Zondag 05/07/2020

Interview3 burgemeesters

‘De breuklijnen zijn minder scherp op lokaal niveau. Er is gewoon weinig ideologisch conflict’

Beeld Saskia Vanderstichele

Terwijl de burgemeesters in de Vlaamse dorpen massaal herverkozen werden, namen in Leuven, Gent en Hasselt precies één jaar geleden drie nieuwe burgemeesters hun intrek in het stadhuis. Met Mohamed Ridouani (40), Mathias De Clercq (38) en Steven Vandeput (52) kwam er voor het eerst een allochtoonse burgemeester aan het hoofd van een Vlaamse centrumstad, palmde een liberaal een socialistisch bastion in en joeg een Vlaams-nationalist de oppermachtige tsjeven naar de oppositie.

Van Mohamed ‘Mo’ Ridouani (sp.a) en Mathias De Clercq (Open Vld) wordt weleens gezegd dat ze, ondanks de verschillende partijen waartoe ze behoren, ideologische broers zijn. “We appreciëren elkaar, als mens en als politicus”, bevestigt De Clercq, zoals steeds met een hemelsbrede glimlach en een krokante Gentse ‘r’. “En het belangrijkste: we zijn allebei trotse vaders van twee kinderen.” Voormalig minister van Defensie Steven Vandeput (N-VA) bekijkt het jonge geweld van een afstand, zijn stijl is anders. Maar het besluit van de drie heren is na één jaar burgemeesterschap identiek: ze bekleden het mooiste ambt ter wereld.

De Clercq: “De verkiezingsavond staat voor eeuwig in mijn geheugen gegrift. Ik had mijn nek uitgestoken door zo expliciet campagne te voeren als kandidaat-burgemeester, en op die zondag werd steeds duidelijker dat de uitslag uitstekend zou zijn. Ik ben ’s avonds binnengekomen in een extatische zaal op de tonen van ‘Beautiful Day’ van U2. Dat was geweldig emotioneel. Voor mij, maar ook voor alle mensen die achter mij stonden. Ik heb toen tranen van geluk gezien. (toont arm) Kijk, ik krijg er nog steeds kippenvel van.”

Vandeput: “Gemeenteraadsverkiezingen zijn bijzonder. Je werkt maanden toe naar één moment, met een campagne voor een beperkte groep kiezers. In die paar uur op de verkiezingsdag wordt je lot bezegeld. Het is ontlading of teleurstelling. U zult mij niet snel betrappen op tranen of grote emoties, maar die verkiezingsavond was ook voor mij heel speciaal.”

Klopt het dat u van de doorgaans afstandelijke Bart De Wever een warme knuffel kreeg na de overwinning?

Vandeput: “(lachje) Het is niet van zijn gewoonte, maar ook voor hem is de climax van zo’n campagne emotioneel.”

Jullie zijn nu één jaar burgemeester. Hebben jullie nog tijd om te ademen?

De Clercq: “Het gaat soms hard. In de week is het werken van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, in het weekend zit ik gemakkelijk aan tien tot vijftien activiteiten.”

Ridouani: “De afwisseling spreekt mij enorm aan. ’s Morgens spreken op een academische zitting, ’s namiddags de kermis openen. En dui-zen-den handen schudden.”

De Clercq: “En klapkes doen op straat, met Jan en alleman. Ik ben een beetje een straatloper. (grijnst) Ik heb maar één afspraak waar ik niet van afwijk: op zondag ben ik vanaf 15 uur thuis. Dan begint mijn weekend. Eerst in het bos wandelen met het gezin, dan aperitieven we, eten we samen, lees ik mijn kinderen een verhaal voor en stop ze in bed. Dat zijn momenten om te koesteren.”

Vandeput: “Ik kan tegenwoordig thuis ontbijten, dat was vroeger onmogelijk. Als burgemeester moet je minder pendelen, want je werkt in je eigen stad. Maar ik denk niet dat ik nu meer slaap dan als minister. Het is er niet kalmer op geworden.”

Ridouani: “Ondanks mijn eivolle agenda breng ik mijn kinderen élke ochtend naar school. Samen opstaan, ontbijten en naar de klas.”

Doen jullie het nog graag?

