Vrijdag 06/12/2019

Democratie

Liegen politici meer dan vroeger?

Republikeins presidentskandidaat Donald Trump. Beeld AFP

Donald Trump is een geval apart, daarover is bijna iedereen het eens. Maar trekken ook andere politici zich steeds minder aan van de feiten en de waarheid? Of is dat altijd zo geweest? En speelt de vierde macht nog wel haar rol in de democratie? Of camoufleren de factcheck-rubriekjes een schrijnend gebrek aan onderzoeksjournalistiek?

Politici hebben altijd al gelogen”, zegt socioloog Luc Huyse, en hij kan het weten, want hij is al meer dan zestig jaar een aandachtig waarnemer van de Belgische democratie. “Ik herinner mij nog dat wijlen Gaston Eyskens mij een passage voorlas uit zijn dagboeken waaruit bleek dat zijn partij, de CVP, tijdens de konings-kwestie helemaal niet zo Leopold III-gezind was. Maar ze deden alsof, omdat ze een absolute meerderheid wilden behalen. Er werd vroeger wel op een andere manier gelogen: iedereen las alleen de krant van de eigen zuil, luisterde alleen naar de eigen herauten. De leugens waren dus veel minder goed te controleren. Men moest wachten op de memoires van politici of op het werk van historici om de waarheid te achterhalen. Vandaag, en dat is wel gunstig, worden leugens sneller ontdekt en ontmaskerd.”

Er bestaan verschillende soorten politieke leugens, vertelt Huyse. “Er is de kleine leugen of de halve waarheid, waarmee men een ongunstig effect wil camoufleren, bijvoorbeeld. Er zijn de leugens die tot kiezersbedrog leiden, bijvoorbeeld de straffe beloftes waarvan men weet dat men ze niet kan waarmaken – de kracht van verandering, om er maar een te noemen. Nog erger zijn leugens met cijfers: in dossiers zoals Uplace of Oosterweel of de vennootschapsbelasting worden de positieve gevolgen overschat en de kosten zwaar onderschat. Dat soort leugens beschadigt de democratie.”

Frank Furedi, psycholoog. Beeld Hollandse Hoogte

En dan is er nog “de grootste leugen van allemaal”, volgens Huyse: “Dat politici de indruk wekken dat ze nog alle dossiers aankunnen. Terwijl je in België ziet dat federale noch regionale regeringen nog veel verschil kunnen maken.”

Huyse wil wel nadrukkelijk waarschuwen voor de populistische dimensie van de vraag. “Het zijn niet alleen politici die liegen”, zegt hij. “Ook bankiers, autoconstructeurs en huisartsen die antibiotica voorschrijven bij een griep doen dat. Alleen gold tot voor kort een strengere moraal voor politici. Ze hadden een voorbeeld-functie. En daar is vandaag nog weinig van te merken. The New York Times controleerde onlangs een aantal uitspraken om na te gaan hoe vaak Hillary Clinton en Donald Trump de waarheid geweld aandoen. Bij Clinton was dat het geval in iets meer dan 20 procent van haar gecheckte statements. Bij Trump liep dat op tot boven de 75 procent. Maar Trump komt ermee weg, net zoals Geert Wilders en Marine Le Pen.”

Dat Donald Trump een geval apart is, daarover zijn ook onze andere experts, Cas Mudde, Chantal Mouffe en Frank Furedi, het roerend met elkaar eens. “Trump kan als het ware niets zeggen dat wél waar is”, lacht Mudde. “Die man is eigenlijk één brok rauwe emotie, dat zie je bijvoorbeeld meteen aan zijn tweets. Hij is ook totaal niet geïnformeerd.”

Feiten en emoties

Datgene waar Trump zo in uitblinkt, noemt men tegenwoordig met een nieuwe, hippe term: post-truth politics, of post-factual politics – met andere woorden: politiek waarbij de waarheid en de feiten er niet meer toe doen. De term werd in 2010 gelanceerd door de Amerikaanse journalist David Roberts op de website grist.org. Roberts genas de lezer in een pittig stukje van een wijdverspreide illusie. We gaan ervan uit, schreef hij, dat de verlichte burger eerst de feiten verzamelt, daar conclusies uit trekt, dan een standpunt inneemt en tot slot een partij zoekt die zijn standpunten verdedigt. In werkelijkheid gaat het net andersom, wist Roberts: mensen kiezen eerst een stam of waardengemeenschap waar ze willen bijhoren, maken zich de standpunten van die stam eigen, en zoeken dan de feiten die bij die standpunten passen.

