Vrijdag 20/09/2019

Interview

Johan Van Hecke: ‘Ik kan niet leven in hypocrisie’

Beeld BELGA

Dit interview verscheen in De Morgen op 7 december 1996. We publiceren het nu opnieuw naar aanleiding van 40 jaar De Morgen.

Johan Van Hecke, oud CVP-voorzitter: ‘Men zal mijn ontslag nooit kunnen begrijpen zonder de voorgeschiedenis en de context te kennen. Daar zit een stuk privé aan, waarover ik het liever niet wil hebben. Maar aangezien dat privé-gedeelte zowat tot inzet van mijn eventuele terugkeer is uitgeroepen, moet ik wel.’

(stil) “Ik had al geruime tijd huwelijksproblemen, ook voor ik de relatie met Els begon. Het klopt dus niet dat ik vrouw en kinderen in de steek heb gelaten omdat ik iemand anders heb ontmoet. Zo stelt men het iets te graag voor. Nee, ik woonde al een tijdje de facto gescheiden, en dat was in Oosterzele een publiek geheim. In mijn gemeente schatten de mensen mijn huwelijksproblemen trouwens helemaal anders in, net omdat ze er ook al veel langer mee geconfronteerd waren. Misschien ben ik daar heel naïef in geweest, maar goed, ik dacht dat die problemen mij niet zouden beletten te werken. Ook in andere politieke partijen zijn er mensen, tot op het hoogste niveau, die gelijkaardige problemen hadden. (stil) Ik dacht dat te kunnen overleven, ook al omdat het bij de Vlaamse pers een strikte deontologische regel was om publiek en privéleven strikt gescheiden te houden.”

“Maar dat bleek een illusie te zijn. Ik wist dat men in brede kring, in de politiek, de eigen partij en daarbuiten, maar ook in sommige media op de hoogte was van mijn situatie. Het probleem rees toen ik vaststelde dat er wel degelijk een aantal mensen was in de partij en ook in perskringen die de intentie hadden mijn privé-problemen uit te spelen op het ogenblik van mijn herverkiezing. Er lagen scenario’s klaar waarbij men mij op het CVP-congres met pamfletjes zou gaan outen.”

“Het ging om een objectieve alliantie tussen een groepje fundamentalisten en enkele opportunisten, die elkaar tot mijn verbazing heel snel hebben gevonden. Ik denk niet dat men in de eerste plaats de persoon, de mens Van Hecke viseerde. Ik geloof ook niet dat men de bedoeling had mij te kwetsen. Maar er was een duidelijke strategie om mijn positie in de partij, waarvan iedereen wist dat die tien dagen later op het congres versterkt zou worden, te verzwakken. Men wist dat ik in de eerste stembrieven die al binnen waren een zeer hoge score had. Men wist ook, en dat is misschien strategisch dom geweest van mijn kant, dat ik had aangekondigd dat het tijd was om een nieuwe stap te zetten in het CVP-vernieuwingsproces. Want daar ging het om, meer dan om de mens Van Hecke.”

“Ik ben destijds als voorzitter begonnen met de boodschap: we moeten in de CVP opnieuw wat rust brengen, we moeten er na een periode van broedermoorden en innerlijke twisten voor zorgen dat er een sfeer komt waarin iedereen zich thuis voelt. Een beetje nestwarmte creëren. Een tweede fase was het aanpassen van de structuren: zorgen dat er ook andere wegen zijn om in een volkspartij als de CVP actief te zijn, zonder dat je per se via de sociale organisaties moest binnenkomen. Dat zorgde voor de eerste misverstanden. Ik heb nooit gezegd dat we de navelstreng met het ACW of anderen moesten doorknippen. Ik heb alleen gezegd dat het niet kon dat mensen in die bewegingen die niet eens lid waren van de CVP, meer invloed konden uitoefenen op die partij dan CVP-leden zelf, die niet de steun van een van die groepen hadden.”

