Woensdag 05/10/2022

InterviewDe premiers

‘Het is hoog tijd dat politici wat minder drama maken. Dat taalgebruik. Jongens toch! Wat een overdreven pathetiek!’

null Beeld HUMO
Beeld HUMO

Over hun politieke carrières is al veel inkt gevloeid, maar hoe staat het met de menselijke kanten van hun premierschap? In het lijvige boek De premier van Kris Hoflack worden alle eerste ministers van de voorbije decennia geïnterviewd: van Gaston ‘vader’ Eyskens tot en met de huidige premier, Alexander De Croo. Een voorpublicatie.

Kris Hoflack

De premier is nog altijd de belangrijkste politicus van het land. Hij of zij zit in de cockpit van de politieke macht, bepaalt de agenda en neemt finaal de cruciale beslissingen. Of je daar ook gelukkig van wordt, is een andere zaak. Van de oudste nog levende premier, Mark Eyskens (88), komt de gevleugelde uitspraak: ‘Zodra je de Wetstraat 16 binnenstapt, worden de maten van je politieke doodskist genomen.’

Waarom willen politici zo graag premier worden?

Mark Eyskens (CD&V, premier van oktober 1980 tot april 1981): “Omdat de meesten niet weten wat dat betekent. Het premierschap is een foltering. Het is erger dan te worden gekruisigd. En het is bijzonder moeilijk: je staat aan het hoofd van een regering met minstens vier en vandaag zelfs zeven partijen. Alle problemen en meningsverschillen tussen die partijen komen op het bord van de premier terecht. Het is dweilen met de kraan open, een hele dag bemiddelen, pamperen en conflicten oplossen. Je staat voortdurend aan de rand van de afgrond terwijl de ene in je rug duwt, een andere je keel wurgt en een derde een dolk in je rug steekt.

(Grinnikt) Ik overdrijf natuurlijk een beetje, want premier zijn betekent natuurlijk iets. En je ontmoet als eerste minister regerings- en staatshoofden uit de hele wereld. Dat geeft enige voldoening. Maar het blijft een hondenjob.”

Alexander De Croo (Open Vld, premier sinds oktober 2020): “Met mijn economische achtergrond wilde ik ooit minister van Financiën worden, maar ik heb nooit de ambitie gehad premier te worden. Ik heb ook nooit aan politiek gedaan of allerhande manoeuvres uitgehaald om het te worden. Integendeel, mijn uitspraak dat ik als premier van de zevende partij van de huidige coalitie niet de dweil van de regering wilde zijn, blijft me nog altijd achtervolgen. Maar tijdens de onderhandelingen voelde ik dat er meer en meer in mijn richting werd gekeken. Als dan op een gegeven moment rond de tafel een consensus groeit dat het misschien niet slecht zou zijn dat een Vlaming die regering leidt, is het niet onlogisch wat er is gebeurd.”

Herman Van Rompuy (CD&V, premier van december 2008 tot november 2009): “Ik zag dat premierschap in 2008 op me afkomen, hoewel ik er absoluut geen zin in had. Ik heb nog geprobeerd die taak naar mijn partijgenoot Jean-Luc Dehaene door te schuiven. Hij heeft heel even geaarzeld – hij was natuurlijk gevleid dat hij gevraagd werd en na bijna tien jaar afwezigheid nog altijd onmisbaar was – maar zijn familie was tegen, omdat ze wist hoe opslorpend zijn twee vorige premierschappen waren geweest. Vooral de Dutroux-affaire had op hem ingehakt, omdat hij daarin voor een groot stuk ten onrechte met alle zonden van de wereld was overladen. Uiteindelijk heeft hij nee gezegd.

“Ik heb na de weigering van Dehaene nog enkele dagen tegengesparteld, maar ik had geen keuze.”

Veel van uw collega’s zouden een moord begaan om premier te worden.

Van Rompuy: “Dat ik mezelf geen premier zag worden, heeft voor een stuk met mijn gebrek aan zelfvertrouwen te maken. Maar het was ook een aartsmoeilijke opdracht. Er was geen uitzicht op een staatshervorming. De splitsing van het kiesdistrict Brussel-Halle-Vilvoorde stond nergens. Alleen het verwachtingspatroon – dat alles anders zou zijn dan onder de paarse regeringen – was gebleven.

