Vrijdag 01/07/2022

AchtergrondUnion Sint-Gillis

De hele wereld praat intussen mee over het wonder van Union

En de supporters van Royale Union Saint-Gilloise blijven maar juichen. Beeld Wouter Van Vooren
En de supporters van Royale Union Saint-Gilloise blijven maar juichen.Beeld Wouter Van Vooren

Royale Union Saint-Gilloise staat anno 2022 voor zowat alles waaraan Bart Eeckhout, supporter van het passionele type voor stadsrivaal Anderlecht, een bloedhekel heeft. Toch hoopt hij stilletjes - zéér stilletjes - dat Union straks ook echt kampioen wordt.

Bart Eeckhout

Zoals mijn stadskinderen ervan dromen om later op het platteland te wonen, droomde ik er als plattelandskind van om in de stad te wonen. Toen ik aan het begin van de eeuw in Brussel belandde, wist ik weinig van het leven (en wat ik meende te weten, bleek algauw niet te kloppen), maar ik wist wel dat ik supporter zou worden van de beste voetbalclub van het land: de Royal Sporting Club Anderlecht.

Niet alleen als Brusselaar ben ik een aangespoelde, maar ook als mauve. Als kind liep ik, zoals zowat elke jongen in het noorden van het Waasland, rond in een geel-blauw tenue van SK Beveren, de kleine provincieclub die mijn jeugd kleurde met twee uitzonderlijke landstitels. Nu, 43 jaar later, kan ik nog altijd het elftal opnoemen dat in 1979 bijna even onverwachts kampioen werd als Union dat nu wil worden: Pfaff, Buyl, Van Genechten, Baecke, Schönberger, Janssens, Hofkens, Cluytens, Albert...

Over de transfer van Beveren naar Anderlecht heb ik me lang geschaamd. Ook al is (Waasland-)Beveren na een fusie en een duistere periode als veilinghuis voor goedkope, zwarte voetballers eigenlijk niet meer de club van mijn kindertijd, toch voelde de overstap als verraad.

In de Financial Times legde Simon Kuper, de slimste voetbalschrijver ter wereld, uit dat dat eigenlijk niet hoeft.

“Het cliché wil dat je van job kunt veranderen, van echtgenoot of van geslacht, maar nooit van voetbalclub. Dat is aantoonbaar fout. Vele fans veranderen wel degelijk. Ze kunnen voor een club vallen als ze 8 jaar zijn, maar op hun 28ste of 88ste zijn ze niet meer dezelfde mens.”

De keuze voor Anderlecht was een daad van inburgering. Ik wou supporteren voor een club uit de stad waar ik ging wonen. Het was ook een daad van verzet. De typisch progressieve kringen waarin ik doorgaans verkeer, supporteren bijna uitsluitend voor de ‘kleinere’ hoofdstedelijke clubs. Toen RWDM, nu ‘den’ Union. Zij zullen het ‘empathie met de underdog’ noemen, ik noem het culturele appropriatie. Het is een poging om je het etiket van ‘echte’ Brusseleir toe te eigenen door je te tooien met de kleuren van de kleine, ambachtelijke clubs uit de stad. Er zit soms een neerbuigende ironie in: kijk ons eens uit de bol gaan. En welja, het is ook kenmerkend ‘Dansaertvlamingen’-gedrag: anders willen doen, maar dan allemaal op dezelfde manier, zoals de volgelingen van Brian in Life of Brian hun messias collectief naroepen: “We are all individuals!”

Ik heb daar een bloedhekel aan. Over alles wil ik ironisch doen, maar niet over voetbal. Ik wou goed voetbal zien en koos voor Anderlecht. Bij de dikke nekken.

Vandaag wordt mijn keuze van toen op de proef gesteld. Twee speeldagen ver in de play-offs staat Union St-Gilles, uitgerekend Union St-Gilles, nog altijd op kop. De twee komende wedstrijden, tweemaal tegen eerste achtervolger Club Brugge, beslissen waarschijnlijk over wie kampioen wordt.

