column
Ann De Craemer

Woorden kunnen kapstokken voor ons verdriet zijn

#WoordVanDeWeek

Elke week kiest onze taalcolumniste Ann De Craemer het #WoordVanDeWeek. Dat kan een actueel woord zijn, een hip nieuw woord, een woord dat een snaar raakt, een totaal vergeten woord of een woord dat allang had moeten bestaan. Deze week: nijg.

Ann De Craemer. ©Eric De Mildt

Vandaag wilde ik het eerst hebben over een woord dat ik gisteren ontdekte: de ‘rijenradar’. Dat Amsterdamse initiatief maakt het toeristen mogelijk om online en in realtime te checken hoelang de wachtrijen van tien musea en attracties in de Nederlandse hoofdstad zijn.

Share

Vorige vrijdag stierf mijn lievelingstante en ik ontdekte dat als je iets meemaakt wat je hart doorboort, ook je taal in het hart wordt getroffen

Over de kunst van het wachten en over hoe de rijenradar illustreert dat we die stilaan verleerd zijn – dáárover wilde ik schrijven. Ik zou er ook ‘friemelspeelgoed’ bij betrekken, een woord waarbij ik eerlijk gezegd meteen dacht aan call- en andere boys & toys, maar het blijkt om speeltjes te gaan die mensen helpen om hun stress de baas te kunnen. Over de kunst van het wachten en over hoe dat wachten ons kennelijk ondraaglijk veel ongeduld bezorgt dat we als volwassenen met speelgoed moeten bestrijden: dáárover zou dit stuk gaan.

Zei ik woensdag. Zei ik donderdag. Zei ik tot drie uur geleden. Maar het ging niet. Vorige vrijdag stierf mijn lievelingstante en ik ontdekte dat als je iets meemaakt wat je hart doorboort, ook je taal in het hart wordt getroffen. In de schatkist van het Nederlands vond ik niet de juiste woorden om mijn verdriet te omschrijven, maar tegelijk merkte ik dat sommige woorden zich naar voren wurmden, misschien omdat ze me hielpen om het afscheid minder zwaar te doen wegen. Het gaat om woorden die herinneringen aan mijn tante oproepen ­— woorden die ze zelf vaak gebruikte en waaraan ik concrete beelden en verhalen kan koppelen. Misschien zijn die woorden kapstokken waaraan ik de mantel van mijn verdriet even kan achterlaten.

Nijg is zo’n woord dat de voorbije dagen vaak door mijn gedachten danste en me door mijn tranen heen deed glimlachen. Het was een woord dat ik als klein meisje van mijn tante leerde. In de jaren zestig was ze met haar man vanuit Tielt naar Antwerpen getrokken, en vanaf dan werd haar West-Vlaamse dialect doorspekt met Antwerpse termen. Naast bijvoorbeeld errebezen (aardbeien) was nijg daar één van. Het West-Vlaamse stif voor ‘hard; zeer; veel’ verdween geruisloos uit haar taal en werd vervangen door nijg. Dat ik nijg veel moest eten, zei ze wanneer ze boterhammen met preparé op tafel zette. Dat het nijg schoon weer was, merkte ze op zodra de zon scheen. Dat ze nijg content was wanneer ik bij haar langsging telkens als ik voor mijn boeken in Antwerpen moest zijn.

‘Nijg’, aldus het woordenboek, is een samentrekking van ‘nijdig’, en nijdig in de betekenis van ‘vurig’ of ‘vinnig’ was ook precies hoe mijn tante was. Als ze me iets heeft geleerd, dan is het dat je nijg graag moet leven. Toen haar enige kind en zoon zes jaar geleden stierf in een motorongeval, kreeg haar levenslust een knauw van jewelste. De leegte die hij achterliet, leek nog het meest op een gapende krater, maar ik zag hoe ze er alles aan deed om niet te worden opgeslokt. ‘Elke avond sinds hij er niet meer is, heb ik gehuild’, zei ze vaak tegen mijn moeder. Maar de ochtend nadien trok ze zichzelf weer overeind en wandelde ze met haar rollator naar de kapper of ging ze met boezemvriend Robert een koffie drinken in ’t deurp.

Share

Het begin van een zin werd steeds vaker gevolgd door ‘ik weet het niet meer’. De taal had haar verlaten

De voorbije maanden versluierde een vage mist haar altijd glasheldere gedachten. De laatste keer dat ik haar zag, duwde ik haar voort in haar rolstoel. Ik denk niet dat ze nog écht wist wie ik was. Plots, net toen ze leek in te dommelen, zei ze: ‘Is dat nu niet erg dat we allemaal moeten sterven? Ik heb daar zo’n schrik voor. Ik hoop dat ik niet moet afzien.’ En dan, alsof ze zich bijna schuldig voelde dat ze de dood ter sprake had gebracht, zei ze, vol zelfrelativerende humor en terwijl ze haar hand op haar hoofd legde: ‘Ik heb wel nog altijd nijg schoon haar, hé.’ En ze lachte.

Het was een van de laatste zinnen die ze tot me richtte. Iemand die ik nijg graag heb gezien, is niet meer. Ik troost mezelf met de gedachte dat haar gehoor de laatste weken razendsnel achteruitging, en ze misschien deels daardoor ook zelf nog amper haar woorden kon vinden. Het begin van een zin werd steeds vaker gevolgd door ‘ik weet het niet meer’. De taal had haar verlaten. Voor iemand die zo graag tetterde als mijn tante, was een leven zonder woorden waarschijnlijk geen leven meer.

Ik weet het vandaag ook allemaal even niet, maar ik weet wel dat wanneer iemand sterft die je nijg graag hebt gezien, je de leegte kunt opvullen met de woorden die ze als zaadjes in je hart hebben geplant.

Of nee: als errebezen.