De Clercq: “Absoluut. Ik vind het geen taak, maar een grote eer om burgemeester te zijn van mijn stad. Dat gevoel heb ik nog elke dag. Het is een voorrecht.”

Vandeput: “Ik ben het voorbije jaar geen enkele keer met tegenzin uit bed gestapt. Het is een verademing om de spelverdeler te zijn in plaats van één van de pionnen in een groter machtsspel. Ik neem zelf de toekomst van mijn stad in handen.”

Ridouani: “Wat mij verrast heeft, is dat ik voor velen geen politicus meer ben. Ik ben een publiek vertrouwenspersoon. In de ogen van de inwoners sta ik boven ‘het gedoe’.”

De Clercq: “(knikt) Dat was ook nieuw voor mij. Gentenaars spreken mij nu aan op straat om mij allerlei dingen toe te vertrouwen. Als schepen was dat al zo, maar als burgemeester is dat nog veel intenser. Ik vind dat menselijke mooi, en het is ook nodig in een samenleving. Vroeger zochten mensen de pastoor op, vandaag de burgemeester. Ik snap nu ten volle de betekenis van het woord ‘burgervader’. Al noemen mensen mij op straat eigenlijk gewoon ‘Mathias’. En bij u, ‘Mo’ waarschijnlijk? (lacht)

Ridouani: “Echt waar, ik word aangesproken als ‘burgemeester Mo’. Ik kan me inbeelden dat dat niet bij alle burgemeesters zo is.”

Vandeput: “Ik heb een andere stijl, denk ik, al mogen mensen mij gerust Steven noemen. (lachje) Ik kom graag onder de mensen, en ik vind het ook één van de mooiste aspecten aan de job. Maar de moppentapper op café ben ik niet. Ik ben niet zomaar de allemansvriend.”

De Clercq: “Ik ben onlangs op visite geweest in het kinderziekenhuis van het UZ Gent. De kinderen mochten hun held uitnodigen: een zanger, voetballer, komiek, wie dan ook. Eén van hen had mij uitgenodigd, de burgemeester. Dat was een bijzonder ontroerende ontmoeting. Voor zulke dagen ben ik enorm dankbaar.”

Was de sjerp omgorden jullie jongensdroom?

De Clercq: “Als kleine jongen wilde ik spits bij AA Gent worden, niet burgemeester. (lacht)

Ridouani: “Dat kan nog hè, je kunt nog doorbreken.”

De Clercq: “Neen, ze spelen te goed nu, de trainer zou mij nooit selecteren. (lacht)

“Bij mijn laatste verhuizing heb ik een boekje teruggevonden dat ik geschreven had als 12-jarige: ‘Naar een liberaal verhaal.’ Toen zat het dus al in mij, inclusief de sociale toetsen. Dat komt misschien van mijn bompa (Willy De Clercq, red.), maar je moet het toch zélf doen. Ik wil de dingen al mijn hele leven in gang zetten.”

Ridouani: “Ik ben de zoon van arbeidsmigranten, mijn komaf is bescheiden. Ik had wel al heel vroeg het gevoel dat de samenleving maakbaar is. Bij onrecht dacht ik: daar kunnen we toch iets aan dóén? Ik hielp al jong andere leerlingen, ik heb mijn studies zelf betaald door hamburgers te bakken in de Quick. De politiek voelt als thuiskomen voor mij.”

De Clercq: “Mijn directeur in het Lyceum zei dat ik in het middelbaar al de diverse strekkingen in de klas wilde verbinden. (lacht)

Vandeput: “Ik ben pas laat uit de bedrijfswereld in de politiek gerold. Ik had vooral interesse in de grote vraagstukken: Brussel, de begroting, het Vlaams-nationalisme.”

Doet het dan geen pijn dat u nu bezig bent met loszittende stoeptegels in Hasselt? Niet zo lang geleden ontving u als minister van Defensie president Trump.

Vandeput: “U zult het niet geloven, maar gesprekken met gemeenschapswachten of vrijwilligers in Hasselt betekenen voor mij meer dan een ontmoeting met Donald Trump.”

Dat is inderdaad moeilijk te geloven.