“Leo Tindemans had me ooit verteld dat hij premier namens de toenmalige CVP is geworden omdat hij, toen hij in 1974 het veld overschouwde, niemand anders meer zag. Dat was bij mij ook zo. Uiteindelijk heeft Wilfried Martens (CD&V) als formateur de knoop doorgehakt en tegen de koning gezegd: ‘Roep Van Rompuy. Hij zal wel tegenspartelen, maar zet hem voor het blok en hij zal wel toegeven.’ En zo is het ook gegaan. Ik was in De Haan in mijn vakantiehuisje en zoals elke zondagmiddag deed ik na de lunch een kleine siësta. Ik had mijn gsm afgezet om niet wakker te worden gebeld. Toen ik hem weer aanzette, ontplofte hij bijna van alle boodschappen die de kabinetschef van de koning, Jacques van Ypersele, had ingesproken omdat hij me dringend zocht.

“Ik ben dan zelf met mijn Toyota naar het paleis gereden. Toen ik bij de koning kwam, wilde hij aan zijn speech beginnen, maar ik heb gezegd: ‘Sire, u hoeft niet aan te dringen. Ik weet dat het onvermijdelijk is, dus mijn antwoord is ja.’ En ik heb er meteen aan toegevoegd: ‘Maak u geen zorgen, over twee of drie dagen hebt u een nieuwe regering.’ ‘Hoe? Met al die problemen?’ vraagt hij. Ik zeg: ‘Dinsdag of woensdag hebt u een regering.’ En dat was ook zo. Als ik me niet vergis, heb ik woensdag de eed afgelegd.”

Mark Eyskens: ‘Je staat als premier voortdurend aan de rand van de afgrond terwijl de ene in je rug duwt, een andere je keel wurgt en een derde een dolk in je rug steekt.’ Beeld Photo News
Mark Eyskens: ‘Je staat als premier voortdurend aan de rand van de afgrond terwijl de ene in je rug duwt, een andere je keel wurgt en een derde een dolk in je rug steekt.’Beeld Photo News

‘DOE HET, YVES’

Volgens één van jullie voorgangers, de Franstalige christendemocraat Paul Vanden Boeynants, wil iedereen die in de politiek stapt vroeg of laat premier worden.

Sophie Wilmès (MR, premier van oktober 2019 tot oktober 2020) (rolt met de ogen): “Daar geloof ik niks van. Toen ik in het parlement verkozen raakte, heb ik geen seconde gedacht dat ik het ooit tot minister zou schoppen, laat staan tot premier. Gewoonweg omdat ik zo niet in elkaar zit. Mensen die me kennen weten dat ik nooit aan carrièreplanning heb gedaan. Politiek is voor mij een engagement tegenover de maatschappij. Mijn functie komt altijd op de tweede plaats.”

Yves Leterme (CD&V, premier van maart tot december 2008 en van november 2009 tot december 2011): “Ik had tegen iedereen gezegd dat ik liever minister-president van de Vlaamse regering wilde blijven, maar ik voelde de druk wel toenemen. Op een koude dag in het voorjaar van 2007 werd ik uitgenodigd op een vergadering in het Leopold Hotel, vlak bij het Luxemburgplein in Brussel. Ik dacht wel dat het om een voorbereidende vergadering over de verkiezingen ging, maar alle gewezen premiers en voorzitters van de partij waren aanwezig: Tindemans, Martens, Dehaene, Eyskens, Van Rompuy enzovoort. Dat waren dé grote figuren van de Vlaamse christendemocratie, mensen naar wie ik jarenlang had opgekeken. Ze vroegen me unaniem of ik me kandidaat wilde stellen om premier te worden: ‘Na zoveel jaren in de oppositie is er maar één man die ons terug aan het hoofd van het land kan brengen. Je moet het doen, Yves.’ Ik denk nog altijd dat dat onjuist was, maar het was natuurlijk een beslissend gesprek.”

Geloofde u niet in uw kansen?

