Vrijdag 21/06/2019

Migratie

Ibrahim Kebe, vluchteling met ambities als burgemeester: "Mensen bang maken, is dat humaan asielbeleid?"

Beeld Tim Dirven

Ibrahim Kebe vluchtte van Guinee naar België, zijn asiel werd eerst afgewezen maar hij werkt nu op een regeringskabinet en wil burgemeester van Schaarbeek worden. "Zo’n inval als bij Globe Aroma, daar ben ik destijds ternauwernood aan ontsnapt."

Vroeger gaven we bij Foyer juridisch advies aan mensen zonder wettig verblijf. Ik kan zeggen dat we iemand hebben geholpen die nu kabinets­medewerker is. Als we toen een actie hadden meegemaakt zoals nu bij Globe Aroma, was hij opgepakt geweest.” Dat zei Johan Leman, ­voorzitter van het Molenbeekse Foyer, deze week in deze krant.

’s Anderendaags belt de woordvoerder van Brussels staatssecretaris Bianca Debaets (CD&V). “Ik denk dat ik weet over welke kabinetsmedewerker het gaat.” Ibrahim Kebe werkt al enkele jaren op het kabinet als adviseur Gelijke Kansen en Diversiteit. “Elke week laat hij wel eens vallen dat hij ooit burgemeester van Schaarbeek gaat zijn”, zegt de woordvoerder.

Maar ooit kwam Kebe het land binnen als niet-begeleide minderjarige. Sliep hij in Brussel-Noord zoals zoveel andere migranten. En kon hij elk moment het land worden uitgezet. Het is een ­verhaal dat hij zelf niet graag vertelt, omdat het emotioneel beladen is. Sommige van zijn dichtste medewerkers kennen het niet eens.

“Als mensen mijn carrière zien, dan zeggen ze soms dat ik het ongetwijfeld gemakkelijker heb gehad dan de gemiddelde migrant. ‘Omdat je hier geboren en getogen bent.’ Dan moet ik uitleggen dat het toch wat ingewikkelder in elkaar zit.”

Kebe komt op zijn 16de moederziel alleen aan in België . Zijn asielaanvraag wordt afgewezen en op een uitspraak in beroep is het lang wachten. Vervolgens dient Kebe een regularisatie-aanvraag in. Pas tien jaar na zijn vlucht zal hij te horen krijgen dat hij mag blijven.

Nochtans is Kebe strikt genomen altijd al een Europeaan geweest. “Ik ben in Zwitserland geboren”, zegt Kebe. “Mijn vader werkte als diplomaat. We hebben een tijd in Zwitserland gewoond en dan in Frankrijk. Eigenlijk had ik evengoed in Europa kunnen blijven en dan had ik de Franse nationaliteit gekregen. Maar dat was niet de keuze van mijn ouders.”

Moederziel alleen in Brussel

Als Ibrahim Kebe 6 jaar is, verlaat het gezin Europa. Zijn vader is een panafrikanist. Hij gelooft sterk in de toekomst van Afrika en de Afrikaanse Unie en ziet daarin voor zichzelf een rol weggelegd als politicus. Het gezin trekt naar Mali, Ivoorkust, maar landt uiteindelijk in Guinee.

Dat land heeft zich dan nog maar een kleine dertig jaar losgerukt van haar Franse kolonisator en van een echte democratie is nog geen sprake. Sinds een staatsgreep in 1984 is de macht in ­handen van Lansana Conté. Ondanks de vele ­protesten, wint Conté ook de eerste verkiezingen in het land in 1993.

Het kan de onrust in Guinee niet wegnemen. In 1996 staat het land letterlijk en figuurlijk in brand. Minstens 30 mensen komen om bij protesten en een deel van het presidentieel paleis gaat in ­lichterlaaie bij een opstand in het leger.

In de nasleep van de mislukte coup wordt ook de vader van Kebe gearresteerd. Die arrestaties zijn etnisch gekleurd. Terwijl president Conté deel uitmaakt van de Soussou-bevolking, is vader Kebe een Malinké. Hij overlijdt in de gevangenis.