Vandeput: “Ik ben niet snel onder de indruk van plichtplegingen. Zo’n dag met een president is gevuld met stijfdeftige momenten, er is eigenlijk geen ruimte om een echte klik te maken. Dan praat ik liever op een buurtfeest met de vrijwilliger die de wijk proper houdt. Dat is veel menselijker.

“Ik heb wel met spijt in het hart afscheid genomen van mijn ministerpost, want ik deed het heel graag. Maar ik heb het lokale niveau leren appreciëren. Echt beleid vertrekt vanuit de stad.”

Wat was het lastigste moment van jullie debuutjaar in het stadhuis?

Vandeput: “De brand in Beringen van deze zomer waarbij twee brandweermannen het leven lieten. Ik ben als burgemeester ook voorzitter van onze hulpverleningszone, en die ramp heeft mij diep geraakt. Na de brand ben ik daar op bezoek geweest. Ik zag de film van de avond voor mijn ogen: onze brandweermannen die achterblijven in een brandend gebouw… Twee vaders. Verschrikkelijk. (stil) Ook de begrafenis heeft mij aangegrepen.”

De Clercq: “Dit jaar zaten we in Gent met zware spanningen tussen twee groepen rivaliserende jongeren, van Afghaanse en Turkse afkomst. Het bleef niet bij schelden, ze kwamen in een spiraal van geweld terecht. Niemand wist eigenlijk nog waaróm ze vochten, maar het bleef gebeuren. Ik ben zeer gevoelig voor geweld, ik kan dat niet zien. Dat heeft mij zwaar getroffen.

“We hebben iedereen samengebracht: politie, ouders, imams, jeugdwelzijn en die gasten. Ik heb die jongens lang toegesproken: ‘We zijn allemaal Gentenaars, en dit is niet hoe we met elkaar omgaan.’ Het heeft even geduurd, maar na een tiental minuten keken we elkaar recht in de ogen. Een zeer intens moment. Op het einde hebben we allemaal de hand van de persoon naast ons vastgenomen.”

Ridouani: “Dat meen je niet?”

De Clercq: “Toch wel. Sindsdien is de rust teruggekeerd. Je kunt die jongens de rug toekeren, maar je kunt de situatie ook oplossen door betrokken te zijn, mensen samen te brengen, er zelf tussen te gaan staan en ze te verzoenen.”

Ik dacht dat u over Kompass Klub zou beginnen. U besliste die nachtclub vier maanden te sluiten na een reeks overdosissen en de dood van een medewerker. Het kwam u op zware kritiek te staan van jong Gent, nochtans uw achterban.

De Clercq: “Dat was een zeer moeilijke, maar weloverwogen beslissing. Ik kreeg informatie van het parket, van de politie en van een spoedarts van het UZ die de alarmbel luidde. De club had een serieus probleem. Ik wist dat het geen populaire beslissing was, maar als burgemeester moet je grenzen stellen.”

Ridouani: “Je moet niet altijd achter de publieke opinie aanlopen. Je hebt toen de enige juiste beslissing genomen.”

Gent wordt een tweede Brugge, klinkt het soms.

De Clercq: “Dan zal Brugge nog veel boterhammen moeten eten. (lacht) Nee, het nachtleven is absoluut een verrijking voor onze stad, en Kompass Klub hoort gewoon thuis in Gent. Uit die crisis zijn oplossingen voortgekomen, dat is de essentie. De rechtszaak tegen de stad is ingetrokken.”

Vandeput: “Drugs zíjn een groot probleem in het uitgaansleven. Als burgemeester heb je de verantwoordelijkheid om jonge mensen te beschermen. Wij hebben Pukkelpop, een fantastisch festival dat een zeer jong publiek trekt. Mijn dochter van 17 ging er dit jaar ook voor het eerst naartoe, en als vader wil je dan vermijden dat er een gevoel van tolerantie tegenover drugs ontstaat. Daarom hebben wij ingezet op preventie, maar ook op controles. Soms is repressie nodig.”

