Donderdag 17/10/2019

Getuigenissen

Nijd en haat in de Wetstraat: ‘Als ik niet was gestopt, was ik mijn gezin kwijtgeraakt’

De jongste weken wisten Open Vld en Groen een verse lading bekende kandidaten te strikken voor hun kieslijsten. ‘Ze zullen met hun kop tegen de muur lopen,’ waarschuwt Margriet Hermans, ooit zelf een wit konijn bij de liberalen. Ze zou weleens gelijk kunnen krijgen, want de job van politicus is zwaar: een niet aflatende druk van pers en partij, scheldende burgers en collega’s die aan de poten van je stoel zagen.

De lijst van politici die de Wetstraat vroegtijdig vaarwel zei, is aanzienlijk. Een greep uit het aanbod: Frank Vandenbroucke, Inge Vervotte, Peter Dedecker, Rik Torfs, Jo Vandeurzen, Philippe De Backer, Yves Leterme, Renaat Landuyt, Eva Brems, Marleen Temmerman, Peter Leyman, Ingrid Lieten, Bert Anciaux… Velen vertrokken gedesillusioneerd en in alle stilte. Maar Fientje Moerman, ex-minister voor Open Vld, schreef eind 2013 een wanhopige open brief. Vandaag is ze rechter bij het Grondwettelijk Hof en gaat ze onder een andere naam door het leven. Moerman laat zich tegenwoordig aanspreken als Rebecca Vanden Broucke. In haar open brief beschreef ze hoe ze elke dag angstig opstond. Angst omdat de kranten misschien over haar hadden geschreven, omdat haar toekomst niet verder reikte dan de volgende verkiezing. Angst omdat haar kinderen anders zouden worden beoordeeld, of omdat haar privéleven te grabbel zou worden gegooid. Angst om een fout te maken en afgeschilderd te worden als een idioot.

‘En weet u, beste mediaman, politicoloog, pr-man of kiezer,’ schreef Moerman, ‘de politici zijn het zat. Natuurlijk zijn wij geen heiligen, maar dat bent u ook niet. Natuurlijk maken we fouten, maar die maakt u ook. Denk er eens over, anders hebt u binnenkort geen politici meer, maar uitgelote discountproducten.’

Hoog pispaalgehalte

Hendrik Vuye (van 2014 tot 2016 N-VA-fractieleider, zetelde daarna als onafhankelijke en stopt straks met politiek): “Die brief van Fientje Moerman zindert nog altijd na in mijn hoofd. Ze had overschot van gelijk. Die angst voor de media vind ik zeer herkenbaar. In de week dat Veerle Wouters en ik uit de N-VA stapten, heb ik ook niet goed geslapen. Je weet op voorhand dat er allerlei portretten in de kranten zullen verschijnen, op basis van de bagger die ex-partijgenoten over jou verspreiden. Gelukkig viel dat in ons geval nog goed mee.”

Patrick Vankrunkelsven (ex-voorzitter van de Volksunie en ex-senator voor VU, Spirit en Open Vld): “Op die brief van Fientje kwam een cynische repliek van Knack-journalist Walter Pauli. Hij had het over een ‘huilerig betoog vol zelfmedelijden’, maar zo bewéés hij juist haar stelling. Als je naar de meedogenloosheid van pers, publiek en partijgenoten kijkt, weet je meteen waarom zoveel politici het vroegtijdig voor bekeken houden.

“Toch is het niet per se ongezond dat er een groot verloop is in de politiek. Een democratie is niet gebaat bij veel beroepspolitici die lang aan de macht blijven. Het wordt wél een probleem als er te veel bekwame mensen opstappen en te weinig valabele nieuwkomers instromen.”

Waarom verliet u tien jaar geleden de politiek?

Vankrunkelsven: “Ik vond dat ik mijn talenten beter elders kon inzetten, als huisarts en academicus. Ik was al 40 jaar actief in de politiek, vanaf mijn 15de, en had meegedraaid aan de top van de Volksunie. Maar als parlementslid van Open Vld was ik op een zijspoor beland. Als je zo lang in de spits hebt gespeeld, is dat moeilijk te verteren.”

De hoon van pers en publiek had niets te maken met uw beslissing?

Vankrunkelsven: “Dat was niet de hoofdreden, maar het pispaalgehalte van de stiel hielp ook zeker niet. Als burgemeester van Laakdal werd ik vaak verbaal bedreigd. De impact daarvan op je leven valt niet te onderschatten.

