Opinie
Marnix Beyen

Het glas heffen op Bob Maes, geenszins een 'onbenulligheid'

2 N-VA'ers Theo Francken en Ben Weyts. © belga

Marnix Beyen is historicus aan het Centrum voor Politieke Geschiedenis van de Universiteit Antwerpen.

Share

Meer nog dan hun aanwezigheid op het feestje rechtvaardigt de minimaliserende reactie van Weyts en Francken de vraag of zij nog kunnen functioneren in de schoot van een regering

2 © vertommen

Ongetwijfeld is Bob Maes, die in 1950 de Vlaamse Militanten Orde oprichtte, een vriendelijk man en een idealist, zoals Vlaams minister Ben Weyts (N-VA) beweert. Of hij ook 'op-en-top democraat' is, weet ik niet, maar het feit dat hij gedurende vijftien jaar in de Senaat heeft gezeteld en daar de Commissie voor Verkeerswezen heeft voorgezeten, toont in elk geval dat hij in die periode de parlementaire instellingen heeft gerespecteerd. Dat hij aan het einde van de jaren 70 weigerde toe te treden tot de extreemrechtse formaties die de basis zouden vormen van het Vlaams Blok, maakt bovendien duidelijk dat hij niet zonder meer mee stapte in de xenofobische tendensen die het Vlaams-nationalisme teisterden. Het vieren van de negentigste verjaardag van een man als Bob Maes is dan ook geen bewijs van een fascistische of ondemocratische inborst.

En toch is het onbegrijpelijk dat N-VA-minister Ben Weyts en staatssecretaris Theo Francken het voorbije weekend - het weekend waarin Francken als staatssecretaris werd ingezworen - naar het feest zijn gegaan dat in het gemeentehuis van Zaventem voor deze hoogbejaarde man werd gehouden. Zij hadden toch even goed een beleefde brief kunnen schrijven waarin zij hun vriend Bob feliciteerden met zijn verjaardag, maar tegelijk aangaven dat hun functie het hen nu eenmaal niet toestond aanwezig te zijn op de officiële huldiging? Maes zelf zou toch niet meer woorden nodig hebben gehad om te weten waar het om draaide? Hij zou toch wel hebben begrepen dat dragers van de uitvoerende macht legitimiteit moeten nastreven bij een zo breed mogelijk segment van de bevolking en dus bijzonder alert moeten zijn voor de symbolische betekenis die aan zijn of haar gedragingen kan worden gegeven?

Alles wat te maken heeft met de Vlaamse Militanten Orde ligt nu eenmaal zo gevoelig dat een minister die draagvlak wil creëren voor zijn of haar beleid zich daar beter niet mee associeert. Ook dat zou Bob Maes perfect begrepen hebben. Vriendelijk als hij blijkbaar is, zou hij ongetwijfeld een attent briefje hebben teruggeschreven, al dan niet afgesloten met een welgemeend "Hou Zee!". Francken en Weyts zouden dit hebben opgevat als een subtiele blijk van ideologische verwantschap, maar zouden zich daarna weer volop hebben kunnen wijden aan de beleidsdossiers die hen zijn toevertrouwd.

Door toch naar dat feestje te gaan, hebben zij zich nodeloos tot voorwerp gemaakt van een storm die hun pogingen om bij de linkerzijde en de Franstaligen steun te zoeken voor hun beleid bij voorbaat hypothekeert. Een 'onbenulligheid', zoals Weyts het heeft genoemd, is deze misstap dus geenszins. Beide excellenties en hun medestanders kunnen en zullen ongetwijfeld schermen met historische nuanceringen, die aantonen dat de VMO van Bob Maes nog niet de racistische knokploeg was die Bert Eriksson er van maakte nadat Maes er in 1971 was uitgetrokken. Zij zullen zich daarbij ongetwijfeld beroepen op de artikelen die hun gevierde partijleider in zijn jaren als academicus over deze materie schreef in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging. Tegelijk zullen zij daarin kunnen vaststellen dat de linkse en Franstalige pers de rol van Maes nu al meer heeft gerelativeerd dan de historische werkelijkheid toelaat.

Zo wordt op verschillende nieuwssites bericht dat Maes niet de oprichter was van de Vlaamse Militanten Orde, maar van de Vlaamse Militanten Organisatie. Historicus Bart De Wever benadrukt nochtans dat in de oorspronkelijke naam wel degelijk 'Orde' stond, als een 'doelbewuste verwijzing' naar de fascistische Dinaso Militanten Orde van de jaren 30. Pas in 1966 werd de naam veranderd naar Vlaamse Militanten Organisatie, maar ook daarna werd het niet bepaald een liefdadigheidsinstelling. In 1969 werd gewelddadig in de clinch gegaan met vaderlandslievende groeperingen die protesteerden tegen een huldiging van gevallen Oostfrontstrijders (nota bene door het Sint-Maartensfonds waarvoor Jan Jambon vele jaren later een voordracht zou houden). En in september 1970 raakten VMO'ers betrokken bij een incident in Brussel waarbij een militant van het FDF overleed. Dat Maes - die nog altijd voorzitter was - een jaar later de organisatie ontbond, had vermoedelijk minder te maken met ideologische distantiëring dan met druk vanuit de Volksunie.

Door het glas op Maes te heffen, hebben Weyts en Francken deze daden uit een ver verleden vanzelfsprekend niet zonder meer goedgekeurd. Maar door ze af te doen als onbenulligheden en de verontwaardiging hierover een 'heksenjacht' te noemen, laten ze wel een belangrijke kans onbenut om te tonen dat hun Vlaams-nationalisme zich volledig heeft gedistantieerd van de variant die tijdens de jaren '40 op grote schaal heeft meegewerkt met een extreem gewelddadig en xenofobisch regime.

Meer nog dan hun aanwezigheid op het feestje maakt die minimaliserende reactie de vraag gerechtvaardigd of zij nog kunnen functioneren in de schoot van een regering. Zolang hun partij dit deel van haar verleden met de mantel der liefde blijft bedekken, zal die vraag haar blijven achtervolgen.