Vrijdag 23/08/2019

Keerpunt

Mijn vader, de sos

Vader en zoon Evers voor de Vooruit. "Wij horen mensen te beschermen tegen de werking van de markt, maar dat doen we al een tijd niet meer." Beeld Damon De Backer

Je zult anno 2017 maar socialist zijn. De partij zoekt, maar vindt niet, de peilingen zijn slecht. En de bodem is nog niet bereikt, vrezen de meest trotse militanten. De Morgen-journalist Freek Evers kent er zo een: zijn vader Ronny. Socialist tot in de kist, maar daar worstelt hij steeds meer mee. "Ik durf soms mijn lidkaart niet te tonen."

Toen ik in 2006 achttien werd, kreeg ik een cadeau van mijn vader. Dat was hij de drie voorgaande verjaardagen altijd vergeten. Die ochtend lag er, op de plek waar ik altijd een boterham met hagelslag at en chocomelk dronk, een editie van de krant Vooruit van 6 september 1988. Vooruit was destijds de Gentse editie van de krant die toen al De Morgen heette. De voorpagina kopte ‘De Rode Kolonel’, met een getekend rood silhouet van een militair.

Binnenin wachtte het verhaal van een Belgische luchtmachtkolonel die militaire geheimen verkocht aan het Oostblok. Hij bracht die informatie eigenhandig naar het buitenland in een valies met dubbele bodem.

Op pagina 20, onderaan in de tv-kolommen, stond echter het hoogtepunt van de ondertussen door de tijd vergeelde krant: een klein blokje met de volgende informatie: ‘3 september 1988 FREEK IS ER! Bea & Ronny.’

Veel uitleg heb ik nooit gekregen bij die krant. Mijn vader wilde om een of andere reden dat ik ze kreeg. Ik legde ze om een even onduidelijke reden altijd binnen handbereik, maar buiten het zicht. Wat het verhaal was achter die advertentie om mijn geboorte aan te kondigen, bleef lange tijd een mysterie. Tot nu. Mijn vader zat veel dieper in socialistische kringen dan ik ooit heb beseft.

In 'Vooruit' van 6 september ‘88 liet vader Ronny weten dat zijn zoon Freek was geboren. 'De Morgen' is nog altijd Ronny’s krant, ook al is die volgens hem net zoals hij en zijn partij "soms de weg kwijt". Beeld Archief

Ik schrijf sinds december 2016 voor De Morgen. Sindsdien is mijn relatie met mijn vader een stuk interessanter geworden. Ik probeer hem wekelijks te bellen. Gewoon, om te bellen. Het obligate ‘hoe gaat het?’-stukje neemt hoogstens drie minuten in beslag. Nadien praten we over het leven. Over hoe het is op de redactie bij De Morgen. Dat is nog altijd zijn krant. Maar die is volgens hem net zoals hij en zijn partij soms de weg kwijt. “Zijn jullie progressief of weet ik niet meer wat progressief betekent in de 21ste eeuw?” Hij is niet kwaad of verzuurd, hij begrijpt het niet meer. Meestal verliezen we ons in een gesprek dat duurt tot wanneer een van ons aan tafel wordt geroepen. Als we allebei alleen thuis zijn, loopt het sowieso uit de hand.

Ik ben tijdens die verschillende telefoongesprekken in 2017 tot een pijnlijke vaststelling gekomen. Mijn vader zit in de knoop. Hij worstelt met zijn identiteit. Naast gescheiden vader van twee zonen, broer, Gentenaar, ambtenaar bij stad Gent en rots in de branding bij de KRSG, de “enige, echte, goeie roeiclub in Gent”, is mijn vader vooral een échte socialist. “Het is te zeggen”, voegt hij daar telkens aan toe, “in mijn jonge jaren was ik een marxist.”