“Ook nu nog kan ik me, zelfs in mijn eigen vriendenkring, boos maken als mensen meegaan in het discours over zakkenvullers en profiteurs. Dat 10 procent van de bevolking dat vindt, is onvermijdelijk. Maar tegenwoordig lijkt het wel de mainstream, en sommige intellectuelen versterken dat beeld nog. Terwijl de meeste politici alleen maar goede bedoelingen hebben. Dat negativisme kan erg kwetsend zijn.”

Renaat Landuyt (ex-minister voor de sp.a, ex-burgemeester van Brugge, stopt als parlementslid): “Ik ben in 1991 in het parlement terechtgekomen. Net te laat om de periode mee te maken toen mensen nog respect hadden voor politici. Eén week ben ik fier geweest op mijn P-nummerplaat. Daarna heb ik ze weggehaald: ik kreeg meer beledigingen dan complimenten.”

Rik Torfs (senator voor CD&V tussen 2010 en 2013): “Als politicus ben je bijna per definitie verdacht tot het tegendeel bewezen is. Je wordt voortdurend verrot gescholden door mensen die je niet geweldig intelligent vindt, maar je moet doen alsof hun mening zeer waardevol is.

“Mensen verwachten veel van je, terwijl je aan handen en voeten gebonden bent: door de orders van de partij of de EU, de traagheid van de instellingen of het feit dat problemen zoals migratie en klimaat een internationale aanpak vergen. Daardoor kun je als politicus alleen maar ontgoochelen.”

Landuyt: “De laatste tien jaar is ook de sfeer tussen politici onderling verhard. Tijdens de regeringen van Guy Verhofstadt kenden we nog een opendebatcultuur, maar die is verveld tot een openverwijtcultuur. Ministers klappen voortdurend uit de biecht, lekken voorstellen van collega’s naar de pers en weigeren zich neer te leggen bij genomen beslissingen. Verontwaardiging uiten is belangrijker geworden dan beleid voeren. Theo Francken is daar de exponent van, maar hij is al twee jaar de populairste politicus. Dat zegt veel over de tijdgeest.”

Eva Brems (Groen-Kamerlid, 2010-2014): “Als voorzitter van Amnesty International vond ik het fijn om met mensen samen te werken die vochten voor dezelfde ideeën. In de politiek hoopte ik diezelfde teamgeest terug te vinden, maar dat viel lelijk tegen. Je partijgenoten zijn zowaar je concurrenten! Het is zoals Noël Slangen het onlangs verwoordde: ‘Dertig mensen willen op een stoel gaan zitten, maar er zijn er maar drie. Dus is het ieder voor zich en wordt er geduwd en getrokken.’”

Landuyt: “Partijpolitiek ligt me niet meer. Ik pas ook niet in de vernieuwingsoperatie van de sp.a, die in Oost- en West-Vlaanderen nogal drastisch was. Ik had gehoopt om burgemeester van Brugge te blijven, maar dat is niet gelukt. Daarom keer ik terug naar mijn eerste liefde: de advocatuur. Maar ik verander zeker niet van overtuiging. Of van naam (lacht).”

Mediahoer

Is het thuisfront ook een belangrijke reden om de politiek te verlaten?

Vankrunkelsven: “Zeker. Politiek is een hondenstiel, je wordt voortdurend meegezogen in de waan van de dag. Je hebt je agenda niet in de hand, je moet op allerlei activiteiten en festiviteiten opdraven, altijd beschikbaar en overal zichtbaar zijn.

“Als burgemeester moest ik in het weekend naar vijf recepties per dag, terwijl ik liever op één receptie bleef hangen om écht te praten met de mensen. Zo’n leven is heel belastend voor je gezin. Zelfs als we eens rustig op een terrasje zaten, werd er nog aan mijn mouw getrokken. Mijn kinderen vonden dat heel vervelend. Vandaag werk ik nog altijd te hard, maar heb ik mijn leven toch meer in de hand.”

Ex-minister: (die niet met haar naam wil uit vrees voor harde reacties en voor moeilijkheden met politici in haar huidige job) “Vanaf mijn eerste dag in de politiek had ik het gevoel dat mijn kinderen hun moeder kwijt waren. Ik had me voorgenomen om op zondag niet te werken, maar dat was buiten de partij gerekend. Ik was gemiddeld negen zondagen per jaar thuis. Die impact op je gezin en jezelf is moordend. Het is simpel: als ik niet uit de politiek was gestapt, was ik mijn gezin kwijtgeraakt.”

