Dinsdag 02/03/2021

Zwijgen en blijven zou hypocriet zijn

Als er één voetbalclub in België is met een air van chique, is dat Royal Sporting Club Anderlecht. Champagnevoetbal, zo roemen ze hun eigen spel. De club met het stadion met de eerste en meest prestigieuze loges. Het stadion met Saint-Guidon, het eigen restaurant dat een paar jaar geleden op één Michelinster kon bogen. Uitgerekend dat Anderlecht wordt nu al ruim twee jaar geleid door Ariël Jacobs. Een heer van stand, een man met cultuur en manieren: dat zeker. Een man van de wereld, maar geen mondaine seigneur. Hij ontvangt in trainingspak, lichtjes bezweet, in de zeteltjes van de inkomhal. Geen kapsones, geen poeha. Geen ijdeltuiterij ook met de fotograaf. Ariël Jacobs past op zichzelf toe wat hij het voetbal verwijt: dat er te weinig eenvoud is, geen nederigheid, maar overmoed overal, en overdrijvingen. En daarom stapt hij op. Tenminste: dat blijkt, dat moet de gesprekspartner maar vermoeden. Want al peilden we bij herhaling naar de precieze reden van een toch ongewoon vertrek, een eenduidige reden, een concrete oorzaak heeft (of zegt) Ariël Jacobs niet. Maar het onbehagen zit diep.

Er zijn niet gek veel trainers van Anderlecht die uit eigen beweging uit het Astridpark vertrokken. Er waren er nog veel minder die meteen uit het voetbal stapten.

Jacobs: “Zoals ze in het Frans zeggen: Il faut de tout pour faire un monde. Maar als je in de loop der jaren een aantal vaststellingen maakt over de staat van het voetbal en je kan je daar echt niet meer in vinden, dan zit je met een probleem. Als men mij vraagt: ‘Doe je het nog graag?’, dan kan ik wel zeggen ‘ja natuurlijk’, maar dan zou ik me een hypocriet voelen. Ik mag toch zeggen wat ik echt voel?”“Ik zit een beetje in dezelfde situatie als toen Anderlecht mij aanzocht om hoofdtrainer te worden. Ik wilde dat ook niet meteen doen. Maar als ik dat zou verteld hebben aan collega’s of andere mensen in het wereldje, hadden ze mij prompt voor gek verklaard: ‘Zo’n kans, bij Anderlecht nog wel, dat is uniek’. Maar blijkbaar kan ik soms afstand nemen van mijn job. Ik weet niet of ik het vak anders beleef dan de collega’s. Dat moet je hen vragen. Supporters, trainers, spelers, allen hebben we een zekere liefde, passie, overgave voor het voetbal. Maar vanuit die gedeelde passie vult iedereen natuurlijk zijn eigen rol anders in.”

U bent niet graag meer voetbaltrainer?

“Dat heb ik nooit gezegd. Ik voel me geen ambtenaar van zestig die nog een aantal jaar moet uitzitten om zijn maximaal pensioen te halen. Ik blijf mijn werk met evenveel enthousiasme doen. Een apatische trainer kan namelijk niks van zijn spelers eisen. Niemand zal me de volgende weken en maanden dus op lusteloosheid betrappen.”“Het werk zelf blijft me trouwens boeien. Ook de minder aangename parameters die eigen zijn aan het vak: het maken van persoonlijke keuzes in de selectie, en het moéten winnen van wedstrijden, bovendien met verzorgd voetbal, elke week weer, omdat dit nu eenmaal Anderlecht is. Maar dergelijke ‘last’ stoort me niet.”“Een trainer moet zijn spelers en zijn ploeg beter maken. Dat is de essentie van de job. Alleen kom je daar steeds moeilijker, omdat een aantal secundaire factoren de essentie van de job overwoekert. Die vaststelling dateert niet van vorige week. En dus ligt mijn beslissing om te stoppen al een tijd vast. Ik heb tien maanden geleden voor mezelf uitgemaakt dat het op het einde van het seizoen afgelopen zou zijn. Alleen werd de vraag me gesteld in de nasleep van dat spijtig voorval. Maar mijn antwoord stond er los van. Het ongenoegen stapelt zich al een hele tijd op.”

Over dat wat u een spijtig voorval noemt (de aanslag van Witsel op Wasilewski, JPDV/WP): voelde u meteen aan ‘hier is een grens overschreden?’

