Donderdag 20/02/2020

Interview

De ouders van Gouden Schoen Hans Vanaken: ‘Wij voelen ons niet beter omdat we toevallig een goede voetballer in huis hebben’

Reinild Jans en Vital Vanaken.Beeld Koen Bauters

Wie de Gouden Schoen past, trekke hem aan: Hans Vanaken jaagt met Club Brugge op de landstitel en de beker, en ook in de Europa League hoopt hij nog te schitteren. 2020 moet zijn jaar worden, met straks ook nog het EK met de Rode Duivels en wie weet – daar gaan we weer – een transfer naar het buitenland. Langs de zijlijn staan moeder Renild en vader Vital, zelf ex-profvoetballer, te glimmen van trots. ‘Ik zag zijn talent al toen hij nog maar zeven was, maar we hebben hem nooit gepusht.’

Er komt wat overredingskracht bij kijken vooraleer moeder Renild mee op de foto wil. “Ik word niet graag herkend.” Eerder had vader Vital al weifelend op de interviewaanvraag gereageerd: “Het is voor de Gouden Schoen, zeker?”

Hans is de vierde speler die zichzelf opvolgt. Alleen Paul Van Himst, Wilfried Van Moer en Jan Ceulemans gingen hem voor. Past hij in dat rijtje?

Jans: “Hij past in élk rijtje! (lacht)

Het helpt natuurlijk dat hij zijn eerste Gouden Schoen niet met een transfer heeft verzilverd en nog steeds in België voetbalt.

Jans: “Hij wilde er ook nog één voor aan zijn linkervoet. (lacht)

Vanaken: “Het is niet dat hij niet naar het buitenland wil, maar het hele plaatje moet kloppen. Hans is intussen getrouwd: Lauren en hij moeten bovenal met hun tweetjes gelukkig zijn. Ik zie hem niet verkassen, alleen maar om te kunnen zeggen: ‘Ik voetbal in het buitenland.’ En terecht. Zeker omdat het voor een persoon zoals hij belangrijk is in welke ploeg hij terechtkomt.”

Volgens Paul Van Himst blijft hij beter nog een jaar in Brugge. ‘Als je te lang wacht, kan de trein gepasseerd zijn. Maar als je te snel springt, kun je ook van de trein vallen’, zei hij in Het Laatste Nieuws.

Vanaken: “Maak maar eens een lijstje van spelers – zelfs winnaars van de Gouden Schoen – die met veel bombarie naar het buitenland zijn vertrokken, maar van wie je amper nog iets hoort: je zou schrikken.”

Beeld Koen Bauters

Jan Ceulemans ziet Hans, zoals Franky Van der Elst en zichzelf, een leven lang bij Club blijven.

Vanaken: “Daar is niets mis mee. Zolang hij maar elk jaar de ambitie heeft om er 100 procent voor te gaan. Als je op je lauweren gaat rusten, val je óók van de trein – maar dat zie ik niet gebeuren met Hans.”

In Humo verwoordde hij het onlangs zo: ‘Ik verdien nu óók al goed mijn boterham. Dat zet ik niet op het spel voor drie keer meer geld, maar minder geluk.’ Hij lijkt duidelijk zijn prioriteiten gesteld te hebben. Heeft hij dat van thuis meegekregen?

Jans: “Dat denk ik wel. Opnieuw die nuchterheid.”

Vanaken: “Natuurlijk zijn sportieve successen plezant, maar één ding is nog belangrijker: je eigen geluk. Daar is hij diep van doordrongen.”

Renild, jij hebt je eens laten ontvallen dat je hem eerder in Italië of Spanje zag voetballen dan in de Premier League.

Jans: “Echt? Ik ken niets van voetbal: hoe zou ik nu weten waar hij het best past? Ik vrees dat ik toen vooral mijn eigen wensen voor werkelijkheid heb genomen. (lacht) Trouwens, toen Hans nog bij Lokeren speelde, hebben we eens een Europese verplaatsing meegemaakt naar Hull. Toen is de Engelse mentaliteit ons erg bevallen. Geruzie tussen rivaliserende supporters, zoals in België vaak voorkomt, heb ik daar niet gezien.”