“De derde fase was dan het aantrekken van nieuwe mensen. Om een stuk intellectueel deficit op te vangen. Denk aan milieu, een domein dat niemand bij ons echt beheerste. Ook om aan te tonen dat er zelfs in het antipolitieke klimaat mensen waren die getuigenis wilden afleggen voor de politiek en zelfs voor de christendemocratie. En ten slotte mensen die in staat waren te mobiliseren, omdat ze bij bepaalde doelgroepen een geloofwaardigheid hadden, zoals Reginald Moreels.”

“Toen zijn de eerste weerstanden ontstaan, waarvan alleen het incident met Paul Staes naar buiten is gekomen. De eerste opstand was die van de mensen die hun positie bedreigd voelden. Alleen het gegeven dat we drie verkiezingen na elkaar niet gewonnen maar ook niet verloren hadden, gaf ons het argument om met die vernieuwing door te gaan. Hadden we één van die drie verkiezingen verloren, dan had men ons toen al een halt toegeroepen. Nu vond de basis dat we verder moesten gaan.”

“Want hoe je het draait of keert, voor een aantal mensen was die derde fase levensgevaarlijk. Wat meer nestwarmte, wat minder minder zuilbinding, dat was allemaal niets, onschuldige spielereien van een jonge voorzitter. Maar de nieuwelingen, dat was anders, want die stelden machtsposities in vraag, verworven rechten, persoonlijke belangen. ‘Zal ik nog minister kunnen worden? Mijn eerste plaats op de lijst houden?’ Het ons-kent-ons-gevoel dreigde in gevaar te komen door al die nieuwkomers. Plots was niet langer iedere verkozene er zeker van dat hij tot zijn pensioen rustig op het parlementair fluweel kon blijven zitten. Toen heb ik op veel zere tenen getrapt, en dat is me door een aantal mensen nooit vergeven. Maar goed, dat was nog steeds beheersbaar, in iedere partij wordt om de zetels geknokt.”

“Maar toen schreef ik in De slogans voorbij dat die nieuwkomers eigenlijk nog maar de aanloop vormden en dat we ook inhoudelijk verder moesten gaan. Van toen af aan ging het fout, begon de echte tegenbeweging. Nochtans wou ik niet meer dan wat ik al had geschreven in een tekst bij mijn eerste voorzittersverkiezing. Daar stond toen al woordelijk in: de CVP van een oubollige, bestofte, confessionele, conservatieve machtspartij ombouwen tot een brede volksbeweging, die open is en verdraagzaam, een centrumbeweging rond een aantal universele christen-democratische basisprincipes. Toen was dat alleen goed voor een minidispuutje over de vraag of C nu al dan niet in de naam van de partij moest blijven staan. Maar dat was voor mij niet fundamenteel. Ik wilde de deuren opengooien, ook voor mensen die vanuit een andere levensopvatting tot eenzelfde politiek inzicht kwamen.”

“Op dat ogenblik heb ik gemerkt dat er mensen op de rem gingen staan. Dat ik geen high-level werkgroep meer bij elkaar kon roepen zonder dat er een aantal mensen bij moesten zijn: l’oeil de Moscou. Waarna je plots ontwerpteksten van werkgroepen zag opduiken in blaadjes als Nucleus en Christelijk en Vlaams. Een min of meer georganiseerde weerstand kwam op gang, eerder aan de top dan aan de basis. Dat verklaart ook waarom we ons kerstcongres hebben moeten beperken tot een vrij algemene en brede beginselverklaring, waar ik nog steeds achter sta. Maar de vertaling daarvan in een aantal concrete antwoorden op actuele problemen is er een beetje bij ingeschoten. Zolang je het enkel over de universele christelijke waarden hebt, over beginselen en principes, applaudisseert iedereen, maar zodra je dat gaat vertalen naar concrete bio-ethische of andere problemen... Daarom zijn we toen maar vijf puntjes ver geraakt.”