“Het gebeurde natuurlijk vlak voor onze bank. Mij blijft vooral het beeld bij van de dokter en de kinesist. Dokter Sas veert onmiddellijk op: niet naar de speler, maar naar de scheidsrechter. Zo’n man schat de ernst van de situatie natuurlijk meteen in. Op zulke momenten komt alles tegelijk bij je op. Emotioneel ben je betrokken bij je speler. Je bent bezorgd om de ernst van de kwetsuur. Maar je denkt ook meteen aan de tactische consequenties: Witsel kreeg rood, dus Standard speelt met een man minder, waardoor ik natuurlijk een speler moest wisselen. Terwijl het stadion kolkt en de spelers over de nek gaan, moest ik rationeel blijven. (lachje) En luttele minuten later pakken we toch die tegengoal. Dat komt vaak voor. We spelen met een man meer, maar de ploeg was nog van slag. Zeker de spelers die het best bevriend zijn met ‘Wasyl’, zoals Boussoufa, waren de kluts kwijt.”

Is dat niet surrealistisch: anderhalve meter naast een speler met een dubbele open beenbreuk de spelers wijzen op de veranderde veldbezetting? Boussoufa was niet eens in staat naar uw richtlijnen te luisteren.

“Toch is dat wat je moet doen als trainer. ‘Bous’ speelde op dat moment centraal. Hij moest meer naar de kant spelen. Hij was zodanig de kluts kwijt dat hij niet leek te beseffen dat de tegenstander tot tien herleid was. Toen ik daarna zei ‘Tom De Sutter komt erin’ had ik de indruk dat Bous wilde vragen: ‘Ja, maar wie gaat er dan uit?’ - hij had niet eens door dat het de wissel voor Wasilewski was.“Ik had alleen geen rekening gehouden met welke situatie we kort nadien tijdens de rust in kleedkamer zouden aantreffen. Ik voelde wel dat de hoofden niet naar de wedstijd stonden, maar ineens was er een ‘confrontatie’ met de twee spelers in de kleedkamer. Jan Polak was even tevoren uitgevallen met gescheurde kruisbanden, en die zat daar met zijn gigantische knie in het ijs. Maar vooral het beeld van die schreeuwende ‘Wasyl’, met wie het Rode Kruis nog volop aan de slag was, ging door merg en been. Ik heb mijn mond gehouden over tactiek. Het enige wat mij te doen stond, was de spelers met de gedachten weer bij het veld krijgen, hen beschermen tegen zichzelf. Het is een verdienste dat bij niemand de stoppen echt zijn doorgeslagen.”

Denk je in zo’n danteske sfeer niet: ‘we gaan het veld niet meer op’?

“Natuurlijk flitste dat door mijn hoofd, maar het bleef bij edele gedachten. Bedenk maar eens welke gevolgen zo’n forfait zou hebben. In de eerste plaats op het publiek. Nu al braken supporters van beide kanten bijna de boel af. Wat zou dat worden als ik de wedstrijd zou stilleggen? En wat vindt mijn kleedkamer ervan? Als ik zo’n verregaand voorstel doe en de spelers wilden net een sportieve revanche nemen, dan denken zij: ‘Dit kan toch niet?’ Niet spelen zou een goed bedoelde daad geweest zijn die veel negatieve dingen teweeg zou brengen.”

Iedereen houdt nu al zijn hart vast voor de volgende Standard-Anderlecht.

“Ik ook. Het klinkt heel negatief, maar het is niet pejoratief bedoeld. Stel je maar eens voor hoe het zal zijn. Natuurlijk zal de pers herinneren aan de veldslag van vorige week. Beelden worden terug getoond, uitspraken opgerakeld. Ik benijd de scheidsrechter ook niet die de volgende confrontatie zal fluiten. Die moet zogezegd de knop omdraaien en onbevooroordeeld aan de wedstrijd beginnen, maar tegelijk beseft hij natuurlijk dat de beladen historiek bij de spelers wél leeft. En eens het spel begonnen is, kan je als scheidsrechter niet verwachten dat de spelers meteen hun voetje terugtrekken omdat het anders negatief zou overkomen, want ook dat zou te kunstmatig zijn. Maar wat als na vijf minuten een speler, van Anderlecht of Standard, naar de bal gaat en daarbij een elleboogje zet? Welke reacties krijg je dan? Het klinkt negatief, ik zoek voor mezelf een oplossing, maar ik heb ze nog niet gevonden.”“Ik heb wel moeite met bepaalde insinuaties. In alle kranten lees ik: we moeten de gemoederen dringend bedaren. Een dag later zie ik in dezelfde kranten foto’s van Deschacht - Anderlecht - en De Camargo - Standard - die op training naast elkaar lopen en niks zeggen. Met een insinuerend onderschrift erbij: het visuele bewijs van het feit dat de oorlog blijft duren. Komaan. Op elke training van Anderlecht kan je twintig zo’n foto’s nemen: spelers lopen elkaar dan namelijk voortdurend voorbij zonder te kletsen. En spreken ze wel, dan staat er misschien onder de foto dat ze elkaar verwensingen maken. Zo stoken media een conflict op waarvan ze zelf roepen dat het moet bedaren. Ik vind dat niet ernstig.”