EEN VEILIGE INSTAP

De vrienden en collega’s die ik jarenlang meewarig begroette, mogen, in de ambiance van hun uitverkochte Tribune Est, hopen dat hun club voor het eerst sinds 1935 weer de titel pakt, inclusief ticket voor de Champions League: ‘Bruxelles, ma ville/ je t’aime/ je porte ton emblème...’ Anderlecht daarentegen zal tot de laatste speeldag moeten knokken om een plek in een Europese B- of C-bekercompetitie te bemachtigen. Vojvodina uit, altijd lastig.

Jarenlang was ik niet meer dan een armchair supporter. Ik steunde paars-wit, behoorlijk fanatiek zelfs, maar in het stadion kwam ik enkel op de grote (en steeds vaker minder grote) Europese avonden. Ik was erbij toen Anderlecht zich tegen PSV kwalificeerde voor de tweede ronde van de Champions League met een botsende vrije trap van Didier Dheedene (2000). Ik twijfel nog altijd of ik me vereerd of vernederd moet voelen omdat ik mocht toekijken hoe Zlatan Ibrahimovic in zijn eentje namens PSG in 2013 alle internationale ambities van RSCA definitief vernietigde met een van de mooiste doelpunten uit de Europese voetbalgeschiedenis (en nog drie andere). Van de verloren Anderlecht- Bayern (2017) draag ik nog elke match de gelegenheidssjaal, als aandenken aan het voorlopig laatste optreden op het grootste podium van het internationale clubvoetbal.

Ambiance in de straten rond het Mariënstadion, vlak voor het  begin van een wedstrijd. ‘Union- supporters zullen het niet graag horen, maar eigenlijk is Anderlecht een volksere club.’ Beeld Wouter Van Vooren
Ambiance in de straten rond het Mariënstadion, vlak voor het begin van een wedstrijd. ‘Union- supporters zullen het niet graag horen, maar eigenlijk is Anderlecht een volksere club.’Beeld Wouter Van Vooren

Abonnee ben ik pas weer sinds mijn zoon oud genoeg is om van the beautiful game te genieten - en ik vraag me af hoe ik dit zo lang heb kunnen missen. De eerste wedstrijd die we samen bekeken in het Astridpark was .... Anderlecht-Union. Dat leek me voor mijn zoon, die opgevoed is met de Rode Duivels en nog moest wennen aan liefde voor een wisselvallig team dat altijd kan verliezen, een veilige instap. “Die komen recht uit tweede klasse, dit gaan we wel makkelijk kunnen winnen.”

Dat bleek een groteske leugen. Soms proef ik nog de verbijstering die ook Killian Sardella die middag moet hebben gevoeld, toen de voorts onbekende linksbuiten Loïc Lapoussin met twee razende passeerbewegingen een einde maakte aan Killians loopbaan als rechtsachter op het hoogste niveau.

BREL EN ANGÈLE

Wie Brussel, het échte Brussel, wil leren kennen gaat best eens wandelen in Sint-Gillis. Beginnen doe je ‘beneden’ in de niet van kansarmoede te bevrijden ‘aankomstwijken’ aan het Zuidstation. Hoe meer je naar boven stapt, plein per plein, hoe feller de gentrificatie toeslaat. Downstairs arm, upstairs rijker: in sommige opzichten is Brussel nog altijd een middeleeuws gehucht, met het kasteel voor de rijken op de top van de heuvels. Nergens wordt de sociale diversiteit van de hoofdstad zo aanschouwelijk gemaakt als in Sint-Gillis. Tussen het versnobte Voorplein en een Parijse studentenwijk valt geen verschil te zien. Nog hogerop woont de bourgeoisie. Daar, net over de rand van buurgemeente Vorst, meer up- dan downstairs, ligt dat prachtige Joseph Mariënstadion van Royale Union Saint-Gilloise, waar ik uiteraard nog geen voet heb binnengezet.

