Vrijdag 15/11/2019

Interview

Dieumerci Mbokani: ‘De dood van mijn zoontje David heeft me de kracht gegeven om door te gaan’

‘Er bestaat een beeld van mij dat ik arrogant ben, maar wie me beter leert kennen, moet toegeven dat dat niet klopt.’

Wat hebben Zlatan Ibrahimovic, Cristiano Ronaldo en Dieumerci Mbokani gemeen? Dat het spitsen zijn op wie de jaren geen vat lijken te hebben. Bij Antwerp is Mbokani (34) weer de gevreesde sluipschutter van weleer die indertijd Anderlecht en Standard aan titels hielp. Een dagje ouder, maar nog altijd even ambitieus. Op zijn verlanglijstje: topschutter worden, nog eens kampioen spelen, en daarna een exotisch avontuur.

Volgende maand word je 34. Da’s niet piep meer voor een voetballer. Hoe hou je het vol?

“Mijn lichaam heeft nog niets aan kracht ingeboet en mijn benen zijn fitter dan ooit. Zolang ook in mijn hoofd alles goed zit, blijf ik doorgaan. Of ik dan 33 of 34 ben, dat maakt niet uit. De goesting om op het veld te staan, is nog altijd even groot. Mijn snelheid was vroeger misschien ietsje beter, maar mijn pure voetbalkwaliteiten – mijn techniek en afwerking – zijn onaangetast. Geloof me maar, voor jou zit nog steeds dezelfde Mbokani: als het van mij afhangt, ga ik nog jaren door.”

Wat is je geheim?

“Dat is er niet: het is een geschenk van God. Vandaar ook mijn naam: Dieumerci. (lacht) Die is heus geen toeval, want wat ik doe is niet iedereen gegeven. Het voetballen zit me in het bloed. Nog altijd heb ik vrienden met wie ik soms een balletje trap die me zeggen: ‘Hoe doe jij dat toch, Dieu?’ Ik verzorg me en heb nooit zware blessures opgelopen: ik ben naturel. Trouwens, voetbal wordt vooral met het hoofd gespeeld, en daar ben ik altijd ijzersterk geweest. Ik denk veel na, de benen volgen wel. Tijdens wedstrijden voel ik geen druk, ik neem alles zoals het komt. Als kind was dat ook al zo.”

Helpt het dat niets nog moet? Op je palmares staan al titels met Standard, Anderlecht en Dynamo Kiev.

“Mocht ik geen doelen meer hebben, dan kan ik er net zo goed mee stoppen. Meer zelfs: dan voetbalde ik niet meer. Op dit ogenblik ben ik topschutter. Op het eind van het seizoen wil ik dat ook nog zijn: dát is mijn objectief.”

Is het een obsessie? Want hoe raar het ook klinkt: je bent nooit eerder tot topschutter gekroond.

“Het belangrijkste is dat we ons met Antwerp plaatsen voor Play-off 1, maar daarnaast wil ik ook graag topschutter worden en – waarom niet? – kampioen spelen. Maar goed, ik steek het nog niet te veel in mijn hoofd. Voorlopig bekijk ik het wedstrijd per wedstrijd.”

Is die persoonlijke ambitie de reden waarom je het onlangs niet pikte dat Lior Refaelov de bal opeiste voor die strafschop tegen Standard?

“Kijk, het is simpel. Destijds bij Standard waren Milan Jovanovic en ik de mannen van de doelpunten, maar omdat ik topschutter kon worden, liet Jova mij de penalty’s trappen.”

En dus verwachtte je hetzelfde van Refaelov.

“Sommige ploegmaats, vrienden in de ploeg, zegden me: ‘Mbo, jij kunt topschutter worden, jij moet die strafschop nemen.’ Mocht ik me niet goed hebben gevoeld, had ik zonder probleem gezegd: ‘Doe maar. We zijn er toch allebei goed in.’ En mocht hij topschutter kunnen worden, had ik hem ook zeker laten trappen. Zonder de minste discussie. Maar nu?”

