Donderdag 24/10/2019

Monster van de Macht

"Dat Leterme me 'Vervotje' noemde, vond ik erg ongepast"

Inge Vervotte: ‘Ik heb altijd bewust een zekere zakelijkheid gehanteerd, als tegenwicht voor dat etiket van ‘jong, licht en soft’. Beeld Thomas Sweertvaegher

Heeft Inge Vervotte (39) meer macht nu ze minister af is en gedelegeerd bestuurder is van een van de grootste zorgorganisaties van het land? ‘Ik heb nu meer bewegingsvrijheid om initiatief te nemen.’

Eigenlijk vindt Inge Vervotte macht een vies woord. “Macht is het vermogen om je wil op te dringen aan anderen. Een machtsrelatie is per definitie een ongelijke relatie. Daarom moet in een democratie tegenover macht altijd een tegenmacht staan.”

Die nogal negatieve definitie verbaast van iemand die al op jonge leeftijd de politieke top wist te bereiken – Inge Vervotte was 26 toen ze minister van Welzijn werd – en vervolgens vlot doorgroeide tot gedelegeerd bestuurder van Emmaüs, een social-profitorganisatie van 24 zorginstellingen. De facto leidt Vervotte een bedrijf dat met zijn tewerkstelling, omzet en ­kapitaalwaarde tot de grotere ondernemingen van het land behoort. In de luwte is ze dus nog altijd best wel ‘machtig’.

Waarom dan zo huiveren bij het benoemen van die macht? Omwille van Donald Trump, ­antwoordt ze. “Sinds Trump ben ik dieper gaan nadenken over machtsuitoefening in een democratisch bestel. Precies om de persoonlijke obsessies van één zo'n leider te vermijden, is er altijd een tegenmacht nodig.”

Moeten we in België bang zijn voor ­ongecontroleerde macht?

Inge Vervotte: “De scheiding der machten werkt naar behoren; er zijn inspraakprocedures op alle niveaus. Het punt is dat wij die stabilisatoren soms als hinderlijk ervaren. Als absolute macht het alternatief is, weet ik het wel. Geconcentreerde macht is de grootste vijand van de vrijheid.

“Niets is voor altijd verworven. Democratie is geen water dat vanzelf uit de kraan loopt. Je moet dat met z’n allen willen. Dat is de paradox: je kunt perfect democratisch beslissen om de democratie af te schaffen.

“Sinds Trump zouden we toch beter moeten weten en beseffen hoe broos ons bestel is. Dat is ook het thema van het theaterstuk Para van David Van Reybrouck (KVS): met de beste bedoelingen kunnen mensen in een bepaalde context toch hun boekje te buiten gaan. Dat zijn geen on-mensen. Het kan ons allemaal overkomen.”

'Iemand die macht heeft, moet zich er niets van ­aantrekken dat hij zich de slechte naam van ­wreedheid op de hals haalt' (Machiavelli, De heerser, XVII, 1)

Wat leert u dat over uw eigen macht?

“Ik hoop van mezelf dat ik macht in die absolute zin zo weinig mogelijk gebruik. Ik hoef een ­discussie niet per se te winnen; ik wil er liever wel van bijleren.”

Functioneerde u ook zo als minister?

“Iets minder, eerlijk gezegd. (lacht uitbundig) Toen ik op die stoel mocht gaan zitten, wilde ik toch vooral zo veel mogelijk realiseren. De dingen moesten vooruitgaan. Als ik daar nu op terugkijk, was het goed dat er toen mechanismen speelden die de dadendrang wat afremden. Beleid mag niet teveel afhangen van de dada van de minister.”

De administratie is de tegenmacht van de ­minister?

“Ambtenaren zijn de civil servants bij uitstek, maar beleid mag ook niet de illusie van neutraliteit en onvermijdelijkheid wekken. Je doet aan politiek vanuit een visie op mens en samenleving. Dat impliceert dat er altijd ook een andere visie ­mogelijk is.

“Dat heb ik soms gemist op het Vlaamse niveau, waar op een erg zakelijke manier aan politiek gedaan wordt. Alsof we het altijd allemaal eens zijn met elkaar en een ministerieel besluit uit een wetenschappelijk laboratorium komt. Toen ik federaal actief werd (vanaf 2007, red.), kreeg ik meer dat weldadige gevoel van botsing van ideeën.”

