Vrijdag 24/05/2019

Essay

Laten we achterdochtig zijn voor intellectuele profeten

Beeld Eric de Mildt

Klimaatbetogingen en burgerpanels via loting maken één ding duidelijk: iedereen wil de democratie vernieuwen. Prima! Wel opletten dat we haar en passant niet vernielen.

Voor een lekker verhaal heeft een journalist, net zoals een Hollywood-scenarist, twee ingrediënten nodig: een crisis en een held. De populairste crisis van dit moment – niet in Hollywood, maar in de krant – is die van de parlementaire democratie. Verkozen politici, zo luidt de aanzwellende consensus, zijn niet meer in staat om de problemen van deze tijd het hoofd te bieden. Ze zijn een stelletje prutsers die alleen nog aan zichzelf denken en geen benul meer hebben van wat de modale burger allemaal zorgen baart.

Gelukkig zijn er dus nog helden, die wél zien wat er op het spel staat en nog wél in 
staat zijn om het systeem van koers te doen veranderen – vandaag heten zij onder meer Anuna De Wever, Manu Claeys en David Van Reybrouck. Het enthousiasme waarmee zij in zowat alle mainstream media op het schild worden gehesen, is groot. Zorgwekkend groot. Zeker de schaarse kritiek op de klimaatspijbelaars wordt nogal snel weggezet als cynisch en zuur. En dat is raar, want kritiek is een vorm van respect: het betekent dat je iemand ernstig neemt en met hem of haar in debat wil gaan.

Uiteraard is lof voor Anuna, Greta, Kyra en de andere klimaatbetogers ook op zijn plaats: ze hebben een thema op de agenda gezet en zijn erin geslaagd om de politieke discussies een paar weken eens niet over migratie en identiteit te laten gaan. Hun protest heeft ook wetenschappers en partijen gedwongen om met concrete oplossingen voor de dag te komen en niet te blijven hangen in alarmisme of machteloosheid. Hulde daarvoor!

Maar iemand moet de spijbelaars er ook op wijzen dat het misschien tijd wordt om terug naar school te gaan. Doorgaan tot er iets verandert, zoals ze naar eigen zeggen van plan zijn, heeft weinig zin. Er komt binnenkort namelijk een moment waarop zo ongeveer de hele bevolking zich kan uitspreken over de oplossingen voor het klimaat – en migratie, en fiscaliteit, en mobiliteit, enzovoort. Het is een héél bijzonder moment in ons systeem, dat we al eeuwen koesteren alsof ons lot ervan afhangt. We noemen het: verkiezingen.

Het panel van experts geleid door de Vlaamse bouwmeester dat Anuna De Wever heeft samengesteld, mag uiteraard input leveren voor het beleid. Dat mag iedereen die een pen kan vasthouden of een zekere expertise heeft. Maar het doorhakken van de knopen komt enkel en alleen toe aan de prutsers die we op zondag 26 mei zullen verkiezen. De prutsers die samen een meerderheid kunnen vormen, bepalen het beleid.

Als de spijbelaars de komende weken nog ergens voor op straat willen komen, laat het dan voor de verlaging van de minimumleeftijd voor de stemplicht – of beter: opkomstplicht – zijn. Stemmen vanaf zestien jaar zou allang een feit moeten zijn. Ik betoog mee.

Anuna De Wever: beter betogen voor stemrecht op zestien. Beeld BELGA

Geen blind vertrouwen

Voor de goede orde: bovenstaande passage was zeker niet paternalistisch bedoeld. Het zijn immers niet alleen scholieren die hun geloof in onze parlementaire democratie bijna verloren zijn. Manu Claeys en Luc Huyse, twee intellectuelen op leeftijd, hebben met een opiniestuk in De Standaard onlangs dat systeem bijna als irrelevant van tafel geveegd.

Het klonk zo erg dat Claeys zich genoodzaakt zag in een volgend opiniestuk toch even te beklemtonen hoe belangrijk hij verkiezingen vindt. Dat was veelzeggend: als zelfs een intellectueel het nodig vindt om expliciet te zeggen dat hij de kern van onze democratie nog genegen is, dan beseft hij zelf misschien dat hij aan het ontsporen was.

Ik heb begrepen dat Claeys nu ook al pleit voor een klimaatintendant. Ik mag hopen dat hij dezelfde kiest als Anuna De Wever, anders zitten we straks met vier klimaatministers en twee klimaatintendanten – en dan komen we er helemáál niet meer uit. Maar ernstig: de vurigheid waarmee Claeys de depolitisering van maatschappelijke problemen bepleit – laat de ‘neutrale’ experts het maar oplossen – is onrustbarend. Zonder experts staan we nergens, maar de keuzes moeten politiek zijn. Neem het akkoord dat Claeys met de Oosterweel-actiegroepen heeft gesloten met de politiek: hoe is dat gegaan, welke deals zijn daar gemaakt en namens wie spraken die actiegroepen? Wie had hen verkozen of aangeduid? Claeys zit nu in de raad van bestuur van de Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel (BAM). Opnieuw: namens wie? Met welk mandaat? Wie controleert hem? Of moeten we hem gewoon vertrouwen? Kleine tip: in een democratie doen we niet aan blind vertrouwen, maar aan transparante controle.