Bart De Wever vertelde vorig jaar in Humo dat hij heeft aanvaard dat politiek zijn leven is, en dat ze thuis niet op hem zitten te wachten.

Ex-minister: “Mannen als Martens, Verhofstadt, Leterme en De Wever hebben geen leven meer. Ze vervreemden gaandeweg van hun gezin en van de realiteit. Ik heb meermaals ministers zien vreemdgaan. Ze blijven slapen op hun kabinet, en dan wordt er voor fijn gezelschap gezorgd. En op een bepaald moment zegt het thuisfront: hier stopt het. Hoeveel van hen hebben nog een gezin waarmee ze naar buiten kunnen komen?”

Brems: “Als politicus moet je aan je partij tonen dat je verkozen kunt raken. Dat kan op twee manieren: door veel in de media te komen, of door een sterke lokale basis uit te bouwen. De eerste manier betekent dat je elke maand in De zevende dag, Terzake, De afspraak of VTM Nieuws moet zitten. De tweede manier impliceert dat je van de ene lezing naar de volgende receptie loopt en dat je je overal moet laten zien. Ministers en partijvoorzitters combineren die twee, en hebben een ontzettend zware werklast.”

Landuyt: “De mallemolen van de media draait ook veel sneller dan twintig jaar geleden. Er is geen tijd meer om ergens dieper over na te denken.”

Brems: “Bij mijn entree was ik nog niet actief op sociale media, maar de partij eiste dat ik daar onmiddellijk verandering in bracht. Ik moest meerdere keren per dag tweeten, en minstens een paar keer per week iets op Facebook plaatsen, in de hoop zo journalisten te prikkelen. Eigenlijk verwachten ze dat je een soort mediahoer wordt die op de meest onmogelijke uren de telefoon opneemt, en op simpele aanvraag naar tv- en radiostudio’s spurt om deel te nemen aan opgefokte, gepolariseerde debatjes die weinig bijbrengen. Ik had daar een hekel aan. Zodra ik weg was uit het parlement, ben ik gestopt met sociale media. Ik vond het te stresserend en vertrouwde mezelf niet: als je op iets reageert, zit je voor je het weet in een debat met Theo Francken die je persoonlijk aanvalt. Nee dank, u!”

Papegaaien

Heeft Margriet Hermans gelijk als ze zegt dat de nieuwkomers in de politiek straks met hun kop tegen de muur zullen lopen?

Vuye: “Wellicht. Ik kan me perfect de gemoedstoestand voorstellen van Darya Safai, Assita Kanko of Goedele Liekens. Ze zitten vol goede moed en worden enthousiast ontvangen. Maar intussen zijn sommige partijgenoten in de coulissen de messen al aan het slijpen.

“Ze zullen ook snel merken hoe hun vrijheid volledig wegvalt. Op mijn eerste werkdag in het parlement kreeg ik een partijwoordvoerder achter me aan, die me volgde als een schaduw. Ik kon niets meer zeggen, of hij had het gehoord. Na enkele dagen stuurde ik een mail naar Bart De Wever om te zeggen dat ik niet akkoord ging met dat beklemmende keurslijf. Dat werd me niet in dank afgenomen.

“Dat elk wetsvoorstel gedekt moest zijn door de partij, had ik vooraf wel ingeschat. Maar bij de N-VA mocht je zelf níks meer zeggen of schrijven. Elk opiniestuk moest langs het partijhoofdkwartier. In september 2016 gaf De Wever een speech op de fractiedagen waarin hij letterlijk zei dat de partij bepaalt wanneer parlementsleden in de media mogen komen. Maar wie niet in de media komt, bouwt geen bekendheid op en haalt meestal niet genoeg stemmen. Zo maak je je mensen volledig afhankelijk van de partij. De trouwste jaknikkers krijgen de beste plaatsen. Mensen met een eigen mening, zoals ik, Veerle Wouters of Grete Remen, worden tegengewerkt.”

Zijn er nog andere redenen voor die strikte partijdiscipline?