Wat doet de aandacht voor Hans met jullie?

Vanaken: “Wie had durven te voorspellen dat hij in zijn eerste wedstrijd met Lokeren meteen twee doelpunten zou maken tegen Anderlecht? Hoe goed ik het wereldje ook kende: die zondagavond ben ik van mijn stoel gevallen, en de volgende dag opnieuw: de journalisten stonden aan te schuiven voor onze deur. Echt niet normaal!”

Jans: “Je telefoon stond niet stil. Ook Hans is toen helemaal overdonderd. Mij lieten ze gelukkig met rust: niemand kende mij. (lacht)

Heeft het jullie veranderd?

Vanaken: “Dat vind ik niet.”

Jans: “Je bent wel voorzichtiger geworden. Soms zitten we tussen de supporters van de tegenstander. Tijdens die eerste match in eerste klasse, op Anderlecht, durfden we op den duur niet meer te juichen. Bij zijn eerste goal nog wel, maar toen al keken ze raar naar ons. In de tweede helft zijn we op een andere plek gaan zitten.”

Ook jullie oudste zoon Sam voetbalt, bij Thes Sport, in eerste klasse amateurs. Knaagt het niet bij hem dat Hans met alle aandacht gaat lopen?

Vanaken: “Nooit iets van gemerkt. Het was trouwens Sam die ons, toen ze samen in de eerste ploeg van Lommel speelden, zei: ‘Hans is zijn tijd aan het verprutsen, hij moet hier weg.’”

Jans: “We gaan naar allebei onze zoons kijken. Als ze op hetzelfde moment spelen, splitsen we ons op.”

Is het altijd duidelijk geweest dat ze zouden gaan voetballen?

Vanaken: “In het begin tennisten ze ook allebei. Er is ons weleens gezegd dat het iets kon worden als Hans zich op het tennis zou toeleggen. Maar voor een individuele sport moet je veel meer uren trainen en dat ging niet: ze voetbalden ook. Toen het veel werd, is de keuze vanzelf op het voetbal gevallen.

“Het is niet makkelijk, een getalenteerd kind hebben. Want hoe ga je daarmee om? Ik ben tien jaar jeugdcoördinator geweest bij Lommel, maar ik heb onze zoons nooit gepusht. Dat werkt toch niet. Ik zag het talent van Hans ook wel, maar heb er nooit met iemand over gesproken. Dat je er als zevenjarige met kop en schouders bovenuit steekt, zegt niets over je kansen om later prof te worden.”

Jans: “Nog een geluk dat jij ook had gevoetbald.”

Juist: een half leven bij Lommel, waarvan drie seizoenen in de eerste klasse, en twee jaar bij KV Mechelen.

Vanaken: “Als kind was ik een diehard-fan van Thor Waterschei – we zijn afkomstig van Genk. Nog altijd zijn geel en zwart mijn kleuren, dat gaat nooit meer weg. Het seizoen dat Waterschei Paris Saint-Germain uitschakelde in de Europese beker voor Bekerwinnaars, mocht ik als jeugdspeler meetrainen met de A-kern. Maar in mijn jeugdige enthousiasme vond ik dat ik te weinig kansen kreeg, dus vertrok ik naar Lommel. Met die club steeg ik van derde naar eerste klasse.”

Pas bij KV Mechelen, toen je al 32 was, ben je voltijds profvoetballer geworden.

Vanaken: “Ik heb altijd in het onderwijs gewerkt – vandaag nog steeds, ik doe de boekhouding van een scholengroep. Toen ik met Lommel naar eerste klasse promoveerde, heb ik met de directeur kunnen regelen dat ik af en toe overdag kon meetrainen. En toen ik prof kon worden bij KV Mechelen, was ik al vastbenoemd. Anders had ik het niet gedaan: werkzekerheid laat je niet zomaar schieten met twee kleine kinderen thuis.”