Leterme: “Nadat ik in 1997 Kamerlid was geworden, dacht ik bij mezelf: ik moet hier harken om het waar te maken. Ik kwam terecht in een groep zeer intelligente en welbespraakte jonge parlementsleden, die al een paar jaar meedraaiden aan de top: Pieter De Crem, Joachim Coens, Servais Verherstraeten enzovoort. Toen ik als fractievoorzitter oppositie tegen Guy Verhofstadt (Open Vld) voerde, voelde ik me soms ook intellectueel en verbaal de mindere. Mijn zelfbeeld liet me zelfs niet toe te denken dat ik ooit premier zou worden.

“Mijn parlementaire loopbaan was ook in mineur gestart. Op een vrijdagmiddag, twee weken voor ik parlementslid zou worden, pakte de gerechtelijke politie me op. Ze zeiden onomwonden: ‘Vanaf volgende week word je onschendbaar, dus we willen je nu absoluut ondervragen.’ Het ging over mogelijke onregelmatigheden bij de partijfinanciering. Er viel me niks te verwijten, bleek achteraf. Maar ik was allerminst bezig met ambities om minister of zelfs premier te worden.”

Charles Michel (MR, premier van oktober 2014 tot oktober 2019): “De keuze wie premier zou worden, is in mijn geval pas helemaal op het einde van de onderhandelingen gemaakt. De Franstalige liberalen waren aanvankelijk vragende partij om Didier Reynders als Europees commissaris aan te stellen. Uiteindelijk koos CD&V ervoor haar oud-voorzitter Marianne Thyssen die functie te gunnen. Ik had wel van bij het begin duidelijk gemaakt dat de MR ofwel het premierschap ofwel de functie van eurocommissaris zou claimen.”

U was het jongste parlementslid en de jongste minister uit de Belgische politieke geschiedenis. Wil je dan ook niet de jongste premier worden?

Michel: “Nee. Ik geef toe dat het premierschap een opportuniteit was, zeker omdat wij de enige Franstalige partij in de regering waren, maar het was tegelijk een enorm risico. Ik geloofde trouwens dat CD&V het premierschap voor Kris Peeters of Wouter Beke zou opeisen, twee kandidaten met wie ik perfect kon leven. Ik geef toe dat ik ambitieus ben, maar ik wilde nooit premier worden. Voor de verkiezingen dichtte niemand mij enige kans toe. Pas op het einde begreep ik dat ik het best geplaatst was. Ik voelde ook dat de andere gesprekspartners me vertrouwden en in mij de man zagen die compromissen kon en wilde sluiten.”

Elio Di Rupo (PS, premier van december 2011 tot oktober 2014): “U hoeft mij niet te geloven, maar ik heb tot de allerlaatste dag gedacht dat CD&V de post van premier zou opeisen: zij had uiteindelijk de N-VA laten vallen om in de regering te stappen. Ik dacht dat de Vlamingen ook een Vlaamse premier wilden. Toen dat niet gebeurde, keek iedereen opeens naar mij, want ik was al maandenlang formateur. Ik ben naar de koning gereden en heb daar de eed als premier afgelegd.”

Iedereen is schijnbaar toevallig premier geworden, maar volgens de overlevering droomde u er op uw 16de al van, meneer Verhofstadt.

Guy Verhofstadt (premier van juli 1999 tot maart 2008) (lacht): “Nog veel vroeger. Ik wilde als kind al premier worden. Als je op een racefiets kruipt, droom je er toch ook van de Tour de France te winnen? Enfin, ik toch.

“Ik wilde politieke macht, anders kun je niets veranderen. En als premier heb je macht! Alleen kun je op twee manieren met die macht omgaan. Je kunt zeggen: ik wil macht, want dan heb ik een auto met chauffeur of dan salueert de politie als ik ergens passeer. Of je kunt naar macht streven om iets proberen te veranderen. Ik geloof niet in politici die zeggen dat ze vies zijn van de macht. Waarom doen ze dan aan politiek? Als ze geen macht nastreven, kunnen ze niks veranderen. En als ze niks willen veranderen, doen ze aan politiek voor de uiterlijke kenmerken van de macht. Het is het één of het ander, hè!”