Vuye: “De N-VA wil één front vormen tegen de buitenwereld, zonder dissidente stemmen. Blijkbaar beschouwt de partij haar verkozenen als domkoppen die niet in staat zijn zelfstandig te communiceren en vreest men dat een eigen accent onmiddellijk misbruikt zal worden door pers en tegenstanders. Eerlijk gezegd hebben de media daar ook schuld aan. Bij CD&V mogen Hendrik Bogaert, Pieter De Crem en Eric Van Rompuy soms buiten de lijntjes kleuren, maar dan maken journalisten daar meteen van dat ze ‘op ramkoers liggen met de partij’ of dat ze verzuurd zijn.

“Als een thema in het nieuws opduikt, verstuurt het N-VA-hoofdkwartier meteen debatfiches in vraag- en-antwoordvorm naar alle mandatarissen, zodat ze de partijlijn éénstemmig kunnen uitdragen. Zo creëer je een papegaaienparlement.”

Landuyt: “Ik kon als parlementslid nog op eigen kracht groeien en had weinig last van de partij. Als voorzitter liet Louis Tobback ons vrij om te scoren en op dossiers te werken. Maar vandaag is de particratie verstikkend. De voorzitters van Open Vld en de sp.a willen zelfs niet meer in het parlement zitten. Daarmee geven ze het signaal dat de democratie zich buiten dat parlement afspeelt.”

Brems: “In het buitenland mogen parlementsleden nog zélf nadenken en stemmen naar hun eigen overtuiging, in België bepaalt de partij alles. De checks and balances liggen bij de meerderheid, niet bij het parlement. Het échte debat wordt gevoerd in de kern van de regering.

“Eigenlijk kun je het parlement beter afschaffen. Meer dan een hoop slecht theater verlies je daar niet mee. Op papier hebben parlementsleden twee belangrijke taken: wetten maken en de regering controleren. Die eerste taak wordt overgenomen door de partijhoofdkwartieren. Geen enkel parlementslid mag op eigen houtje een wetsvoorstel indienen. En de controle op de regering gebeurt via uitspraken in de media. De omweg via het parlement is nutteloos geworden.”

Veel parlementsleden beweren nochtans dat er in de commissies belangrijk werk wordt verricht.

Brems: “Dat is een fabeltje. Ik heb op geen enkel moment meegemaakt dat een parlementslid naar iemand luisterde met de bedoeling iets bij te leren of eventueel zijn mening te veranderen. Men luistert alleen om de ander te kunnen tackelen. De belangrijkste job van een parlementslid is klakkeloos de visie van de partij verkondigen in de media. Daardoor zijn veel politici smartphoneverslaafden die geen 10 minuten zonder nieuwsupdates kunnen.”

Vuye: “In de commissies wordt uren gepalaverd, maar weinig beslist. En de plenaire zitting (de voltallige vergadering met alle parlementariërs, red.) op donderdag is voor de meesten een bron van oeverloze verveling, omdat ze niets mogen doen. Geen wonder dat de bar van het parlement dan telkens vol zit!”

Brems: “Zelfs vijf jaar later overvalt me op donderdagmorgen soms nog een eurekagevoel: yes, ik moet niet meer naar de plenaire zitting! Het vragenuurtje is nog interessant, maar meestal mogen enkel de fractieleiders de show stelen voor de tv-camera’s. Elke spreker krijgt ook maar een paar minuten, waardoor je nooit een debat krijgt. Bovendien antwoorden ministers nooit écht op je vraag.

“Daarna komen de wetsvoorstellen aan bod. De meeste parlementsleden hebben die dossiers niet gevolgd. Daarom gaan ze naar de bar, of naar hun bureau, en komen ze pas terug wanneer de bel gaat voor de stemming. Want dan heeft de partij hen wél nodig, om op het juiste knopje te drukken.”

Vankrunkelsven: “De zwakte van het parlement was ook één van de redenen voor mijn vertrek uit de politiek. Als lid van de commissie Volksgezondheid had ik gevochten om het rookverbod in restaurants uit te breiden naar cafés. Er was een akkoord over de partijgrenzen heen. Voor een volkspartij als de PS lag het moeilijk, maar minister Onkelinx stemde toe. ‘Weet je zeker dat je je eigen partij mee hebt?’ vroeg ze. Ik gaf mijn woord, maar vlak voor de stemming in de Kamer begonnen mijn partijgenoten zich plots te verzetten. Ik kreeg te horen dat onze kiezers zo’n verbod niet wilden. Toen heb ik mijn ultimatum gesteld: ofwel keuren we dit goed, ofwel ben ik weg. Het voorstel werd weggestemd. Gelukkig hebben de rechtbanken het algemeen rookverbod toch nog ingevoerd. Maar toen was ik al weg. Ik voelde me in de steek gelaten door mijn partij. Ik zou Onkelinx niet meer in de ogen kunnen kijken. En ik had ook niet meer in de spiegel kunnen kijken.”