Wat weet Hans van je carrière?

Vanaken: “Niets. (lachje) Ik ben gestopt bij KV Mechelen in 1997 – Hans was toen vijf. Beelden van mij uit die tijd heb ik niet.”

Jans: “We hebben alleen de plakboeken die je moeder heeft bijgehouden.”

Vanaken: “Als Hans zich iets herinnert, zullen het de momenten zijn dat hij met zijn vriendjes na de match het plein opliep om zelf een balletje te trappen. Die mannen waren blij als de scheidsrechter de match affloot.”

Je was een libero, maar toch maakte je behoorlijk wat doelpunten.

Vanaken: “Ik heb gescoord op Anderlecht tegen Filip De Wilde en op Brugge tegen Dany Verlinden. Altijd een streep, met de wreef, recht op doel. Je ziet dat niet vaak meer: tegenwoordig trappen ze allemaal gekruld. (fijntjes) Volgens mij had ik de beste trap van ons drieën.”

Heeft er ooit competitie tussen jou en je zonen bestaan?

Vanaken: “Ik heb hun altijd al zwanzend gezegd: ‘De dag dat je één match hebt gespeeld in eerste klasse, mag je met mij discussiëren over voetbal.’ (lacht)

Jans: “Dat was zijn manier om hevige discussies te beslechten. En geloof me, die waren er.”

Beeld Koen Bauters

Hans en Sam mochten al op jonge leeftijd bij de jeugd van het Nederlandse PSV gaan spelen. Dat de club Sam erbij nam om Hans over de streep te trekken, is een klassieke truc.

Jans: “Nee, nee! Zo is het niet gegaan. Hans is als eerste gegaan, Sam pas een jaar later.”

Remco Evenepoel is op zijn elfde van Anderlecht naar PSV gegaan.

Vanaken: “Ah? Dat wist ik niet.”

Toen ik zijn vader daarover sprak, vertelde hij dat hij en zijn vrouw het zich achteraf hadden beklaagd dat ze Remco zelf die beslissing hadden laten nemen.

Vanaken: “Als een kind dat wil, waarom zou je het dan tegenhouden? Je moet je kinderen alleen duidelijk maken dat de kans bestaat dat het niet lukt, dat ze als veertienjarige weggestuurd worden. Je moet hun uitleggen dat ze zoiets niet als falen mogen opvatten. Het is niets om je over te schamen.”

Evenepoel verbleef bij een gastgezin in Eindhoven.

Jans: “Dan ben je je kind kwijt, hè? Sam en Hans kwamen elke dag naar huis: ’s ochtends werden ze met een busje opgepikt, en ’s avonds weer afgezet. Eindhoven is maar een halfuurtje rijden van hier.”

Vanaken: “Ze gingen in Eindhoven naar school tot twee uur ’s middags, ze hadden dan training en om zes uur waren ze thuis. Het was beter geregeld dan in België.”

Hoe hield Hans zich staande tussen al die mondige Nederlanders?

Jans: “Er zaten acht Belgen in zijn ploeg. Dat hielp.”

Vanaken: “Ik herinner me een jeugdwedstrijd tussen PSV en Feyenoord. Als de scheidsrechter een fout had gefloten, stonden er binnen de kortste keren tien van die mannekes rond die man. Ik wreef me de ogen uit: in België zie je dat niet op die leeftijd, ze waren amper negen.”

Hans Vanaken.

Jans: “Hans had geen aanpassingsproblemen. Sam wel: die heeft zijn mond moeten leren opentrekken.”