Guy Verhofstadt en Karel De Gucht: ‘Ik wilde als kind al premier worden. Als je op een racefiets kruipt, droom je er toch ook van de Tour de France te winnen?’ Beeld BELGA
Guy Verhofstadt en Karel De Gucht: ‘Ik wilde als kind al premier worden. Als je op een racefiets kruipt, droom je er toch ook van de Tour de France te winnen?’Beeld BELGA

‘NOOIT MEER, GUY!’

Wat was jullie grootste tekortkoming als premier?

Di Rupo: “Ik vind dat je nooit veeleisend genoeg kunt zijn – ik ben het ook voor mezelf – maar ik aanvaard het als mensen zeggen dat dat mijn grootste gebrek is. Ik ben chemicus van opleiding en wetenschappers kunnen zich geen fouten permitteren: als iets maar voor 99 procent juist is, is het niet goed genoeg. Ieder jaar neem ik mezelf voor minder controlerend en perfectionistisch te zijn, maar voorlopig slaag ik daar niet zo goed in (lacht).”

Michel: “Ik heb mijn hele leven veel te weinig aandacht aan marketing en communicatie besteed, omdat ik geloofde dat iedereen op het einde het resultaat van mijn werk wel zou zien. Dat was fout. Ik heb daardoor te veel ruimte gelaten aan mijn politieke vijanden. Als premier had ik veel meer aanwezig moeten zijn in de pers om het beleid van mijn regering uit te leggen en te verdedigen.”

De Croo: “Ik ben allergisch voor enge Wetstraatpolitiek, waarin alleen maar spelletjes worden gespeeld.”

Dat klinkt mij eerder positief dan negatief in de oren.

De Croo: “Ik kan me voorstellen dat sommige collega’s over mij zeggen: ‘De Croo is wel premier geworden, maar heb je hem al baanbrekende politieke opinies horen verkondigen?’ Dat is ook nooit mijn grote sterkte geweest. Om zulke dingen te doen, omring ik me graag met de juiste mensen. Ik ben op de eerste plaats een pragmaticus die graag in teamverband werkt.”

Wilmès: “Er zijn genoeg politici die graag in de media met hun vuist op tafel slaan, maar mij ligt dat niet. Ik ben nogal discreet. Als ik iets te zeggen heb tegen mijn collega’s, zal ik dat wel rechtstreeks doen.”

Sophie Wilmès: ‘Ik geloof niet dat iedereen die in de politiek stapt vroeg of laat premier wil worden. Ik heb nooit aan carrièreplanning gedaan.’ Beeld Hans Lucas via AFP
Sophie Wilmès: ‘Ik geloof niet dat iedereen die in de politiek stapt vroeg of laat premier wil worden. Ik heb nooit aan carrièreplanning gedaan.’Beeld Hans Lucas via AFP

Ook uw privéleven toont u zelden. Waarom?

Wilmès: “Als politica is mijn privacy het enige wat ik heb. En die is heilig. Het is niet omdat ik voor een publiek leven gekozen heb dat mijn familie voortdurend door de ogen van het publiek moet worden bekeken. Ik wil dat mijn kinderen zich op een normale manier kunnen ontwikkelen.”

Verhofstadt: “Ik heb politiek en privé ook altijd gescheiden gehouden. En ik heb nooit willen deelnemen aan die ontelbare oppervlakkige tv-programma’s die helemaal niet om je inzet en overtuiging draaien, maar die moeten laten zien hoe tof of empathisch je bent – op het televisiescherm, tenminste.

“Die afkeer is het gevolg van een desastreus televisieoptreden in 1982, toen ik pas partijvoorzitter was. Ik moest in een satirisch programma van Kurt Van Eeghem (‘Kurt & co’, red.) een man spelen wiens vrouw op bevallen stond en die hardhandig met de bureaucratie van het ziekenhuis in aanraking kwam. Dat was heel onnozel. Achteraf belde de toenmalige PVV-coryfee Frans Grootjans me en zei: ‘Guy, doe dat nooit meer! Ge zijt ne politieker, genen acteur.’”