Het deed denken aan een incident tijdens een Standard-Roeselare van een jaar of tien geleden…

(onderbreekt) Dat was met Jova en Axel Witsel. Ook toen ging het over wie een strafschop mocht nemen, maar daar was ik niet bij betrokken. (lacht) Nu, er was in diezelfde wedstrijd wel een andere discussie tussen Jova en mij. Ik stond moederziel alleen, maar Jova trapte zelf op doel in plaats van mij de bal toe te spelen, wat hij altijd had moeten doen. Wat later deed ik hetzelfde en was híj in alle staten. László (Bölöni, huidig Antwerp-trainer, red.), die toen ook al onze trainer was, heeft ons toen allebei gewisseld.”

’s Anderendaags zaten jullie met Bölöni samen en werd alles bijgelegd. Nu niet.

(blaast) Ik zou zo’n gesprek weigeren, het interesseert me niet. Lior en ik respecteren elkaar, zonder meer. We zijn grote mensen en lossen het op het terrein zelf wel op.”

Is de Mbokani van vandaag de beste Mbokani ooit?

“Nee, de op twee na beste. De Mbokani bij Standard en die in mijn tweede periode bij Anderlecht waren beter. Ik was nog jong toen en speelde geweldige matchen in de Champions League en de Europa League. Dat heb ik met Antwerp nog niet gedaan.”

Volgens Aimé Anthuenis was je tien jaar geleden al de beste spits in België, en ben je het vandaag nog altijd.

“Als je louter naar mijn kwaliteiten kijkt, heeft hij gelijk. Maar tien jaar geleden was het veel moeilijker dan vandaag: er liepen toen betere spelers rond op de Belgische velden.”

Zie je andere spitsen die in jouw schaduw mogen staan?

“Buiten onze eigen wedstrijden bekijk ik niet veel wedstrijden uit de Belgische competitie. Maar wie me wel al is opgevallen, ook al is hij niet echt een diepe spits, is Krépin Diatta van Club Brugge. En verder… Tja, wie nog? Ik vrees dat ik het bij Diatta moet houden.”

Dat de huidige Mbokani ervaring aan zijn kwaliteitenpalet kan toevoegen: maakt dat van hem niet de beste versie ooit van zichzelf?

“Ik heb hier nog niets gewonnen. Daarom zeg ik: vroeger was ik beter. De dag dat ik Antwerp de titel bezorg, zal ik zeggen dat de huidige Mbokani de beste is.”

Van ervaring gesproken: is het dat waaraan het Anderlecht dezer dagen ontbreekt?

“Ja. Ze hebben een goede ploeg, met veel jonge spelers, maar die hebben ervaring rond zich nodig. Buiten Kompany, Chadli en Nasri zie ik die niet.”

Begrijp je dan waarom jij nu niet bij Anderlecht zit?

“Ik was een vrije speler na vorig seizoen. Ze hebben mijn naam toen laten vallen bij Anderlecht, maar tot een concreet voorstel is het nooit gekomen. Ik geloof dat ze twee keer met mijn makelaar hebben gesproken en daarna niets meer van zich hebben laten horen. Toen het geen zin meer had om nog langer te wachten, heb ik opnieuw bij Antwerp getekend.”

Was je ontgoocheld?

“Nee. Waarom? Antwerp voelt als familie: ik voel me hier thuis en had oprecht zin om bij te tekenen.”

Wat als Anderlecht je toch een voorstel had gedaan?

“Dan had ik toch wat bedenktijd nodig gehad. (lachje) Aangezien ik in Brussel woon, zou het gemakkelijkste geweest zijn dat ik naar Anderlecht was teruggekeerd. Ook al omdat ik er mijn eerste stappen in het profvoetbal heb gezet: dat ben ik niet vergeten.”

Met Frankie Vercauteren zou je er nu de trainer treffen met wie je destijds in onmin raakte.

“Ik was 21 en hij vond me te jong. Nu, met Tchité, Frutos en Mpenza liepen er al drie spitsen rond, en niet van de minste. Dus was het beter dat ik vertrok. We hebben nadien nooit meer contact gehad.”