“Ik wou ook rijden en omzien, kijken of iedereen nog volgde. Ik wist dat ik mensen zou verliezen en er nieuwe bijwinnen, maar ik wou aan de eindstreep met meer volk staan dan aan het vertrek.”

“Afspraak was dat we zouden doorgaan, dat we op vier congressen in twee jaar tijd dat basismanifest concreet konden uitwerken. Onder andere, en niet toevallig, in een gezinscongres, waar we het ook zouden hebben over samenlevingscontracten. Maar we zijn door de actualiteit geklopt, we moesten vroeger een standpunt innemen en toen zag je dat we het niet eens raakten. Toen is er mij duidelijk geworden dat niemand er ooit in zal slagen de CVP op het sociaal-economische uit elkaar te spelen, maar de potentiële splijtzwammen zich op het communautaire en zeker op het ethische vlak situeren.”

Els

“Net op het ogenblik dat die weerstand zich volop aan het organiseren was, werd mijn persoonlijke situatie acuut: ik had Els leren kennen. Ik heb daarover vrijwel onmiddellijk een aantal mensen binnen de partij ingelicht, de topmensen. Omdat ik ook wel weet dat het in een gezinspartij als de CVP niet als voor de hand liggend wordt beschouwd dat het huwelijk van de voorzitter mislukt, laat staan dat je een nieuwe relatie hebt. Ik heb bij heel wat mensen enorm begrip ervaren. Onder meer bij Jean-Luc Dehaene.”

“Maar ik ben ook bij anderen geweest die me zeiden: dit is uitgesloten, je kan in die situatie geen voorzitter blijven. (verbijt zich) Een uitspraak zal ik nooit, nooit vergeten. Een topfiguur uit de CVP zei me: ‘Beoefen de christelijke deugd bij uitstek: hypocrisie, want dat doen we toch allemaal.’ Het mocht, als ik maar de schijn ophield en mijn relatie verborg. Sorry, maar dat kan ik niet. In de politiek kan ik mijn rol spelen, met alles wat daarbij hoort. Volgens sommigen zelfs te veel, zij vinden dat ik te weinig mezelf ben, te verkrampt ook, omdat je als voorzitter van de CVP met zo ontelbaar veel evenwichten rekening diende te houden.”

“Maar in mijn privé-leven heb ik nooit komedie kunnen spelen, heb ik nooit hypocriet willen of kunnen zijn. Ik kan mijn emoties daar niet verbergen. Ik weet dat zoiets in de macho-wereld van de Wetstraat not done is, zelfs als teken van zwakte wordt beschouwd. (schouderophalend) Ik ben nu eenmaal zo. Van karakter heel gevoelig. Mijn vader zei altijd: ‘té gevoelig voor de politiek’.”

“In mijn politieke rol had ik een groot incasseringsvermogen, zeker zolang men de bal speelde en niet de man. Dat hoort erbij: wanneer je een grote maatschappelijke verantwoordelijkheid draagt, moet je aanvaarden dat er al eens naar je gestampt wordt, en af en toe heb je de gelegenheid zelf terug te stampen. Maar privé, nee.”

“Ik kon op dat ogenblik niet langer de druk aan, de zeer reële druk. Dag na dag de verhalen, de dreiging. Iemand die me kwam vertellen: ‘Het is alleen dankzij de uitstekende relaties van mijn kabinet dat ik een artikel over jou en Els van de frontpagina van De Morgen heb kunnen laten halen.’ (De Morgen heeft nooit een dergelijk artikel gepland, nvdr.) Ik had ook het gevoel, nee, eigenlijk de zekerheid, dat men mijn persoonlijke situatie wou gebruiken om de hele beweging die ik op gang had gebracht lam te leggen, of toch minstens onder controle te houden.”