Wat is de grootste ontgoocheling van jullie premierschap?

Eyskens: “Mijn premierschap had de duur van een dracht en is geëindigd met een miskraam. Ik heb dit nog maar zelden verteld, maar voor mij persoonlijk was het een tragische periode. Mijn moeder werd doodziek. Ik ging dagelijks na middernacht aan haar ziekbed zitten, maar ik had eigenlijk geen tijd om die laatste dagen bij haar te zijn. Op een middag – ik was in mijn ambtswoning aan het lunchen – kreeg ik telefoon van mijn vader (oud-premier Gaston Eyskens, red.). Hij zei met gesmoorde stem: ‘Moeder is overleden.’ Ik heb haar verloren zonder afscheid te kunnen nemen. En dat was de schuld van die verdomde politiek.

“Ik heb dan maar zelf beslist de stekker uit de regering te trekken, omdat ik het de moeite niet meer waard vond. Ik kon mezelf niet vergeven dat ik tijdens die laatste uren niet bij mijn moeder was geweest. Dat heeft mijn hele politieke carrière beïnvloed.”

Wilmès: “Wat mij het meest ontgoochelde, was dat er nog altijd collega’s waren die politieke spelletjes wilden spelen terwijl we met de grootste gezondheidscrisis van de voorbije honderd jaar werden geconfronteerd – op een gegeven moment stierven honderden mensen per dag. Daar kon ik echt niet bij.”

Leterme: “Voor mij was dat de affaire-Londers, waarin ik van belangenvermenging werd beschuldigd (Ghislain Londers, de toenmalige eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, lag in december 2008 aan de basis van het ontslag van Leterme I naar aanleiding van de zaak-Fortis, red.). Ik zat ook fysiek compleet aan de grond. Noem het maar gerust het grote zwarte gat, waarin toppolitici na hun carrière soms vallen. Na mijn ontslag als premier zat ik nog wel in de Senaat, maar die eerste maanden heb ik toch vooral mijn frustraties en verdriet herkauwd. Ik wilde weg uit de Wetstraat. Een paar goede vrienden hebben me erdoorheen gesleurd.”

Michel: “Ik vind het nog altijd bijzonder pijnlijk dat mijn regering er onvoldoende in geslaagd is een sterk antwoord te geven op het leed en de moeilijkheden van de slachtoffers en hun nabestaanden na de aanslagen in Zaventem en Brussel van maart 2016.”

Van uw regering blijft vooral het beeld van een kibbelkabinet hangen. Was dat geen ontgoocheling?

Michel: “Dat was ook pijnlijk. Voor het eerst sinds lang hadden we een ideologisch samenhangende centrumrechtse regering met dezelfde visie op de toekomst, de economische ontwikkeling en de sociale cohesie van België. Maar de Vlaamse partijen wilden zich permanent manifesteren, zelfs op details die nauwelijks effect hadden op onze socio-economische doelstellingen. Dat wekte ten onrechte de indruk dat de regering en de premier weinig stabiel waren.”

Di Rupo: “Ik heb vooral veel mooie momenten meegemaakt. Ik vond het geweldig toen ik in 2012 de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties voor het eerst als premier toesprak. Ontgoochelingen blijven bij mij zelden langer dan een paar uur hangen. Ik ontken niet dat ik na mijn premierschap erg teleurgesteld was toen de MR een regering vormde met de N-VA. Dat was vanuit democratisch oogpunt onaanvaardbaar. Ik vind het nog altijd ongelooflijk dat vijf jaar lang nauwelijks 25 procent van de Walen in de regering vertegenwoordigd was.”

U was liever premier gebleven?

Di Rupo: “Natuurlijk was ik ook na 2014 graag doorgegaan, maar ik ken de regels van het spel: ik besefte van bij het begin heel goed dat ik de zoveelste passant in de Wetstraat 16 was. Toen ik premier af was, heb ik probleemloos de sleutels aan Charles Michel overhandigd. Als het werk erop zit, moet je zonder bitterheid en met opgeheven hoofd afscheid kunnen nemen.”

