Theaterrecensie

Oerversie van Verdi’s opera in Parijs: Een schizofrene Don Carlos

4 Don Carlos © RV/Agathe Poupeney

Met een topcast en een geraffineerde orkestuitvoering had de opvoering van de originele versie van Verdi’s Don Carlos bij de Opera van Parijs de belevenis van het jaar kunnen zijn. Overbodige regiekunstjes van Krzysztof Warlikowski verbrodden echter het feest. Niet voor het eerst.

Don Carlos was de vierde opera waarvoor Verdi inspiratie haalde bij Friedrich von Schiller. Diens Don Karlos, Infant von Spanien (1787) is een oeverloos lang stuk over de Spaanse politiek in de 16e eeuw. Het ontwikkelt parallel twee plotlijnen. Er is het persoonlijk drama van Don Carlos, de zoon van de Spaanse koning Filips II. Die moet toezien hoe zijn geliefde, prinses Elisabeth, om staatsredenen uitgehuwelijkt wordt aan zijn vader.

Op de achtergrond is er de strijd van de Vlamingen tegen de Inquisitie. Zijn vriend Rodrigo vecht voor die Vlaamse zaak. Na de moord op Rodrigo kiest Don Carlos de kant van de Vlamingen, ten koste van zijn liefde voor Elisabeth. Voor Schiller was dat historische gegeven een aanleiding voor een bezinning over vrijheid en engagement.

4 Don Carlos © RV/Agathe Poupeney

Verdi volgde hem daarin, maar concentreerde zich wel op amoureuze en persoonlijke intriges. Zelfs dan duurde de eerste versie uit 1866 nog zo’n vier uur. Hij schreef die op vraag van de Opera van Parijs, met een Frans libretto. Pas later volgde een kortere, Italiaanse versie. In de nieuwe uitvoering in de Opéra grepen regisseur Krzyzstof Warlikowski en dirigent Philippe Jordan terug naar die oerversie.

Feest voor de oren

Het resultaat is een schizofrene productie. Voor de oren een festijn, als visueel spektakel een miskleun. Aan Jordan ligt het niet: hij stofte de partituur grondig af en laat zijn orkest schitteren in een donker gekleurde, rijk gedetailleerde, lyrische uitvoering. Die staat efficiënt ten dienste van een buitengewone cast.

Sopraan Sonya Yoncheva geeft met veel pathos een stem aan de droevige koningin Elisabeth. Mezzo Elina Garanča overklast haar echter met haar levendige interpretatie van de onberekenbare Prinses Eboli. Tegenover dat duo staan een voortreffelijke Jonas Kaufman en Ludovic Tézier als Don Carlos en Rodrigo. Maar ook alle andere rollen zijn bijzonder goed bezet.

4 Don Carlos © RV/Agathe Poupeney

Muzikaal brengt Jordan de 19e eeuw, met zijn voorliefde voor pathetische dramatiek en bevlogen idealen zo helemaal tot leven. Het koor speelt daarbij, als Verdi’s oerversie van de ‘wall of sound’, een sleutelrol. Als stem van het volk of als expressie van de verdrukking door Vorst en Kerk walst het over het orkest heen om de zaal te laten daveren van de grote emoties.

Eye candy

Maar dan de regie. In Verdi’s tijd kon theater maar waarachtig zijn als het de historische periode getrouw evoceerde. Warlikowski en zijn vaste scenografe en eega Małgorzata Szczęsniak maken er echter hun handelsmerk van om die te negeren. Recent turnden ze zo Pelléas et Mélisande van Claude Debussy nog om van middeleeuwse sprookje tot een soap uit de jaren 1930, met Mélisande als straatmadelief.

Bij deze Don Carlos grijpt hij minder doortastend in. Maar toch. Houthakkers in de eerste akte voert hij op als een volksmassa uit de jaren 1930. De projectie van strepen en vlekken over het podium suggereert dat we historische filmbeelden zien. Een riante tuin in de tweede akte wordt een turnzaal waar vrouwen aan schermkunst doen. De kettingrokende prinses Eboli blijkt na ‘Chanson du voile’ geïnteresseerd in de gravin van Aremberg. Enzovoort.

4 Don Carlos © RV/Agathe Poupeney

Wat die alternatieve beelden en subplots betekenen, Joost mag het weten. Het procedé is natuurlijk bekend: het regisseurstheater van de jaren 1980 maakte er zelfs een sport van om stukken te ‘actualiseren’. Maar als het goed was brachten die ingrepen ook een nieuwe kijk op het stuk voort.

Zo niet bij Warlikowski: zijn ingrepen zijn intellectuele ‘eye candy’. Ze suggereren een diepzinnigheid die er niet is. Toch heeft die zijn belang. Ze leidt de aandacht af van het feit dat de acteerregie quasi onbestaand is. Zelfs bij de meest intense scènes staan de zangers er bij als houten klazen, ondanks de emotionele finesse van hun zang. De enscenering voegt daar niets aan toe, hoe hard ze ook roept dat ze ‘de hedendaagse relevantie’ van het werk toont.

Maar de muziek is top.

Nog tot 11/11 in Opéra Bastille (Parijs) 

nieuws

cult

zine