U kwam in het profvoetbal in een meer gentlemanlike omgeving dan nu: als assistent van bondscoach Wilfried Van Moer, met op het veld volwassen kerels als Franky Vander Elst of Marc Wilmots. Sindsdien zijn de zeden aardig verruwd.

“Inderdaad. Maar wat ik vaststel in het voetbal zien we natuurlijk ook in de hele maatschappij. Men klaagt over een gebrek aan norm, gebrek aan respect, maar er wordt weinig aan gedaan. Die klachten komen naar boven als er zich een tragedie voordoet. Twee dagen later doet zich een ander feitje voor en is alles van voorheen alweer vergeten. Voetbal is een klein deeltje van de maatschappij, maar je ziet er wel dezelfde incidenten. “Mij blijft de afschuw bij waarmee iedereen reageerde in de zaak van Ann en Eefje. Op de zondag van de Witte Mars moest er gevoetbald worden en dus kon ik niet mee opstappen, maar ik voelde heel sterk de drang om daar bij te zijn. Ik houd nochtans niet van grote manifestaties. Maar ik stelde me in de plaats van die ouders en dacht: ‘Dit is de enige manier om mijn medeleven kenbaar te maken.’ Driehonderdduizend man stapte mee, het hele land voelde dat het gevoel van afschuw diep zat. Maar naderhand verwatert dat, en uiteindelijk wordt het effect en dus het belang van die Witte Mars tot een minimum herleid. En dan krijg je natuurlijk een tweede klap.”

Het Belgisch voetbal had vorig jaar ook zo’n moment van collectief verdriet: de dood van François Sterchele. Ook toen was er afschuw, en voorzichtige pleidooien om ‘lessen te trekken’. Te snelle auto’s, of de luxetasjes van Louis Vuitton, het zijn uitingen van hetzelfde fenomeen: spelers die hun weelde graag etaleren en er moeilijk mee omkunnen.

“De levenswandel van spelers is in ieder geval iets waar ik heel vaak op terugkom. En ook bij Anderlecht kreeg ik dan het antwoord: ‘Een ongeluk als Sterchele overkomt mij niet.’ Dat is ook een maatschappelijke reflex: ‘Het overkomt een ander, mij niet’. Dus waren mijn opmerkingen vaak een holle redevoering. Mijn boodschap vond geen doorgang.”

Omdat het te veel ‘papa preekt’ is?

“Misschien. Word ik oud? Geen idee. Ik ga daarom soms te rade bij andere mensen, precies om te vragen: ‘Is het nu zo abnormaal dat ik daar stil bij sta? Is het abnormaal dat ik spelers daarop wijs?’” “François Sterchele is natuurlijk voor een groot deel verantwoordelijk voor zijn eigen daden, maar op een bepaalde manier is hij slachtoffer van een vanzelfsprekende context die rond het profvoetbal hangt. Men staat maar stil bij die context als een afschuwelijk ongeluk voorvalt. Dat spelers veel geld hebben en een snelle wagen, dat maakt deel uit van de zeden. Sommige mensen zullen wel jaloers zijn op die dure karren, maar stel je maar eens voor dat een speler van Anderlecht met de fiets naar de training komt. Dan kan zo’n jongen niet maken, ook niet tegenover zijn ploegmaats. En een groot deel van de publieke opinie zou er onmiddellijk op inzoomen. Als speler moet je afstand nemen van die status, maar de meeste spelers lopen daarin mee.” “De dood van Sterchele heeft me geraakt. Ik stond ‘s morgens onder de douche en mijn vrouw zegt mij: ‘Weet je wie er dood is? Sterchele.’ Op zo’n moment is dat echt een black-out. Je bent aan de muur genageld. Je vraagt je af: ‘Waarom?’ En ook: ‘Heb ik hier mee schuld aan? Duw ik jongens niet mee in die rol?’”