“Toen stond ik voor een verscheurend dilemma. Met de voorzittersverkiezing doorgaan alsof er niets aan de hand was? Dan liep ik het risico dat zij die de vernieuwing wilden tackelen via mij, een open kans kregen: alles waar ik voor stond, alles wat we twee jaar lang zo moeizaam met vallen en opstaan hadden opgebouwd, waar we nog maar halfweg waren, kon onderuitgehaald worden als gevolg van mijn privé-situatie.”

“Zou ik ze die kans geven of zou ik de eer aan mezelf houden? Vermijden een driedubbele vernedering op te lopen: één voor de partij en vooral voor de vernieuwers, één voor de familie, die ik die vernedering absoluut wou besparen, en één voor mezelf.”

“Gedurende weken heb ik onder die terreur geleefd. Van mensen binnen en buiten de partij: ‘Denk maar niet dat je het congres haalt zonder dat deze informatie uitlekt.’ Ik blijf geloven dat mijn tegenstanders dat eigenlijk niet wilden, dat het hen niet echt om mijn ontslag te doen was. Trouwens, ik heb de beslissing zelf genomen, niemand heeft me er echt toe gedwongen. Nee, ze wilden mijn positie verzwakken. Maar het was wel een bewuste strategie van een groepje opportunisten en fundamentalisten, van mensen die met lede ogen hebben aangezien hoe ik mensen heb binnengehaald, anderen ministers heb gemaakt dan henzelf.”

“Sommigen hebben mij de raad gegeven de verkiezingen te annuleren, mijn privé-situatie bekend te maken. Kijk, nu weten jullie het en kunnen jullie met kennis van alle gegevens opnieuw kiezen. Maar dan was mijn privé-situatie automatisch uitgegroeid tot de inzet van de verkiezing. Dat kon ik echt niet aan. Niet alleen omdat het voor alle betrokkenen veel te pijnlijk zou zijn geweest, maar ook omdat ik een referendum over de vernieuwing niet wou laten ophangen aan mijn privé-leven. Toen heb ik de keuze gemaakt. Ik heb alleen de kapitale fout begaan bij mijn ontslag zelf te verwijzen naar mijn persoonlijke problemen, en ze zo toch in de openbaarheid te brengen.”

Brandladdertje

“Ik ben die ochtend naar Brussel gereden, ik heb in de auto de tekst van de mededeling geschreven, mijn chauffeur José ingelicht en hem gevraagd al onze mensen, de persoonlijke medewerkers in te lichten. Zeg hen dat ik misschien terugkom, en zeg hen vooral dat ik niemand laat vallen. Hij was zwaar onder de indruk, zei dat hun lot nu toch wel van ondergeschikt belang was. Nee, het was voor mij een vitaal gegeven: ik wou alleen weggaan als ik wist dat geen van mijn persoonlijke medewerkers de dupe zou worden van mijn privé-probleem.”

“De spoedvergadering van het bureau was bijeengeroepen, waar ik zelf niet naartoe ben gegaan. Ik heb naar Dehaene gebeld om hem de tekst van het communiqué voor te lezen, ik ben beginnen inpakken. Kartonnen dozen. (grijns) Een Belgatelefoontje, met de vraag om bevestiging van het nieuws. De dag ervoor had ik Dehaene en Van Rompuy gezegd dat volgens mij Marc Van Peel mijn mandaat als volwaardig voorzitter moest beëindigen. Dat werd aanvaard, dus kwam Marc binnen, heb ik hem wat dossiers laten zien, de sleutels overhandigd. Op dat ogenblik geef je geen blijk van emoties, omdat er zovelen rond je staan die er dan nog erger aan toe zijn, bezig het nieuws te verwerken, terwijl jij de beslissing al genomen hebt.”

“Toen was er natuurlijk de belegering door de pers. Dat is normaal, ik neem het niemand kwalijk. Alleen had ik geen zin een medianummer op te voeren in de stijl van ‘neergeslagen voorzitter verdwijnt in wegschietende wagen’. Dat gunde ik hen niet. Dus zijn we naar de PSC gegaan, en daar via een brandladdertje naar een andere uitgang, waar de trouwe José me stond op te wachten. Dat is uitgegroeid tot een haast mythisch vluchtverhaal, maar eigenlijk gingen we vaak langs dat brandladdertje weg.”