Eerder had de partij ook al op uw hart getrapt door in uw plaats de jonge Jean-Jacques De Gucht aan te stellen als spreekbuis voor ethische thema’s als abortus en euthanasie.

Vankrunkelsven: “Door mijn ervaring als huisarts en voorzitter van de commissie Bio-ethiek vond ik dat onbegrijpelijk. Plots was ik niet goed genoeg meer. Het blijft een litteken, al heb ik het Jean-Jacques nooit kwalijk genomen. Er waren andere krachten die speelden. Het was een slechte zaak voor Jean-Jacques, voor mij en voor de partij.”

Brems: “Toen het boerkaverbod unaniem door het parlement werd goedgekeurd, was ik de enige die tegenstemde. Dat had ik vooraf zo onderhandeld met de partij. Ik had er vroeger als wetenschapper onderzoek naar gevoerd en ik vertikte het om zo’n wet goed te keuren. Toch werd ik onder druk gezet door de fractie om me te onthouden of minstens afwezig te blijven. Toen ik dat weigerde, ontstond er een vijandige sfeer. Maar mijn intellectuele integriteit was me meer waard dan een verlenging van mijn politieke carrière. Sommige partijgenoten fluisterden dat ik gelijk had, maar durfden niet tegen de partij in te gaan.”

Waarom mag Hendrik Bogaert bij CD&V wel buiten de lijntjes kleuren?

Torfs: “Omdat hij technisch één van de bekwaamste parlementairen is en een grote machtsbasis heeft in West-Vlaanderen. In de regering-Michel trok CD&V voortdurend de linkse kaart, om het evenwicht in de regering te bewaren. Het kwam de partij goed uit dat Hendrik de rechtse kiezer ook nog wat prikkelde.”

Ook u durfde destijds kritiek te geven op de partijlijn. Heeft Wouter Beke u ooit de oren gewassen?

Torfs: “Nee. Wellicht besefte men dat zoiets een averechts effect zou hebben (lacht). Al kreeg ik weleens een sneer van een partijgenoot.”

Een sneer van Eric Van Rompuy bijvoorbeeld, die u ooit een nestbevuiler heeft genoemd.

Torfs: “Ach, dat hoort ook bij de folklore van de politiek, nietwaar? Vooraf hadden verstandige mensen me gewaarschuwd dat traditionele partijen gesloten machtsbastions zijn, met een paar figuren aan de top die alles bestieren. ‘Hoe populair je ook bent, je kunt er niks aan veranderen.’ Maar mijn eergevoel was te groot om me te laten tegenhouden door een aantal journalisten (lacht). Ik dacht dat ik met mijn nieuwe ideeën wél iets kon veranderen. Maar ik kreeg ze er niet door. Op den duur kreeg ik het gevoel dat ik een dissident was. En ik vond mezelf te oud om een meubelstuk te worden in de partij. Toch heb ik geen spijt van mijn passage in de politiek. Ik heb veel mechanismen leren kennen, en ook enkele vriendschappen met politici opgebouwd. Maar de mensen die me hadden gewaarschuwd voor de particratie, hebben gelijk gekregen.”

Ontluizing

Hoelang blijft zo’n passage in de politiek aan je kleven?

Torfs: “In Vlaanderen heb ik er weinig last van ondervonden. Ik stond bekend als een onafhankelijke geest en ben dat gebleven. Alleen in Franstalig België durven ze er weleens over doordrammen. Als ik in een debat zit, word ik nog altijd ‘ex-senator van de CD&V’ genoemd en doen ze soms alsof ik nog altijd tot de partij behoor.”

Ex-minister: “Ik ben na mijn politieke carrière bij een organisatie terechtgekomen waar ik werd buitengewerkt wegens mijn politieke kleur.”