Luc Huyse. Beeld Bob Van Mol

Wie al eens een uurtje op Twitter heeft doorgebracht, of wie ooit een boek gelezen heeft over politieke psychologie, weet dat Roberts gelijk heeft. In een politiek debat wisselen twee partijen geen objectieve en rationele argumenten uit, maar dreunen ze hun debatfiches af en slaan ze elkaar om de oren met feiten die in hun kraam passen. De feiten van de tegen¬partij doen er niet toe – in dat opzicht leven we misschien al sinds mensenheugenis in het tijdperk van de post-truth politics. “We verbinden ons in groepjes waarvan de leden een moreel verhaal met elkaar delen”, schrijft de Amerikaanse psycholoog Jonathan Haidt in The Righteous Mind. “Zodra we ons dat morele verhaal eigen hebben gemaakt, worden we blind voor de tegenargumenten. Moraliteit verbindt en verblindt.”

“Politiek gaat niet over feiten”, weet politicologe Chantal Mouffe. “Ik vind het concept post-factual politics dan ook niet relevant. In de politiek bestaan puur objectieve feiten niet. Feiten worden altijd op een bepaalde manier geconstrueerd en gepresenteerd. Of het nu gaat over werkloosheidsstatistieken of diversiteit. Ik herinner mij een debat over immigratie waarin een vrouw almaar herhaalde dat we mensen de juiste feiten moesten geven: zij vond dat het aantal immigranten altijd werd overschat. Maar in feite doet dat er niet toe. Het is niet door te zeggen dat er geen vijf miljoen, maar vier miljoen mensen Europa binnenkomen, dat mensen hun mening over migratie zullen bijsturen.”

Racisme is nog zo’n voorbeeld, vertelt Mouffe. “Ik ken politici die vinden dat je mensen moet uitleggen dat het concept ras volgens biologen niet echt bestaat. Blijkbaar denken die politici dat mensen niet meer racistisch zullen zijn zodra ze dat weten. Maar dat is natuurlijk niet zo. Het is geen kwestie van weten, maar van voelen. In de politiek gaat het meer over emoties dan over feiten. Zo zitten mensen nu eenmaal in elkaar. Dat moeten we leren begrijpen.

“Richard Rorty, de Amerikaanse filosoof, zei dat de roman De hut van oom Tom een grotere betekenis heeft gehad voor de burgerrechtenbeweging dan alle filosofische boeken bij elkaar. En dat klopt volgens mij. Die roman heeft mensen in staat gesteld om empathie te voelen, om zich te identificeren. Die affectieve dimensie is van wezenlijk belang bij de creatie van een politiek bewustzijn.”

Perfect in evenwicht

En toch doen feiten er natuurlijk toe. Neem nu nog eens even dat referendum over de brexit: voorstander Nigel Farage heeft ondertussen zelf toegegeven dat er tijdens de campagne fameus gelogen werd. “Natuurlijk is er gelogen tijdens die campagne”, zegt politiek wetenschapper Cas Mudde. “Maar ik heb nog geen enkel bewijs gezien voor de stelling dat die leugens ook echt van invloed zijn geweest op de uitkomst: dat mensen die voor de Europese Unie waren ineens, door de leugens van het brexitkamp, grote tegenstanders werden. Populistische partijen hebben hun succes niet te danken aan de leugens die ze vertellen, maar aan het falen van de gevestigde partijen.”

De Britse socioloog Frank Furedi, die zelf voor de brexit stemde, sluit zich daarbij aan. “Ik aanvaard de legitimiteit van de term post-truth politics niet”, zegt hij. “Niet omdat politici niet liegen, want dat doen ze natuurlijk wél. Maar het is niet zo dat de ene kant loog en de andere kant niet. Ik denk dat ze elkaar perfect in evenwicht hielden. De tegenstanders van de brexit liegen vandaag nog altijd, onder meer omdat ze alles wat nu fout gaat, op rekening van die brexit schrijven. Als er morgen iemand wordt overreden in mijn dorp, komt dat door de brexit.”