(stil, verbijt zich) “Toen ben ik naar Wilfried Martens gereden, die me als een van de eersten had gebeld. Ik zei: ‘Waarom kom ik naar u, waarschijnlijk omdat wij elkaar zonder veel woorden begrijpen, en omdat, als er iemand is in de CVP die kan begrijpen wat er nu in mij omgaat, jij het wel bent.’ En we hebben elkaar vastgegrepen en toen heb ik gesnikt, ja. Het was een heel emotioneel moment.”

“Ik ben nog wat dossiers gaan tekenen op mijn kantoor in Oosterzele, naar het huis naar mijn vrouw gegaan, waar ik al een tijdje niet meer verbleef, om haar mijn beslissing uit te leggen en toen ben ik bij een vriend gaan slapen. Enfin, ik heb geen oog dichtgedaan.”

“De dag nadien ben ik vertrokken in een vliegtuig waar ik mezelf honderdvoudig zag in alle opengeslagen kranten, en die avond ben ik geland hier in Kampala. Net na het vliegtuig waarmee Els uit Nairobi terugkwam. Zij stond me op de tarmac op te wachten, met een klein bosje bloemen. We hebben elkaar omhelsd, een kwartier lang, omgeven door een kring Sabena-mensen die ook allemaal aan het wenen waren. Dat moment vergeet ik nooit, nee. Een mengeling van geluk, van verademing: het is voorbij. En tegelijk het besef: nu begint het pas. Dat is het verhaal.”

“Ik was eerst niet van plan ook maar iets in de kranten te lezen. Maar ik hoorde op de radio dat de pers blijk gaf van begrip, en toen heb ik alle kranten gelezen. Wat ik toen begon te vrezen, is ook uitgekomen: een deel van de pers had iets te veel begrip opgebracht. Mijn ervaring, hoe beperkt dan ook, heeft me geleerd dat Vlaanderen anders reageert dan de pers, toch na verloop van tijd. Wanneer men in de pers te veel begrip betoont voor politici, krijg je automatisch een tegenreactie. Er is en blijft een antipolitiek gevoel dat ik nu al jaren ervaar op debatten en tijdens campagnes: één op de twee Vlamingen heeft afgehaakt en gelooft niet meer in de politiek en politici. Te veel begrip roept dan een tegenbeweging op. Het was des Guten zuviel.”

“Daarna keerde het ook: verzonnen verhalen, georganiseerde briefschrijfacties vanuit enkele milieus, en er stonden steeds meer mensen op die het nodig vonden oordelen uit te spreken over een situatie waar ze geen honderdste van afwisten.”

“Ik begreep dat niet: ze kenden geen fractie van wat zich in mijn privé-leven had afgespeeld, maar toch stonden ze met een oordeel klaar. Er zijn dingen die ik nooit ofte nimmer in de media zal gooien. Het is zo al erg genoeg. Men schijnt niet te beseffen dat een echtscheiding geen plotselinge ingeving is, geen momentopname, maar wel het resultaat van een lange lijdensweg voor alle betrokken partijen, in de allereerste plaats voor je kinderen.”

“Maar al die nonsens die werd verteld, maakt het nog moeilijker om zo’n pijnlijk proces tot een goed einde te brengen. Voor de kinderen was het verschrikkelijk: het zien van de foto’s, alle onzin in de tabloid-pers, daarmee geconfronteerd worden op school, maar dat is allemaal van geen tel. Met welk recht veroordeelt men iemand vanwege zijn privé-situatie, waar men geen fractie van afweet? Weet men dan niet dat aan een echtscheiding meestal een gespreide verantwoordelijkheid ten grondslag ligt? Kan men het iemand kwalijk nemen dat hij zich wil inzetten voor de maatschappij? En kan men het iemand anders kwalijk nemen te kiezen voor een rustig huiselijk leven? Dat dit dan leidt tot een stuk vervreemding is niet abnormaal. Het gaat niet om fout, om schuld, om oorzaak en gevolg, wie gaat dat uitmaken? Het is een gedeelde verantwoordelijkheid. Ik had nooit gedacht dat zoveel mensen zich geroepen zouden voelen om moraalridder te spelen.”