Maar socialist zijn, ben je tegenwoordig niet meer voor je plezier. Hij durft met moeite zijn partijkaart nog in zijn portefeuille te laten zitten. Je zult er maar op aangesproken worden. Als ik probeer uit te vissen wat het voor hem betekent om ne sos te zijn in 2017, volgt meestal een diepe zucht. Ik hoor hem dan nog eens aan zijn sigaret trekken. Dan antwoordt hij terwijl hij uitademt: “Ik weet het niet, Freek. Ik hoopte dat jij me dat zou kunnen vertellen.”

Daar ben ik dan weer te veel millennial voor. Ik shop zoals de trendrapporten het voorschrijven mijn identiteit bijeen. Ik ben, in tegenstelling tot mijn vader, met geen enkele politieke partij getrouwd. Hij vindt me een product van mijn generatie. Hoewel hij soms stiekem jaloers is op die flexibiliteit, voel ik vooral teleurstelling. Is dat omdat hij graag ook wat vrijer zou denken of omdat hij vindt dat ik duidelijker stelling moet innemen? Ik vrees voor hem dat het dat eerste is.

Zijn partij is al jaren in verval. Terwijl velen het zinkend schip al lang verlaten hebben, blijft hij erin geloven dat het tij kan keren. Hij weet niet wie voor die kentering kan zorgen en hij weet al lang niet meer hoe hij het zelf zou doen.

In zijn tijd was het veel eenvoudiger. De missie was duidelijk: “Arbeiders moesten beter beschermd worden en iedereen moest gelijke kansen krijgen.” Voor wie die boodschap bracht, ging iedereen op de banken staan. Harten gingen sneller slaan. Een gevoel dat mijn vader al een tijdje kwijt is.

Als mijn vader het over zijn tijd heeft, bevinden we ons halfweg de jaren 70, begin jaren 80. In het gebouw van de Vooruit was het een dode boel en katholieken droegen de sjerp in het fiere Gent. Toch was het vertrouwen onder de jonge socialisten groter dan ooit.

Rond die Vooruit bruiste het als nooit tevoren. “Dat was hier het rode plein”, mijmert hij wanneer we besluiten om voor dit stuk een keer niet over de telefoon te filosoferen, maar een wandeling te maken in Gent. In de cafés die het gebouw Vooruit omsingelden, vond je naast verschillende soorten bier ook alle tinten rood. Van de Kommunistische Partij, over de Revolutionaire Arbeidersliga (RAL) tot Alle Macht Aan De Arbeiders of AMADA (in 1979 omgevormd tot de Partij van de Arbeid, FE).

Beeld Damon De Backer

Tomorrowland mét betekenis

Hij herinnert zich hoe hij als zeventien- of achttienjarige aan de vooravond van 1 mei naar NTGent trok voor een evenement dat georganiseerd werd door de RAL. Hij beschrijft een ge­bouw dat helemaal in het rood was gedrapeerd. Op het programma: het theaterstuk Mistero Buffo van de Italiaanse toneelschrijver Dario Fo, gebracht door de Internationale Nieuwe Scène.

De opvoering van dat stuk vol satire, waarin het establishment op de korrel werd genomen, is een van de belangrijkste momenten in de Vlaamse theatergeschiedenis. De Nieuwe Scène ging met het stuk de hort op; ze speelden voor vakbonden, vrouwengroepen en tijdens stakingen. “Je moet zo’n avond vergelijken met Tomorrowland, maar dan met betekenis”, deelt hij graag een steek uit.

“Het lappendeken aan linkse initiatieven in Gent heeft jarenlang gediscussieerd over progressieve frontvorming tegen de katholieke staat. Maar eigenlijk is dat nooit gelukt.” Dat front bedoelt hij dan.

Ik vraag waarom hij lacht als hij daaraan terugdenkt. “Achteraf beschouwd is dat hilarisch. We wilden allemaal opkomen voor de arbeiders, maar we verweten elkaar te elitair of te doctrinair te zijn om hun rechten te mogen verdedigen.”