Ridouani: “Klopt, maar een evenwicht is belangrijk. Leuven is een studentenstad, maar plots kreeg ik te horen dat ik vanwege overlast de horeca sluitingsuren moest opleggen. Elke schermutseling was plots voorpaginanieuws. ‘Neen, rustig’, zeg ik dan. Iedereen is welkom in Leuven, maar amokmakers kunnen nu een ‘rode kaart’ krijgen, een plaatsverbod. We pakken de overlast aan, maar ik heb liever dat studenten uitgaan op de Oude Markt dan elders in het centrum. Anders krijg je kotfeestjes in woonwijken. Soms voel je de druk. Dan is het zaak om je niet te laten leiden door de waan van de dag.”

Beeld Saskia Vanderstichele

U verdreef in Hasselt de christendemocraten van burgemeester Nadja Vananroye naar de oppositie, meneer Vandeput. De vorige coalitie ging ten onder aan conflicten. Herkenbaar voor u als ex-minister van het kibbelkabinet Michel I?

Vandeput: “(diplomatisch) Om goed te besturen moet je een team vormen. Dat heb ik inderdaad ervaren als regeringslid. Vandaag vormen we in Hasselt met de N-VA een coalitie met Open Vld en een groen-rood kartel. Na de verkiezingen heb ik voorgesteld om, nog vóór we gingen praten over het bestuursakkoord, op teambuilding te gaan. We hebben met de negen schepenen voor twee dagen een huisje gehuurd in Voeren. Dat heb ik zelf op poten gezet.”

Zou dat geen goed idee zijn voor de federale regeringsvorming?

Vandeput: “(lacht) Het is niet omdat je samen een maaltijd nuttigt, dat je een team bent. Kijk, je hoeft als politici geen vrienden te zijn, maar je moet elkaar wel respecteren.”

De regering-Michel I viel na veel geruzie, en intussen zitten we al een jaar in lopende zaken. De antipolitieke gevoelens tieren welig. Voelen jullie dat ook?

De Clercq: “Niet iedereen is cynisch. Op nationaal niveau en op tv lijkt dat misschien zo, maar wij voelen de hoop op straat. Mensen helpen elkaar met de boodschappen of houden hun wijk proper: wij ondersteunen dat, wij zien dat.”

Ridouani: “Wij hebben het project ‘Leuven, maak het mee’ gelanceerd, waarbij we alle Leuvenaars gevraagd hebben om zelf ideeën voor onze stad te bedenken. We hebben duizenden ideeën binnengekregen, uit alle lagen van de bevolking. Als je inwoners betrekt, creëer je vertrouwen.

“Je kunt de indruk krijgen dat de politiek dood is, dat België onbestuurbaar is. Maar dan vergeet je dat het lokale niveau de motor is voor positieve veranderingen. In de steden worden moedige keuzes gemaakt. Denk aan de circulatieplannen in Gent en Leuven. Dat ís niet eenvoudig, dat stuit op weerstand, maar na een tijdje voel je dat de mensen het omarmen.”

Vandeput: “(knikt) De vorige stadsbesturen hebben investeringen in de binnenstad steeds uitgesteld omdat ze bang waren voor de kiezers: de werken zouden de mensen wegjagen uit Hasselt. Wel, je moet vandaag eens in onze binnenstad komen: één grote werf. (glimlacht) We hebben gepraat met de middenstand, we hebben campagnes opgestart om mensen te informeren, en er komt nog steeds volk naar Hasselt.”

De Clercq: “De sleutel is altijd: samenwerken, luisteren en mensen verbinden. (lacht) Maar ik zie het je al denken: komt hij nu wéér af met zijn verbinding en optimisme?”

Goed dat u het zelf zegt. U en meneer Ridouani nemen graag de woorden ‘samen’, ‘fierheid’ en ‘verbinding’ in de mond, maar soms klinken die termen nogal hol.

De Clercq: “Het is méér dan een discours, die taal maakt deel uit van ons project en onze visie op de mens. We willen de boel bijeenhouden. Gent is divers, alle Gentenaars zijn anders, maar we horen er allemaal bij. Daarom open ik mijn speeches altijd met ‘beste Gentenaars’. Die twee woorden oogsten telkens applaus, of het nu op een nieuwjaarsreceptie is of bij de sikhgemeenschap.”