“Ik begreep niet hoe iemand die onlangs zelf voor de derde keer is getrouwd (Frans Verleyen, nvdr.) meende in zijn hoofdartikel mij de grond in te boren omdat ik huwelijksproblemen had. Waar haalt die man het morele recht vandaan? Wat is nog de geloofwaardigheid van zo iemand?”

“En toen kwam het verhaal waarvan ze hoopten dat het een genadeschot zou worden: ik had een ziektebriefje ingediend. Dus was ik op kosten van het ziekenfonds met mijn lief op huwelijksreis in Afrika.”

“Mijn uitleg is vrij simpel: is het echt zo ongelooflijk dat iemand die maanden onder die druk en terreur heeft geleefd, daarna op is? Er fysiek en mentaal compleet door zit? Dicht bij de depressie verkeert? Wie mij kent, weet dat ik toen echt geleden heb, afgezien. Dus ja, ik ben naar de dokter geweest en die heeft me absolute rust voorgeschreven. En ja, die heb ik in Afrika genomen.”

“Ik ben nog even naar België gekomen, om te proberen tot rust te komen. Maar ik was opgejaagd wild. Overal waar ik kwam, of zelfs maar aankondigde te komen, verschenen fotografen en cameraploegen. Dus ik ben een paar dagen later opnieuw uitgeweken naar Afrika. En zodra ik weer de kracht vond om recht te staan en te beginnen met de EVP-missie, heb ik naar kamervoorzitter Langendries geschreven en zelfs gevraagd mijn ziekteverlof in te trekken. Het leek me ook logisch dat ik niet tegelijk ziek kan zijn én werken.”

“Dat ziekteverlof is ingetrokken op 14 juli, lang voor de eerste regel over mijn ziekteverlof in de pers verscheen, maar tot vandaag beweren sommigen dat ik nog steeds met ziekteverlof ben. Niemand neemt de moeite dat even na te trekken, en dat verhaal gaat een eigen leven leiden. Frans Verleyen had het over een flagrant geval van sociale fraude. Verdomme. Hoe verweer je je daartegen? Tegen sommige vormen van cynisme is iedere oprechte emotie weerloos.”

“Het heeft me zoveel pijn gedaan te lezen hoe een tot dan toe gezaghebbend commentator (Manu Ruys, nvdr.) begon met te schrijven dat hij absoluut niets wist van mijn situatie, dat die hem overigens ook niet interesseerde, maar die me meteen daarna wel tot overspelige en ontspoorde man bestempelde. En dan veertien dagen later aan iemand gezegd zou hebben: ‘Hij had het maar moeten weten, hij is mij nooit komen consulteren.’ Waar gaan we dan eigenlijk naartoe? Als men op dat spoort doorgaat, moet men toch niet verbaasd zijn dat er uiteindelijk geen ernstige mensen meer bereid zijn om in de politiek te stappen.”

“Men heeft in de pers een stap gezet... Sommigen zullen mij verwijten dat ik ze bijna uitgenodigd heb om het te doen, quod non, ik heb uitdrukkelijk gevraagd mijn privacy te respecteren. Ik heb met aandrang gevraagd mij de rust te gunnen waar ik recht op meende te hebben. Maar nee, een aantal mensen heeft dit verhaal uitgebuit omdat ze dachten dat het moment gekomen was om binnen een bredere restauratiebeweging die in Vlaanderen aan de gang was, ook in de CVP weer orde op zaken te stellen.”