Leve het kibbelkabinet?

“Politieke meningsverschillen zijn niet vies, ze zijn juist de essentie van een democratie. Maar ­uiteindelijk moet er wel beslist worden en ­vooruitgegaan worden.

“De Vlaamse regering neigde soms naar een technocratisch model, waarbij ervan uitgegaan wordt dat rapporten en experts het enig mogelijke antwoord formuleren op een maatschappelijke kwestie en dat de overheid dat dan maar uit te ­voeren heeft. Dat is een gevaarlijke visie op ­democratie. In een democratie is er nooit maar één optie. De juiste volgorde is: eerst de visie van de experts, en dan het politieke debat.

“Gezondheidszorg is bij uitstek een waardegedreven debat. Als experts alles zouden beslissen, zouden er veel mensen overboord gaan. Dan ­herleid je de samenleving tot een zakelijk contract. Het is niet moedig om ontmenselijkte, anonieme beslissingen te nemen. Politieke moed is je medemens in de ogen kijken om de lastige beslissingen die hem aangaan te verdedigen.”

Een lastige beslissing in uw sector is welke therapieën terugbetaald worden en welke niet. Dan is het toch goed dat experts met criteria komen?

“Maar de politieke vraag blijft: hoeveel geld zijn wij als samenleving bereid te besteden aan gezondheidszorg?

“Bij Emmaüs hebben wij een ethicus in dienst. Hij moet erover waken dat ook de ethische ­aspecten van een beslissing mee afgewogen ­worden, bijvoorbeeld bij euthanasievragen. In het parlement wordt altijd rationeel en principieel over euthanasie gediscussieerd. De praktijk op het terrein is veel genuanceerder en emotioneler, met veel dossiers die niet zo overzichtelijk zijn. Dat zijn behoorlijk zware ethische debatten.”

Beeld Thomas Sweertvaegher

Zeker in een christelijke organisatie als de uwe. U zou ook euthanasie kunnen weigeren.

“Wij willen mensen helpen in alle angsten en fases van het leven. Als mensen bij dat allerlaatste loketje willen aankloppen met een hulpvraag, gaan wij niet zeggen: ga nu maar op een ander. Wij zijn daar erg open over. Als mensen bij ons in een woon-zorgcentrum worden opgenomen, wordt al meteen samen met de familie het mogelijke levenseinde besproken. Mensen moeten zo'n beslissing in alle vrijheid en veiligheid, zonder druk van wie dan ook, kunnen nemen.

“Wij bieden zorg aan vanuit een waardekader van solidariteit, gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid. Ook als je het met minder middelen moet doen, moeten die waarden centraal blijven staan.”

Zal niet elke organisatie dat van zichzelf ­zeggen?

“Emmaüs biedt een breed scala aan zorginstellingen. De moeilijkste doelgroepen gaan wij juist opzoeken. Wij werken bijvoorbeeld met mensen met de zwaarste handicaps. Wij hebben een initiatief genomen voor de opvang van niet-begeleide minderjarige vluchtelingen. Hier in Mechelen hebben we ook een nieuwbouw gezet om jongeren op te vangen die uit een gesloten instelling komen, maar nog verdere begeleiding nodig hebben.”

Volgens Mieke Vogels, in een eerder Macht-interview, bent u in uw huidige positie ­‘machtiger’ dan toen u minister was.

“Meer bewegingsvrijheid: ja. Ik heb nu meer mogelijkheden om sneller initiatieven te nemen. Natuurlijk zijn er altijd begrenzingen, maar binnen dat kader kunnen wij redelijk vrij beslissingen nemen. In de regering ligt dat anders.

“Ik ben altijd een loyaal minister geweest. Binnen de partij mopperden ze dan wel eens dat ik mij meer moest profileren, maar ik heb me altijd aan het regeerakkoord willen houden. Dat beperkt het speelveld. Maar als je dan iets beslist als minister, is de impact wel groter. Met één actieplan rond suïcide heb je natuurlijk een veel groter bereik dan met een initiatief bij Emmaüs.”

Hebt u weleens gedacht in uw huidige functie: 'Wat heeft die Vervotte als minister toch ­allemaal beslist, zeg.'

