Donderdag 18/07/2019

interview

N-VA-Kamerlid Valerie Van Peel: "Ik dacht dat het met mij nooit meer goed zou komen"

Beeld Karel Duerinckx

Aan gespreksstof geen gebrek met N-VA-Kamerlid Valerie Van Peel (38). Ze werkte voor Dag Allemaal, wil meer invloed in haar partij, en is blij dat ze getuigde over het misbruik in haar jeugd. O ja, en ze heeft een nieuw voorstel voor de opvolging van voorzitter Bart De Wever: "Geert Bourgeois zou een perfecte overgangsfiguur zijn."

"Mijn ambitie?” Valerie Van Peel weet meteen wat ze wil. “Ik wil wegen”, zegt ze. “Ik wil in mijn partij mee aan het stuur zitten. Gewoon als een van de vele passagiers braaf met het bootje meevaren, is niet aan mij besteed.”

Vandaag is Van Peel, behalve OCMW-voorzitter in Kapellen, Kamerlid voor N-VA. Maar ze begon achter de schermen. In 2009, na de Vlaamse ­verkiezingen, trad ze in dienst als partijwoord­voerder. Waardoor ze meteen erg hoog in het partijapparaat zat, dicht bij de plek waar de communicatiestrategie wordt uitgezet.

“Dat zou ik opnieuw willen doen”, zegt ze. “Meepraten over strategie en communicatie. Ik heb mij in de partijraad onlangs kandidaat gesteld om ondervoorzitter te worden, omdat je dan mee in het dagelijks bestuur zit, maar Cieltje Van Achter had meer stemmen dan ik. Verdiend, hoor. Maar ik zou vroeg of laat terug in die kern willen zitten. Wij ­willen een brede volkspartij zijn en blijven, en dan is het goed om genoeg diversiteit te hebben qua ­kopstukken. Er is een bepaald luik dat ik, denk ik, aan het beeld van mijn partij kan toevoegen.”

Twee anekdotes zijn van belang om dit interview te kunnen volgen. Ze vertelt ze bij het begin van het gesprek, om zichzelf een beetje te duiden.

Anekdote één: op school koos ze altijd de kant van de minderheid. “Als er ruzie was op de speelplaats, vroeg ik wie de minste medestanders had, en dan ging ik daarbij staan, om terug te vechten tegen de grote groep.” Dat ze die reflex nog altijd heeft, bewees ze onlangs toen ze de 23-jarige Jihad Van Puymbroeck, bij haar indiensttreding bij de VRT, verdedigde tegen de Twitter-storm die was losgebroken over een paar oude tweets.

Beeld Karel Duerinckx

Anekdote twee: als tiener deed ze vakantiewerk bij kinderen die geplaatst waren door de jeugdrechter. “Dat heeft mij geconfronteerd met de realiteit”, vertelt ze. “Ik herinner mij nog een jongetje, Youssef, met wie ik een héél goed contact had toen ik hem voor het eerst ontmoette. Het volgende jaar herkende ik die jongen niet meer: hij was al een half crimineeltje geworden. Toen wist ik dat pamperen niet meer kon helpen. Die jongen moest gecorrigeerd worden, of hij was verloren. Dat heeft mijn visie sterk beïnvloed.”

Het was toen, zegt ze, na haar confrontatie met de menselijke realiteit, dat ze besliste om dierenarts te worden. “Dieren zijn altijd goed”, lacht ze. “Dat was toen mijn redenering. Uiteindelijk ben ik toch pol en soc gaan studeren, omdat ik dan meer mogelijkheden had. Een studie waarmee je alleen maar dierenarts kon worden, leek me te beperkt.”

We beginnen het gesprek in Antwerpen, waar een dikke week geleden het liefdesleven van plaatselijk sp.a-voorzitter Tom Meeuws en Vlaams N-VA-minister Liesbeth Homans op de straatstenen werd gegooid. Volgens Knack zou een afgesprongen affaire tussen die twee mee de heftigheid van de Antwerpse kiesstrijd verklaren.

Wat vond u van die Knack-onthulling?