Wat later arresteert de politie tijdens een manifestatie ook de 14-jarige Ibrahim Kebe en zijn broer Mamady. Ibrahim beslist dat hij Guinee moet verlaten en vlucht in september 1999. Een kennis uit de diplomatieke kringen van zijn vader heeft een visum voor hem geregeld en gaat mee. De vlucht gaat naar België, maar dat was nooit de eindbestemming.

“Het moest een tussenstap zijn naar Frankrijk, maar aan de douane in Brussel liet die diplomaat mij in de steek. Hij passeerde de controle en liet mij daar gewoon achter. Ik was kwaad.”

Kebe geraakt uiteindelijk voorbij de douane dankzij zijn visum en komt in Brussel terecht. Hij heeft op dat moment maar één optie en dat is asiel aanvragen. Hoe dat in zijn werk moet gaan, daar heeft hij het raden naar.

“Ik sprak mensen aan met de woorden ‘
réfugé’ en ‘asile’ en ze wezen me de weg naar het Klein Kasteeltje. Ik kwam er iets na 7 uur ’s avonds aan en het was al vrij donker en koud. Ik had pech, want het was net de Kosovocrisis en er was geen plaats. Samen met een aantal Afrikanen en Kosovaren zijn we dan richting Brussel-Noord gestapt. Al mijn bagage zat in één plastic zakje.”

Ibrahim Kebe: "Al mijn bagage zat in één plastic zakje." Beeld Tim Dirven

’s Nachts slaapt Kebe op straat, overdag staat hij aan te schuiven in de lange rij wachtenden aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Tot er plaats vrijkomt in het Klein Kasteeltje. Kebe heeft dan net ook een afspraak gekregen voor een eerste interview op het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) voor zijn asielaanvraag. Hij heeft geen flauw benul wat dat betekent. “En dan begint iedereen in het asielcentrum je advies te geven. ‘Je verhaal is niet straf genoeg.’ ‘Het zal niet geloofwaardig zijn.’ Ik heb de nacht voor mijn interview geen oog dicht gedaan. Natuurlijk hoopt elke vluchteling dat zijn verhaal ook is wat het CGVS wil horen. Ook wie erop vertrouwt dat hij 100 procent in aanmerking komt voor een erkenning, zal zo beïnvloed worden dat hij zijn verhaal toch nog aan de kant zet.”

Kebe ligt ’s nacht te piekeren. Als hij zijn verhaal vertelt zoals hij het heeft meegemaakt, maakt hij dan wel kans op erkenning? Maar als hij gebeurtenissen verzint, wordt het wel erg complex om rechtlijnig te blijven.

Twee maanden later volgt een tweede interview. In de tussentijd is Kebe meer te weten gekomen over wat een asielprocedure inhoudt. “Je spreekt met mensen die een positief en een negatief antwoord krijgen en bij het tweede interview denk je: ik had gewoon bij mijn verhaal moeten blijven.”

Kebe legt uit dat hij beïnvloed werd door een aantal mensen en vertelt zijn verhaal zoals het echt is. Maar daardoor zit er tegenspraak in zijn betoog. Een aantal gegevens blijkt bijvoorbeeld niet overeen te komen met zijn eerste interview. En ze twijfelen aan zijn leeftijd, omdat hij erg groot en sterk is.

Kebe vertelt over een verblijf in het ­ziekenhuis, maar kan dat niet bewijzen.

Zijn asielaanvraag wordt afgewezen.

De Kadee

“Daaraan zie je hoe dun de grens is tussen iemand die wordt afgewezen en iemand die toch nog kans op erkenning maakt. We gaan er allemaal van uit dat het erg zakelijk en rationeel is en dat de procedure voor alle partijen helder is, maar niets is minder waar. Het lijkt logisch dat een migrant zijn vlucht goed voorbereidt en zijn geboortecertificaat op zak heeft, maar ik wist helemaal niet wat mij te wachten stond.”

Kebe gaat in beroep tegen de uitspraak, maar de wachtlijsten zijn op dat moment zo lang dat het maanden duurt voor hij antwoord krijgt. Een jaar en twee maanden zit Kebe in het Klein Kasteeltje, op ‘de Kadee’, een aparte vleugel voor jongeren.