Zowel Furedi als Mudde zijn bijzonder kritisch voor de media. “Lees The Guardian of The Times”, zegt Furedi. “Die kranten zijn enorm zwak geworden. Ze publiceren het ene opiniestuk na het andere. Dat is luie journalistiek, waar ik erg boos van word. Ze doen af en toe een beetje aan factchecking, terwijl we vooral serieuze onderzoeksjournalistiek nodig hebben. Fact¬checking is een technocratische vorm van journalistiek. Wat we nodig hebben is een intellectueel debat op niveau.”

Cas Mudde. Beeld ID/ photo agency

In de Verenigde Staten ziet Cas Mudde, die verbonden is aan de universiteit van Georgia, vooral de televisie¬journalistiek sterk achteruit¬boeren. “Met de schrijvende pers valt het in de VS nog mee”, zegt hij. “Maar die schrijvende pers is niet zo belangrijk, heeft niet zoveel impact. Het probleem is onder meer dat tele¬visie¬zenders zichzelf tegenwoordig louter als doorgeef¬luik zien. CNN is daarvan het beste voorbeeld: ze nemen iemand van links en iemand van rechts, laten beide partijen aan het woord, en het debat zit erop, ze vinden dat ze hun plicht hebben gedaan. Journalisten moeten hun controle¬functie beter uitoefenen: als er gelogen wordt tijdens een debat, moet je dat als journalist kunnen zeggen. En dat doen Amerikaanse journalisten niet.”

Alles bij elkaar opgeteld denkt Cas Mudde wel dat politici vandaag meer liegen dan vroeger. “Er wordt meer gelogen om de eenvoudige reden dat er meer wordt gezegd. Het aantal kanalen waarlangs men communiceert, is enorm toe¬genomen. En op heel wat van die kanalen zit geen enkele filter meer: op sociale media kun je alles publiceren, tot de gekste samen¬zwerings¬theorieën. Al bestonden die vroeger natuurlijk ook.”

Zelfcensuur en factchecking

Kan de journalistiek op tegen de politieke leugen? Dat is de vraag. Wie vastzit in een vorm van complot-denken, laat zich door niemand meer overtuigen, zeker niet door de media, die immers deel uitmaken van het complot. Zo zijn kiezers van populisten ervan overtuigd dat ze niet door hun politieke leiders, maar door de media belogen worden. In de VS ligt Trump op ramkoers met de media, in Duitsland gaat het scheldwoord Lügenpresse al bijna 200 jaar mee, en heeft de anti-islambeweging Pegida het twee jaar geleden nieuw leven ingeblazen.

Ook in minder extreme kringen is de geloofwaardigheid van de mainstream media ferm aangetast. In Vlaanderen wordt de pers op sociale media haast even scherp in de gaten gehouden door politici en hun medewerkers als andersom. Scherper zelfs, misschien. Op zich is dat niet ongezond, maar het kan leiden tot intimidatie en het zogenaamde chilling effect: dat journalisten niets meer durven te zeggen uit vrees voor een tegen¬reactie. Al spelen er ook andere redenen voor mogelijke zelf¬censuur. “Hoe kleiner het land, hoe groter de kans op zelfcensuur”, zegt Ides Debruyne, directeur van Journalismfund.eu, een Europees fonds voor onderzoeks¬journalistiek. “Politici en journalisten komen elkaar voortdurend tegen, en journalisten willen niet het risico lopen dat ze geen primeurs meer krijgen.”

Hillary Clinton geeft een speech aan de Temple University in Philadelphia, Pennsylvania. Beeld AFP

Blijven politieke leugens zo onder de radar? En liegen politici gemakkelijker of meer dan vroeger? “Wel, dat weten we dus niet”, zegt Debruyne. “Omdat het eigenlijk nog nooit is gecheckt. Wat we zeker weten, is dat een historische leugen in het recente verleden door de pers niet tijdig is ontmaskerd. Toen George W. Bush en Tony Blair in 2003 de oorlog in Irak begonnen, omdat Saddam Hoessein zogezegd over massavernietigings-wapens beschikte, hebben journalisten hun werk niet gedaan, omdat ze te ver meegingen in de nationalistische retoriek van Bush. Ook Amerikaanse journalisten hebben die fout ondertussen erkend.”