Vincent Kompany is maar enkele maanden jonger dan jij. Hij verliet Anderlecht in de zomer dat jij er aankwam.

“Ik ken hem – als Congolezen zijn we broers van mekaar. In Engeland zagen we elkaar wanneer we tegen mekaar speelden. Verder ging ons contact niet. Ook toen Anderlecht afgelopen zomer aan mij dacht, was er geen enkel contact.”

Was de vage belangstelling van Anderlecht de reden waarom je op het eind van vorig seizoen aankondigde dat je je laatste wedstrijd voor Antwerp gespeeld had? Je leek toen erg zeker van je stuk.

“Nee, dat had vooral te maken met enkele aanbiedingen uit Turkije en China. Mijn gezin was de reden waarom ik er uiteindelijk niet op ben ingegaan. Na al die jaren in het buitenland zonder hen was ik pas terug in België. Het was te vroeg om meteen weer te vertrekken. Na dit seizoen zien we wel. Waarom zou ik me niet nog eens aan een avontuur wagen? (lachje)

Je speelde al in Frankrijk, Duitsland, Oekraïne en Engeland. Marc Degryse noemde je ‘top in België, maar mislukt in het buitenland’.

“Hmm, daar ben ik het niet mee eens. Het Oekraïense voetbal wordt hier niet gevolgd, maar ik ben er wel landskampioen geworden met Dynamo Kiev en behoorde tot de beste schutters van de competitie. Ik speelde er op hoog niveau, ook in de Europa League. Bij Norwich was ik topschutter met zeven doelpunten. Ik weet niet of je toen wedstrijden van mij hebt gezien, maar zo’n aantal was niet mis, zeker bij een kleine club in de Premier League. Het jaar nadien, bij Hull City, heb ik hetzelfde probleem als zo vaak gekend: halfweg het seizoen vertrok ik naar de Afrika Cup en bij mijn terugkeer was ik mijn plaats in de ploeg kwijt. Ben ik dan mislukt? Volgens mij niet, ik wijt het aan de omstandigheden.”

Zowel met Norwich als met Hull degradeerde je.

“Het belangrijkste was dat ik in de Premier League speelde. Zelfs al is het bij een ploeg die onderin bengelt: als je tegen Chelsea speelt, zit je toch op topniveau te voetballen. Trouwens, met Norwich klopten we dat jaar thuis Manchester City (de uitslag was 0-0, red.).”

Had je met een betere carrièreplanning in de voetsporen van Afrikaanse helden als – ik zeg maar wat – Didier Drogba of Samuel Eto’o kunnen treden?

“Goh… Het leven loopt nu eenmaal zoals het loopt: ik heb nergens spijt van. Ik zou nooit een Eto’o of Drogba geworden zijn, maar zal altijd Dieumerci blijven. Misschien had ik, mijn kwaliteiten in acht genomen, bij grotere clubs kunnen spelen. Maar het is ook dankzij clubs als Norwich en Hull dat ik op zo’n mooie carrière kan terugblikken. En ze is nog niet voorbij. (lacht)

Degryse had ook een compliment voor jou: ‘Zijn eerste controle is altijd technisch volmaakt.’

“Daarin heeft hij wél gelijk. (lacht) Links of rechts, maakt me niet uit: de bal is mijn vriend. Ik speel hem ook zelden kwijt: door mijn sterke lichaam slaag ik erin hem goed af te schermen.”

Om het met de woorden van Degryse te zeggen: ‘Ofwel wordt er een fout op hem gemaakt, ofwel is hij zo sterk dat hij kan wegdraaien.’

“Voilà, wat zeg ik je net? (lachje) Die fysiek had ik al in Afrika, ik heb er hier in België nooit echt aan moeten werken. C’est naturel.”

Volgens Gert Verheyen verdedig je amper mee, maar positioneer je je wel zo goed dat je altijd een tegenstander afschermt: ‘En dan rust hij uit.’