Ridouani: “Mensen nemen de houding van politici over. Er zijn partijen en politici die een discours van angst en verdeling gebruiken om populair te worden, maar de effecten zijn navenant. Zo creëer je wantrouwen in de samenleving.”

Bij de gemeenteraadsverkiezingen behaalde Vlaams Belang op sommige plaatsen een monsterscore. Maar in Leuven werd een burgemeester met allochtone roots verkozen.

Ridouani: “Ik was 11 op de beruchte zwarte zondag van 1991. Ik was toen bang, ik was ervan overtuigd dat wij onze valiezen zouden moeten pakken. Op de BRT kon het Vlaams Blok nog filmpjes uitzenden met vliegende tapijten, met de boodschap dat wij naar Marokko moesten terugkeren. Ik voelde mij toen erg bedreigd.

“Dat een zoon van arbeidsmigranten burgemeester kan worden, is een prachtig teken van hoop. Zeker omdat extreemrechts elders sterk scoorde, is de boodschap belangrijk: ongeacht je afkomst kun je je dromen waarmaken.”

Geloven kleine Mo’s dat ook?

Ridouani: “Ja, dat voel ik. Onlangs bezocht ik een schooltje in de sociale woonwijk Sint-Maartensdal, met meer dan tachtig nationaliteiten. ‘Spreek jij echt Marokkaans?’, vroegen die kindjes me. Je zag de fonkel in hun oogjes. ‘Ik kan ook burgemeester worden. Ik kan ook iets.’”

In Leuven haalde Vlaams Belang niet eens 4 procent, in Gent en Hasselt ongeveer 8 procent. Waarom bleef de winst in jullie steden beperkt?

Vandeput: “Analyses wijzen uit dat sommige burgers altíjd ontevreden zijn, altíjd kwaad. Ik denk dat je die mensen lokaal beter kunt bereiken. Burgers kennen de burgemeester en de schepenen, wij spreken hun taal en praten over de wijken die ze kennen. Het vertrouwen in het lokale niveau is groter.”

De Clercq: “Vlaams Belang-stemmers zijn heus niet allemaal fascisten, maar je moet die mensen wel bereiken. Dat doe je door in alle wijken te komen, door ze een houvast te geven. Ik ben ervan overtuigd dat onze aanpak het tegengif is voor extremisme: samenwerken, niet diaboliseren en duidelijke beleidskeuzes maken. Daar kan de nationale politiek nog iets van leren.”

Ridouani: “(knikt) Een stad als Leuven heeft een burgemeester die Mohamed heet: hét bewijs dat diversiteit niet meteen leidt tot wantrouwen. De oplossing ligt in een combinatie van een verzoenend discours en een krachtdadig veiligheidsbeleid. Het veiligheidsgevoel in steden als Leuven en Gent ligt boven de 90 procent. Dat heeft ook te maken met hoe politici praten over samenleven. Je ziet dat Vlaams Belang vaak sterker wordt in steden met heel weinig kleur.

“Het beleid op federaal en Vlaams niveau is nu al een tijdje rampzalig. Enerzijds wordt angst gezaaid en worden steeds dezelfde groepen in de samenleving geviseerd. Anderzijds worden er veel te weinig middelen gestopt in veiligheid en justitie, in zorgvoorzieningen en integratiebeleid. Dat is hét recept om Vlaams Belang-stemmers te creëren. Het gros van de bevolking is níét tegen gecontroleerde migratie en integratie, maar door te spreken over ‘chaos’ en ‘vluchtelingenstromen’ creëer je angst.”

U haalt uit naar de N-VA.

Ridouani: “Die partij heeft een verantwoordelijkheid. De N-VA heeft Vlaams Belang gevoed en heeft het nu niet meer onder controle.”

Vandeput: “Ik vind dat nogal cynisch. Onze partij bedenkt realistische oplossingen voor reële bezorgdheden van mensen, zoals migratie.”

Ridouani: “Ja, maar met onnodige angstzaaierij en polariserend taalgebruik. Je ziet dat de N-VA stemmen verliest aan Vlaams Belang.”

Vandeput: “En jullie aan de PVDA. Extreme partijen winnen wereldwijd, ook hier. Ze voeden de boosheid van mensen door met onrealistische oplossingen te komen. Die partijen worden daar nooit op afgerekend omdat ze geen beleidsverantwoordelijkheid op zich willen nemen. En verantwoordelijke politici krijgen dan de volle laag.”