Vanaken: “Sam was een watje toen hij naar PSV trok. Toen hij terugkwam, herkenden we hem niet meer. Wat hij toen allemaal riep op het veld…”

Jans: “Ik was bijna beschaamd dat hij mijn zoon was. (lacht)

Vanaken: “Weet je, dat Hans in Nederland zo jong zijn plan heeft moeten leren trekken heeft van hem misschien wel de speler gemaakt die hij nu is. Toen hij als twintigjarige naar Lokeren trok en in Antwerpen ging samenwonen met zijn vriendin, moest hij ook zelfstandig zijn. Hoe die twee gegroeid zijn als mens: fenomenaal! Die vragen niets aan ons, hè.”

Zijn laatste twee jaar bij PSV waren wel moeilijk, zei hij twee jaar geleden in Humo.

Jans: “Hij heeft toen een serieuze groeispurt gekregen.”

Vanaken: “24 centimeter in twee jaar, wat tot de ziekte van Osgood-Schlatter heeft geleid (groeipijn aan de aanhechting van de kniepees aan het scheenbeen, red.). Daar heeft hij erg van afgezien.”

Jans: “Hij moest elke dag naar Eindhoven voor de school, en kreeg dan telkens te horen dat hij niet mocht trainen.”

Vanaken: “Toch heb ik nooit een ongelukkig kind gezien.”

Terwijl zijn eventuele carrière misschien wel op het spel stond.

Vanaken: “Zo hebben wij het nooit bekeken.”

Jans: “Hans ook niet. Hij heeft zélf beslist om naar Lommel terug te keren. Van PSV moest hij niet weg.”

Vanaken: “Hij mocht blijven, ook al had hij zes maanden niet gevoetbald: ‘Je komt er wel’, zeiden ze in Eindhoven tijdens een evaluatiegesprek. Maar Hans’ besluit stond vast: ‘Ik vertrek.’”

Jans: “Ook Sam ging terug naar Lommel, zijn oude club. Zonder schaamte.”

Vanaken: “Moet je zo’n jongen dan opzadelen met een slecht gevoel door te zeggen hoe spijtig jij het als ouder vindt? Je kunt ze toch niet verplichten om iets tegen hun zin te doen? Nu, wij hebben makkelijk praten: met de carrière van Hans en Sam is het uiteindelijk helemaal goed gekomen. Anders zat jij hier nu niet. (grijnst)

Zou hij net zo gelukkig geweest zijn met een carrière bij Lommel en een job ernaast, zoals zijn vader?

Vanaken: “Waarom zou je je neus daarvoor ophalen? Nu, ik heb geen flauw idee van wat Hans dan wel geworden zou zijn.”

Jans: “Postbode! Tenminste, dat heeft hij eens gezegd in een quiz bij Club Brugge. Maar dat zal wel een mopje geweest zijn: ik zie hem helemaal niet zo vroeg opstaan, de slaapkop!

“Na zijn humaniora is hij marketing gaan studeren. Hij was geslaagd in het eerste jaar en wilde voortdoen, maar aan de hogeschool moest je de lessen bijwonen om aan de examens te mogen deelnemen. Dat ging niet meer toen alles na die wedstrijd tegen Anderlecht in een stroomversnelling kwam.”

Vanaken: “Ik ben heel blij met hoe onze twee jongens in het leven staan. Dat ligt vooral aan henzelf, je hebt niet alles zelf in de hand. Al vind ik wel dat jonge gasten wat meer tegen zichzelf beschermd moeten worden. Hans was op zijn zestiende geen toptalent zoals Youri Tielemans of Vincent Kompany. Met die twee is het goed gekomen, maar velen halen het niet doordat ze al van jongs af aan op een voetstuk geplaatst worden en daardoor naast hun schoenen gaan lopen. Ik begrijp dat: één goeie match en het nieuwe wereldwonder is geboren! Hou het hoofd dan maar eens koel. Het ergste is dat de ouders daar vaak in meegaan.”

Jans: “Toen iemand van PSV kwam scouten, ging dat al snel rond bij andere ouders. Er zullen er toen wel geweest zijn die dachten dat het voor hun zoon was: ‘Ons goudhaantje!’ Schrijnend, toch: voor die ouders moet dat een zware ontgoocheling geweest zijn.”