In het Fedasil-opvangcentrum zijn in totaal 853 plaatsen, waarvan vijftig voor niet-begeleide ­minderjarigen. Nu zitten er twaalf, toen zat de afdeling stampvol. Na meer dan vijftien jaar ­wandelt Kebe voor het eerst weer ‘de Kadee’ in. “Ik zat op de eerste verdieping, de laatste kamer aan de rechterkant”, zegt hij resoluut.

Hij deelt er zijn kamer, geen 10 vierkante meter groot, met een Rwandese en een Palestijnse jongen. Er is net plaats voor twee stapelbedden, een kast en een bureautafel. “In de examenperiodes was het een strijd om ’s avonds nog te kunnen ­studeren”, lacht Kebe. “Die Palestijn zat niet op school en kon er niet tegen dat de leeslamp boven het bureau aan moest. Dan zat het erop.”

Warm weerzien

“Ah, Kebe!” galmt het plots door de gang. Joyeuse Uwingabiye geeft hem een innige omhelzing. Ze was destijds opvoedster op de afdeling en werkt nog altijd op het Klein Kasteeltje. De twee halen herinneringen op aan een kajaktocht op de Lesse. De kilte die in deze oude legerkazerne hangt, verdwijnt door ramen en kieren. Warmere ­mensen dan Joyeuse Uwingabiye bestaan niet, of je zou je verbranden bij contact.

Ze kan niet geloven dat Kebe het heeft geschopt tot op een regeringskabinet. “Wat, ga je opkomen bij de verkiezingen? In Schaarbeek? Dan ga ik moeten verhuizen!”

Kebe daarentegen kan niet geloven dat er geen bibliotheek meer is in de ontspanningsruimte. Het is in die tijd zijn houvast. Terwijl andere medeleerlingen bij een goed rapport naar de film mogen of een cd krijgen, mag Kebe naar de bibliotheek van de Rijke Klaren, een hele ­beloning voor deze leergierige student.

Omdat Kebe al Frans spreekt, is het evident dat hij naar een Franstalige school gaat. Ondertussen zit zijn asielprocedure in het slop. Via via komt hij met vzw Foyer van Johan Leman in contact. Ze nemen zijn dossier door en raden hem aan om naast zijn beroepsprocedure ook te starten met een regularisatie-aanvraag. In die tijd kan een minderjarige beide procedures nog naast elkaar inroepen. Als hij kan bewijzen dat hij een ­langdurig integratietraject heeft ­afgelegd, is er misschien toch nog een kans om te blijven.

Kebe komt in het Klein Kasteeltje Joyeuse Uwin­gabiye ­tegen, een van de opvoedsters toen hij daar jaren geleden woonde. "Wat, ga jij ­opkomen bij de ­ verkiezingen!?" Beeld Tim Dirven

“Maar Foyer bood mij als jongere ook een ­eerste netwerk”, zegt Kebe. Hij sluit zich aan bij de jongerenwerking van Foyer en basketclub Atomics. “Zo moest ik niet constant bezig zijn met die paperassen.”

Kebe haalt uiteindelijk een goed rapport, en mag naar het vijfde jaar, maar toch eindigt zijn schoolcarrière in Brussel in een fiasco.

Na het eerste semester van zijn vijfde jaar deelt de directeur Kebe mee dat er een probleem is opgedoken. “Doordat je geen papieren hebt, ben je geen reguliere leerling in deze school”, zegt hij. “Als je hier afstudeert, zullen we je geen diploma kunnen geven.”

“Kebe was woedend”, herinnert Joyeuse zich. Samen met de school gaat ze op zoek naar een oplossing. Die bestaat erin dat Kebe naar het Nederlandstalig onderwijs overstapt, omdat daar een systeem wordt gehanteerd met onthaalonderwijs voor anderstalige kinderen. Na een jaartje OKAN-klas kan Kebe dan naar het ­reguliere onderwijs.

Kebe had op het Klein Kasteeltje al extra lessen Nederlands gevolgd en de leerkracht, een vrijwilligster, besluit zich over hem te ontfermen.

“Ze had vrij snel door dat ik de meest geïnteresseerde leerling was”, lacht Kebe. “An Wynants noem ik nu mijn zus. Elke week ga ik nog ­minstens een keer ‘naar huis’.”