Echte vrienden

“Op zo’n dag leer je vooral dat je niet zoveel echte vrienden hebt. Niets is eenzamer, denk ik, dan de functies van eerste minister of partijvoorzitter. Je wordt omringd door honderden mensen, die je allemaal willen zien, die je aanklampen, die zeggen dat je de beste, de mooiste en de slimste bent. Daar heb je niets aan. Ik heb alleen iets aan diegenen die me ’s avonds durven te zeggen dat ik overdag stommiteiten heb uitgekraamd. Dat waren de mensen die er ook toen waren. Zelf kapot, maar ze waren er. Willy Buys, de woordvoerder, bijvoorbeeld. Open en eerlijk, soms te open en eerlijk. Zij waren nog meer aangeslagen dan ik, dus konden ze me ook niet helpen.”

“Je merkt op zulke momenten ook dat het feit dat je dag en nacht met je werk bezig bent geweest, een enorme kostprijs heeft. Niet alleen familiaal, maar in je hele sociale leven, in het aantal echte vrienden. Maar toch zijn het enkel de familie en die paar vrienden die je resten op dat ogenblik.”

“Ik heb ook steunende telefoontjes gekregen van wie je het niet verwacht: Guy Verhofstadt, om er één te noemen. Meer van de andere partijen dan uit mijn eigen partij, eigenlijk, de verruimers niet te na gesproken.”

“De dagen en weken nadien heb ik honderden brieven ontvangen. Van veel gewone mensen, die hun eigen problemen wat herkenden in wat mij was overkomen en die zich daar, hoe eigenaardig ook, aan optrokken, die hoop kregen. Zoveel mensen hebben me geschreven dat het gezin ook voor hen het ideaal was en bleef, dat ze het net zoals ik geprobeerd hadden maar niet geslaagd waren. De reacties van een aantal CVP-figuren, en nu spreekt de socioloog in mij, waren perfect te verklaren. Er was een tegenbeweging van mensen die gefrustreerd waren omdat ze onvoldoende aan bod kwamen. Als dan de leider van het andere kamp wegvalt, dan vallen meteen ook alle aarzelingen en remmen weg en gaat men voluit. De tegenbeweging verbaasde me niet, maar wat me wel verbaasde, en ontgoochelde, is dat niemand de moed heeft opgebracht om ertegenin te gaan. Je zag die kanteling heel mooi: eerst Dehaene en Van den Brande, die een gescheiden voorzitter mogelijk achtten. En als eerste tegenstem kwam dan Eyskens, die zei dat het niet kon.”

“Ach, Eyskens die de dag van mijn ontslag nog had gezegd dat de vernieuwing onverminderd moest doorgaan. Er is nooit zoveel lippendienst bewezen aan de vernieuwing als toen: mensen die er nog nooit een woord over hadden gezegd, ontpopten zich plotsklaps als de grote verdedigers ervan. Zoals de meesten in de CVP heb ik niet zo zwaar getild aan Eyskens. Mark is het vleesgeworden cynisme, ik heb nog nooit een uitspraak van hem gehoord die was ingegeven door principes. Misschien heb ik minder last van rancune dan hij. Mark was dolgraag nog eens minister geworden.”

‘Ik kom terug naar België, ja’

“Er zijn er anderen van wie ik niet had verwacht dat ze het in die termen zouden formuleren, ik heb ook wat verrast gezien hoe er rond enkele andere actuele onderwerpen plotseling een koerscorrectie kwam. Het voorstel van Willems-Landuyt, bijvoorbeeld. Nu zeg ik eerlijk: dat was voor mij ook geen breekpunt, daarmee valt of staat de vernieuwing niet. Maar wat ik niet goed begreep: dat voorstel was op het partijbureau gekomen, op het fractiebureau, Willems had het licht op groen gekregen om het mee te ondertekenen. Goed, er was op de fractie een aantal vragen tot verduidelijking gesteld, maar zodra je jezelf engageert, ga je er toch mee door. Ik begreep eerst niet waarom plots de steun wegviel, maar achteraf is me duidelijk gemaakt dat ook dat weer paste in een goed georganiseerde briefschrijfactie."