“Constant. (lacht) Dat is het mooie aan mijn loopbaan tot dusver. Ik heb alle kanten van de onderhandelingstafel al gezien. Ik heb aan de werknemerszijde gezeten, aan de overheidszijde en nu aan de werkgeverszijde. Al die perspectieven ­volgen hun eigen ratio. Ik heb het voordeel dat ik al die verschillende ratio’s ken en begrijp.”

Welk ‘werkgeversstandpunt’ is een nieuw inzicht voor u?

“De overheid heeft nogal de drang om alles te ­willen beheersen en sturen. Zo beperk je vrij ­initiatief. Het gevolg is dat vele initiatiefnemers ook te snel naar de overheid kijken om hun ­problemen op te lossen.”

Op welk punt zou u graag meer vrijheid willen?

“Neem de oproepen voor aanbestedingen die de overheid tegenwoordig uitschrijft. Dat gaat gepaard met een dik lastenboek. Eigenlijk komt het erop neer dat de regering de goedkoopste oplossing wil, en wil garanderen dat er toch minimale kwaliteit geleverd zal worden. Dat is wat gebeurd is bij het Forensisch Centrum voor geïnterneerden in Gent. Wij hebben toen beslist om niet mee te dingen naar die exploitatie, omdat we dat lastenboek te beperkend vonden. En blijkbaar verloopt de werking nu niet geheel probleemloos. Ik begrijp dat. Met die beperkingen is het moeilijk om adequate zorg te verlenen.

“In plaats van al die verstikkende regeltjes hadden wij liever doelstellingen gezien. Wat wil je als overheid bereiken met die kwetsbare doelgroep? Wat is je dat waard? Nu gaat het enkel over wie de goedkoopste service kan leveren.”

Voelt het vreemd aan om nu de stem van de ondernemer te vertolken?

“Ik verkies het woord ‘initiatiefnemer’. Wij ontplooien initiatieven op terreinen waarop mensen met zorgvragen zitten. Je zou dat ook ‘dingen maken’ kunnen noemen, ja. Wij ‘maken’ welzijn. Meer dan macht geeft dat een gevoel van onmacht. Wij kunnen niet antwoorden op heel wat zorgvragen die zich aandienen.

“Het mooie, maar soms ook het frustrerende voor onze medewerkers is natuurlijk dat je met mensen werkt. Je kunt niemand dwingen om geholpen te worden. Als hulpverlener ben je te gast in het leven van de zorgbehoevende. Niet andersom. Mensen zijn geen gasten in ons ­ziekenhuis, wij zijn te gast in hun leven. Als je mensen jarenlang zo goed mogelijk verzorgt, moet er vertrouwen zijn.

“En dan moeten er middelen zijn. De ­enveloppe die de overheid ons nu toeschuift is onvoldoende om het niveau van zorg te handhaven dat wij zouden willen.”

We wonen in een welvarend land dat ­behoorlijk wat middelen reserveert voor gezondheidszorg. Toch blijven er wachtlijsten. Hoe komt dat toch?

“Welvaart zegt niet alles over ons welzijn. De kwaliteit van onze onderlinge relaties daalt. We moeten weer met z’n allen leren gelukkiger te worden. Dat is ook een politieke uitdaging. Mensen willen weer eigenaar worden van hun tijd, ze willen de regie over hun leven weer in ­handen nemen.”

Beeld Thomas Sweertvaegher

U meent dat we onze problemen weer meer onderling moeten oplossen, in plaats van op de gemeenschap rekenen?

“Neen. We moeten echt niet terugverlangen naar de tijd dat we tegen mensen zeggen dat gezinszorgen hun probleem zijn. Als je een kind hebt met een zware handicap, dan is dat óns probleem, als samenleving. Dan moet je als collectief zeggen: wij komen je helpen.”

Dat is toch de definitie van mantelzorg: doe het zelf.

“We moeten voorzichtig zijn met dat pleidooi voor meer mantelzorg. Dat komt nét binnen bij die mensen die vandaag reeds al het mogelijke doen, en bij die anderen komt dat niet binnen.

“Je hebt mensen die zelf per se de zorg voor de zware handicap van hun kind op zich willen nemen. Wij moeten dan zeggen: laat dat kind toch eens een dag bij ons, of een weekend. Die mensen hebben dan soms een schuldgevoel. Het is niemands plicht om alleen die last te dragen. De draagkracht van de mens is niet groot genoeg om dat lijden alleen op te pakken.”