De hele wereld praat intussen mee over het wonder van Union. Een promovendus die meteen in het eerste seizoen naar de kop in de hoogste klasse gaat? Het is in de recente voetbalgeschiedenis nog maar één keertje eerder vertoond: in Duitsland werd FC Kaiserslautern in 1998 in het eerste jaar na de promotie meteen kampioen. Maar die club was maar een jaartje weg uit de Bundesliga, geen halve eeuw zoals Union. Kaiserslautern speelt intussen in de derde klasse. Waarmee ik niks wil voorspellen over de toekomst van USG, echt niks!

Die prestatie is niet eens waar de correspondenten op afkomen. Allen willen hetzelfde verhaal van de miraculeuze heropstanding vertellen, van de oude traditieclub die als een Schone Slaapster is wakker gekust, geruggensteund door een ruime schare jonge en oude Brusselaars. Rob Gollin in de Volkskrant: “Ze komen uit volksbuurten van Sint-Gillis en Vorst. (...) Anderen zijn hiernaartoe getrokken vanuit de gerevitaliseerde Dansaertstraat en omgeving. Hipsters, studenten. (...) Zij aan zij staan ze zaterdagavond midden op de Brusselsesteenweg, voor Chez Katy en Union’s Taverne.”

Behalve een mirakel is de opgang van Union ook een sprookje, waar de wereld, tussen pandemie en oorlog in, behoefte aan heeft. Alsof Brel en Angèle tweewekelijks hand in hand het Mariënstadion binnenwandelen.

Dat steekt. Toen ik onlangs in metrostation Sint-Guido, op weg naar het stadion van Anderlecht, achter een jongeman liep met een kek wollen mutsje, smalle broek met korte pijpen waaronder twee witte sokken kwamen piepen, dacht ik oprecht dat hij naar de verkeerde wedstrijd ging kijken. Hij droeg het uniform van de Union-supporter. Ook in Allez l’Union, de documentairereeks die nu op Canvas loopt, zie je die mix van Brusselse peekes, die zich nog als de dag van gisteren herinneren hoe Jean-Pierre Kasperczak van FC Diest op 29 april 1973 met een afstandsschot Union voor decennia uit de eerste klasse trapte, en van twintigers met het haar in een dotje, die pas onlangs tot het besef zijn gekomen dat Union hun club is maar alvast een tattoo op de schouder lieten zetten.

Ook dit sprookje heeft een duistere kant. Union staat enkel weer in de eerste klasse dankzij het geld en het netwerk van de Britse gokmiljardair Tony Bloom, tevens eigenaar van de Britse Premier League-club Brighton. Een aardige man, zo zegt men, maar wel een gokmiljardair. Nog los van ethische bedenkingen over de almaar toenemende aanwezigheid van de gokindustrie in het voetbal, dringt een andere vraag zich op: is het wel oké dat een man die veel geld verdient met weddenschappen op sport ook zelf eigenaar is van sportclubs? Het is een vraag die ze zich op Tribune Est niet vaak stellen.

VERSCHEUREND DILEMMA

Staat er straks nog wel een Tribune Est? Om minder verlies te maken, moet de club uitbreiden, maar dat kan niet op de huidige plek. Het oog is gevallen op terreinen elders in Vorst of zelfs Drogenbos, buiten Brussel. Dat wordt nog een verscheurend dilemma. Kiest Union voor zijn alternatieve imago van stadsclub, of voor het kille rendement van omzetgroei? In het hedendaagse voetbal is dat allang geen echte keuze meer.