Valerie Van Peel: “Daar hoef ik niet over na te ­denken. Dat was fout. Als journalist moet je twee afwegingen maken. Eén: is die informatie over het privéleven zo relevant dat je de politiek zonder die informatie niet meer kunt begrijpen? Als dat het geval is, moet je een tweede vraag stellen: weegt dat op tegen het persoonlijke leed dat je veroorzaakt? Politici moeten een olifantenvel hebben, maar hier zijn ook kinderen bij betrokken.”

En, was het relevant volgens u?

“Natuurlijk niet. Gelooft u nu echt dat de N-VA een strategie uitdoktert op basis van het liefdesverdriet van een partijgenote? Mijnheer Meeuws is een ­politieke concurrent, die voortdurend in de aanval gaat maar in de eigen voet schiet. Zo maakt hij het ons wel erg gemakkelijk. Is dat geen logischer uitleg dan dat privéfeit?”

Dat zegt dan wel iets over uw partij. Meeuws wordt echt genadeloos afgemaakt.

“Vindt u dat? In mijn ogen vraagt hij er bijna om. Hij lijkt op een dief die ‘Houd de dief!’ roept. Dat is niet genadeloos afmaken, dat is politiek. En politiek wordt, spijtig genoeg, steeds harder gespeeld.”

Dat is mede het werk van uw voorzitter.

“Hij heeft het politieke debat op scherp gezet, en dat vind ik goed. Vroeger was men bang van bepaalde thema’s, nu mogen de visies stevig botsen. Daar heb ik geen probleem mee. U moet er ook rekening mee houden dat mijn partij erg groot geworden is. Toen de N-VA nog klein was, vond men het sympathiek dat Bart De Wever soms eens tegen de schenen schopte. Vandaag heeft dat een ander effect en komt dat anders over. We hebben dus een andere rol, en daarmee moeten we rekening houden.”

Uw partij heeft de macht om mensen op te jagen. Jihad Van Puymbroeck hebt u verdedigd, maar denk aan Youssef Kobo en Rachida Lamrabet: die werden allebei ontslagen na een hetze op sociale media.

“Daar ben ik het niet mee eens. De CD&V heeft Youssef ontslagen en Unia heeft Rachida ontslagen. Wij hebben dat niet gedaan. Dat is trouwens iets wat anderen van ons kunnen leren: wij laten onze eigen mensen niet vallen onder externe druk.”

Maar u kunt veel druk zetten op anderen.

“Het is misschien nieuws voor u, maar de N-VA is nu eenmaal de partij met de meeste mensen achter zich. Als wij een mening vertolken, is dat de mening van velen. Dat is blijkbaar irritant voor sommigen, maar goed. Als anderen niet sterk genoeg in hun schoenen staan om de eigen mensen te verdedigen, dan is dat hun probleem.”

Eigenlijk staat u vandaag wel bij de verkeerde groep op de speelplaats, dan. Aan de kant van de meerderheid.

(lacht) “Als je mijn houding van toen doortrekt wel. Maar dat is natuurlijk niet de juiste manier om maatschappelijke debatten te voeren. En ik ben niet toevallig lid geworden toen de partij nog klein was. Ik daag u overigens uit om u eens te verdiepen in de politieke interviews van de voorbije jaren. In elk interview met onze tegenstanders wordt op ons gekapt. Wij gaan uit van onze eigen kracht en kappen niet op anderen. En als iemand op de man speelt tegenwoordig, dan zal het Kristof Calvo van Groen wel zijn.”

Uw partij heeft ooit een mail van Groen-voorzitster Meryem Almaci gelekt, waarin ze vroeg of ze kinderopvang tijdens de gemeenteraad terug­betaald kon krijgen.

“Ik kan alleen maar zeggen dat ik zoiets nooit zou doen. Ik hou daar niet van.”

Het gebeurt wel.

“Wij moeten ook op onze tellen passen, want zulke aanvallen kunnen uit alle hoeken komen. Maar wij zouden daarboven moeten staan. Het is soms ­verleidelijk, dat begrijp ik, zeker als je vaak wordt aangevallen. Maar ik probeer het in elk geval niet te doen.”

Het valt op dat u het altijd netjes houdt.

“Ik pas in elk geval niet in de karikatuur die men van mijn partij probeert te maken. Wij zijn geen bende racistische roeptoeters. Zo ken ik die partij niet. En ik ken de partij heel goed, want ik heb ze mee vormgegeven.”

Maar u zult nooit rauwe tweets versturen.

“Nee. Ik ben zo niet. En ik blijf altijd mijzelf.”

Dat kan niet van al uw partijgenoten gezegd worden. Van Theo Francken tot Annick De Ridder: het kan er soms vilein aan toegaan.

“U zult dat sneller vinden dan ik. Maar over sommige reacties voer ik intern ook discussies. Toen ik nog woordvoerder was, heb ik Theo een paar keer aangeraden om niet aan Twitter te beginnen. Aan de andere kant is het niet aan mij om te zeggen wat anderen moeten doen. Iedereen moet zichzelf ­blijven. What you see is what you get. Bij Theo, en bij mij.”

U haalt niet uit op sociale media.

“Dat is niet mijn stijl.”

U bent een atypische N-VA’er.

“Helemaal niet. Ik pas perfect in die partij. Ik ben misschien een atypische politicus, dat zou kunnen. Dat heb ik al vaker gehoord.”

U wilde eigenlijk journalist worden.

“Ja. Nog altijd, eigenlijk. Al zal dat niet meer mogelijk zijn. Maar vlak voor ik bij de N-VA ging werken, na de Vlaamse verkiezingen van 2009, heb ik nog gesprekken gevoerd met De Standaard. Die gesprekken zijn nooit afgerond, maar het was de bedoeling om bij de Wetstraat-redactie te gaan werken. De krant wilde toen wat verbreden, neem ik aan.”

Valerie Van Peel: "Op een bepaald moment viel mijn privé­leven in duigen en had ik een nieuwe uitdaging nodig. Toen heb ik Bart De Wever gebeld." Beeld Karel Duerinckx

Want u zat bij Dag Allemaal.

“Ja. Daar heb ik anderhalf jaar gewerkt.”

Hoe kunt u dan boos zijn op Knack? Zeker toen grossierde Dag Allemaal in de openbaring van geheime affaires en liefdesverdriet.

“Wij hanteerden een strenge regel: bij iemand die de deuren van zijn privéleven niet heeft opengezet, gaan wij ze niet opengooien. Ik kende alle roddels uit de Wetstraat en ik heb er nooit eentje gepubliceerd.”

Met BV’s was het blad genadelozer dan met ­politici, dat klopt.

“Ook daar vergist u zich in, denk ik. U moest eens weten hoeveel BV’s ons belden om te zeggen dat ze hun vrouw hadden bedrogen. Dat deden ze natuurlijk als ze te lang niet meer in de boekjes hadden gestaan. (lacht) Ik heb bij Dag Allemaal ook nooit iets tegen mijn zin moeten schrijven. Op dat vlak heb ik bij Het Nieuwsblad, waar ik ook een tijdje heb gewerkt, weleens andere ervaringen gehad.”

Hoezo? Wat deed Het Nieuwsblad dan?

“Ik heb ooit een stuk moeten schrijven waarvan ik vond dat het niet voldoende klopte. Maar toch moest het gepubliceerd worden. Eén keer heb ik gevraagd dat dan te doen zonder mijn naam ­eronder.”

Omdat de chef een framing oplegde?

“Het probleem is volgens mij onder meer dat de chef ’s morgens al zegt wat je moet schrijven, soms met de conclusie erbij. Als je dan na een aantal ­telefoontjes tot een andere conclusie komt, is de chef daar niet in geïnteresseerd. Ik wil niet veralgemenen, want er wordt ook goede journalistiek bedreven, maar daar had ik het moeilijk mee. Dat heb ik soms nog als ik de kranten lees. Terwijl ik bij de Nederlandse krant NRC tijdens een stage toch had geleerd hoe het wel moet.”

Hoe moet het wel?

“Als ik daar een politicus citeerde in een artikel, en schreef dat die politicus iets had ‘beweerd’, dan werd er grondig over gediscussieerd of dat niet ‘gezegd’ moest zijn. Over elk woord werd daar ­nagedacht. Alles moest kloppen. Heel minutieus. Zo moet het.”

Hoe bent u dan in de politiek beland?

“Dat was niet de bedoeling. Ik ben opgegroeid met politiek, maar dat had mij veeleer een degout bezorgd. Mijn vader heeft lang in de lokale politiek gezeten met zijn eigen partij, en omdat hij te ­populair werd, heeft CD&V hem ooit keihard aangevallen. Ze hadden vlak voor de verkiezingen een brief in zijn naam rondgestuurd, waarin hij een onpopulair standpunt innam. Maar die brief was nep. Ik was toen zo venijnig, dat ik als 14-jarig meisje een café ben binnengestormd om de ­burgemeester uit te schelden.”

Wat deed u van gedacht veranderen?

“Ik zou liever langer journalist gebleven zijn en pas later politica. Maar goed, je kunt het leven niet altijd plannen zoals je wilt. Op een bepaald moment viel mijn privéleven ineens in duigen en op zo’n moment heb ik een nieuwe uitdaging nodig. Toen heb ik de telefoon gepakt en Bart De Wever gebeld.”

De ene verandert zijn kapsel bij een wending in zijn privéleven, u ging in de politiek.

(lacht) “Eigenlijk kwam het daar op neer, ja. Ik ­herinner mij nog dat hij zei dat ik heel stabiel ­overkwam. Ik dacht toen: zoveel mensenkennis heeft hij toch niet, want dat was op dat moment niet echt het geval. Soit, dat was vlak na de breuk van het kartel CD&V–N-VA en hij zocht nog vrouwen om de lijsten te vullen. Er bestaan nu eenmaal vrouwenquota. Maar daar heb ik een hekel aan, en dus ben ik daar niet op ingegaan. Ik ben pas na de verkiezingen van 2009 in dienst getreden, als woordvoerder van de partij.”

Waarom moest het de N-VA zijn?

“Bij die partij vond ik eindelijk een globale visie. En lef. Toen ik 18 was, heb ik nog voor de socialist Frank Vandenbroucke gestemd, om dezelfde reden. Ik geloofde die man. Hij durfde onpopulaire maatregelen keihard verdedigen. Dat had de N-VA ook van meet af aan. Dat merkte ik toen ik als journalist in de Wetstraat rondliep. Ik zag ook dat de structuren van dit land niet meer werken. Toen wist ik: als ik ooit in de ­politiek ga, is het bij de N-VA.”

Als je zo duidelijk partij hebt gekozen, kun je dan nog aan journalistiek doen?

“Natuurlijk. Je kunt professioneel zijn los van je overtuiging. Kunt u iemand interviewen die u niet graag hebt?”

Ik doe niets anders.

(lacht) “Dan kunt u uw emoties opzijzetten tijdens het werk. Zo hoort het.”

Wat is voor u de kern van de N-VA-ideologie?

“We hebben recent in de Kamer nog een dossier gestemd dat duidelijk maakt wat ik als journalist al in de gaten had: de artsenquota. De PS houdt ­zogezegd van België en heeft in de jaren 90 de beperking van het aantal artsen mee goedgekeurd. Maar vervolgens hebben ze daar in hun eigen gemeenschap twintig jaar lang niets mee gedaan. Vlaanderen had een ingangsexamen, Wallonië niet. De rekening zat toch federaal. Dan begrijp ik die ‘liefde’ van de PS voor dat niveau plots beter. Die hypocrisie zie je in veel dossiers.”

U zei het net al: wat verplichte vertegenwoordiging betreft, bent u tégen quota. Ook dat is essentieel voor uw partij.

(fel) “Nog geen beetje. Ik kreeg onlangs een mail van de Vrouwenraad, of ik een petitie wilde ondertekenen tegen panels die alleen uit mannen bestaan. Ik heb gezegd dat ik wil dat men experts uitnodigt in een panel, zonder na te denken over de vraag of dat een man of een vrouw moet zijn.”

Valerie Van Peel: "Bij de N-VA vond ik eindelijk een globale visie. En lef." Beeld Karel Duerinckx

Maar zonder vrouwenquota…

(maakt de zin af) “Had ik niet in het parlement ­gezeten? Durf het niet te zeggen, hè!”

Over u persoonlijk kan ik mij niet uitspreken. Maar er zouden veel minder vrouwen in het ­parlement gezeten hebben, dat staat vast.

“Dat zou kunnen. Het zal meegespeeld hebben. En zolang er geen onbekwame vrouw in het parlement moet komen om een bekwame man te vervangen, is dat niet zo erg. Maar sommige vrouwen zeggen zélf dat ze zonder die quota niet in de Kamer hadden gezeten. Hoe denigrerend is dat voor jezelf, zeg? Ik heb een bijna emotionele aversie van dat soort redeneringen. Ik vind het ook helemaal niet zo erg dat er verschillen bestaan tussen mannen en vrouwen.”

Het is een delicaat puntje, tegenwoordig.

“Dat kan zijn. Maar u kunt geen kind baren. U weet niet wat dat hormonaal allemaal met zich meebrengt. U weet niet dat u daardoor gemakkelijker wakker wordt voor de rest van uw leven.”

Ik ben daarvan overtuigd. Maar het is gevaarlijk om over die verschillen te praten. Zo willen veel mensen bijvoorbeeld niet aanvaarden dat vrouwen over het algemeen minder hiërarchische ambities hebben dan mannen.

“Ze hebben over het algemeen andere ambities. Mag het? Wat niet wil zeggen dat er geen vrouwen bestaan die wel letterlijk hogerop willen, en dat die niet dezelfde kansen moeten krijgen als ambitieuze mannen. Maar je moet toch niet van een hele groep vragen om ineens diezelfde grote ambities te hebben? Ik moet voor de gemeenteraadsverkiezingen in Kapellen de lijsten samenstellen. Welnu, ik zit met vijf gaten: vijf plekken waar vrouwen moeten staan. En ik vind geen vrouwen meer.”

En mannen nog wel?

“Absoluut. Ik ken nog verschillende ambitieuze mannen die ik vanwege die quota geen plek kan geven. Dat is toch te gek: ik moet vrouwen bijna verleiden om op de lijst te komen staan met de belofte dat ze zeker niet verkozen zullen worden. Let op: ik geloof heel sterk in ambitieuze vrouwen, en die staan ook op de lijst, voor alle duidelijkheid.”

De N-VA is op dat vlak wel consequenter dan Open Vld. Die partij is uiteraard ook tegen quota – behalve de liberale vrouwen: die zijn voor vrouwenquota.

“De liberalen doen wel meer rare dingen. Ook in het ethische debat over zaaddonoren kan ik hen niet volgen. Ik had deze legislatuur een wetsvoorstel willen stemmen over de opheffing van de anonimiteit van zaaddonoren, zodat de kinderen het recht ­zouden krijgen om te weten wie hun biologische vader is. Maar de liberalen willen niet mee.”

Waarom niet?

“Zij vinden dat de rechten van de wensouders en de donor maximaal moeten worden beschermd. Maar dat van het kind niet. Vanuit de redenering dat ouders nu eenmaal voortdurend keuzes maken in de plaats van hun kinderen. En daar kan ik in ­meegaan, tot de kinderen 18 zijn. Maar wat daarna? Moet een vrouw van 70 nog toestemming vragen aan haar moeder van 90 om te mogen weten wie haar vader was? Wat heeft dat met keuzes en ­vrijheid te maken?”

Zal het aantal donoren niet afnemen, als het niet langer gegarandeerd anoniem is?

“Dat zou een goed argument zijn, maar uit buitenlandse cijfers blijkt van niet. Er is nog een probleem met spermadonoren: ons land heeft geen centraal register, hoewel het wettelijk zou moeten. Normaal gesproken mag het zaad van één man maximaal zes vrouwen bevruchten, om het risico te vermijden dat twee kinderen van dezelfde vader een relatie met elkaar beginnen. Maar hier kan je in de praktijk in elk ziekenhuis doneren. Sommige mannen ­vinden dat leuk.”

Wie zijn die multidonoren?

“In Nederland, waar de anonimiteit onlangs werd afgeschaft, is dat allemaal aan het uitkomen. Er zitten nogal wat studenten geneeskunde bij de donoren, die het voor het geld doen, zonder goed na te denken over de consequenties. En veel artsen, die zo hun eigen praktijk in stand houden. In Nederland zijn er fertiliteitsartsen die wellicht een paar ­honderd kinderen hebben verwekt. Dat wereldje is soms echt een sekte, en dat potje moet per se gedekt blijven. Ik wil dat ook bij ons openbreken.”

Over kinderen gesproken: onlangs gaf u een rechter gelijk toen die zei dat sommige mensen zich beter niet zouden voortplanten.

“Absoluut. Het is een moeilijk debat, want ik zou niet weten hoe je zoiets in wetten moet gieten. Maar ik ben hier in Kapellen voorzitter van het OCMW en wij proberen soms wel in die richting te werken. Ik heb een cliënte van 24 jaar die al vijf kinderen heeft. Die kinderen werden geboren met mentale beperkingen en nadien geplaatst, omdat de moeder verslaafd is. Van de vaders hebben we geen spoor. Op zo iemand proberen wij in te praten, zodat ze een spiraal laat steken. Al kun je niemand dwingen.”

U zou ook verslaafden die een leefloon krijgen willen verplichten om zich te laten behandelen, klopt dat?

“Verplichten niet, maar ik zou willen dat het een voorwaarde is die je als OCMW kunt afspreken. Het valt mij op hoe groot het aantal cliënten met een verslaving wordt. Er zijn veel mensen die op die manier in de armoede geraken. Als OCMW kun je weinig doen. Door die mensen gewoon een leefloon te geven help je eigenlijk hun verslaving te ­onderhouden. Wie er echt ernstig aan toe is, wordt vrijgesteld van de verplichting om werk te zoeken, wat ook logisch is in sommige gevallen. Maar dan wringt er iets bij mij.”

Hoezo?

“Als je zulke mensen gewoon elke maand een cheque geeft, heb je je sociaal gevoel afgekocht, maar heb je hen niet geholpen. En dat moet toch de bedoeling zijn? Toen ik dat debat startte, vond Meryame Kitir van sp.a dat ik mensen met een ­leefloon stigmatiseerde. Omdat ik durf te zeggen dat een deel van hen verslaafd is. (fel) Maar als je dat zegt, wil je sociaal klinken, zonder sociaal te zijn. Ik vind dat een OCMW een arts moet kunnen laten onderzoeken of verslaafde cliënten behandeld ­kunnen worden.”

Maar die slag hebt u niet thuisgehaald.

“Nee, dat debat is geparkeerd. Omwille van de politieke correctheid. Dat haat ik echt. Die intentieprocessen, die manier waarop sommige voorstellen het stigma krijgen dat ze asociaal zijn. Dat maakt een goed debat onmogelijk.”

Hebt u Theodore Dalrymple gelezen, een van de auteurs die het denken van uw voorzitter heeft gevormd?

“Ik ben niet de grote intellectueel, dus die wil ik ook niet uithangen, maar ik heb zijn boek Leven aan de onderkant wel gelezen, ja. Toen ik pas bij de N-VA was. En sommige dingen formuleert Dalrymple te extreem, maar ik geloof wel in zijn centrale punt: sociaal klinken is iets anders dan sociaal zijn. Denk aan het verhaal van Youssef, die ik destijds begeleidde: die is er niet mee gebaat als je de rest van zijn leven ‘ocharme’ zegt. Je moet soms streng zijn. Door mensen te bevestigen in hun slachtofferrol help je hen niet.”

Dat viel mij ook op toen u in De afspraak getuigde over het seksueel misbruik dat u hebt meegemaakt: dat u elke vorm van slachtofferschap afwees.

“Nu legt u een rare link, maar u hebt gelijk: dat is dezelfde houding. Ik wil daarmee niet zeggen dat iedereen dat op dezelfde manier moet verwerken als ik, want voor sommige mensen zal dat veel moeilijker zijn, maar ik heb geleerd om ernaar te kijken als iets dat mij mee heeft gemaakt tot wie ik ben. Ik heb er iets mee leren doen. Ik denk ook dat ik door die ervaring met meer empathie naar m­ensen kan luisteren. Dat misbruik heeft ook veel kapotgemaakt, natuurlijk. Maar ik wil er mij niet ­achter verschuilen.”