Geluk hebben

De familie Wynants is afkomstig van Olmen, in de Kempen, en ze nemen Kebe op in hun gezin. An en haar broer Koen studeren in Leuven en dus gaat ook Kebe daar op kot. Een school in de buurt is meteen bereid om een stoel bij te zetten in de OKAN-klas.

“Je moet geluk hebben om de juiste personen op je weg tegen te komen”, zegt Kebe. “Na anderhalve maand had deze directeur mijn inschrijving in orde gebracht, wat ze in Brussel na anderhalf jaar nog niet gelukt was.” Enkele maanden OKAN-klas volstaan om vervolgens in het Nederlands zijn middelbaar diploma te halen. “Ik had het geluk dat Koen geen Frans sprak. En dat ik kon optrekken met zijn vriendengroep. Daardoor kon ik snel mijn plan trekken in het Nederlands.”

Kebe gaat sociaal-cultureel werk studeren aan de sociale hogeschool en inernationale betrekkingen aan de KU Leuven. Maar het gaat niet over rozen. Psychologisch gaat Kebe in Leuven door een moeilijke periode. Zijn moeder is in slechte gezondheid en Kebe mist haar.

“Het was op dat moment een zware beslissing om België te verlaten om bij haar te kunnen zijn. Ik was bang dat haar iets zou overkomen en dat ik er niet bij zou zijn. En uiteraard speelde het mee dat ik nog geen definitieve beslissing had. Op elk moment kunnen ze je zeggen dat je weg moet.”

De onzekerheid van zijn situatie weegt op Kebe. Hij doet zijn best om mee te draaien als een gewone leerling, maar zal altijd ‘de andere’ zijn. Een trip met klasgenoten naar Engeland gaat niet door voor Kebe, want hij heeft geen papieren. Soms lachen ze hem uit dat hij geen geld zou hebben. “Aan de universiteit was er een vak waarvoor we een interviewafspraak hadden in het Europees Parlement. Ik geraakte niet binnen. Dat was vernederend. Soms vertel je dan de waarheid niet, zeg je dat het je eigen keuze was om niet mee te gaan, bijvoorbeeld.”

Kebe zet uiteindelijk door dankzij de onvoorwaardelijke steun van de familie Wynants. Vader Wynants pendelt voor zijn werk tussen Londen en Keulen, maar maakt tussendoor tijd om naar Leuven te gaan om Kebe twee uur bijles boekhouding te geven.

“Ik vertel dat soms aan ouders in Brussel, die elke avond bij hun kinderen zijn maar zogezegd geen tijd hebben om zich met hun huiswerk bezig te houden”, zegt Kebe. “Ik besef goed genoeg dat niet iedereen de kansen krijgt die ik heb gekregen. Maar de overheid zou ook meer kunnen doen opdat iedereen zijn weg vindt naar die kansen.”

In juni 2009, als Kebe zit te studeren in een Leuvense bibliotheek, krijgt hij telefoon. Hij is geregulariseerd. Tien jaar na zijn aankomst, weet hij eindelijk dat hij mag blijven.

Zelforganisaties

Niet iedereen krijgt de kansen van Kebe, maar ook niet iedereen heeft zijn doorzettingsvermogen. Of een netwerk zoals dat van hem, dat Kebe heeft gebracht tot de positie waar hij nu zit.

Tijdens zijn verhaal beklemtoont Kebe keer op keer het belang van sociale organisaties voor mensen zoals hij. Het middenveld. Dat startte bij de jongerenwerking van Foyer, maar Kebe heeft zich in ontelbare organisaties ingezet. In de ­studentenvereniging. Als sportmonitor op jeugdkampen. Elke zaterdag voor zijn basketwedstrijd soep koken voor minderbedeelden bij Poverello. Acties opzetten voor Wereldsolidariteit.