“Ik begrijp ook nog altijd niet goed waarom op dat ogenblik geen mensen zijn opgestaan in de partij om te zeggen: ‘Ja kijk, je kan niet tegelijk zeggen dat je de vernieuwing en de lijn-Van Hecke gaat doortrekken en tegelijk een aantal standpunten en beslissingen innemen die toch minstens de indruk wekken dat ze ertegenin gaan.’ Van twee dingen één.”

“Je kreeg ook zo’n sfeertje van je ziet wel waar we zijn geraakt met al die permissiviteit, wat er gebeurt als je alles in vraag gaat stellen, wanneer je onze eigen identiteit overboord gooit. Want dat verwijt kreeg ik, dat ik alles toeliet, alle tendensen. Vanaf het ogenblik dat je jezelf pluralistisch noemt, vind je je weg al in de CVP, schreef een boze Gentse professor rechten me. En hij stelde dat we ‘onszelf’ moeten zijn, zelfs al betekent dat dat we een stuk kleiner zullen worden.”

“Dat is inderdaad de fundamentele keuze waar de CVP voor staat. Ik heb het geprobeerd via de weg van de geleidelijkheid, met rijden en omzien, maar vroeg of laat zullen we inderdaad een eerlijk antwoord moeten geven op die vraag: moet de CVP weer een meer confessionele partij worden, moeten we onze toespraken volstoppen met bijbelcitaten, of kiezen we voor een open, brede  en volkse centrumbeweging waar iedereen die zich inschrijft in een strategie van gematigdheid, een plaats vindt, of hij nu gelovig is of niet? Op voorwaarde alleen dat hij of zij bereid is het partijprogramma te onderschrijven en te erkennen dat een aantal christelijke universele waarden daarvan de basis blijft.”

“Het is de rol van een partij om een waardekader aan te reiken, maar ze heeft niet het recht die normen op te leggen in de privé-situatie van individuen. Want als ze dat doet, verschrompelt ze tot een partijtje van tien of vijftien procent. Kijk, als men die lijn wil volgen, wat ik niet geloof, dan weet ik niet of ik mij in zo’n partij nog goed zou voelen, en dan zou ik daar voor mezelf de conclusies uit moeten trekken.”

“Neem nu de echtscheidingsproblematiek. Ik heb altijd gezegd, en ik meen dat nog steeds, dat het gezin het ideaaltype van samenlevingsvorm is. Maar tegelijk moet je begrip kunnen opbrengen voor het grote aantal mensen dat er om een of andere reden niet in slaagt dat ideaal waar te maken. Ik zei dat allang voor ik zelf in die situatie terechtkwam, lees er mijn manifest maar op na.”

“Ik kom terug naar België, ja. Om aan politiek te doen. Ook al weet ik dat er andere manieren zijn om gelukkig te worden. Het is zelfs zeer de vraag in hoeverre zo’n doorgedreven politiek engagement verenigbaar is met persoonlijk geluk. Natuurlijk heb ik in een donker moment wel eens gedacht: foert, waarom nog, ik blijf hier in Afrika, er zijn hier zinnige dingen genoeg te doen.”

“Maar ik wil niet vluchten, ik wil de mensen niet in de steek laten die samen met mij in die vernieuwing geloven. En ik wil ook niet de indruk geven aan al de mensen die net zoals ik gefaald zijn in een relatie, dat de vlucht dan nog het enige is wat rest.”

“Wie beweert dat dat niet kan, alleen omdat een gescheiden man geen rol kan spelen in de CVP, plaatst zich buiten de christendemocratie, want die weigert in te zien dat verdraagzaamheid, barmhartigheid en mededogen basisbeginselen zijn van het christendemocratische gedachtegoed, en niet de hypocrisie waartoe sommigen mij wilden veroordelen.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234