In die val zijn jullie niet getrapt.

Jans: “Pas op, wij waren fier dat hij naar PSV mocht.”

Heeft hij ooit twijfels met jullie gedeeld?

Vanaken: “Nooit.”

Jans: “Zodra Hans een beslissing heeft genomen, komt hij daar niet op terug.”

Vanaken: “Hans is ne rare. Altijd geweest. De enige vraag die hij me ooit heeft gesteld, was toen hij naar Lokeren ging: ‘Kan ik dat niveau wel aan?’ Lokeren was een vaste klant in Play-off 1. ‘Als je ’t niet probeert, zul je ’t nooit weten’, zei ik.”

Hij is een koppig baasje.

Vanaken: “Altijd overtuigd van zijn gelijk.”

Jans: “Vaak hééft hij ook gelijk. Niet normaal.”

Vanaken: “Bij spelletjes wil hij altijd winnen.”

Jans: “En kwaad dat hij wordt als hij verliest!”

Beeld Koen Bauters

Van wie heeft hij dat?

Jans: “Niet van mij.

Vanaken: “Ik ben een winnaar, net als Hans. Tijdens ouderavonden op school kregen we altijd hetzelfde te horen: in de klas was Hans geen probleem, maar op de speelplaats? Hij heeft vaak voor straf tegen de muur gestaan omdat hij niet tegen zijn verlies kon.”

Jans: “De discussies die ik heb meegemaakt terwijl ze in de zetel naar een voetbalwedstrijd op tv keken: dat wil je niet weten. Zót werd ik ervan. In de tribune houdt Vital zich nog in, maar thuis rustig naar een match kijken: dat lukt niet.”

Vanaken: “Het ergst is het in de auto, als we naar de radio luisteren.”

Jans: “O nee, Peter Vandenbempt! Pas op, hij doet dat super. Maar het is zo stresserend. Soms zetten we de radio gewoon af.”

Op wie lijkt Hans het meest?

Jans: “Het ‘in het moment leven’ heeft hij van mij. Ik maak me niet gauw zorgen over iets wat nog moet komen. Dat heeft Hans ook: ‘Het komt wel goed’, zegt hij dan.”

Vanaken: “Het stadion verlaten en alles achter je laten. Als je dat kunt: klasse!”

Jans: “Hans kan dat heel goed.”

Vanaken: “Als wij niets vragen na de match, zal hij er nooit uit zichzelf over beginnen.”

Jans: “Ik hoor weleens iets van andere ouders of spelersvrouwen. Als ik Hans daar dan mee confronteer, valt hij uit de lucht: ‘O ja, dat is inderdaad gebeurd.’ Niet dat hij er niets over wil vertellen: hij dénkt er gewoon niet aan.”

Je hele leven draait rond voetbal: eerst met Vital, nu met je zonen. Had je niet liever twee dochters gehad?

Jans: “Ach nee, jongens zijn gemakkelijker dan meisjes. En al lang voor onze zoons er waren, ging ik al naar het voetbal kijken – mijn broer Marc speelde bij Bregel Sport. Da’s bijna veertig jaar geleden. En nog ken ik er niets van. (lacht) Als Vital naar Hans’ match ging kijken en ik naar die van Sam, belde hij me na afloop om te vragen hoe het was geweest. ‘Goed’, zei ik dan. ‘En op welke positie heeft hij gespeeld?’ Wist ik veel. ‘Ergens in het midden.’ (lacht) Nu, ik amuseer mij wel. Ik babbel ook veel, zeker als we samen met de schoonouders en Lauren in de tribune zitten. Elke thuismatch rijden we samen met een busje van Lommel naar Brugge.”

Roos America, de vrouw van Ruud Vormer, zei eens in Humo dat ze maar één speler in de gaten houdt op het veld: haar Ruud.

Jans: “Dat is zo: als Hans niet op het veld staat, kijk ik minder graag.”

