Opinie
Jan Vandemoortele

Nieuwe millenniumdoelen ontkennen de realiteit van extreme ongelijkheid

Jan Vandemoortele is doctor in de ontwikkelingseconomie. In 2001 was hij mede-ontwerper van de Millenniumdoelen.

1 Een sloppenwijk in Manila, de hoofdstad van de Filipijnen. ©AFP

Afgelopen zondagavond, na twee en een half jaar onderhandelen, keurden de VN-lidstaten de 17 duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG's) goed, die samen 169 streefcijfers omhelzen.

Een overeenkomst is lovenswaardig, toch schieten de ontwikkelingsdoelen tekort op drie essentiële vlakken.

1. Ze vertrekken van een verkeerd uitgangspunt

Share

Het is perfect mogelijk dat de armste 40 procent snellere groei ervaren dan het nationale gemiddelde, en dat de ongelijkheid toch toeneemt, door een uitholling van de middenklasse

De overeengekomen tekst stelt: "Armoedebestrijding is de grootste mondiale uitdaging". Het allereerste streefcijfer voor 2030 is om "extreme armoede uit te roeien voor alle mensen overal, gemeten als minder dan 1,25 dollar per dag". Maar is dit uitgangspunt geldig? Vele wetenschappers en experten beweren van niet.

Robert Shiller, Nobelprijswinnaar in economie, zegt het heel categorisch: "Het belangrijkste probleem waarmee we geconfronteerd worden nu, vandaag, is de stijgende ongelijkheid". The Economist schrijft: "De toenemende ongelijkheid is een van de grootste sociale, economische en politieke uitdagingen van onze tijd". Verschillende andere stemmen beweren hetzelfde, en toch houden de SDG's het bij armoedebestrijding.

Alhoewel de doelen ongelijkheid vermelden, doen ze dat heel oppervlakkig. Het streefcijfer over ongelijkheid wil een inkomensgroei bereiken "voor de armste 40 procent van de bevolking die hoger ligt dan het nationale gemiddelde."

Om echt over ongelijkheid te spreken moet het streefcijfer het hele inkomen spectrum bestrijken, niet enkel de laagste 40 procent. Het is perfect mogelijk dat de armste 40 procent snellere groei ervaren dan het nationale gemiddelde, en dat de ongelijkheid toch toeneemt, door een uitholling van de middenklasse. Kortom, de prioriteit van de SDG's op extreme armoede is een ontkenning van de huidige realiteit van de extreme ongelijkheid. Een agenda die zich richt op extreme ongelijkheid zal eveneens extreme armoede aanpakken.

2. Wereldwijd maar niet universeel

Share

Voor rijke landen is het handiger om zich te concentreren op de extreme armoede, honger, kinder- en moedersterfte

Het wordt vaak beweerd dat de SDG's een universele agenda omvatten; en dat het niet langer gaat over een betuttelende agenda opgezet door de landen in het Noorden voor de landen in het Zuiden. Maar globale streefcijfers zijn onvoldoende om tot een universele agenda te komen.

Neem voeding, bijvoorbeeld. Een agenda die werkelijk universeel is zou zich niet enkel bezig houden met ondervoeding maar ook met overgewicht en obesitas - een groeiende uitdaging voor de volksgezondheid wereldwijd. Maar de SDG's spreken helemaal niet over overgewicht of obesitas. Het zou naïef zijn te denken dat dit te wijten is aan een onoplettendheid. Rijke landen zijn (nog) niet bereid om zich te verbinden tot een ware universele agenda. Voor hen is het handiger om zich te concentreren op de extreme armoede, honger, kinder- en moedersterfte. Met andere woorden: de betutteling van het zuiden door het noorden is de wereld nog niet uit.

3. Ze zijn onmeetbaar

Het succes van de MDG's kan men toeschrijven aan drie "b's": begrijpbaar, beknopt en becijferbaar. Een globale agenda kan niet bondig en tegelijk alomvattend zijn.

Om het meetbaar te houden moeten streefcijfers een zekere mate van objectiviteit hebben; wat niet het geval is voor de meeste SDG's. Solide gegevens zijn immers de laatste verdediging tegen een beleid dat louter gebaseerd is op ideologie.

De Franse econoom Thomas Piketty eindigt zijn (dik) boek Le Capital au XXIe siècle met de zin "Le refus de compter fait rarement le jeu des plus pauvres".

nieuws

cult

zine