Uw voorganger Frank Vercauteren stelde ook uw integriteit in vraag toen u, zijn eigen assistent, na zijn ontslag zijn trainersfunctie bij Anderlecht overnam. Hij vond dat een messteek in de rug.

“Ik vermoed dat het te maken heeft met de ontgoocheling van het moment. Nog eens: het is nooit mijn bedoeling geweest om hoofdcoach te worden. Had ik dat gewild, dan had ik eerder in Moeskroen getekend voor die job.”

Maar zo heeft iedereen ooit wel wat boter op zijn hoofd. Begrijp u dat er zich collega’s storen aan het imago van witte ridder dat u kreeg nadat u bekendmaakte te stoppen omdat het niet meer hoeft?

“Dat vind ik inderdaad vervelend. Had ik geweten dat het zo opgevat zou worden, dan had ik het misschien nog niet gezegd. Ik ben geen witte ridder.”

In Sport/Voetbalmagazine zegt u: ‘Ons voetbal is rot en je krijgt het er niet meer uit’. U heeft een aantal uitwassen van dichtbij meegemaakt. U was technisch directeur bij Racing Genk, een club die het Standard van Limburg wilde (en kon) worden. Maar al jaren gaan spelers er hun carrière begraven en valt voorzitter Jos Vaessen vooral op door boos en ranzig te zijn: op zijn spelers, zijn trainer, of op clubs als Standard.

“Akkoord, maar de manier waarop Genk Steven Defour verloren heeft aan Standard, was een serieuze tik voor de mensen in Limburg. Genk heeft Steven in de beste omstandigheden naar de top begeleid: topsportstudies, training, doorstroming naar de eerste ploeg. Een goeie eigen jeugdspeler naar de top loodsen, een kerel die extra sympathie opwekte bij het publiek wegens zijn kleine gestalte, dat is de natte droom van elke bestuurskamer. Die betrachting is universeel: mensen willen kinderen, politieke partijen ijveren om aansluiting te vinden bij de jonge kiezer, en clubs willen zelfopgeleide toppers. Steven Defour symboliseerde de ideale carrière-uitbouw in het Belgisch voetbal. En daarom begrijp ik de ontreddering en machteloosheid van een man als Vaessen als Standard ineens dat droomtalent inpikt.” “Het is de harde realiteit van het Belgische voetbal: wij leiden op voor meer kapitaalkrachtige clubs. Dat gebeurt tussen Genk en Standard, en nadien ook tussen Standard en Everton. Dat is op den duur ontmoedigend. Dat zie je hier op Anderlecht ook: op bepaalde momenten moet je aan jonge spelers die nog niks bewezen hebben vorstelijke contracten geven die ze eigenlijk niet zouden mogen krijgen. Maar doe je het niet, dan zijn ze weg naar het buitenland. En om helemaal gefrustreerd te raken: de fortuinen die we uitgeven aan zij die het (nog) niet verdienen, blijken uiteindelijk een peulschil te zijn in vergelijking met wat die spelers, eenmaal ze beter geworden zijn, elders kunnen verdienen. En zo kwamen we in een oceaan waarvan niemand het einde meer ziet.”

Spelers herhalen de manieren die hun trainers tonen. Georges Leekens zorgt voor goed voetbal bij Lokeren, tot er midden in het seizoen ineens een sjeik komt met een chequeboek.

“Georges zal het anders bekijken. Hij zal niet denken aan die voorbeeldrol. (lacht) Ja zeg, als je zo veel geld kan verdienen, en er staat bovendien een clausule in je contract dat je onder deze of gene voorwaarde weg mag, dan zie ik niet in waarom ik hem zou moeten veroordelen. Zo gaat dat.”

U was trainer van La Louvière anderhalf jaar voor daar het schandaal rond de gokchinees uitkwam. Spelers werden toen bedreigd met een pistool op het hoofd. En toch, zo zouden wij moeten geloven, lekte niets uit in het voetbalmilieu?