Verhofstadt: “Het verleden bevat lessen en waarschuwingen, maar er zit weinig toekomstproject in. Dus daar ben ik niet bovenmatig mee bezig – ik geloof dat ik er nog wat te jong voor ben (lacht). Ik kijk liever vooruit.”

De ruzie met uw partijvoorzitter Karel De Gucht over het migrantenstemrecht was toch geen fraaie bladzijde uit uw premierschap?

Verhofstadt: “Ik dacht dat ik me als eerste minister niks hoefde aan te trekken van het migrantenstemrecht, omdat het parlement het zou behandelen. Dat was een inschattingsfout. Ik had die zaak van bij het begin in 2003 naar me toe moeten trekken, en had meteen moeten zeggen: ‘We gaan dat wel oplossen!’ Door dat niet te doen, stonden de coalitiepartners uiteindelijk met getrokken messen tegenover elkaar en werd dat dossier ook voor mijn eigen partij een nachtmerrie.

“Achteraf gezien was het dom van mij om Karel als partijvoorzitter tot opstappen te dwingen en zelf tijdelijk partijvoorzitter te worden, maar ook premier te blijven. De plooien zijn ondertussen gladgestreken, maar we hebben daardoor wel de verkiezingen verloren.

“Maar eerlijk gezegd is mijn grootste ontgoocheling nog altijd wat Wilfried Martens mij in 1988 heeft gelapt. Hij had me voor de verkiezingen beloofd dat hij met de liberalen verder zou regeren als we de verkiezingen wonnen. Dat deden we ook, maar hij koos voor de socialisten. Ik zie mezelf die bewuste ochtend nog in bed liggen. Mijn wekkerradio begon om 7 uur te spelen en het eerste hoofdpunt van het nieuws was dat Wilfried Martens met de socialisten ging regeren. Ik schrok zo dat ik bijna uit mijn bed viel. Ik was compleet verbijsterd.”

Elio Di Rupo en Bart De Wever: ‘Er was bij De Wever altijd de vrees dat de N-VA radicaler was dan haar kopstukken. En dat hij ten val kon komen als hij een compromis zou aanvaarden.’ Beeld Photo News
Elio Di Rupo en Bart De Wever: ‘Er was bij De Wever altijd de vrees dat de N-VA radicaler was dan haar kopstukken. En dat hij ten val kon komen als hij een compromis zou aanvaarden.’Beeld Photo News

WIJ EN DE WEVER

Iets helemaal anders: jullie hebben allemaal vroeg of laat moeten onderhandelen met een politicus die nog altijd geen premier is geweest, maar de voorbije jaren wel meer dan wie ook de politieke agenda bepaalde. Hoe was jullie relatie met Bart De Wever en zijn N-VA?

Leterme: “We hebben veel goede gesprekken onder vier ogen gevoerd. Bart was op die momenten ook altijd wat milder en voorzichtiger dan in formele vergaderingen. De onderhandelingen om in 2008 een regering te vormen vond hij een hel. Hij wilde er zo snel mogelijk van verlost zijn, en wilde vooral niet meeregeren. Hij zei ook altijd: ‘We krijgen dat met de beste wil van de wereld nooit door ons congres.’ Achteraf is gebleken dat hij wél van alles door zijn congres kreeg, maar ik denk niet dat hij zal zeggen dat ik me daar ooit kwaad of ontgoocheld over heb getoond.”

Wilmès: “Zolang de N-VA in de regering zat, was die partij een betrouwbare partner. Maar ik betreur natuurlijk dat ze de communautaire meningsverschillen oppookt. En omdat ze de hete adem van Vlaams Belang in haar nek voelt, verliest ze soms haar koelbloedigheid. Theo Francken heeft de regering-Michel in 2018 doen vallen over het Marrakech-pact. Daardoor is heel veel goed werk tenietgedaan.”

Is dat voor u ook nog altijd een ontgoocheling, meneer Michel?

Michel: “Ik ben nog altijd trots dat ik niet aan de druk van de N-VA heb toegegeven. Ik wilde de geloofwaardigheid van België niet in gevaar brengen omdat Theo Francken dat verlangde. Ik heb gewoon gedaan wat we hadden afgesproken: de regering – met inbegrip van de N-VA, trouwens – had beslist om het migratiepact goed te keuren.