Ook vandaag wordt er in linkse kringen gekibbeld. Maar die discussies bezorgen hem vooral een gevoel van plaatsvervangende schaamte. Het gaat niet meer om hoe we mensen moeten ondersteunen, maar wie me moeten ondersteunen. Zijn het de zieken, de mensen met een beperking, mensen in armoede, vluchtelingen, mensen die onze taal niet spreken of zelfs kleine zelfstandigen? Zij hebben het volgens hem vandaag allicht moeilijker dan eender welke arbeider vandaag.

“Wij horen mensen te beschermen tegen de werking van de markt, maar dat doen we al een tijd niet meer.” Doelgroepen genoeg, een duidelijke visie niet.

Zelfontplooiing

Een reden van het verval volgens mijn vader? “Zelfs mensen die vandaag nog echte handen­arbeid doen, hebben een huis, een wagen en gaan twee keer per jaar op reis. Ik denk niet dat de sp.a op dat terrein nog veel te winnen heeft.” Het doel lijkt bereikt. Er is een stevige sociale zekerheid die niemand in vraag stelt. Er wordt door de huidige regering in de marge aan gemorreld, dat wel, maar te weinig om mensen echt kwaad te maken en voor sp.a te doen kiezen.

Bovendien is het niet zo duidelijk meer of sp.a de belangen van mensen die extra steun kunnen gebruiken, nog wel behartigt. Er vallen nog steeds mensen uit de boot, terwijl sp.a-toppers zich persoonlijk verrijken. Het gekke was: mijn vader was teleurgesteld toen Tom Balthazar begin 2017 de eer aan zichzelf hield in de discussie over vaste vergoedingen bij de intercommunale Publipart. Hij trok zich terug als schepen en als lijsttrekker voor de gemeenteraadsverkiezingen volgend jaar.

Het telefoongesprek tussen mijn pa en mij over Publipart en Balthazar, eind februari, duurde twee uur. Ik begreep niet waarom hij niet wilde begrijpen dat Balthazar móést opstappen. “Waarom heeft niemand hem tegengehouden en uit de wind gezet? Bart De Wever moet maar even zijn stem verheffen en Koen Kennis (N-VA), schepen in Antwerpen, mag blijven zitten waar hij zit.”

Als ik nog eens pols of hij dat vertrek al verteerd heeft, schudt hij van neen. “Een consequente socialist zijn, is moeilijker dan consequent liberaal of nationalist zijn. Wij worden altijd harder aangepakt dan de rest.” Het riedeltje kent iedereen. Het is precies alsof socialisten consequent vergeten dat ze sinds de eerste regering van Leo Tindemans (CVP) in 1974 tot en met de regering-Di Rupo (PS) maar tien jaar niet geregeerd hebben. Dat ze deel uitmaken van het establishment.

Ik neem het mijn vader niet kwalijk dat hij dat argument negeert. Hij behoort niet tot het establishment. Hij is een socialist in hart en nieren. In de betekenis dat hij altijd voor anderen heeft willen zorgen. Zo ging hij architectuur studeren. Niet om villa’s te bouwen, maar om tuinwijken uit te tekenen zodat iedereen zorgeloos mooi kon wonnen. Hij werkte als verzorger in een home voor mensen met een mentale en fysieke beperking, hij hielp later een beschutte werkplaats uitbouwen. En sinds hij voor de stad Gent werkt, stoomt hij kansloze mensen klaar voor de arbeidsmarkt.

De vraag is of zijn kameraden van vroeger die voeling niet zijn verloren. Zo spreekt hij sporadisch over zijn periode als barman van het café Jekyll & Hyde, den Jekyll voor de vrienden. Hij werkte er om die studies te betalen. Uiteindelijk zou hij die periode zelf cash betalen, hij studeerde nooit af als architect.