“Het heeft geen zin om met je krachten te woekeren. Het is beter goed te doseren. Ze weten hier drommels goed dat ik me op training nooit voor 100 procent geef. Maar in de wedstrijden? Dan ga ik voluit en verdedig ik mee. Vervolgens ga ik wandelen en rust ik wat uit. Je hoeft niet de hele tijd van links naar rechts te rennen, voetbal speel je ook met het hoofd. Het is een kunst om je wedstrijd goed in te delen.”

Terwijl jij rust, vergeten de verdedigers je.

“Juist, zo maak ik vaak mijn doelpunten.”

Verheyen gaf onlangs twee voorbeelden van wedstrijden waarin je na een afgeslagen corner blijft staan terwijl iedereen rond jou in beweging komt, waarna de bal terug voor doel wordt gebracht en jij scoort: ‘Zonder dat hij van plaats is veranderd.’

“Zo doe ik het vaak. Tussen al die verdedigers wordt alleen maar geduwd en getrokken. Je losrukken lukt niet en scoren vaak ook niet. Daarom hou ik me gedeisd. En op het goede moment sla ik toe. Het is niet mijn fout dat ze me uit het oog verliezen, toch? (lacht)

Slim.

“Héél slim. (lachje) Voetbal speel je ook met het hoofd – zei ik je dat al niet? Ik hou de bal in de gaten en denk de hele tijd na: waar loop ik het best naartoe? Naar de eerste paal? Of naar de tweede?”

Uit statistieken zou blijken dat je gemiddeld maar 8 kilometer aflegt in een wedstrijd.

(grijnst) Negen, hooguit.”

Zou dat de reden kunnen zijn dat de grote clubs je niet zagen zitten? Een topspits haalt minstens 10 kilometer.

“Ik wil vóétballen, niet de hele tijd rennen. Dan hou ik er liever mee op. Als ik naar Barcelona kijk, zie ik hun spelers ook niet lopen – of toch niet veel. Het is juist de tegenstander die de hele tijd achter de bal aanholt. Het juiste moment afwachten, dáár gaat het om.”

Zou het kunnen dat Anderlecht daarom van je afzag?

“Mensen zoeken altijd naar redenen, maar ach, volgens mij kan het dat niet geweest zijn. Ik heb in Engeland gespeeld: lopen ze daar niet misschien? Toch heb ik me overeind gehouden, met míjn kwaliteiten en door mijn hoofd erbij te houden. Sommige aanvallers leggen 12 of 13 kilometer af, maar maken verder niets klaar.”

Dan liever een wandelende, maar scorende spits.

“Voilà! Ik verkies een aanvaller die het verschil maakt boven één die het hele veld afdweilt, maar geen bal tussen de palen krijgt.”

In België zul je altijd herinnerd worden als een van de beste aanvallers die op onze velden heeft rondgelopen. Elders in Europa zal je naam niet blijven hangen.

“Kijk, ik ben topschutter van de nationale ploeg van mijn land. In Congo en de rest van Afrika weten ze heel goed wie Mbokani is en wat hij waard is. Dát is mijn grote trots.”

Waarom speel je niet meer voor Congo?

“Mijn laatste wedstrijd was de kwartfinale van de Afrika Cup van 2017 tegen Ghana. We werden uitgeschakeld en nadien heb ik me niet meer beschikbaar gesteld. Een kwestie van respect naar mij en mijn familie. Meer wil ik er niet over kwijt.”

Had je niet al eens eerder afgehaakt, na de aanslagen van 2016 in Zaventem?

“Toen had ik inderdaad al een eerste aanvaring. Maar goed, nadien heb ik nog gespeeld. Die ochtend van de 22ste maart was ik op de luchthaven, samen met mijn vrouw. Ik heb het voor mijn ogen zien gebeuren, vlak voor we het luchthavengebouw wilden betreden. Opeens, die explosie! Mensen vluchtten naar buiten, helemaal onder het bloed. Eerst dacht ik nog dat het een aardbeving was, je denkt niet meteen aan een aanslag. Tot het tot je doordringt: wat je normaal in films ziet, daar stond ik midden in. Ik speelde bij Norwich en kreeg van de club toestemming om een week langer bij mijn gezin te blijven. Want hoewel we goed zijn weggekomen, ben je er toch even niet goed van. Vandaag denk ik er nauwelijks nog aan, behalve wanneer ik op de luchthaven kom: dan schieten die beelden toch weer door mijn hoofd.”

