Opinie
Michel Bauwens en Rogier De Langhe

Basisinkomen is geen vangnet maar een springplank

Michel Bauwens is stichter van de P2P Foundation. Rogier De Langhe is economiefilosoof aan de Universiteit Gent.

3 Diezelfde mensen die vinden dat mensen geen geld mogen krijgen zonder er iets voor te doen zien geen graten in het omkeerde: nuttige arbeid waar niemand voor wordt vergoed. ©THINKSTOCK
Michel Bauwens. ©Tim Dirven
Share

Ons pleidooi voor een basisinkomen is géén pleidooi voor een alternatieve sociale zekerheid, maar voor een alternatieve financiering van het middenveld

In de weekendkrant stak CD&V-voorzitter Wouter Beke de hand uit naar de deeleconomie (DM 30/5). Onze peer-to-peer theorie strookt volgens hem met de christendemocratische gedachte. Het verwante idee van het basisinkomen lag moeilijker. Waarom zouden we het fijnmazige opvangnet vervangen door veel bottere vorm van herverdeling, vraagt Beke zich af. Een antwoord is dat het basisinkomen wat ons betreft helemaal niet dient voor herverdeling.

Het basisinkomen is een hefboom voor zelfrealisatie en past zo alsnog in de christendemocratische gedachte. Niet als vangnet maar als springplank. De burger is productief door zijn actuele en potentiele bijdragen aan het gemeenschappelijke goed, via zijn participatie in "commons". Het basisinkomen is een erkenning van die bijdrage, en veralgemeent die mogelijkheid voor alle burgers. De roep om het basisinkomen is dan geen roep om nieuwe vangnetten maar om nieuwe springplanken.

De oude springplanken zijn te vinden in het traditionele middenveld, die lang geleden ook ooit begonnen als bottom-up initiatieven die mensen de middelen gaven om zichzelf te organiseren. Dat middenveld verandert vandaag razendsnel. De digitale revolutie geeft mensen ongeziene mogelijkheden om zichzelf te organiseren. Om de vloeibaarheid en diversiteit van dat nieuwe middenveld te respecteren zou ook de traditionele institutionele omkadering ervan moeten worden herzien, zodat de mensen van vandaag opnieuw de mogelijkheid krijgen om zichzelf te organiseren zoals ze dat vandaag zouden willen.

Het wordt stilaan onverdedigbaar dat traditionele mastodonten zoals vakbonden en mutualiteiten enorme vergoedingen opstrijken voor hun rol als middenveld terwijl het nieuwe middenveld dat ontstaat rond thema's als duurzaamheid en gezonde levensstijl veelal is aangewezen op karige cultuursubsidies. Ondertussen worden nog veel meer miljarden euro's naar de banken doorgesluisd, om hun speculatieve rol in de economie te ondersteunen. Het pleidooi voor het basisinkomen is dus géén pleidooi voor een alternatieve sociale zekerheid, maar een pleidooi voor een alternatieve financiering van het middenveld.

Rogier De Langhe. ©rv
Share

Diezelfde mensen die vinden dat mensen geen geld mogen krijgen zonder er iets voor te doen zien geen graten in het omkeerde: nuttige arbeid waar niemand voor wordt vergoed

Geld voor niets, het blijft voor velen een vreemd idee. "Voor niets gaat de zon op" of "Wie niet werkt, draagt niet bij en verdient daarvoor toch ook geen vergoeding?", hoor je wel eens. Deze typische tegenwerpingen maken geen onderscheid tussen economisch en maatschappelijk nut. Dat is geen toeval. Denkers als Bernard Mandeville en Adam Smith die de basis legden voor ons maatschappelijk economisch denken geloofden dat economisch en maatschappelijk nut hetzelfde waren. Mensen door persoonlijk gewin gedreven als door een onzichtbare hand zouden spontaan het maatschappelijk optimum bereiken. Vooral sinds de financiële crisis is het vertrouwen in die identiteit van economisch en maatschappelijk nut gaan wankelen. Is alles wat waardevol is wel in centen uit te drukken, en is alles wat centen kost eigenlijk wel waardevol? Dit wantrouwen laat toe het basisinkomen beter te begrijpen.

Om te beginnen is niet alles van maatschappelijk nut economisch valoriseerbaar. Diezelfde mensen die vinden dat mensen geen geld mogen krijgen zonder er iets voor te doen zien geen graten in het omkeerde: nuttige arbeid waar niemand voor wordt vergoed. Van grootouders die op de kleinkinderen letten tot penningmeesters van voetbalclubs. Hoewel onvoorwaardelijk is het basisinkomen dus toch geen "geld voor niets", maar eerder een forfaitaire vergoeding voor participatie in "commons". Een vergoeding voor iets wat we sowieso al doen, net omdát het zo belangrijk is. En net omdat het daardoor niet schaars is en dus geen marktwaarde heeft, moet het dan worden afgeschermd voordat het wordt uitgeruild tegen iets dat dat wel heeft maar ons minder waard is.

Omgekeerd groeit vooral sinds de financiële crisis de overtuiging dat niet alle arbeid met marktwaarde een maatschappelijke meerwaarde heeft. Getuige daarvan discussies over vermogensongelijkheid, éénprocenters, ontslagvergoedingen en bankiersbonussen. Of nu ook de "bullshitjobs" waarbij mensen geld verdienen aan jobs waarvan ze niet eens zelf het nut inzien. Waarom gaan we er eigenlijk blindelings vanuit dat een markt onze arbeid beter kan alloceren dan wijzelf, die nochtans over veel betere lokale informatie beschikken qua noden en omstandigheden? Met een basisinkomen koopt de overheid haar burgers als het ware een dagje in de week vrij om hen eigenaar te maken van hun eigen tijd, vanuit het idee dat ze die beter zullen aanwenden dan markt of staat.

Wanneer economische en maatschappelijke meerwaarde worden gelijkgesteld, komt het roer van de maatschappij automatisch in handen van de markt. Zoals Charlie Chaplin in Modern Times kozen we ervoor om radertjes te worden in een grotere machine die we niet controleren of overzien. Na meer dan twee eeuwen op automatische piloot duiken aan de horizon klippen op zoals klimaatopwarming, luchtvervuiling en grondstoffenschaarste. Almaar zichtbaarder worden de verborgen kosten waarmee de markt vergat rekening te houden bij de koersbepaling.

Opvallend veel nieuwe trends zoals eigen groenten kweken en spullen repareren wijzen op een verlangen om het roer weer zelf in handen te nemen. De renaissance van het idee van het basisinkomen gebeurt binnen een context waarin de geglobaliseerde mens opnieuw controle probeert te krijgen over zijn leefwereld. De roep om het basisinkomen signaleert een hernieuwd vertrouwen in onszelf en de nieuwe middelen die we hebben om onszelf te organiseren. En een groeiend wantrouwen tegenover die onzichtbare hand die het roer houdt.

Ons pleidooi voor een basisinkomen is géén pleidooi voor een alternatieve sociale zekerheid, maar voor een alternatieve financiering van het middenveld.