'Iemand die wat men doet verwaarloost voor wat men zou moeten doen, gaat eerder zijn ondergang dan zijn redding tegemoet' (Machiavelli, de heerser, XV,1)

U bent zelf minister van Welzijn geweest, ook u hebt het probleem van de wachtlijsten niet ­kunnen oplossen.

“Wachtlijsten kun je niet oplossen. Zeker niet als je een systeem hebt zoals in Vlaanderen waar je heel vroeg in kaart brengt waar eventuele zorgvragen zijn. Dat is geen wachtlijst, dat is een registratiesysteem. Wachtlijsten zijn een ‘politiek’ probleem, ze zijn handig om een minister onder druk te zetten, maar ze zijn geen weerspiegeling van reële noden.”

Er zijn mensen die jarenlang moeten wachten voor ze zorg krijgen.

“We zien ondertussen een heel gedifferentieerd beeld, zowel qua regio als qua zorgvraag. Maar ik ben het niet eens met het beeld dat gecreëerd wordt dat bijvoorbeeld de wachtlijsten voor personen met een handicap vol zouden staan met mensen die dringend hulp nodig hebben.

“Ik ben voorstander van een systeem waarbij mensen zich al kunnen laten registreren zonder een onmiddellijke vraag, zoals in de ouderenzorg. Het geeft mensen juist zekerheid dat ze gehoord zullen worden. In de meeste landen bestaat dat registratiesysteem niet en dus zijn er officieel geen wachtlijsten. In Vlaanderen hebben we een uitgebouwd kwalitatief zorgaanbod. De noden evolueren wel en dus zullen we moeten heroriënteren. Niet makkelijk, want dan ga je tegen sommigen moeten zeggen: een ander heeft het nu meer nodig.”

U doet alsof er geen mensen zijn die al jaren op de wachtlijst staan en niet geholpen worden.

“Dat is gedeeltelijk wel juist omdat er mensen zijn met heel complexe problematieken waarvoor er weinig of zelfs geen aanbod is. Of we hebben zelfs een aanmeldingsstop meegemaakt in de centra geestelijke gezondheidszorg. In Vlaanderen ­proberen we alle noden tijdig in kaart te brengen en op zo veel mogelijk een antwoord te bieden. Zulke ‘wachtlijsten’ zullen nooit verdwijnen, maar elke regeerperiode wordt het zorgsysteem wel beter en verfijnder.

“De wachtlijsten verkleinen is niet zo moeilijk. Als minister had ik perfect kunnen zeggen dat iedereen die het aanbod krijgt, dat moet aannemen of van de wachtlijst geschrapt wordt. Je zou de lijst nogal zien krimpen dan. En journalisten zouden me dan daarom een goede minister ­vinden. Terwijl ik eigenlijk mensen in de kou zet. Is het dat wat we willen?”

Volgens Mieke Vogels gaat er te veel geld naar de instellingen en te weinig naar de ­zorgvragers.

“Vroeger was er niet eens zorg voor personen met een handicap. Kinderopvang idem. Als je van niets vertrekt, is het logisch dat je begint met van alles op te bouwen. Economisch gezien is het rationeel om dat gegroepeerd te doen. En daardoor krijg je een ‘sector’ en een aanbod. Nu komen we in een tijd waarbij we bedden afbouwen en omzetten in ambulante zorg. Dat kan nu, juist omdat we die zorg gecollectiviseerd hebben. Laten we blij zijn dat dat verworven is.

“Ik deel de analyse niet dat het goedkoper wordt als we zorg buiten de muren gaan aanbieden omdat je dan in een een-op-een-zorgrelatie werkt. Maar ik ben het volledig eens dat we de zorg zo veel mogelijk moeten organiseren in de thuissfeer. Dé vraag is dus: welke behoeften willen wij beantwoorden als samenleving en hoeveel geld willen we daar tegenover zetten?”

Mieke Vogels bedoelt dat er te veel geld blijft plakken bij de instellingen.

“Al onze centen gaan naar zorg, naar investeringen in nieuwe projecten. Ik keer niets uit aan een ­aandeelhouder. Ik zal het zeggen met de woorden van mijn bedrijfsrevisor: ‘Inge, uw marge is flinterdun’. En dan zeg ik: ‘Ja, maar dat is ook mijn maatschappelijke opdracht’. (lacht) Onze opdracht is niet zo veel mogelijk winst maken.”