Kaviaarsocialist

In den Jekyll verzamelden sossen van allerlei allooi. Van het ACOD Onderwijs dat agenda­punten kwam bespreken tot parlementsleden die uit Brussel terugkwamen om alles nog eens goed door te discussiëren. Een van de figuren die steeds in die verhalen opduikt, is Luc Van den Bossche. “Een man met een ongelooflijke dossierkennis”, volgens mijn vader.

Wie ’s mans naam vandaag door Google haalt, krijgt een heel ander beeld. Een van postjespakker, ontslagpremiejager of vleesgeworden kaviaarsocialist. Mocht je aan mij vragen wie het de sossen onmogelijk heeft gemaakt om nog geloofwaardig te zijn, dan zou zijn naam een redelijk aandeel in de verklaring krijgen.

Toch probeert mijn vader hem telkens weer te verdedigen. Voorzichtig, maar toch. “Van den Bossche heeft eerst de politiek vaarwel gezegd om dan voor de poen te gaan.” Hij ziet precies nog steeds de jonge Van den Bossche die bij hem een pint kwam drinken om het over de stand van het land te hebben. “Je mag niet onderschatten welk pionierswerk er in die tijd gedaan werd. Hij was een van de figuren die durfde vooruit te denken. Net als Frank Beke. Zij durfden progressief te zijn. Zij durfden de betutteling van de christendemocratie in vraag te stellen en geloofden als geen ander in zelfontplooiing van arbeiders. Wij wilden iedereen een kans geven op een goed leven.”

Ronny Evers: "Wij wilden iedereen een kans geven op een goed leven.” Beeld Damon De Backer

Karikatuur

Alle rechten waar ik vandaag van geniet, heb ik grotendeels aan zijn kameraden te danken. Tege­lijk zeg ik hem regelmatig dat aan alle mooie liedjes een einde komt. Je kunt socialisten toch moeilijk nog vooruitstrevend noemen, daag ik hem dan uit. Ze zijn een karikatuur geworden van zichzelf. Zij roepen dat ze het opnemen voor de kleintjes terwijl ze zelf niet meer kunnen bijhouden hoeveel ze precies verdienen. Opnieuw, ik speel graag advocaat van de duivel bij mijn vader.

“Er zijn weinig organisaties die zichzelf ontbinden als ze hun doel bereikt hebben. Maar dan moet je nieuwe doelen stellen. Je moet weer een verhaal met betekenis vertellen. Als ik naar het discours van sp.a luister, voel ik me een conservatief die niet wil beseffen dat de wereld verandert.”

Dat gevoel is niet alleen in strijd met hoe mijn vader zichzelf percipieert: progressief. Hij beseft steeds meer dat de wereld effectief verandert. Als we het tijdens onze telefoongesprekken hebben over stukken die ik schreef, beseft hij dat hij de rol heeft moeten lossen. Een app die maaltijd­koeriers op de fiets door de straten van Gent jaagt en slimme robots die zelfs advocaten voor een deel kunnen vervangen, het wordt hem te veel.

“Ik heb het gevoel dat ik zelf net wakker word. Maar ik vrees dat ik niet alleen ben. Waar zijn de visionairs die ons hierop kunnen voorbereiden? Als je mensen wilt beschermen in een snel veranderende wereld, dan moet je anticiperen en vooruitdenken.”

Soms probeert hij zichzelf gerust te stellen: “Misschien zie ik de visionairs in mijn partij gewoon niet, maar zijn ze er wel.”

Paniek

Wanneer hij vandaag de krant openslaat, de tv aanzet of met leeftijdsgenoten spreekt, merkt hij maar één ding op bij socialisten: paniek. “Wat hebben we nog te vertellen, vragen ze zich dan af?” – het valt op hoe mijn vader plots overschakelt van ‘we’ naar ‘ze’, alsof hij zijn socialistische kameraden plots vaarwel zegt. De verwevenheid tussen hoe verloren mijn vader zich voelt en hoe de socialistische partij zich gedraagt, is treffend. Het kompas dat bovenaan ‘Progressief’ aanduidt, lijkt bij beiden kapot.