Ook jullie, als burgemeesters?

Ridouani: “De bagger komt dagelijks binnen. Mathias en ik waren met Sinterklaas nog ‘de doodgravers van de Vlaamse tradities’. (lacht)

De Clercq: “(toont gsm) Vlaams Belang heeft een advertentie gemaakt met Mohamed en mij als roetpieten. Ik heb toen berichten gekregen... Gortiger wordt het niet.”

Ridouani: “‘We gaan u afmaken’, kreeg ik onlangs te lezen. Dat komt serieus binnen, maar ik zet mij daarboven.”

Vandeput: “Je kunt niet anders. Ik trek mij op aan de zeldzame, individuele mail: ‘Bedankt, burgemeester. Onze kinderen fietsen nu veiliger naar school.’ De stilzwijgende massa staat achter jou, maar die mensen hoor je niet op Facebook.”

Hét stedelijk probleem van de komende jaren is de wooncrisis. Een huis kopen wordt onmogelijk voor jonge gezinnen, en de hoge huurprijzen drijven de lage inkomensgroepen de stad uit. Of erger nog: richting regelrechte krotten, zoals in Leuven.

Ridouani: “De arrestatie van vader en zoon Appeltans, de beruchte kotbazen, was voor mij de grootste opluchting van het jaar. De familie Appeltans is in Vlaanderen hét symbool van de uitbuiting van de allerzwaksten. Zij maken misbruik van de problemen op onze woonmarkt.

“Maar de beelden en verhalen van erbarmelijke woonomstandigheden raken iedereen, ook mij. Het is cruciaal dat we de onderkant van de woonmarkt opkuisen.”

In jullie steden staan duizenden mensen op de wachtlijst voor een sociale woning. In de tussentijd zijn ze aangewezen op de dure privémarkt. Waar blijven de sociale woningen?

De Clercq: “Wij investeren massaal in wonen: 92 miljoen euro. En dat is ook nodig. Dat geld gaat onder meer naar nieuwe sociale woningen, renovatie en betere dienstverlening.”

Vandeput: “Hasselt doet ook wat het kan. Er is urgentie.”

Ridouani: “Wij hebben ons bestaande patrimonium gerenoveerd en bouwen 618 extra sociale woningen. Dat is voor een stad als Leuven zeer veel.”

Maar is het voldoende, als er vierduizend Leuvenaars op de wachtlijst staan?

Ridouani: “Daarom moeten we ook naar andere oplossingen zoeken voor de lage en middeninkomens. Het is de grote paradox: als je het goed doet als stad, trek je bewoners aan en wordt wonen duurder, waardoor sommigen in de problemen komen.”

Vandeput: “Hasselt is het voorbije decennium gegroeid met 700 inwoners per jaar. Het resultaat? Wonen wordt veel duurder. Zeker omdat onze huurmarkt bijna onbestaande is. Wie naar onze stad komt, koopt. Jonge gezinnen worden verdreven door de hoge huurprijzen. Op een bepaald moment hebben projectontwikkelaars het beleid in onze stad bepaald. Hasselt werd gewoon volgebouwd. Als stad moet je de regie in handen nemen.”

De Clercq: “(knikt) Ruimtelijk beleid is de kern. We moeten meer in de hoogte bouwen, compacter, met meer verwevenheid van functies. Met daarrond voldoende publieke ruimte. Stad bijmaken, maar ook vrijmaken. Dat doen we in Gent. Je kunt niet alléén maar sociale woningen bouwen. Al ben ik tevreden dat Vlaanderen daarvoor centen voorziet.”

Dan is er nog die andere uitdaging: het klimaat. Je hoort steeds vaker dat niet de landen of regio’s onze toekomst zullen redden, maar de steden.