Wat sommigen lastig vinden, is dat de Vlaamse welzijnssector nogal eenkleurig is. Namelijk: christelijk.

“Ik werk veel samen met openbare besturen. Wij hebben zelfs met een openbaar ziekenhuis een fusie aangegaan. Onze koepel Zorgnet is nu gefuseerd met Icuro, de vroegere koepel van de openbare ziekenhuizen. In de praktijk is de ontzuiling een feit geworden. Initiatiefnemers vinden elkaar over kleuren heen, net zoals de verschillende mutualiteiten. Mensen denken misschien dat er een christelijke lijn is, maar ik stel vast dat ­mutualiteiten samen veel meer aan één zeel ­trekken. Zoals dat ook geldt voor de ziekenhuizen.”

Beeld Thomas Sweertvaegher

Maar de minister van Welzijn, Jo Vandeurzen, is een ACW-kameraad van u. Dat is toch een ­voordeel?

“Minister Vandeurzen en zijn kabinet staan open voor alle initiatiefnemers, ongeacht hun kleur. Het werkt daar niet van ‘gij komt binnen en gij niet’. Jo Vandeurzen is Trump niet.” (lacht)

Toch horen we dat jullie vaak bellen om af te stemmen.

“Ik bel niet elke dag met de minister. Zorgnet-Icuro is mijn onderhandelingspartner voor de minister.”

Hoe bent u eigenlijk in de welzijnssector gerold? In 2004 was u nog teleurgesteld omdat u minister van Werk wilde worden.

“Ik zag Welzijn eerst niet zitten. Net omdat CD&V daar zo’n thema van had gemaakt, met de ­wachtlijsten als mikpunt. Ook toen al had ik het daar moeilijk mee.

“Ik heb destijds als nieuwe minister heel Vlaanderen doorkruist. Dat was een wereld die open ging. Ik ging heel vaak naar instellingen uit de gehandicaptensector. Zo groot voel je je nog als je daar weer buiten stapt. Je weet dan plots weer waarvoor je moet vechten.”

Vond u het dan niet jammer dat u na drie jaar al naar het federale niveau moest verhuizen?

(aarzelt) “Dat was een politieke keuze. In de ideale wereld was het logisch geweest dat ik mijn mandaat op Welzijn had uitgedaan. Maar ik was een trouwe partijsoldaat en heb me loyaal geschikt naar wat de partij van mij verlangde.”

Maar toen de kans voorbijkwam, keerde u terug naar de zorg.

“Ik werk graag vanuit een geraaktheid. De mens in nood, dat is wat mij raakt.”

En dus vluchtte u uit de politiek.

“Het was niet de plezantste periode in de Wetstraat. We rolden van de ene vallende regering in de andere. Dan krijg je het gevoel: waar ben ik eigenlijk mee bezig? In lopende zaken krijg je de opdracht om zo weinig mogelijk te doen. Een ­verschrikkelijke periode. Je zit op een stoel met verantwoordelijkheid maar je mag niets doen.

“Na het ontslag van de regering-Leterme (2008, red.) heb ik beslist om niet in de regering-Van Rompuy te stappen. Toen heeft iemand me gecontacteerd van Emmaüs met de vraag om lid te worden van de raad van bestuur. Zo heb ik de organisatie leren kennen, en toen de voorzitter met pensioen ging hebben ze me gevraagd om zijn functie over te nemen. Als je zo’n aanbod krijgt, en je zit al te twijfelen...”

Jammer voor de politiek, u was nog jong toen u er alweer uitstapte.

“Ik móest niet weg uit de politiek. Maar ik was wel ontgoocheld in hoe het er toen aan toeging.

“Anciens uit de partij zeiden me: ‘Je hebt pech, Inge, dat je nu toevallig in deze specifieke periode in de politiek terechtgekomen bent.’”

'Omdat de fortuin een vrouw is, staat ze vooral op goede voet met jonge mannen, aangezien die minder voorzichtig en meer agressief zijn, en haar met meer brutaliteit naar hun hand durven zetten.' (Machiavelli, De heerser, XXV, 9)

In haar nieuwe boek schetst oud-minister Jacqueline Galant een ontluisterend beeld van de Wetstraat.