“Ik vind nog altijd dat de N-VA toen een enorme strategische blunder heeft begaan. Dat is bij de verkiezingen van 2019 ook gebleken. Ik heb verschillende keren aan Bart De Wever en vicepremier Jan Jambon proberen uit te leggen dat ze Vlaams Belang – met de stembusgang in zicht – een ongelooflijk geschenk gaven. Maar voor Francken was dat pact een obsessie geworden. En hij was op dat moment de populairste politicus van Vlaanderen. Binnen zijn partij was hij almachtig.”

Meneer Di Rupo, u hebt misschien het langst met De Wever en de zijnen onderhandeld. Hoe was uw relatie met hem?

Di Rupo: “Ik heb heel veel tijd met Bart De Wever doorgebracht. Wij hebben veel aangename gesprekken gevoerd. Los van zijn ideeën is hij een buitengewoon interessante en minzame, belezen man. Maar er was bij hem altijd de vrees dat zijn partij radicaler was dan haar kopstukken. En dat hij ten val kon komen als hij een compromis zou aanvaarden. Dat maakte in mijn tijd elk akkoord onmogelijk.

“Maar goed, hij heeft vorige zomer een akkoord met mijn goede vriend Paul Magnette gesloten, een socialist die zo mogelijk nog radicaler is dan ik. Dat we er niet in geslaagd zijn om op basis daarvan een regering te vormen, lag aan MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez.”

Premier De Croo, komt het nog goed tussen u en Bart De Wever? Hij heeft ‘het grote verraad’ – dat jullie de N-VA overboord kieperden bij de laatste regeringsvorming – nog altijd niet verteerd.

De Croo: “Dat is politiek. Ik zie niet in waarom het van mijn kant niet goed zou komen. Er zijn wel meer momenten geweest waarop onze partijen andere keuzes hebben gemaakt. Het is hoog tijd dat politici wat minder drama maken. Je mag toch een politieke keuze maken zonder dat dat meteen als verraad wordt bestempeld? Dat taalgebruik: messen in de rug, kaakslagen, verraad… Jongens toch! Wat een overdreven pathetiek!

“Ik doe op een rationele manier aan politiek. Dat betekent: hard op de inhoud en zacht op de persoon. Dat levert minder politiek spektakel op, maar wat heeft dat politieke circus ons de voorbije jaren opgeleverd?”

Nog een slotvraag voor de Franstaligen: moet een Belgische premier tweetalig zijn?

Di Rupo: “Mijn vader is gestorven toen ik 1 jaar was. Mijn moeder kon lezen noch schrijven en sprak alleen Italiaans. Wij hadden thuis ook geen boeken. Onze blik op de wereld, maar ook op Vlaanderen, was beperkt. Ik ben chemie gaan studeren in het Frans en pas toen ik doctor was, begon ik me te interesseren voor literatuur, muziek en andere culturen. Als je daarmee pas op latere leeftijd in contact komt en dan nog een andere taal moet leren, is dat ontzettend moeilijk. Ik probeer altijd mijn best te doen, maar het spijt me dat ik het Nederlands onvoldoende beheers, ook al is dat hoofdzakelijk te wijten aan mijn sociale afkomst.”

Wilmès: “Ik ben de laatste om te zeggen dat mijn Nederlands perfect is. Dat is het niet. Uiteraard kan ik me beter en genuanceerder in mijn moedertaal uitdrukken, zoals de meeste mensen. Maar los van foute lidwoorden of zinsconstructies heb ik het altijd belangrijk gevonden om mensen aan te spreken in hun eigen taal. Daar ben ik als premier behoorlijk consequent in geweest.

“Ik ben op dat vlak trouwens ook behoorlijk mild. Ik waardeer het als mensen een inspanning doen. Het Frans van sommige van mijn Vlaamse collega’s is ook niet dat van Molière, maar ze doen hun best en we begrijpen elkaar. Dat is tenslotte het belangrijkste.”

Kris Hoflack, De premier, Borgerhoff & Lamberigts

null Beeld RV
Beeld RV

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234