Nadat de afspraak voor dit interview gemaakt was, hield men bij Antwerp nog een slag om de arm: ‘We herbevestigen nog, om zeker te zijn: met Dieu ben je nooit 100 procent zeker.’ Er stond wel een knipoog achter.

(lacht) Geen probleem, hoor.”

Ben je onvoorspelbaar?

“Ach, nee. Als ik er ben, kom ik. En anders niet. Het was na de interlandbreak: dan is het nooit helemaal zeker wanneer ik terug in het land ben.”

Volgens een van je begeleiders destijds bij Anderlecht ben je ‘ziekelijk verlegen’.

“Ik ben nogal schuchter tegenover mensen die ik niet ken. Daarbuiten valt het wel mee.”

Omschrijf jezelf eens in één woord.

“Vriendelijk. Bescheiden. Houdt van mensen en plezier maken. Een karaktermens ook. Er bestaat een beeld van mij dat ik arrogant ben, maar wie me beter leert kennen, moet toegeven dat ik niet zo ben. Nu, het stoort me niet dat mensen dat beeld van me hebben.

Begrijp je de trainers die gek werden van jou en je grillen?

(lacht) Goh… Wie jong is, haalt weleens iets uit. Maar ik kende mijn trainers en wist hoever ik kon gaan.”

Zou je nog een barbecue aansteken op je appartement, zoals je volgens de overlevering ooit deed?

“Ah, maar dat klopt niet! Er is ten tijde van mijn vertrek naar Standard vanuit Anderlecht achter mijn rug veel over mij verteld dat niet klopt. Dat weten ze zelf ook wel. Ik heb er nooit op gereageerd en zo is dat verhaal een eigen leven gaan leiden.”

László Bölöni was je trainer bij Standard en nu bij Antwerp. Is hij degene met wie je altijd het best hebt opgeschoten?

“Misschien wel, ja. László is als een vader voor mij. Toen hij na Standard trainer werd van PAOK Saloniki, bleef hij me maar bellen, maar dat heb ik geweigerd. We zijn altijd contact blijven houden. Ik kan het hier moeilijk allemaal uit de doeken doen, maar als hij me belt om iets te gaan drinken en wat te praten, dan doe ik dat.”

Moeten we meer door de vingers zien van spelers die het verschil maken?

“Een trainer kijkt naar iemands kwaliteiten, niet naar zijn fratsen. László weet heel goed wat ik voor de ploeg beteken.”

Je hebt jezelf weleens vergeleken met Ibrahimovic.

“Omdat ze altijd maar over mijn leeftijd begonnen. Hoe oud is Ibrahimovic: 38? En nog altijd speelt hij de pannen van het dak. Ik zeg het je: omdat voetbal vooral met het hoofd wordt gespeeld.”

Heb je weleens met racisme te maken gehad?

“We zijn allemaal schepselen van God, door onze aderen stroomt hetzelfde bloed. Waarom zou je dan naar iemands huidskleur kijken? Ik zie het verschil niet tussen zwart en blank. Uiteraard laat racisme me niet onbewogen, maar het brengt me niet uit evenwicht.”

Oekraïne heeft op dat vlak een slechte reputatie.

“Dat klopt. Maar eerlijk gezegd: ik heb er nooit last van gehad. Na de wedstrijden nam ik telkens direct het vliegtuig naar België om bij mijn gezin te zijn. En toen de revolutie uitbrak, stonden we net voor de winterstop en was ik weer een paar maanden weg.”

Je gezin is belangrijk, maar als ik je goed begrijp, overweeg je straks toch weer een Chinees avontuur. Waarom?

“Omdat ik nieuwe landen wil ontdekken. Als ik vertrek, zal het naar een land zijn waar ik nog niet gespeeld heb. Ik zal mijn gezin weer moeten missen, maar het zal niet voor het eerst zijn en ze zullen af en toe op bezoek komen. Zulke opofferingen horen erbij. Altijd maar verhuizen en een nieuwe school zoeken voor de kinderen is ook niet goed.”