In principe heeft de Angelsaksische kwaliteitspers nochtans de juiste ingesteldheid, zegt Debruyne. “Het uitgangspunt van de journalist is daar dat hij de politicus niet gelooft. Er is altijd achterdocht. En dat is gezond. Dan wordt alles gecheckt. Die traditie bestaat bij ons niet, wij zitten meer in het Franse model, met veel commentaar en opinie¬stukken.”

Een gezonde vierde macht heeft drie lagen, aldus Debruyne. “Er is de gewone, dagelijkse verslaggeving, waarbij de feiten en de cijfers worden gepresenteerd. Op dat vlak scoren wij hier in Vlaanderen niet slecht. Alleen het lokale en het Europese niveau worden onder¬belicht. Dat is een democratisch deficit: er is geen goede journalistieke controle op de Europese Unie aan de ene kant en de gemeenteraden aan de andere kant. De tweede laag van de vierde macht bestaat uit commentaar en opiniestukken. Ook dat doen we behoorlijk, met uitzondering alweer van het Europese en het lokale niveau.”

Maar dan komt het, zegt Debruyne. De derde laag, die ontbreekt bij ons. “Wij kennen nauwelijks of geen echte onderzoeksjournalistiek. Het bestaat uiteraard wel, bij de VRT is er bijvoorbeeld Panorama, maar het zit bij geen enkel medium echt in het DNA – op een aantal bekende individuele uitzonderingen na, zoals Hugo De Ridder vroeger bij De Standaard, en Walter De Bock bij De Morgen. Ik vind dat we ons vandaag zouden moeten spiegelen aan Scandinavië. In Zweden, bijvoorbeeld, zet de publieke omroep in op twintig eigen onderzoeksreportages per jaar.”

Chantal Mouffe. Beeld Karoly Effenberger

Van de factcheck-rubriekjes die de laatste jaren steeds vaker opduiken, is Debruyne niet onder de indruk. “Dat zijn vaak leuke en interessante items, maar ze maken het verschil niet.

En als de schrijvende pers aan factchecking wil doen, dan zou ik toch liever zien dat ze het Duitse weekblad Der Spiegel volgen: daar heeft de redactie een echte factcheck-afdeling, en verschijnt er in principe niets dat niet correct is. Dat systeem kennen wij in Vlaanderen ook niet.”

Toch is Debruyne hoopvol. “Ik zie veel positieve tekenen, er is een kentering aan de gang. Niet zozeer in de mainstream media, helaas, want die staan overal ter wereld onder enorme druk. Vandaag zie je in de Verenigde Staten

bijvoorbeeld dat het heel moeilijk is voor de schrijvende pers om kritisch te zijn voor de presidents-kandidaten, omdat het geld dat ze verdienen aan de politieke advertenties enorm belangrijk is voor hun inkomstenstroom. Die inkomsten zijn de voorbije jaren zo sterk teruggelopen dat ook de kwaliteitskranten hun personeelsbestand hebben moeten decimeren. Maar als gevolg daarvan zijn een aantal topjournalisten opgestapt, en de nieuwe, onafhankelijke initiatieven die zij ontplooien, die geven mij hoop.”

Ook in Europa vormen onafhankelijke initiatieven steeds vaker een aanvulling op de klassieke pers. “Meestal zijn het non-profitorganisaties die zich, soms in samenwerking met gewone media, volledig toeleggen op onderzoeksjournalistiek in het belang van de publieke transparantie en integriteit”, zegt Debruyne. “ProPublica is een goed voorbeeld, en het International Consortium for Investi¬gative Journalism, dat recent nog de Panama Papers aan het licht bracht. Het mooie aan die initiatieven is dat journalisten elkaar opzoeken en versterken. Vroeger was de onderzoeksjournalist een lone wolf, nu werken ze in teams, over de grenzen heen. Dat is een zeer gunstige ontwikkeling.”

En misschien, vindt Debruyne, is de vraag of politici liegen niet altijd de juiste vraag. “Ik denk dat journalisten wat minder moeten focussen op wat politici zéggen, en wat meer aandacht moeten besteden aan wat politici dóén. Want daar gaat het tenslotte om.”

Donderdag in de krant, woensdag al in de pluszone: het antwoord op vraag 4. Moeten we de verkiezingen afschaffen?

Herlees ook het eerste (Hoe ziek is de democratie?) en het tweede (Zijn sommige kiezers te dom?) in deze reeks

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234