Wilde u met uw verhaal anderen helpen?

“Absoluut. Ik heb het zelf meegemaakt op een moment dat het nog taboe was om erover te praten, nog voor Marc Dutroux. Toen die affaire losbrak, was dat zeer slecht voor mijn verwerkingsproces. Je hoorde in die tijd alleen maar horrorverhalen, van mensen met wie het nooit meer goed gekomen was. Toen dacht ik ook dat het met mij niet meer goed zou komen. Maar ik heb ervaren dat je met iets negatiefs iets positiefs kunt doen. Ik krijg sinds die getuigenis nog elke dag mails van mensen die hetzelfde hebben ­meegemaakt.”

Wilt u daar politiek iets mee doen?

“Nee, ik wil dat politiek niet uitspelen. Ik wil achter de schermen doen wat ik kan om mensen te helpen.”

Krijgt u in 2019 een uitvoerend mandaat?

“Geen idee.”

Had u Elke Sleurs niet willen opvolgen als ­staatssecretaris voor Armoedebeleid en Gelijke kansen, in plaats van Zuhal Demir?

“Ik wist dat het geen optie was, omdat de provincie Antwerpen al genoeg mandatarissen heeft. Dat speelde ook bij de verkiezing van de ondervoor­zitters, vermoed ik. Maar als men het mij had gevraagd, zou ik het zeker gedaan hebben, natuurlijk. Dat domein ligt mij wel. Maar Zuhal heeft nu haar kans gekregen, en dat vind ik goed.”

Hoelang wilt u wachten op uw kans?

“Daar ben ik niet mee bezig. En ik hoef geen uitvoerend mandaat om te wegen in mijn partij. Ik ben wel niet van plan om eeuwig in de politiek te blijven. Ik ben nu 38, maar zou na mijn politieke leven nog wel iets anders willen doen. De tijd dat mensen zich hun hele leven aan de macht vastklampten, is voorbij. Het is goed om af en toe nieuwe invloeden toe te laten. Want hoe je het ook draait of keert, politiek verandert mensen, en niet alleen ten goede. Politiek kan het slechtste in mensen naar boven halen. En daar is niemand immuun voor.”

Ook uw voorzitter niet.

“Ook ik niet. Niemand.”

Hoelang kan De Wever nog voorzitter blijven?

“Mocht hij kunnen, hij was allang weg geweest. Maar het is wat het is. Tot dusver is hij onvervangbaar gebleken. Ik begrijp ook dat niemand in de partij het ziet zitten om hem op te volgen. Zo’n ­toptalent komt maar eens in de zoveel jaren voor in de politiek.”

Is Theo Francken geen logische opvolger?

“Zeker, maar misschien zijn er nog andere opties.”

Vertel.

“Ik heb weleens gedacht dat we misschien een tussenpaus nodig hebben. Het zal een tijdje duren voor we Bart als voorzitter als het ware uitgezweet hebben. Hij zal ook nog lang een belangrijk kopstuk blijven. Daarom hebben we ­misschien een overgangsfiguur nodig om hem op te volgen. En Geert Bourgeois zou zo’n perfecte ­overgangsfiguur zijn. Hij zal minder de vergelijking met Bart oproepen. Geert is de stichter. Hij kan de sterkmakers, ook Bart, laten scoren terwijl hij standvastig het schip bestuurt. Hij is niet de ­toekomst, dat is ook duidelijk, maar net daarom zou hij een goede tussenpaus zijn.”

Hij heeft wel een ander mensbeeld dan De Wever. Hoe Bourgeois over moslims spreekt, bijvoorbeeld, staat haaks op de manier waarop De Wever dat doet.

“U hoort soms dingen die er niet zijn, denk ik. Vaak worden zinnetjes ook totaal uit de context gerukt. Geloof me, Bart en Geert hebben dezelfde inclusieve visie. Maar het zijn andere mensen, die andere accenten leggen. Ik heb enorm veel respect voor allebei. En een partij is nooit één mens, maar altijd een combinatie van verschillende soorten mensen. En maar goed ook.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden