingen van ouders. Ik herinner me een wedstrijd – ik was 9 jaar – waarin ik een paar goals had gemaakt. Ouders riepen naar hun kinderen dat ze mij eens goed moesten pakken, vergezeld van scheldwoorden die je zelf wel kunt invullen. Maar toen scoorde ik nóg eens en gleed ik op mijn knieën tot voor die ouders hun voeten – zo was ik ook wel (lacht). Dat volwassenen zoiets roepen bij een match tussen kinderen die op zondagochtend voor het plezier tegen een bal komen trappen, daar kan ik met mijn verstand niet bij.

“Daar, op het voetbalveld dus, ben ik voor het eerst met racisme geconfronteerd. Op school soms ook, maar ik vraag me af of kinderen wel altijd goed beseffen wat ze zeggen. Vaak herhalen ze wat ze van volwassenen hebben gehoord.”

‘Voetballers geven hun geld uit aan de gekste dingen, ik alleen aan reizen. Na voetballen is dat wat ik het liefst doe. Ik ben altijd op zoek naar een mix van natuur en cultuur.’Beeld Photonews / Peter De Voecht

Heb je het er moeilijk mee gehad?

Dessers: “Toch wel. Ik ben een rustige jongen en ik word zelden boos. Maar als iets me woedend maakt, dan wel racisme. Omdat je wordt ontmenselijkt. Alles wat je bent als mens, wordt van je afgenomen en je wordt gereduceerd tot een object. Je leert ermee te leven, maar als kind heb ik me vaak afgevraagd: waaróm? Nu weet ik dat er mensen zijn met ideeën die je niet zomaar kunt veranderen. Als ik nu zo iemand tegenkom, probeer ik in gesprek te gaan: ‘Besef jij wel wat je zegt?’ Maar goed, hoe triest het ook is, ik denk niet dat het snel zal veranderen.”

Jullie woonden in het voormalige supporterslokaal van FC De Zwaluw Vechmaal. Ook daar kun je een zekere voorbestemdheid in zien.

Dessers: “Het dorpscafé! (lacht) Het was allang geen café meer toen wij het kochten, maar de danszaal stond er nog, en ook de toog en andere typische caféspullen. Die zijn allemaal verdwenen en waar de danszaal stond, is een tuin aangelegd. Daar heb ik mijn eerste voetbalstapjes gezet.”

En daar heb je je linkervoet leren gebruiken.

Dessers: “Zoals elk jong voetballertje deed ik alles met één voet. Van mijn vader moest ik ook mijn linker oefenen. Tik-tik-tik, tegen de muur. Wel duizend keer. Dat heeft zich uitbetaald: ik ben vrijwel perfect tweevoetig. Ik moet niet, zoals zoveel spitsen, naar mijn goede voet kappen. Uit alle statistieken blijkt ook dat ik even vaak raak schiet met links als met rechts.”

Dat hebben ze in Nederland ooit nog een andere Belg zien doen: Luc Nilis.

Dessers (glundert): “Ik kwam hem onlangs tegen, toen we tegen VVV speelden, waar hij assistent-trainer is. Grote meneer. ‘Doe zo voort’, zei hij. Als Luc Nilis dat zegt, is dat me veel waard.”

In Extra Time verwarde Peter Vandenbempt Vechmaal met Wijgmaal, naast Leuven. Dat heb je toen met een kwinkslag rechtgezet.

Dessers: “Zo vreemd was dat niet. Op Wikipedia staat dat ik in Leuven geboren ben, maar dat klopt niet: dat moet Tongeren zijn. Daarom, deze wijze raad voor studenten: geloof niet alles wat op Wikipedia staat! (lacht) De reden waarom ik in Tongeren geboren ben terwijl mijn ouders in Brussel woonden, is simpel: mijn mama wilde dat haar vriendinnen in Limburg en het gezin waar ze was opgegroeid, naar het kindje konden komen kijken.”

Zes jaar later werd je broer Emile geboren. Hij was 10 toen jij het ouderlijke huis verliet. Het wringt, zei je eens, dat je nooit echt een grote broer voor hem hebt kunnen zijn.

Dessers: “Ik kan me voorstellen dat je opkijkt naar een grotere broer, dat je hem dingen wilt vragen of van alles samen wilt doen. Helaas ben ik er te weinig geweest. Dat doet me oprecht pijn. Nu pas beginnen we naar mekaar toe te groeien. Hij vraagt me bijvoorbeeld hoe ik mijn examens vroeger aanpakte en twee jaar geleden zijn we samen in Boston op vakantie geweest. We hebben de NBA bezocht, en Harvard, en we zijn naar een ijshockeywedstrijd gaan kijken. Een supertoffe reis! Op die manier probeer ik het goed te maken, maar helemaal hetzelfde zal het nooit zijn.”

Klopt het dat je ambities hebt als voetbalanalist?

Dessers (lacht): “Sinds ik die vraag kreeg in een radio-interview, is dat een eigen leven gaan leiden. Onlangs zat ik in Studio Sport. Dat beviel me wel. Ik kijk heel graag naar voetbalwedstrijden en wat doe je als analist? Er een kwartier vóór en na de wedstrijd over praten en er nog goed voor betaald worden ook (lacht). Wat een droomjob!

“Televisie heeft me altijd geïntrigeerd. Mijn papa werkte vroeger bij VTM. Dat zal er wel niet vreemd aan zijn.”

Het is ook de rol waarin je het dichtst bij de Rode Duivels gekomen bent.

Dessers (schaterlacht): “Tijdens het WK 2018 was ik door Studio Rusland van de NOS uitgenodigd om België-Japan te analyseren, samen met Rafaël van der Vaart. Je weet wel, die wedstrijd die op verlengingen leek uit te draaien. Iedereen zat te zuchten: ‘Nóg een halfuur.’ Ik ook: ik had de volgende ochtend heel vroeg training. Maar toen scoorde Nacer Chadli in de laatste minuut van de extra tijd. Iedereen blij: ik omdat de Belgen hadden gescoord, de anderen omdat ze naar huis konden (lacht).

“Ze hebben me al gevraagd of ik tijdens Euro 2020 opnieuw kom. Niet alleen voor de Rode Duivels, ook voor andere wedstrijden. Blijkbaar zijn ze tevreden, mogelijk zit het er later wel in. Ook in België: ik ken Aster Nzeyimana, toch de coming man. Ik heb nog tegen hem gevoetbald met de universiteitsploeg: hij als centrale verdediger bij Gent, ik als spits bij Leuven. In de halve finale van het universitair kampioenschap was dat. Toen ik later bij Lokeren speelde, was hij journalist en kruisten onze wegen opnieuw. Dus, wie weet...”

© Humo 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234