Na zijn studies kan hij bij Wereldsolidariteit ook professioneel aan de slag. En vervolgens belandt hij bij Internationaal Comité, een federatie die zelforganisaties van allochtonen wil ondersteunen. In die functie gaat hij in het parlement de discussie aan met toenmalig staatssecretaris Brigitte Grouwels (CD&V). “Ik zei haar dat ze elk jaar haar budget vooral gaf aan de klassieke ­organisaties zoals Davidsfonds, Willemsfonds of Curieus, die dan op zoek moesten naar mensen met een migratieachtergrond om hun diversiteit te vergroten. Terwijl ze ook de zelforganisaties meer middelen kon geven, zodat die op gelijke voet zouden samenwerken.”

In dit kamertje in De Kadee van het Klein Kasteeltje sliep Kebe samen met nog twee jongens. "Studeren was moeilijk." Beeld Tim Dirven

Grouwels nodigt die nobele onbekende ­meteen uit op het kabinet. “Het feit dat ik ook actief was in de christelijke zuil zal wel geholpen hebben, al wist ze dat niet op het moment dat ze me uitnodigde.”

Kebe is ondertussen niet enkel kabinetsmedewerker bij Bianca Debaets, hij is ook voorzitter van CD&V Schaarbeek. Burgemeester is een droom, maar schepen is voorlopig ook al goed. “Als geen ander besef ik het belang van organisaties zoals beweging.net, het voormalige ACW, die mensen zoals ik de kans gaven om mee te draaien in de bredere maatschappij.”

Kebe doet nu voor het eerst zijn verhaal, omdat hij opkomt bij de verkiezingen, maar ook omdat de inval van de politie bij vzw Globe Aroma een gevoelige snaar bij hem heeft geraakt.

“Ik ben nooit opgepakt en naar een gesloten centrum gebracht zoals nu met die artiesten uit Globe Aroma is gebeurd, maar ik ben er wel een paar keer aan ontsnapt. Ik herinner me een avond op café in Leuven. De legendarische Bierkelder. Ik stond voor de ingang en op een bepaald moment ging de politie binnen voor een controle. Als ik toen binnen had gezeten bij mijn vrienden, was ik misschien opgepakt en gerepatrieerd. Ik weet wat het is om met die voortdurende angst te leven. Ik zit dan wel in een lopende procedure, maar die beschermde niet dat ze me zouden uitwijzen.”

Deze week verdedigde professor Mensen­rechten Koen Lemmens (KULeuven) de inval bij Globe Aroma door te stellen dat de politie ­mensen zonder wettig verblijf moet kunnen ­verwijderen, ook in dat soort organisaties.

“Uiteraard zal dat allemaal wel wettelijk zijn, maar is het ook goed beleid?” kaatst Kebe de bal terug. “Globe Aroma investeert jaren om een vertrouwensband op te bouwen, met subsidiegeld, en één actie maakt daar komaf mee.”

Door de woestijn naar Libië

"Die hele redenering van professor Lemmens is absurd voor de betrokkenen. Denk je dat de mensen in het Maximiliaanpark die ’s middags een kop warme soep nodig hebben, naar het ­contactpunt van Vluchtelingenwerk Vlaanderen zullen gaan als ze weten dat de politie er elk moment onverwacht kan binnenvallen? We ­hebben geen flauw benul van wat die mensen hebben meegemaakt om tot hier te komen.”

Je zou verwachten dat Kebe dat wel weet, maar toch besloot hij het twee jaar geleden zelf nog van dichtbij te gaan bekijken. Als hij daar de beelden ziet van de verdrinkingen op de Middellandse Zee, trekt hij naar Mali om vluchtelingen te ­ontraden. Hij onderneemt de route van zovelen. Van Bamako, door Niger, door de woestijn tot aan de kust in Libië.

Ook Kebe wil geen ‘tweede Calais’ in Brussel, zoals de regering het zegt. Maar hij vraagt ­tegelijkertijd om een humaner taalgebruik en beleid. “Mensen juichen een hard asielbeleid toe. Ze willen geen hub voor transitmigranten in Brussel, want dan is er tenminste geen aanzuig­effect. Door de Dublinregels moeten velen van hen terug naar Italië. En dan zijn we verbaasd dat mensen geen asiel aanvragen. We maken mensen bang, ook degene die wel recht hebben op asiel. Als het de bedoeling is om iedereen af te ­schrikken, dan heb je de facto geen humaan ­asielbeleid.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
© 2019 MEDIALAAN nv - alle rechten voorbehouden