Manu Claeys: onrustbarend pleidooi voor depolitisering. Beeld rv

Er scheelt trouwens iets fundamenteels met de analyse die zowel Claeys als David Van Reybrouck hebben overgenomen van socioloog Luc Huyse, die ik ten zeerste respecteer en daarom hier ook wil bekritiseren. Een van de tekenen die volgens hen wijzen op een crisis van de parlementaire democratie is de wispelturigheid van de kiezer. Vroeger was kiesgedrag in hoge mate voorspelbaar en verloren de grote partijen hoogstens een paar procentjes. Vandaag is de kiezer wisselvalliger, kan een grote partij verdwijnen en een kleine partij heel snel uitgroeien tot marktleider. Die analyse klopt. Maar is dat erg? Mij lijkt het een teken van emancipatie: vroeger zaten mensen opgesloten in hun zuil en was stemgedrag erfelijk, net zoals een adellijke titel; vandaag beloont en straft de kiezer naar believen. Dat politieke partijen daardoor aan ‘permanente kieskoorts’ lijden, is gezond. Zijn politici constant bang voor de kiezer? Goed zo. Welkom in de democratie!

Bij de neus genomen

Ook de lotinglobby, onder leiding van David Van Reybrouck, verdient meer kritiek dan ze doorgaans krijgt. Toen vorige week bleek dat de Oostkantons gaan experimenteren met input van een panel dat uit gelote burgers zal bestaan, steeg uit vele kelen gejuich op. Het bleek zowaar om een ‘democratische revolutie’ te gaan, alsmede – uiteraard – om een vorm van eigentijdse ‘disruptie’. Maar verdient die loting dat applaus wel?

Ik heb mij de voorbije maanden stevig verdiept in Tegen verkiezingen, het boek waarmee Van Reybrouck zijn idee aan de man probeert te brengen. Ik heb ook The Principles of Representative Government gelezen, het boek van politiek historicus Bernard Manin, dat Van Reybrouck zelf zijn belangrijkste inspiratiebron noemt. En ik ben tot de schokkende conclusie gekomen dat Van Reybrouck ons een tikkeltje bij de neus heeft genomen.

David Van Reybrouck: selectief geciteerd uit standaardwerk. Beeld Belga

Dat zit zo. Volgens Van Reybrouck en Manin behoort loting al sinds de oude Grieken tot de gereedschapskist van de democratie. Tot het systeem aan het einde van de 18de eeuw, bij de ‘uitvinding’ van de representatieve democratie in Frankrijk en de VS, ineens volledig verdwijnt. Sindsdien worden onze vertegenwoordigers alleen nog verkozen, en niet meer geloot. Tot daar zijn Van Reybrouck en Manin het met elkaar eens.

Maar dan gebeurt er iets vreemds. Van dé verklaring die Manin geeft voor die schielijke verdwijning van loting is in Tegen verkiezingen geen spoor te bekennen. Van Reybrouck schrijft dat de Franse en Amerikaanse founding fathers geen zin hadden in loting, omdat ze geen zin hadden in democratie – bij loting maakt iedereen een kans, bij verkiezingen alleen de voorname en gegoede burgers. Zo werd een ‘erfelijke aristocratie’ volgens Van Reybrouck vervangen door een ‘electorale aristocratie’.

En jawel, ook Manin wijst op de aristocratische insteek van de keuze voor verkiezingen. 
Al is die in zekere zin onvermijdelijk: als je mensen kiest om het land te besturen, dan kies je geen dronkaards die in de gracht liggen, maar burgers van wie je hoopt dat ze het goed zullen doen, met nuchterheid en de gave des onderscheids. Je kiest voor de besten – het tegendeel zou belachelijk zijn. Verkiezingen zijn inherent aristocratisch.

Maar dat was volgens Manin niet de belangrijkste reden voor de keuze voor de stembus en tegen loting. De belangrijkste reden was dat politieke macht legitimiteit behoeft, en dus instemming. De mensen die worden bestuurd, moeten instemmen met de keuze voor de mensen die hen besturen. En dat kan niet bij loting, wel bij verkiezingen. Ik citeer letterlijk van pagina 86 in mijn editie: “We hebben alle redenen om te geloven dat het die visie op de fundering van politieke legitimiteit en verbintenis was, die leidde tot het verdwijnen van loting en de triomf van verkiezingen.” En ook nog: “Als het doel is om macht en politieke verbintenis te funderen op instemming, dan zijn verkiezingen uiteraard veel veiliger dan loting.” Tenzij ik daar heb overgelezen, is van die gedachte, laat staan van dat citaat, in Tegen verkiezingen geen spoor te bekennen. Oeps.

Nee, de democratie is niet perfect. Ja, we mogen en moeten haar vernieuwen. Daartoe moeten we op straat komen, boeken schrijven en op alle mogelijke andere manieren ons ongenoegen laten blijken. Niets mis mee. Maar toch dit voorzichtig voorstel: laten we die verkiezingen voorlopig maar behouden als het hart van de democratie. En laten we even achterdochtig zijn voor intellectuele profeten als voor vertegenwoordigers des volks.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.