Doelpuntenmaker Dante Vanzeir viert met zijn coach Felice Mazzu. Union staat aan de leiding met spelers die anoniem ploeterden in buurlanden of doorgestuurd werden in België. Beeld BELGA
Doelpuntenmaker Dante Vanzeir viert met zijn coach Felice Mazzu. Union staat aan de leiding met spelers die anoniem ploeterden in buurlanden of doorgestuurd werden in België.Beeld BELGA

Tussen RSC Anderlecht en Royale Union leeft er geen vijandigheid, hoogstens wat kameraadschappelijk gejen. Er is geen haat, zoals tussen Real en Atletico Madrid, Tottenham en Arsenal (Londen) of Antwerp en Beerschot. Sowieso ben ik niet tot haat in staat, ook niet in een ‘We are Anderlecht’ scanderend voetbalstadion. Zelfs Noa Lang, de even gemaniëreerde als getatoeëerde buitenspeler van Club Brugge, haat ik niet. De Union-oudstrijders van 1973 zal ik oprecht gelukwensen met hun wonderbaarlijke titel, als het zo ver is. En de hipster-supporters? Dat ligt moeilijker.

Ik vraag me af: waarom gun ik het hen niet?

Onder ‘mauves’ mogen we weleens de draak steken met de nieuwe generatie ‘unionisten’. We verbeelden ons hoe ze aan het stadion komen aangetuft op hun plooifiets of elektrische step om de zondagse quinoasalade nog even weg te spoelen met een chai latte of een Zinnebir. Als ze zouden kunnen, zouden ze hun club herdopen tot Lokomotiv of Dynamo Union, als vintage verklanking van hun diepe verlangen om van Brussel Berlijn te maken.

Achter de plagerij schuilt een subtiele klassenstrijd. In absolute cijfers trekken Union en Anderlecht ongeveer evenveel abonnees aan uit het Hoofdstedelijk Gewest. Procentueel vertegenwoordigen die Brusselaars bij het ‘kleine’ Union wel een veel grotere groep (75 procent) dan bij het nationaal rekruterende Anderlecht (25). Maar het beeld van de stad dat die jongere, spraakmakende supporters uitdragen in geel en blauw is wel nogal exclusief dat van de progressief-chique, nieuwe bourgeoisie à la façon d’Ecolo.

Het is de wereld zoals velen hem in het welvarende zuiden van Brussel ervaren: divers, ecologisch bewust en goed opgeleid. Hier floreert het type ecologisme dat een biologische stadsboerderij verkiest boven een project voor sociale woningen. Dat is geen verzinsel, maar een reëel en pijnlijk politiek conflict in Watermaal-Bosvoorde, nog zo’n zuidelijke gemeente waar Olivier Deleuze, oud-staatssecretaris voor Ecolo, burgemeester is.

Ze zullen het niet graag lezen bij ‘traditieclub’ Union, maar eigenlijk is Anderlecht een volksere club, al was het maar door de macht van het getal. Een behoorlijk Vlaamse club ook, nu ook geleid door Vlaamse ondernemers. Als ik met mijn zoon naar het voetbal ga, tellen we op de metro altijd de paarse truitjes en sjaals. Dat zijn er nooit weinig, maar ook nooit massaal veel. De meeste supporters komen uit de brede Brusselse rand, tussen Aalst, Mechelen en Leuven. Ook zij staan symbool voor een visie op de hoofdstad, die van de Vlaamse pendelaar die met de wagen door de files heen tot op zijn bestemming rijdt en na gedane zaken weer naar huis keert.

De club heeft fans in alle lagen en alle talen van de bevolking, van zeer hoog tot zeer laag, en van zeer links tot zeer rechts. Als ik naar mijn zitje in blok E ga, weet ik dat ik anderhalf uur uit één mond zal schreeuwen met lotgenoten die me letterlijk dagelijks op Twitter verrot schelden. Een fantastisch gevoel. Eén club, onder Lange Jojo. “J’allais à l’Anderlecht déjà quand je n’avais qu’un an. / Quand mon équipe se déchaînait et puis marquait un but/ Moi je criais : “Allez les gars !” en enlevant ma tute.

Afgunst verklaart kortom in ruime mate waarom ik die jonge Union-supporters de titel niet echt gun. Hipsters hebben al de juiste muzieksmaak, de juiste interieurs, de juiste maatschappelijke overtuigingen. Dat ze ook nog eens de juiste, winnende voetbalclub schijnen te steunen, is er te veel aan. Het leven is geen Instagram-plaatje. Voetbal al helemaal niet.

WAT ALS...

Er is geen verklaring voor de vele tijd en emoties die ook behoorlijk verstandige mensen investeren in een sport met meer lelijke dan schone kanten. We zijn gewoon zo. “Gedurende een alarmerend groot stuk van de dag ben ik een idioot”, schreef Nick Hornby dertig jaar geleden al al te herkenbaar in Pitch Fever, het ultieme boek over de irrationele liefde van een supporter voor zijn voetbalclub.

Dat is de kwestie. Het is makkelijk supporteren als je vanuit tweede klasse de halve finale van de Beker bereikt (2019), als je kampioen wordt in tweede klasse (2021) en als je meteen naar de kop gaat in de hoogste afdeling. Maar zullen al die Unionisten de club trouw blijven als er op een regenachtige herfstavond tegen OH Leuven moet worden geknokt voor de vijftiende plek, en Siebe Schrijvers in de 89ste minuut de onverdiende 0-1 op het bord trapt? Zullen ze misselijk zijn van ellende als hun club drie keer op een seizoen verliest van Anderlecht? Zullen ze zich doodnerveus en sociaal gestoord aan de radio in de keuken vastkluisteren, tot onbegrip van hun gezin, tot een doelpunt in de 92ste minuut tegen Zulte-Waregem beslist over het kampioenschap (in dit geval over de laatste titel van Anderlecht, in 2017)?

Beschikken de Union-supporters met andere woorden wel over voldoende ‘voetbalkoorts’? Hun team verdient de titel, maar verdienen zij hem ook? Zijn ze supporter in goede en kwade dagen, of gaan ze straks op zondagmiddag in retro-wielertruitjes met de gravelbike door het Zoniënwoud crossen omdat ze dat in Berlijn ook doen?

Het is iets waar ook mijn vroegere collega Frank Schlömer aan twijfelt. Frank is oud-buitenlandredacteur van deze krant, en al sinds 1978 warmbloedig supporter voor Union. Hij was erbij op het dieptepunt in het vorige decennium, toen enkel een barragewedstrijd tegen Club Luik zijn team uit vierde klasse hield. En hij is er nu bij, op het hoogtepunt, dat ook hij “een wonder” noemt. “Ik werd supporter van Union toen ik in Sint-Gillis kwam wonen. Burgemeester Picqué woont in mijn straat en vroeg me mee. Na die eerste keer ben ik altijd blijven terugkeren.”

Frank Schlömer, Unionfan sinds 1978 en ex-journalist van De Morgen, wordt de laatste tijd door duizenden successupporters omringd. ‘Ze doen alsof de club van hen is maar ze weten er niks van.' Beeld Wouter Van Vooren
Frank Schlömer, Unionfan sinds 1978 en ex-journalist van De Morgen, wordt de laatste tijd door duizenden successupporters omringd. ‘Ze doen alsof de club van hen is maar ze weten er niks van.'Beeld Wouter Van Vooren

Dat hij nu door duizenden successupporters wordt omringd, vervult hem met enige scepsis. “Ze doen alsof de club van hen is, maar ze weten er niks van.” Supporters als Frank gun ik de titel van harte.

Misschien is het gek om dit te lezen uit de pen van een adoptiesupporter van een club die decennialang de landstitels maar te plukken had als appels uit een boom. Maar tegenwoordig regeert bij Anderlecht het defaitisme. Dat het ook dit jaar weer niks wordt, is het nieuwe uitgangspunt. Al is er weinig nodig om de vonk te doen overslaan. Eén redelijke match van Kristian Arnstad, een jongen van 18, en we verwelkomen alweer een nieuwe Prins in het Park.

Liefde voor voetbal laat zich niet verklaren, maar ik weet wel wanneer het vuur bij mij ontbrandde. Bij het verzamelen van voetbalstickers. In mijn eerste Panini-album Football 78 staat Anderlecht op de eerste pagina’s, en toenmalig tweedeklasser Royale Union op de laatste, met een nors kijkende ex-international Jan Verheyen (vader van Gert) als speler-trainer. Die ruimtelijke afstand staat symbool voor de toen uiteenlopende wegen van de twee clubs. De ene bergop naar de Europese top, de andere bergaf, naar de kelder van derde klasse.

Tot halfweg vorige eeuw lag de machtsverhouding anders. Royale Union Saint-Gilloise, stamnummer 10, is de meest succesvolle Belgische voetbalclub van voor de Tweede Wereldoorlog, met tien titels tussen 1904 en 1934. Met slim management, waarvoor de oude Brusselse clubs de neus optrokken, bestormde het wat jongere Anderlecht vanaf de jaren 50 de hemel. Daar kwam het geld van Constant Vanden Stock bovenop. Het had anders kunnen lopen. Vader Vanden Stock twijfelde lang of hij in Union of Anderlecht zou investeren. Hij koos voor paars-wit, omdat hij zich in het elitaire Union-bestuur niet welkom voelde.

Het lijkt alsof de wegen van de twee clubs elkaar opnieuw kruisen. Nu is het Anderlecht dat een zware prijs betaalt voor het vastklampen aan oude glorie en slecht bestuur, tot op de rand van het bankroet. Anderlecht is alleen maar niet failliet gegaan omdat het Anderlecht is, een club too emotional to fail. Of zoals Simon Kuper en Stefan Szymanski in Soccernomics de Britse professor voetbalbeleid Rogan Taylor citeren: “Voetbal is veel meer dan een business. Niemand laat zijn as in het gangpad van een supermarkt verstrooien.”

NOBELE ONBEKENDEN

En nu is het St-Gillis dat met slim management het profvoetbal op z’n kop zet. De spelerskern is niet samengesteld naar verleden prestaties, wel naar profiel en potentieel. Dat scheelt in de prijs. Van het elftal dat op die traumatiserende 25 juli kwam winnen in het Park, kende ik amper iemand. Union staat aan de leiding met spelers die anoniem ploeterden in Duitsland (Undav), Nederland (Nieuwkoop), Denemarken (Nielsen) of doorgestuurd werden in België (Moris, Vanzeir, Lazare, Van der Heyden). Intussen betaalt Anderlecht de immense schulden af van vele dure miskopen. Enkele van hen stonden die vervloekte zondagmiddag op het veld, waar ze, zoals gewoonlijk, zowat alles verkeerd deden.

null Beeld Photo News
Beeld Photo News

Mathematisch kan het nog. Maar zelfs mijn zoon, die de historische bitterheid van die leekensiaanse woorden niet begrijpt, gelooft er niet meer in dat Anderlecht dit jaar kampioen wordt. “Je kan maar zien dat je nu kampioen wordt”, tweette ik aan mijn collega Ewoud Ceulemans, na een tweede nederlaag van Anderlecht tegen Union. Ewoud en andere collega’s analyseren op de redactie elke maandag de voetbalspeeldag kapot. En elke dinsdag en woensdag ook. Vanaf donderdag voorspellen we de volgende speeldag. Want ook dat is voetbal: een nooit vervelend gespreksonderwerp voor houterige, introverte jongetjes en meisjes. Vraag me niet hoe de kinderen van mijn collega’s heten, ook al hebben ze me het al tien keer verteld, maar vraag me gerust voor welke club ze supporteren, ook al hebben ze het me maar één keer verteld.

Behalve een eminent voetbalkenner is Ewoud ook het prototype van de hipster-Unionist. Toch gun ik ook hem de titel wel, omwille van het hogere doel. Het blijft wennen, maar uiteindelijk telt voor een Anderlecht-supporter anno nu enkel het ABC.

Alles. Behalve. Club.

(En Standard, maar ach).

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234