De Clercq: “Ik denk dat het duidelijk is dat de echte klimaatambitie in de steden zit. Gent heeft een circulatieplan, een luchtkwaliteitsplan, een klimaatplan, een voedselstrategie... De sterkte van steden is dat alles er samenkomt: ideeën van de burgers, ambitieuze ondernemingen, universiteiten, en politici die niet bang zijn van hun eigen schaduw. Ik denk dat Europa steden in de toekomst nog meer moet omarmen, want voor de Green Deal (het klimaatplan dat de Europese Commissie onlangs voorstelde, red.) hebben ze ons nodig. Steden zouden een plek moeten krijgen in de Europese besluitvorming.

“Deze maand heeft Gent van de Verenigde Naties een klimaatprijs gekregen voor onze projecten om voedselverspilling tegen te gaan. We hielpen kleine initiatieven groeien, maar pakten verspilling ook structureel aan. Dát bedoel ik.”

Beeld Saskia Vanderstichele

Klinkt mooi, maar ook in Gent en Leuven was de kritiek op de circulatieplannen stevig.

De Clercq: “Die angst is begrijpelijk: elke verandering brengt vraagtekens met zich mee. Maar moet je daarom blijven stilstaan? Wij hebben met het stadsbestuur voortdurend de vinger aan de pols gehouden. Wat zien we nu? Er gebeuren minder ongevallen, het aantal fietsers is gestegen, de luchtkwaliteit verbeterd, en het aantal starters boomt.”

Ridouani: “Wij hebben nu 44 procent meer fietsers en 20 procent minder wagens.”

Vandeput: “Ook in Hasselt zoeken we naar manieren om het verkeer anders te laten circuleren. Dat is even wennen voor wie al dertig jaar dezelfde route neemt naar de supermarkt, maar veranderingen wennen. Zeker als je het goed uitlegt.”

Ridouani: “Op Vlaams niveau staan we niet ver genoeg. Eén van dé oplossingen voor de klimaatcrisis in Vlaanderen is een renovatiegolf om onze woningen beter te isoleren. Maar je kunt de burgers niet vragen dat zelf te financieren. Europa investeert nu al, terwijl Vlaanderen de verplichte energierenovatie net afschaft.”

De Clercq: “De klimaatplannen van minister Zuhal Demir bevatten enkele goede elementen, maar het kan veel ambitieuzer. Ik pleit voor een klimaatpact tussen Vlaanderen en de steden. Vlaanderen moet de projecten die uit de stad komen een boost geven, onder andere met meer geld. Dan kunnen we samen de Europese doelstellingen halen.”

Vandeput: “Ik kan moeilijk zeggen dat ik ontevreden ben met de klimaatplannen van mijn partijgenote. (lacht) Ik volg het pleidooi voor meer samenwerking tussen Vlaanderen en de gemeenten. Maar laten we toch de betaalbaarheid van al die projecten in het achterhoofd houden. Wij bouwen een turnhal in Hasselt die volledig energieneutraal moet zijn. ‘Dat verdien je terug via de energiefactuur, toch?’ Ik heb daar mijn twijfels over. Een warmtepomp terugverdienen via de energiefactuur is als modaal gezin haast onmogelijk. Het moet allemaal betaalbaar blijven. En de overheid kan geen geld tevoorschijn toveren.”

Op lokaal niveau lijkt iedereen groener dan groen te zijn. Ook uw coalitie in Hasselt.

Vandeput: “Ik denk dat iedereen die vandaag bekommerd is om zijn omgeving een aantal groene accenten legt. Maar je hoeft daar niet religieus in te worden. Als je meet dat de luchtkwaliteit slecht is, zijn er geen duizend oplossingen. Hasselt was bij de eersten om straten verkeersvrij te maken. In de straten waar zwakke weggebruikers nu extra ruimte hebben, is geen leegstand meer. Dat is het punt: je kunt compromissen maken. Groen, goed voor de handel én voor onze gezondheid.”

Halleluja. Waarom kan lokaal wat federaal ondenkbaar is?

Vandeput: “De breuklijnen zijn minder scherp. Een circulatieplan is goed voor onze gezondheid, voetgangersvriendelijke straten lokken volk en eigenlijk wil níémand nog dat we de schaarse open ruimte in Vlaanderen aansnijden. Er is gewoon weinig ideologisch conflict. Op lokaal vlak moet je vooral goed besturen. Terwijl op federaal niveau ruziemaken soms wordt beloond.”

© Humo

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234