column
Ann De Craemer

‘Crepeerstudies’ bestaan niet: als je wilt vliegen, moet je durven gaan

#WoordVanDeWeek

Elke week kiest onze taalcolumniste Ann De Craemer het #WoordVanDeWeek. Dat kan een actueel woord zijn, een hip nieuw woord, een woord dat een snaar raakt, een totaal vergeten woord of een woord dat allang had moeten bestaan. Deze week: crepeerstudies.

Ann De Craemer. ©Eric De Mildt

‘Toch lange rijen voor “crepeerstudies”.’ Toen ik zaterdag deze titel las, trok ‘crepeerstudies’ meteen mijn aandacht: nog nooit van gehoord. Misschien omdat het de titel van een artikel uit een Nederlandse krant was? Dat blijkt een deel van de verklaring te zijn, want mijn Google-speurtocht naar ‘crepeerstudie(s)’ leverde alleen .nl-websites op. Maar omdat er bovendien zo weinig zoekresultaten waren, moet crepeerstudies wel een relatief nieuwe term zijn.

Etymologisch is ‘creperen’ ontleend aan het Duitse ‘krepieren’. Dat betekent ‘op een nare manier aan zijn eind komen’ en gaat terug op het Italiaanse ‘crepare’, ‘uit elkaar barsten; verrekken’. Het woord kwam in Duitsland sinds de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) vooral in de soldatentaal voor. Van crepeerstudies ga je niet dood, althans niet letterlijk, maar kennelijk wel financieel: het zijn studies die je weinig perspectief bieden op de arbeidsmarkt. Voorbeelden zijn film-of literatuurwetenschappen, archeologie of culturele antropologie. Precies voor die studierichtingen stonden tijdens de voorlichtingsdagen van de Universiteit Leiden lange wachtrijen, hoewel ze volgens de ‘Keuzegids Universiteiten’ — die een heuse ‘crepeerindex’ heeft — tot veel armoede onder afgestudeerden leiden.

Share

Niet iedereen die literatuur studeerde, werd later romanschrijver, maar wie wél die weg insloeg, heeft vandaag (laten we die term dan ook maar lanceren) vaak een ‘crepeerberoep’

Ik heb zelf ooit voor een crepeerstudie gekozen: Germaanse taal- en letterkunde, met in de licenties een ‘major’ in literatuur(wetenschappen). Wist ik bij aanvang dat mijn kansen op de arbeidsmarkt gering zouden zijn? Ik heb daar nooit bij stilgestaan maar gewoon mijn hart gevolgd. De koele berekening van jongeren die hun studiekeuze met het hoofd maken, heb ik nooit begrepen. Ze lijkt me vooral een geslaagd recept voor toekomstige werkontevredenheid, en bovendien is een beroep dat vandaag gegeerd is op de arbeidsmarkt dat een paar jaar later vaak al niet meer.

Wie zoals ik in 2003 afgestudeerde als germaniste, had kansen genoeg op de arbeidsmarkt, zeker wanneer je ervoor koos om in het onderwijs te stappen. Ik daarentegen wilde journaliste en schrijfster worden. Dat bleek een hobbeliger parcours, maar wel eentje dat me deze levensles heeft bijgebracht: wie wil vliegen, moet durven gaan.

Niet iedereen die literatuur studeerde, werd later romanschrijver, maar wie wél die weg insloeg, heeft vandaag (laten we die term dan ook maar lanceren) vaak een ‘crepeerberoep’. Niet enkel omdat romans schrijven financieel doorgaans weinig oplevert, maar ook omdat het steeds minder als ‘nuttig’ wordt beschouwd. Dat wist Saul Bellow al toen in 1975 zijn Humboldt’s Gift verscheen, een roman die ik las in de tweede licentie en die messcherp een samenleving fileert waarin de macht van het geld, de wetenschap en de ratio de kracht van de verbeelding verpletteren. Wanneer Bellow het heeft over de dood van Von Humboldt, het titelpersonage van de roman, schrijft hij:

‘Amerika is trots op zijn dode poëten. Het put een geweldige voldoening uit het getuigenis van de dichters dat de VS hun te weerbarstig is, te groot, te veel, te ruig, de Amerikaanse werkelijkheid te overweldigend. Voor dichtkunst moest je op school zijn, bij vrouwen, in de kerk. De zwakte van de spirituele krachten blijkt uit de kinderlijkheid, waanzin, dronkenschap en wanhoop van deze martelaren. Orpheus bracht nog stenen en bomen in beweging. Maar een dichter kan geen baarmoeder verwijderen of een raket het zonnestelsel uit schieten.’

Dat kunnen dichter en schrijvers inderdaad niet – noch andere ‘crepeerstudenten’ in de literatuurwetenschappen, archeologie of culturele antropologie. Maar laat een denigrerende en misleidende term als ‘crepeerstudies’ hen vooral niet tegenhouden om hun hart te volgen bij hun studiekeuze. Dat doen ze, getuige daarvan de lange wachtrijen, gelukkig in groten getale. In een maatschappij waarin empathie en verbeelding het steeds vaker moeten afleggen tegen feitelijke kennis, kille cijfers en prestatiedrang, is het succes van crepeerstudies een hoopgevend signaal. Crepeerstudies leiden later misschien niet tot een vette bankrekening en een nog vettere bedrijfswagen, maar wel tot tevreden mensen die geluk vinden in hun werk. Van hen kunnen er, getuige de vele burn-outs, niet genoeg zijn. Ik hoop dat alle studenten, of ze nu crepeerstudies volgen of niet, tijdens hun traject ooit deze woorden van Louis Paul Boon onder ogen krijgen:

Share

Crepeerstudies leiden later misschien niet tot een vette bankrekening en een nog vettere bedrijfswagen, maar wel tot tevreden mensen die geluk vinden in hun werk

‘Ge moet nooit voor uzelf de zon gaan zoeken in de boeken of op de kermis, in de kerk of onder de rokken van een vrouw, in het diepste van de zee waar veel geld moet liggen of in de verte waar misschien een luilekkerland is, maar ge moet met liefde arbeiden aan het werk waarin ge het handigst zijt, en beseffen dat uw werk, hoe simpel het ook is, deze en de komende geslachten helpen zal. Over uw eerlijke arbeid in dienst van de gemeenschap zittend, zult ge ontdekken dat ge nergens de zon moet gaan zoeken, want zij zit binnen in u.’