Opinie
Ariane Bazan e.a.

Psychisch lijden is nooit banaal

Ariane Bazan is hoogleraar Klinische Psychologie, Université Libre de Bruxelles (ULB). Gertrudis Van de Vijver is gewoon hoogleraar Moderne Wijsbegeerte en Wetenschapsfilosofie, Universiteit Gent. Willem Lemmens is hoogleraar Ethiek en Moderne Wijsbegeerte, Universiteit Antwerpen. Maarten Van Dyck is hoofddocent Kennisleer en Wetenschapsgeschiedenis, Universiteit Gent. Jasper Feyaerts is klinisch psycholoog, Universiteit Gent. De auteurs spreken in eigen naam, niet in naam van hun respectievelijke instellingen.

1 ©THINKSTOCK
Share

Kliniek is empathie, ja zeker, maar het is ook doordachte empathie en van daaruit zachtjes uitnodigen tot een ander perspectief

"Banaliseer psychisch lijden niet" schrijven Johan Braeckman en anderen, als reactie op onze open brief, en dit is ongeveer het best mogelijke resultaat dat we konden verhopen. Het is de kern zelf van ons betoog.

Het onderscheid objectief/subjectief zoals dit in de reactie van Braeckman e.a. wordt verdedigd, moet echter worden genuanceerd. Psychisch lijden is uiteraard een subjectieve ervaring, zoveel is duidelijk, maar een psychische aandoening is steeds meer dan enkel subjectief. De manier waarop ze gerelateerd is aan objectieve factoren is echter anders dan bij lichamelijke aandoeningen. Zo is er geen weefselschade, geen aantoonbaar aftakelingsproces in de hersenen: je kan op een autopsie niet zien of iemand depressie had of niet, je kan dat wel voor dementie.

Maar, in tegenstelling tot wat onze critici suggereren, tonen hersenscans wél veranderingen bij bijvoorbeeld depressie. Heel belangrijk nu is dat deze veranderingen functioneel en dynamisch zijn: ze hangen af van het moment waarop de scan genomen wordt. Ze hebben dus niet het onomkeerbaar karakter van weefselschade. Hierin ligt het fundamentele verschil met het subjectieve lijden bij lichamelijke aandoeningen: onderliggend aan dat lijden, kan je wel een onomkeerbaar proces objectief vaststellen.

Wie in een depressie stort, valt ten prooi aan het reële gevoel van perspectiefloosheid. Daartegenover tonen kliniek en onderzoek dat zelfs een opeenvolging van ernstige depressieve episodes niet noodzakelijk impliceert dat het lijden uitzichtloos is.

Stel dat iemand zegt: "Ik heb op alle gebieden in mijn leven gefaald, professioneel, persoonlijk, familiaal", en de therapeut denkt er anders over op basis van precieze elementen die eerder aangehaald zijn door de patiënt. Is de enige manier om dan niet paternalistisch of betweterig te reageren: "Ja, U heeft gelijk." ? Nee, de therapeut zal zowel gehoor geven aan de realiteit die de patiënt beleeft en tegelijk voorzichtig andere invalshoeken voorstellen. Kliniek is empathie, ja zeker, maar het is ook doordachte empathie en van daaruit zachtjes uitnodigen tot een ander perspectief. Hier geldt de klinische ethiek: de realiteit van het gevoel van uitzichtloosheid ontvangen en bevestigen, zonder te verzaken aan de plicht om ook de horizon van andere mogelijkheden na te gaan.

Share

Psychisch lijden niet banaliseren, betekent precies dit: rekening houden met de eigenheid ervan

Psychisch lijden niet banaliseren, betekent precies dit: rekening houden met de eigenheid ervan. Het verloop van een kanker is onverschillig voor de manier waarop de oncoloog luistert en spreekt. Onderzoek toont aan dat, bij mentale problemen, de band tussen patiënt en therapeut de doorslaggevende factor is voor het succes van de behandeling. Dat is de fundamenteel andere realiteit van mentale ziektes: de mentaal lijdende patiënt hangt essentieel vast aan de woorden van de therapeut maar de kanker trekt zich niets aan van wat de oncoloog zegt.

Dit brengt ons tot de kern van de ethische grond van de euthanasiewetgeving: de centrale plaats van de waarde van autonomie.
Getuigenissen van euthanasieën bij psychisch lijden tonen dat patiënten op het laatste ogenblik nog wel eens vragen: "U bent toch zeker, he, dokter dat er niets meer kan gedaan worden om mij te helpen?", of nog "U heeft toch gezegd dat mijn ziekte ongeneeslijk is, he, dokter?" (zie bijv. het geval van Christophe; Knack, 22.10.2014).

Dit toont op welke manier de wil van de patiënt niet zomaar autonoom en onverdeeld is en ondubbelzinnig uitgedrukt kan worden. De autonomie van een patiënt erkennen kan je enkel door in rekening te brengen op welke manier de wil steeds verdeeld is en peilt naar het verlangen van de ander. De patiënt wordt net veel mondiger als hij het brede spectrum van zijn verdeelde wil kan verkennen, met de steun van de therapeut die hem daartoe blijvend uitnodigt. De rol van de therapeut is dus nooit die van een neutrale expert die enkel vaststelt wat de keuze van de patiënt is.

Uiteraard stelt deze problematiek zich bij elke keuze voor euthanasie, maar bij lichamelijke aandoeningen is er een ondubbelzinnige inperking door de objectief vast te stellen onomkeerbaarheid. Net deze cruciale inperking ontbreekt hier. Daarom zijn we bezorgd over de manier waarop de wet aan de arts een positie van medisch expert toekent voor iets wat in eerste instantie met intermenselijke verhoudingen te maken heeft. Het debat van euthanasie op grond van psychisch lijden alleen kan niet zomaar beslecht worden door te verwijzen naar de deugd van zorgvuldigheid en de waarde van autonomie. Meer nog, het is net omwille van het belang van autonomie als centrale waarde dat we erg voorzichtig moeten omgaan met de uitzonderingspositie die we aan experts toekennen in onze wetgeving.

Ook wie diep geeft om het recht op zelfbeschikking zou gevoelig moeten zijn voor deze bezorgdheid.

nieuws