“Ik wist dat jullie er over gingen beginnen. (lacht) Ik meen te begrijpen dat ze aanklaagt dat in het politieke spel de mens soms niet telt. De Wetstraat kan soms een serieuze test voor je geloof in menslievendheid zijn. Daar heb ik het altijd moeilijk mee gehad.

“Mensen die soms te veel meegaan in een partijpolitieke drive, kunnen veel kapotmaken. Je maakt deel uit van een partij, maar je bent verkozen als volksvertegenwoordiger. Ik heb ooit tegen een collega van N-VA in het parlement gezegd: ‘Kijk hier eens rondom u. Dat zijn de mensen die gaan stemmen voor uw voorstellen. Steek dat in uw hoofd.’ Ik bedoel: je kunt niet de hele tijd tegen iedereen zeggen hoe slecht ze zijn, en daarna zeggen: ik heb een leuk idee, willen jullie daarvoor stemmen? Je kunt alleen maar resultaten boeken door samen te ­werken, zeker in de politiek.”

Galant had het ook over seksisme. Klinkt dat ook bekend in de oren?

“Grenzen worden niet alleen afgetast in de politiek. Ik heb nooit ervaren dat als je een grens aangaf, die niet gerespecteerd werd. Ik heb geleerd dat je daar als vrouw niet onduidelijk mag over zijn.”

Het gaat ook over intimidatie.

“Intimidatie, ook tegenover mannen, is nog steeds een veel gebruikte tactiek. Dankzij mijn opvoeding ben ik gelukkig niet vatbaar voor intimidatie. Dat is ook een van de redenen waarom ik zo jong aan de onderhandelingstafel kon zitten bij Sabena. Onderhandelingen gaan over hoe je met druk kunt omgaan. En dat wordt dan uitgetest. Intimidatie zit in die testkoffer.”

U had alles tegen: u was jong, mooi en een vrouw.

“Doordat ik jong in de arena ben geduwd, heb ik geleerd daar zo weinig mogelijk een thema van te maken. Ik wist dat zo’n imago makkelijk kon ­doorschieten, en dus heb ik het de anderen niet gemakkelijk proberen te maken door dat zelf te gaan uitspelen. Ik heb altijd bewust een zekere zakelijkheid gehanteerd, als tegenwicht voor dat etiket van ‘jong, licht en soft’.

“De eerste keer dat ik bij Sabena aan de onderhandelingstafel zat, werd ik door een journalist als perswoordvoerder aangesproken. Ik zei hem dat ik zelf onderhandelaar was. Maar die man geloofde dat niet en in het nieuws noemde hij me op antenne ‘de woordvoerster van het ACV’. (lacht) Dat was toen een heel duidelijk signaal voor mij.”

De ene keer werd u een babe genoemd, en de andere keer non. Er is nooit neutraal over u bericht.

“Ja, dat krijg je dan als je voorzichtig blijft. Dan schiet dat door naar het andere. Het heeft me nooit gehinderd in mijn werk.”

Hebt u ooit Yves Leterme aangesproken omdat hij u ‘Vervotje’ noemde?

“Ik was stomverbaasd toen Yves me zo noemde in volle persconferentie. Dat vond ik heel ongepast, en het heeft me lang achtervolgd. Ik werd zelfs door journalisten zo aangesproken. Niet leuk.”

Hoe ging u om met die verantwoordelijkheid bij Sabena? De welvaart van duizenden mensen lag in uw handen.

“Op dat moment word je volledig gedreven door verontwaardiging. Op school hebben ze ooit tegen mijn ouders gezegd dat ik het nog ver zou brengen als ik mijn emoties onder controle zou krijgen. Ik was het daar totaal mee oneens! (lacht) Je moet niet op een emotionele manier reageren, maar een emotie kan wel een drijfveer worden.

“Bij Sabena was er verontwaardiging, maar ook verdriet en woede. Woede omwille van een collectief welzijn zorgt voor vooruitgang. Het faillissement konden we niet meer tegenhouden, maar we konden wel maken dat de mensen nog een deftig sociaal plan hadden. En dat we nog activiteiten overhielden zodat er een nieuwe luchtvaartmaatschappij opgebouwd kon worden. We hadden dus iets om voor te vechten. Het is een intense periode geweest, waar ik zoveel uit geleerd heb. Wat angst en onzekerheid doet met mensen.”