“Tijdens mijn passage bij La Louvière is er nooit sprake geweest van die toestanden. Ik weet dat voorzitter Gaone een kwalijke reputatie had, maar onze relatie was goed. Ik heb er nooit iets louche zien gebeuren. Het enige verwijt dat ik hem kan maken is dat hij fouten maakte door mensen te laten doen. In de bedrijfswereld heb je hetzelfde mechanisme: als bedrijfsleider draag je de verantwoordelijkheid. Idem voor een trainer.”“Alleen heb ik mij vaak de vraag gesteld: hoe kan dit in België? Dit stelt ons land in een kwalijk daglicht. Ik moet zeggen: in geen enkele geleding slaagt men erin om ook maar een aanleiding te geven tot verbetering. In België zitten we met een probleem van structuren. Zowel in het voetbal als in de politiek. Want wie beslist wat? Maar ik heb de indruk dat het ook een probleem van mensen is. Want wie de structuur wil aanpakken, zit vaak zelf al vast in de structuur.”

Is dat de verklaring voor het ‘glazen plafond’ van het Belgisch voetbal? Is dat de reden waarom niemand erin slaagt het Belgisch voetbal naar een hoger internationaal niveau te tillen?

“Ik vergelijk België vaak met Nederland. Zij hebben 15 miljoen inwoners, wij 10 miljoen. Dus voor elk aangeboren talent bij ons hebben zij er in theorie anderhalf. Dat is een verschil, maar geen gigantisch groot verschil. En toch zie je oneindig veel meer Nederlanders bij buitenlandse topclubs dan Belgen.”“Het product voetbal is in Nederland significant anders georganiseerd dan in België. Van de basis, het niet-betaalde voetbal, tot de top. Het verschil in de aanpak van het jeugdvoetbal is enorm. Wij konden met de jeugd gemakkelijk met 4-0 van Luxemburg winnen, maar de twee beste spelers liepen vaak bij de tegenstander. Die kloof dicht je niet zomaar. Maar in het voetbal relativeert men niet, en dus heeft men te weinig oog voor onze gebreken. Dat uit zich keer op keer in het verwachtingspatroon naar de nationale ploeg. Dat ligt veel te hoog.” “Bij lottrekkingen voor EK’s en WK’s zitten de Rode Duivels meestal in bokaal drie. Dat geeft toch een bepaalde waardeverhouding weer. En het gevoel bij ons is dan: de nummer één wordt moeilijk te kloppen, maar misschien kunnen we ergens een puntje afsnoepen. Maar de nummer twee is van ons niveau en tegen de drie andere ploegen halen we achttien op achttien. En dus zouden we, vinden we zelf, elke keer gekwalificeerd moeten zijn. Sorry, maar wie zijn wij om dat te zeggen? Ik lijd toch niet aan het syndroom van de defaitistische underdog als ik dat even wil nuanceren? Waarom zouden wij moeten doen alsof Turkije automatisch een haalbare kaart is? Hun nationale ploeg doet het goed op toernooien waarvoor wij ons niet kunnen plaatsen en ze hebben ploegen als Galatasaray, die een klasse beter zijn dan Anderlecht. Twintig jaar geleden konden de Rode Duivels de Turken inderdaad aan, maar daarom is dat nu niet meer het geval. En waarom zouden wij ‘moeten’ winnen tegen Bosnië? Een ploeg met de beste spitsen en middenvelders van de Bundesliga? En als het niet lukt, is natuurlijk de bondscoach de man die heeft gefaald. Een beetje nederigheid graag, of beter: een beetje objectiviteit en nuchterheid.”

Is dat verhaal van zelfoverschatting er één waaraan vooral de media zich bezondigen, of zit het ook in de hoofden van voetballers en clubbesturen?