Brems: “Ik heb weinig last van het stigma. In de academische wereld wordt Groen door collega’s als neutraal beschouwd. Toch wou ik mijn politieke stempel afschudden, om te vermijden dat die mijn werk zou ondermijnen. Daarom besliste ik mijn telefoon niet meer op te nemen voor journalisten. Aanvankelijk wou ik als intellectueel in de media blijven komen, maar ik merkte dat ik telkens werd aangekondigd als ex-parlementslid van Groen. Als ik standpunten innam die anders waren dan die van Groen, was dat vervelend voor de partij. En als ik kritisch was voor de N-VA – wat inzake mensenrechten niet moeilijk is – was het voor hen poepsimpel om mij weg te zetten als ‘dat linkse vrouwtje’.”

Zijn het loon en de voorwaarden nog interessant genoeg om talentvolle mensen aan te trekken?

Vankrunkelsven: “Voor de meeste mensen blijft de verloning aantrekkelijk. Maar zelf verdiende ik als huisarts meer dan als parlementslid. Politici worden correct betaald. Hardwerkende parlementsleden zijn dat geld waard.”

Na de commotie over de opstappremies van Jo Vandeurzen en Eric Van Rompuy, die beiden meer dan 400.000 euro opstreken, werden de vergoedingen gehalveerd. Een goeie zaak?

Vankrunkelsven: “Ik heb me nooit schuldig gevoeld over die uittredingsvergoeding. Ik had vier kinderen, moest mijn dokterspraktijk nieuw leven inblazen en kon dat geld dus goed gebruiken. We moeten erover waken dat het beroep aantrekkelijk genoeg blijft. Gaan mensen uit de privé nog durven te springen als we te veel snoeien in de voordelen?”

Ex-minister: “Er wordt altijd gefocust op de toppers die lang meedraaien. Maar ik ken iemand die als student in het parlement was beland. Een paar jaar later was hij getrouwd, had hij vier kinderen en een groot huis, waarvan de afbetaling was gebaseerd op zijn parlementaire wedde. Maar toen brak die periode van 500 dagen zonder regering aan. Hij zat zonder inkomen zolang er geen regering was gevormd. En het was niet eenvoudig om een job te vinden met een evenwaardig loon. In zulke gevallen is een opstappremie zeer welkom.”

Torfs: “Het loon ligt hoger dan het gemiddelde, maar voor mensen uit het bedrijfsleven is het meestal een serieuze stap terug. Als je daar de kritiek over zakkenvullerij nog bovenop krijgt, ebt de aantrekkingskracht snel weg. Als ondernemer, academicus of advocaat krijg je meer respect.”

Brems: “Bij Groen moet je een flink percentage afstaan aan de partij. Daardoor verdiende ik evenveel als toen ik prof was: 3.500 euro netto. CD&V’ers moeten haast niets afgeven aan de partij. Die hebben dus 5.000 euro netto. Als dat niet genoeg is, weet ik het ook niet meer.”

Fientje Moerman schreef in haar open brief dat ze bang was om haar belastingbrief in te vullen, ‘omdat je weet dat de speciaal voor politici opgerichte Gestapo-eenheid van de fiscus alles zal uitvlooien.’

Landuyt: “Klopt. Vroeger mocht de fiscus parlementsleden niet controleren, omdat men vreesde dat de scheiding der machten daardoor in het gedrang kwam. Na de Agusta-affaire werd dat gecorrigeerd, en sloeg de slinger door. Parlementairen werden niet gecontroleerd door de regio-afdeling van de fiscus, maar door een nationale afdeling. En dat gebeurt zeer grondig. Wie correct is, hoeft niks te vrezen. Maar fiscale regels zijn vaak voor interpretatie vatbaar en de controleurs voelen zich niet gebonden door de afspraken die gelden voor hun regionale collega’s.

“Ik las dat Geert Bourgeois zelfs moest procederen tegen de fiscus om zijn gelijk te bewijzen. Naar verluidt zouden parlementsleden die boeken hebben geschreven en die voor hun auteursrechten dezelfde regels volgen als journalisten, strenger worden belast. Vreemd, toch?”

Torfs: “Als politicus word je ook geacht je vermogenstoestand kenbaar te maken onder gesloten enveloppe. Misschien is dat voor sommigen een reden om er niet in te stappen. Dat betekent niet noodzakelijk dat ze corrupt zijn. Misschien willen ze gewoon niet onder een vergrootglas leven, en hebben ze al die last en ambras er niet voor over.”

Vankrunkelsven: “Ik heb het toch heel graag gedaan. Politiek is een heftige, maar mooie stiel. Mensen die het voelen kriebelen, wil ik oproepen om ervoor te gaan. Als je impact kunt hebben, is het fantastisch.”

©Humo

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234