Wat beschouw je als het mooiste moment uit je carrière?

“De geboorte van mijn eerste zoon. Ik speelde bij Standard. Mijn vrouw en ik waren met z’n tweetjes, en dan is daar plots zo’n kind: dat verandert alles. We hebben hem Dieumerci genoemd, net als ik. Tenminste, zo staat het in de officiële papieren, maar iedereen noemt hem Jess. Hij is 9, Bradley, de jongste, 6.”

Ze voetballen allebei. Bij Anderlecht, las ik.

“Nee, dat was vroeger. Ik heb ze naar RWDM gebracht en nu spelen ze in Monaco. Monaco heeft een goede opleiding. Ik heb er zelf gespeeld en heb altijd goede contacten onderhouden met de mensen daar.”

Dus terwijl jij in Antwerpen voetbalt en in Brussel woont, voetballen je kinderen in Monaco?

(ontwijkend) Momenteel woon ik hier alleen en zijn we niet samen. Alles wat ik doe, is voor hen: ik wil dat ze het goed hebben.”

Acht jaar geleden zei je vrouw in Humo: ‘Na zijn carrière gaan we er opnieuw wonen. We hebben niet ver van Monaco een villa gekocht.’

(lachje) Ik heb nog niet echt nagedacht over waar ik later wil wonen. België zal altijd een speciale plek hebben in mijn hart: na Congo is het mijn tweede vaderland.”

In 2011 overleed je te vroeg geboren zoon David. Is hij een reden om hier te blijven?

“Hij ligt begraven op het kerkhof in Anderlecht. Af en toe gaan we er langs om bloemen neer te leggen. Voor hem zal ik altijd op de één of andere manier ook in België blijven. David is mijn zoon, ik zal hem nooit vergeten, (toont zijn arm) zijn naam staat tussen die van mijn twee andere zoons getatoeëerd.

“Ik zie hem nog liggen in het ziekenhuis in Duitsland, waar ik toen speelde (bij Wolfsburg, red.). Vier maanden heeft hij in de couveuse gelegen. Elke dag zat ik daar tot middernacht, waarna ik naar huis ging en wat sliep. Op den duur was dat niet vol te houden. Het seizoen liep op zijn laatste benen en ik heb de coach gezegd: ‘Ik blijf bij mijn gezin.’ Het was me te veel geworden.”

Weten Jess en Bradley wie David was?

“Jess was elf maanden, Bradley is nadien gekomen. Ze weten wie hij is, maar veel praten over hem doen ze niet. Soms, als hun oog op zijn foto valt, zeggen ze weleens: ‘Dat is David!’ En als ze mijn tattoo zien, weten ze dat ze met drie waren: Jess, David en Bradley.”

Heeft zijn overlijden jou veranderd?

“Veranderd niet echt. Laat ons zeggen dat het een beter mens van me heeft gemaakt. Ik ben door een moeilijke periode moeten gaan, maar zijn dood heeft me de kracht gegeven om voor mijn kinderen te vechten. Voor hen mocht ik niet opgeven en moest ik doorgaan. Misschien heb ik ook geleerd een beetje meer vertrouwen te hebben in mensen.”

Worden Jess en Bradley zo goed als jij?

“Het zijn allebei aanvallers. En o, wat zijn ze goed! Zeker op technisch vlak. De oudste is ook erg snel, de jongste vooral heel sterk. Zoals ik.”

Ze hebben de genen van hun vader.

“Ja, maar ik ben blij dat ze hun eerste voetbalstappen hier kunnen zetten, en niet zoals ik destijds in Afrika. Alles hier is beter. Ze zijn allebei nog Congolees, maar binnenkort krijgen ze ook de Belgische nationaliteit.”

En dan later scoren voor de Rode Duivels?

“Waarom niet? Maar goed, die keuze – tussen België en Congo – zullen zij zelf moeten maken.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234