“Ik denk dat het een algemeen verschijnsel is. Wij oordelen stelselmatig te vlug in een bui van euforie, en we roepen dan ‘Met deze spelers moet het eindelijk gebeuren’. Terwijl er eigenlijk hoogstens een kans, maar geen enkele garantie is op succes. Onze selectie Rode Duivels heeft vandaag meer individuele kwaliteit dan de groep van zeven jaar geleden. Het verhaal is daarom niet zo negatief. Maar nuchter bekeken: een aantal spelers zijn toppers in de Belgische competitie, maar we weten toch wat de Jupiler Pro League voorstelt in vergelijking met de rest van Europa? Andere jongens spelen wel in die topcompetities, maar tot verwondering van velen bakken ze er in de nationale ploeg telkens opnieuw zo weinig van. Ligt het dan aan de de bondscoach? Zijn de spelers zelf niet gemotiveerd? Helemaal niet. De spelers hebben wel hun plaats in topclubs, maar hebben daar een beperkte taak die ze goed uitvoeren. Het zijn geen dragende spelers.”“Onze foute redenering: ze spelen bij Manchester United of Bayern München, en wij vinden per definitie dat ze ook in de nationale ploeg op dat niveau moeten presteren. Maar dat gaat gewoon niet op. De norm is anders. Anthony Vanden Borre, Daniel Van Buyten, Timmy Simons: allemaal gasten die in goede competities spelen. Wij zeggen: ‘Ze verdienen veel geld, ze moeten het maar kunnen’. Sorry, zo werkt het niet. Het is anders verdedigen in een defensie die bestaat uit allemaal klassespelers dan in de nationale ploeg.”“Voorts beoordelen we beloftevolle spelers ook veel te voortvarend. Wie twee keer goed tegen een bal trapt, is al international. Ik wil een concreet voorbeeld geven. Ik mag dat, want ik heb het met de speler in kwestie besproken. Romelu Lukaku scoort in Waregem. Eerlijk waar, ik weet niet of hij bij die ‘goal’ de bal raakt of niet. Maar omdat hij jong is en omdat hij scoort, is hij meteen ook supergoed. Men beoordeelt een fase, een moment. Men vergeet dat hij amper komt kijken.”

U houdt een vurig pleidooi voor bescheidenheid, maar u doet dat hier naast de trofeeënkast van Anderlecht. Het mooiste palmares van het land, pocht men graag, en vanuit dat verleden eist Anderlecht elk jaar van elke trainer om de titel te grijpen. Maar wie goed kijkt naar deze vitrine, ziet dat het in elk decennium ‘maar’ één keer op twee lukt. Anderlecht legt zijn staf en zijn spelers eigenlijk het onmogelijke op.

“Ook bij Anderlecht is het halen van de titel geen evidentie, dat klopt, en de club in zijn totaliteit leeft inderdaad met het beeld dat succes vanzelfsprekend is. Daarom is het goed dat er in deze staf mensen zitten als Filip De Wilde of Besnik Hasi. Filip zegt soms eens: ‘Dat seizoen hadden we een enorm slechte start’, of ‘Dat seizoen eindigden we slechts vierde.’ Of: ‘Toen gingen we eruit in de beker tegen Ingelmunster of Geel.’ Zo leer je relativeren.”“Overmoed heb ik niet alleen bij Anderlecht gezien. Bij mijn doortocht bij Moeskroen ondervond ik hetzelfde mechanisme. We speelden zes maanden zeer goed. De club bleef in eerste klasse, het faillissement leek definitief afgewend. Na de voorlaatste wedstrijd heb ik een discussie met de voorzitter. Hij: ‘Volgend jaar moeten wij gaan voor Europees voetbal.’ Ik: ‘Voorzitter, je moet een klein beetje zien van waar deze club komt.’ En dat heeft niks te maken met mezelf te willen indekken. Ik zeg: ‘We eindigden dit jaar als tiende, op de eerste plaats in de rechterkolom. Als Moeskroen volgend jaar als negende, dus als laatste in de linkerkolom kan eindigen, dan hebben we een wereldprestatie geleverd.’ Waarop hij antwoordt: ‘Denk je dat ik met zo’n ambitie naar mijn nieuwe investeerders in Spanje kan stappen?’ Toen was het verhaal voor mij voorbij. Maar het is wel het drama van het Belgische voetbal: het verkeerd inschatten van ‘wat willen we?’, ‘wat hebben we’ en ‘wat kunnen we’. Die fout komt heel vaak terug.”

Begaat u zelf niet ook die fout? U zei eerder in deze krant: de roes van de overwinning is mij vreemd. De kater van de nederlaag blijkbaar niet.

“Dat is dan mijn fout. Ik denk dat het een gemeenschappelijke deler is bij voetbaltrainers. Je kunt proberen er iets aan doen, maar als puntje bij paaltje komt, lukt het toch niet. Als trainer bij Anderlecht weet je: de overwinning is eigenlijk normaal. Enige tevredenheid duurt hoogstens twee dagen. Dan is de volgende wedstrijd belangrijk. Maar als je verliest, duurt het drama zeven dagen.”