Kijk je anders naar Hans dan naar Vital vroeger?

Jans: “(kijkt hem aan) Dat weet ik eigenlijk niet. Vroeger was naar het voetbal gaan een gezellige uitstap met de spelersvrouwen. Nu ben ik vooral zenuwachtig. Misschien omdat het om mijn eigen vlees en bloed gaat, of omdat de belangen groter zijn.”

Nooit gehoopt dat je kinderen niet in die wereld zouden terechtkomen?

Vanaken: “Laat ik het zo zeggen: het spelletje vind ik nog altijd plezant. Maar dat het randgebeuren belangrijker is geworden dan die negentig minuten op het veld, daar heb ik het moeilijk mee. In mijn tijd stond het wedstrijdverslag in de krant, nu lees je wat de trainer heeft gezegd en wie ruzie heeft met wie. De sensatiezucht heeft een groot stuk van het plezier weggenomen.”

Heb je je zonen ertegen willen beschermen?

Vanaken: “Dat kun je niet. Zoals je dat ook in het gewone leven niet kunt. De samenleving is harder geworden. Alles wordt ook meteen in de openbaarheid gebracht.”

Jans: “Hans trekt zich dat allemaal niet aan. Hij leest alles, maar het raakt hem niet.”

Vanaken: “Soms praat men er maar op los zonder te weten wat er echt gaande is: dat stoort mij. Er is commentaar op alles en iedereen.”

Dan mag Hans niet klagen.

Jans: “Ja? Kijk jij weleens op de sociale media? Daar durven ze nogal wat te schrijven, hoor. Dan moet ik me inhouden om niet direct te reageren: ‘Zou jij graag hebben dat ze dat over jóúw kind schrijven?’ Maar hoe graag ik het ook wil, ik kan dat niet maken.”

Vanaken: “Als dit interview verschijnt, zullen er ook wel weer reacties komen. Je ontkomt er niet meer aan.

“Tijdens zijn eerste halfjaar bij Brugge is Hans niet door iedereen even netjes behandeld. Da’s nog zo’n kwaal van deze tijd: er is geen geduld meer. Je moet er onmiddellijk staan. Maar ik verzeker je: de stap van Lokeren naar Brugge is tien keer groter dan die van Lommel naar Lokeren.”

Jans: “En dan zijn transferprijs…”

Vanaken: “Hij was de duurste speler van België. Maar je kunt niet vanaf dag één dé man zijn bij een topclub als Brugge. Zo werkt het niet. Jonge spelers krijgen de tijd niet meer om te groeien. Volgens mij heeft dat ook met de sociale media te maken: alles moet steeds sneller gaan. Terwijl er wel wat afkomt op die jonge gasten. Nu, onbewust verleggen wij ook onze standaard.”

Jans: “Als Hans twee slechte passes geeft, vinden wij al dat hij een slechte match heeft gespeeld.”

Vanaken: “Hij heeft het zichzelf aangedaan, en dat bedoel ik positief: door zo goed te spelen. Daar moet ik meer van leren te genieten. En dan bedoel ik niet dat ik met mijn hoofd in de wolken moet lopen. Nee, gewoon eens zeggen: ‘Wat was hij goed vandaag!’ Dat doe ik te weinig, uit voorzichtigheid.

“Na zijn Champions League-wedstrijd tegen Real Madrid stroomden de berichten binnen: ‘Chic, uw zoon heeft een goal gemaakt tegen Real!’ Het heeft even geduurd voor het tot me doordrong. Op den duur vind je alles normaal, maar dat is het niet.

“Weet je, ik wil me niet beter voelen omdat ik toevallig een goede voetballer in huis heb. Wij zijn ook maar mensen. Voor hetzelfde geld was hij een toneelspeler geweest en dan waren we ook blij geweest. Zolang je kinderen het maar goed doen. Ik ga me heus niet anders gedragen. Mocht ik dat doen, ik zou mezelf haten.”

© Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234