Zit die vakbondsvrouw nog altijd in de ­werkgeefster die u nu bent?

“Ik heb altijd, ook als syndicaliste, gekeken naar het belang van het geheel en van de onderneming. Ik ben nooit van de klassenstrijd geweest. Mochten werknemers en ondernemers meer samenwerken, bijvoorbeeld om de lasten op arbeid te verlagen, zouden we veel verder raken.”

Beeld Thomas Sweertvaegher

Vindt u dat de vakbonden te snel het conflict opzoeken?

“Ik begrijp sommige van hun breekpunten niet. Wat is er nu zo schandalig aan flexibiliteit? Meer flexibiliteit is ook in het medewerkers­belang, uiteraard in verhouding met een correcte arbeidstijd. Geef dan toch het vertrouwen aan het lokaal overleg om daar verstandig mee om te gaan.

“We moeten wel opletten met de aanvallen op het stakingsrecht. Als je sommige politici bezig hoort, is élke staking een schande. Waarom zou je niet op straat mogen komen als de regering iets beslist dat tegen je belangen ingaat? Maar wel eerst praten en onderhandelen. Ik ben er geen voorstander van om, wanneer je nog rond de tafel zit, al acties te voeren.”

Waarom is het zo bon ton om de vakbond af te vallen?

“Dat is tactiek. Omdat de vakbond een goed georganiseerde, geïnstitutionaliseerde tegenmacht is. Een tegenmacht die dus effectief is in de ­verdediging van de belangen van zijn leden. Voor sommigen is het primaat van de politiek absoluut, met het parlement als enige tegenmacht. In ons particratisch model lijkt mij dat onvoldoende.”

Heeft die evolutie bij N-VA u verbaasd?

“Dat was nooit een punt van discussie. Dat kartel was een verstandshuwelijk maken om één gemeenschappelijke agenda door te drukken: de staatshervorming. Dat bond ons. We wisten heel goed van elkaar dat er daarnaast grote verschillen in maatschappelijke visie waren.”

Het kartel was een kwestie van opportunisme.

“Dat is zo’n kartel toch altijd? En dat is ook door de kiezer geapprecieerd. Veel mensen hebben toen op ons gestemd omdat zij die staatshervorming ook belangrijk vonden. Wij zijn erin geslaagd om dat op de agenda te zetten, jammer genoeg hebben we dat niet samen kunnen afronden.” (glimlacht)

Was dat een vergissing achteraf?

“Het was onze enige reële kans. Ik ben nooit de communautaire scherpslijper geweest, maar op dat moment was dat een logische keuze.”

U hebt daarmee wel de N-VA groot gemaakt.

“Dat is het herschrijven van de geschiedenis. Als we erin geslaagd waren om samen die staatshervorming te realiseren, hadden de verhoudingen er nu anders uitgezien. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt ook in Franstalig België. Wij wilden die communautaire claim inlossen, zodat er weer goed bestuurd kon worden. Dat was geen N-VA-dictaat, velen bij CD&V wilden dat toen ook.”

Hebben topfuncties u veranderd?

(aarzelt) “Ik denk dat het heel naïef zou zijn om te denken dat al die ervaringen je niet kleuren als mens. Ik heb altijd geprobeerd om mijn persoonlijke integriteit zo veel mogelijk te bewaken. (twijfelt) Maar het zou onnozel zijn om te denken dat ik dezelfde Inge was geweest als ik al die tijd leraar was geweest.”

U mist de schijnwerpers niet?

“Blij dat ik daar van af ben. Publiek figuur zijn was nooit mijn ambitie.

“Ik vond het niet fijn om constant in verkiezingsmodus te zitten. Sommige kiezers zien een verkiezing als een ruilhandel. Ze zeiden me dan: ‘Ik heb voor u gestemd, dus gij moet nu voor mij dit doen’. Ik heb het daar altijd moeilijk mee gehad. Tijdens verkiezingen kun je moeilijk een gesprek van mens tot mens hebben. Als politicus word je dan herleid tot een middel. Ik ben blij dat ik nu weer gewone gesprekken kan voeren met de mensen. (lacht)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met De Morgen?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van De Morgen rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234