Geef toe: zo is de aardige man Ariël Jacobs stilaan een kloon geworden van de ‘vleesgeworden kramp Vercauteren’, zoals deze krant uw voorganger ooit typeerde.

“Ik denk het niet. Ik geloof niet dat je mensen tot een typetje kunt herleiden. Toen ik bij Anderlecht aankwam, was ik zogezegd een saai persoon. Daarna een cynicus, althans voor de Vlamingen. De Walen zeggen: Jacobs is een man d’humour au second degré, dat vind ik mooier. Veranderde ik als persoon? Neen. Vraag het aan mijn vrienden: ik ben altijd zo geweest. Zelfs zij weten niet of ik iets ernstig meen of niet”. “Wat er veranderde, is niet de mens, maar de omgeving. In deze club komt iedereen in een ander daglicht te staan. Bij Anderlecht komt gewoon meer van je persoonlijkheid naar buiten. In Moeskroen zitten twee journalisten in de zaal. Wat je daar zegt, verlaat vaak niet eens de persruimte. Bij Anderlecht riskeer je al averij in de media met wat je niét zegt.”“Ik heb in heel mijn loopbaan etiketten gekregen. En die etiketten blijken dan zogezegd de waarheid te zijn. ‘Hij is een jeugdtrainer’, was het eerst, ‘geen man voor de grote jongens’. Dan, toen ik trainer werd bij La Louvière: ‘Hij gaat zich begraven op het kerkhof van de oude gloriën’. Ten slotte: ‘Hij kan het wel bij clubjes als Moeskroen, maar niet bij een belangrijke club’.

Los van het etiket: de Ariël Jacobs die vandaag een persconferentie geeft is niet dezelfde als de man die twee jaar geleden Anderlecht overnam.

“Ja, dat zal wel kloppen. Maar dat is niet gemaakt of gespeeld. En natuurlijk verandert ook de perceptie van de mensen tegenover je. Toen ik als gewezen hulptrainer van Vercauteren overnam, was ik aanvankelijk een tussenpaus. En dan viseert men niet zozeer de persoon of diens fouten. Dan ben je toch maar een passant. Dat bleef niet zo toen mijn statuut bij Anderlecht veranderde van tussenpaus tot coach voor de volgende twee jaar. Dan gedraagt iedereen zich heel anders. Maar mocht ik echt van mijn persoonlijkheid afwijken, dan weet ik dat er mensen buiten het voetbal zijn die zullen aangeven: ‘Ho stop’.”

Ariël Jacobs wordt steevast omschreven als ‘vakman’. Maar bent u het niet aan uw stand verplicht om dit jaar kampioen te spelen? In het andere geval bent u een man die Anderlecht drie jaar trainde maar nooit de titel won.

“Die titel hadden we eigenlijk vorig seizoen moeten pakken. We waren de evenknie van Standard. Beide ploegen sloten het jaar af met een ongelooflijk hoog puntenaantal. Anderlecht was net iets beter in de competitie, maar helaas net iets minder in de barragematchen. Dan blijf je wel op je honger zitten. Het knaagt, want je voelt dat wij ook de zege hadden verdiend. Maar innerlijk verandert dat voor mij weinig aan de afweging of ik het goed deed of niet.”

Wat doet Ariël Jacobs volgend jaar rond deze tijd?

(lachje) “Ik ga proberen tijd te nemen voor het leven. En dat meen ik in de letterlijke betekenis van het woord. Mensen zeggen mij vaak: ‘Ariël, je hebt hier geen ongelijk in.’ We zitten met zijn allen in een concurrentiële maatschappij, een prestatiemaatschappij. Als ik hier niet meer zit, dan zit hier prompt iemand anders. Dus moet je altijd vechten voor je plaats, voor jezelf, voor je boterham. Je zit in de kringloop: je wordt geleefd. Vanaf volgend jaar wil ik zelf leven.”

Meer over

Nu belangrijker dan ooit: steun kwaliteitsjournalistiek.

Neem een abonnement op De Morgen


Op alle artikelen, foto's en video's op demorgen.be rust auteursrecht. Deeplinken kan, maar dan zonder dat onze content in een nieuw frame op uw website verschijnt. Graag enkel de titel van onze website en de titel van het artikel vermelden in de link. Indien u teksten, foto's of video's op een andere manier wenst over te nemen, mail dan naar info@demorgen.be.
DPG Media nv – Mediaplein 1, 2018 Antwerpen – RPR Antwerpen nr. 0432.306.234