Je merkt die interne strijd nog het best als het gaat over migratie, integratie en godsdienst. Mijn vader is er altijd van overtuigd geweest dat het wel goed zou komen met nieuwkomers. Zolang we onszelf en die mensen maar tijd gaven. “Ik heb als bestuurslid van het Humanistisch Verbond ooit voorgesteld om Turkse nieuwkomers Nederlandse les te geven. Dat was maatschappelijk relevant. Op onze traditionele fronten voor meer rechten voor arbeiders was onze strijd zo goed als gestreden.” Het is er nooit van gekomen. De reden is niet duidelijk. Zou dat niet progressief genoeg geweest zijn? Of was het net té?

Freek Evers, Ronny Evers, Damon De Backer, Gent, Vooruit, Freek Evers, Ronny Evers, Damon De Backer, Gent, Vooruit Beeld Damon De Backer

Vandaag wordt hij op zijn werk dagelijks geconfronteerd met mensen die hun weg niet vinden in onze samenleving. Hij leert ze schilderen, metselen en op tijd komen. Meestal spreken ze met moeite Nederlands. Hij is er het hart van in. “Daar zijn we allemaal samen in de fout gegaan. Hoe kun je nu deelnemen aan het maatschappelijk debat als je de taal niet beheerst?”

Los van het taalprobleem maakt hij zich steeds meer zorgen over religie. Zijn hele leven staat in het teken van de verlichting. En daar horen geen kruisbeeldjes in openbare gebouwen of stemhokjes bij. De Kerk stond in mijn vaders wereldbeeld de arbeidersontvoogding in de weg.

En nu vraagt zijn zoon doodleuk waarom hij zo opgewonden doet over de vraag waarom een vrouw geen hoofddoek kan dragen aan een loket. “Wat kan mij het schelen dat er een vrouw met een hoofddoek aan het loket zit? Ik heb iets tegen de machine die daar achter zit.”

Mijn vader begrijpt niet waarom je je leven zou laten bepalen door een god. Meer zelfs, mijn vader respecteerde als jonge gast iedereen, behalve mensen die geloofden. Hij wilde zelfs niet verdraagzaam zijn jegens hen, omdat hij vond dat ze fout waren. Hij was zodanig ‘verlicht’ dat hij verblind werd door zijn eigen visie.

Dat heb ik ooit zelf gemerkt toen ik thuis aankondigde dat ik leiding zou geven in de scouts De Glimlach, een modernisering van Onze-Lieve-Vrouw met de Glimlach. Hij kon er niet bij dat zijn zoon hem dat zou aandoen. Intussen heeft hij al lang geleerd om mensen in hun eer te laten. “Uiteindelijk is geloof een privézaak.”

Empathie boven principes

Zodra religie een publiek debat wordt, is mijn vader nog steeds even fel. Het stoort hem mateloos dat we niet meer als volwassen mensen kunnen discussiëren als het over de Koran gaat. “Ik ben geschrokken hoe die mensen zich laten leiden door een boek. We zijn bang geworden om te zeggen wat we denken.” Hij vindt het een redelijk standpunt dat een hoofddoek niet thuishoort in een openbare functie.

Wanneer hij op zijn werk geconfronteerd wordt met een collega die alleen komt werken als ze een hoofddoek mag dragen, schuift hij dat principe opzij. “Als die vrouw daardoor het woord kan nemen en ruimte kan opeisen in onze maatschappij, dan kun je daarmee vooruit.”

“Mijn principes zijn mijn hele leven mijn gids geweest, alleen brengen ze me nu op plekken waar ik niet wil zijn.” Hij heeft zich voorgenomen om progressief te blijven, ook al heeft hij daar een nieuw denkkader voor nodig. Hoe dat er moet uitzien, zal uit volgende telefoongesprekken moeten blijken. “Maar laat ik beginnen met een gezonde dosis empathie, dat is veel belangrijker dan principes."

Die ga ik boven mijn bed hangen, denk ik.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden